(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Nederland als polderland: beschrijving van den eigenaardigen toestand der ..."

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 



# 



GODFREY LowELL CABOT SCIENCE LIBRARY 

Qftht Harvard CcUtgt Lihfün 



This book is 

FRAGILE 

and circulates only with perniission, 

Please handle with care 

and consult a sta ff member 

bef ore photocopying. 



Thanks for your help in preserving 
Harvard's library coUections, 



£m^ (cyi 



Ji 



Gf 
OF 
FO 
P£ 
ÏO 
PO 



r 





Nederland als Polderland. 



BESCHRIJVING VAN DEN EIÖENAARDIGEN TOESTAND 
DER BELANGRIJKSTE HELFT VAN ONS LAND, 



TEVIHS BETATTXHDE 



de Topografle van dat gedeelte aet de voornaamste ditails. 

to«g«lieM 4oor KtvlM m T««kmiii(M , 



BOOS 



A. A. JEEEMAN, 

OuA Oeniè-cfficier , Leeraar aan, hei Gymnasium te ZtUfen, 



—^fihf^^A^- 



ZÜTPEN, 

W. J. THIEME & Cie. 
1884. 







1^U^<ytt 






v\ 



INHOUD. 



bl. 

Inleiding I— XI 

Boek I. Ons land in het algemeen. 

HOOFDSTUK 1. Algemeene bepalingen en be- 
schouwingen 1 

HOOFDSTUK 2. De hoofdrivieren en de zee. 

De Rijn en zijne zyrivieren 7 

De Maas 17 

Tabellen van gegevens omtrent de hoofdrivieren . 28 

De Linge 87 

Iets over rivierdijken, overstroomingen en beheer 

der rivieren 40 

De zee 55 

Tabel van gegevens omtrent de getyen 60 

HOOFDSTUK 3. Vorming van den bodem. 

Uitwatering van rivieren in zee. Vorming van haf- 

fer en delta's in 't algemeen 65 

Wording van den bodem van Nederland 68 

HOOFDSTUK 4. Eigenlyke Hydrografie. 

Verdeeling van Nederland in 2 hydrografisch scherp 

te onderscheiden deelen 77 

Boek n. Het land der kunstmatige aftiratering, der 
polders, der afgesloten en stilstaande wateren. 

Inleiding 88 

HOOFDSTUK 5. Verklaring van algemeene 
begrippen. 
Wat zyn polders, droogmakerijen en bedökingen? 

Hun ontstaan en voorkomen 86 

Atmosferische neerslag en verdamping. Waterbe- 
zwaar en watergebrek in polders 99 



IV INHOUD. 

bl. 

Waterloozing 102 

Inlating by watergebrek 116 

Gemeenschap tusschen boezems en buitenwater, 

tusschen boezems onderling, enz 118 

De administratieve lichamen. Geschiedenis en te- 
genwoordige toestand 120 

HOOFDSTUK 6. Topografie. 
A. Het HoUandBoh-UtreohtBohe Polderland. 

§ 1. Algemeene beschryving 183 

§ 2. Rivieren en stroomende wateren 135 

Q 3 i Waterstaatkundige verdeeling. 

* l (Boezems en rechtstreeks afwaterende landen.) 

a. t. Z. van het voormalige IJ 141 

b. Boezem van het Noordzeekanaal .... 166 

c. t. N. van het voormalige IJ (Hollands 
Noorder-kwartier) 

Geschiedenis 167 

Zeeweringen 169 

Waterstaatkundige verdeeling. Boezems . 170 
§ 4. Administratieve verdeeling. Dyksbestu- 
ren en Waterschappen. 

Geschiedenis . . 179 



. ri u X T TT I Dyksbesturen en 

a. t Z. van het voormalige I J ( „ 

I Zeewermgen . . 181 



Waterschappen . 185 



"I 



Dijksbesturen en 
6. t. N. van het voormalige IJ ^l Zeeweringen . . 205 

Waterschappen . 209 

B. Be Oelderaoh-NoordbrabantBohe Bivierkleipoldera. 
lo. De polders langs Boven-Rün, enz. en de IJsel- 

oevers tot boven Hattem 218 

2c. De Geldersch-Noordbrabantsche rivierklei t. Z. 
V. d. Ryn 

§ 1. Algemeene beschrijving 226 

§ 2. Dyken 229 

§ 3. Hydrografische en Administratieve in- 
deeling 232 

C. Be ZoidhollAndBohe en ZeeuwBohe eilanden en 
de zeeklei van Noordbrabant en Zeenwsoh-Vlaan- 



INHOUD. V 

bl. 

§ 1. Geschiedenis en algemeene beschrijving. . . 250 

§ 2. Dijken en Duinen 256 

' § 3. Het buitenwater 260 

§ 4. Hydrografische en Administratieve indeeling. 

A. De Zuidhollandsche eilanden 266 

B. Noordbrabant 280 

C. De Zeeuwsche eilanden • 289 

D. Zeeuwsch-Vlaanderen 299 

B. Het Friesoh-Groningsch-Oveiljselsche Polderland. 

§ 1. Geologische samenstelling in het algemeen . 809 
§ 2. Friesland tot aan de Lindevallei ..... 319 
§ 3. Groningen en Drenthe tot aan Frieslandsboe- 
zem en tot aan de hooge Drentsche gronden 359 
§ 4. Het Friesch-Overyselsche laagveen van de Lin- 
devallei tot de Vecht en het Zwartev^ater . . 387 

E. Be ZnideneekoBten tassohen het Zwartewater 
en Gk>oiland. 

§ 1. De IJselmonden 402 

§ 2. De Ütrechtsch-Veluwsche Kusten 412 

F. De eflanden in de Noordzee en in de Zoidersee 418 

BIJLAGE L 

Iets over kunstmatige onderwaterzettingen . . . 425 
BIJLAGE IL 

Nederland in 1672 434 

BIJLAGE IIL 

De Nieuwe Hollandsche Waterlinie 455 



INLEIDING. 



De wetenschap der aardrijkskunde omvat veel, zeer veel. 
Onnoodig is het hier de voordeelen uit te meten, die de 
kennis der aarde den mensch schenkt; als nl. de studie dier 
wetenschap in goede richting plaats heeft, met het doel 
waartoe die studie leiden moet voor oogen. In den laatsten 
tijd hebben vele bekwame mannen den stoot gegeven om 
ook het onderwys op de scholen in dien geest in te richten 
en het aangenaam en vruchtdragend voor den leerling te 
doen zijn in plaats van droog en afmattend. Daargelaten of 
men in die richting wellicht niet wat overdrijft en in een 
euvel vervalt tegenovergesteld aan dat van voorheen, door 
jeudigen leerlingen wat te weinig topografie, wat te veel 
kennis van den bouw der aarde te geven , zoo staat toch 
vast: het onderwys in de aardrijkskunde heeft meer dan 
vroeger op *t oog het nut dat het moet afwerpen. 

Het heeft my echter wel eens getroffen, dat de aardrijks- 
kunde van ons vaderland wat stiefmoederlijk behandeld 
wordt, wellicht omdat er buiten 't vaderland ook nog zoo- 
veel te behandelen valt. Maar my dunkt, wat het zwaarste 
is moet het zwaarste wegen, en de kennis des vaderlands 
weegt zwaar ! 

Wie hecht aan z^jne nationaliteit — en in onze dagen is 
er, zoo wy om ons zien, reden te over om daaraan te 
hechten — moet vooral het eigenaardige van den geboortegrond 
kennen, in eere houden, er partij van trekken, er op steunen. 

Vreemd genoeg ! Juist datgene wat het onderwys in aard- 
rijkskunde daartoe kan bijdragen, dat is de kennis verbreiden 
van den exceptionelen vorm van den bodem van het voor- 
naamste deel des lands, dat van een gesteldheid is en een 
voorkomen heeft als nergens elders ter wereld aan een land- 
streek eigen zijn , dat laat het bijna geheel achterwege. Ter- 
wijl bergsystemen in Noord Azië en waterscheidingen in 
Oostenryk worden behandeld, wordt veel te weinig gespro- 
ken van onze hydrografie, wordt bijna niet gerept van onze 
polders en droogmakeryen , hun vruchtbaarheid hun water- 



INLEIDING. VII 

bezwaar , hunnen waterafvoer , van de weinige punten waar- 
van ons verdrinken of niet verdrinken afliangt en zoo- 
veel meer. 

Door de verbeterde communicatiemiddelen, enz. vestigen 
de volken in onzen tyd hunne blikken niet meer zoo uitslui- 
tend op hun eigen geboortegrond. Dat is ongetwyfeld in 
vele opzichten zeer gelukkig. Maar dat mag er niet toe 
leiden, dat men de eigenaardigheden, die elementen z^jn 
onzer nationaliteit, die een groot gedeelte van onzen rijkdom 
vormen , die in tijden van gevaar om bestaan mede waarbor- 
gen ^ gaat vergeten of niet waardeert. Wy mogen om de 
trekschuit gaan glimlachen , maar niet om de kracht die in 
den vorm van onzen bodem en in onze ligging schuilt en 
die schuilt er gewis in, nog in even groote mate als in 1672, 
toen de aanwending dier kracht gebrekkig was en slecht was 
voorbereid. Het exceptionele van onzen toestand moeten 
wy blijven gevoelen en daartoe is voorzeker een krachtig 
middel , dat men der jeugd en onzen aankomenden mannen op 
de scholen reeds het beeld des lands klaar voor oogen stelle. 

De Westfriezen en Friezen waren onoverwinnelijk tus- 
schen hun wateren en poelen : z^ kenden deze bondgenooten, 
die spotten met de macht der Hollandsche graven. Ook wy 
moeten onze bondgenooten kennen en al behoeft men nu 
geen hydrografie en wat betrekking heeft op den vertikalen 
vorm van onzen bodem te kennen zooals zulks voor inge- 
nieurs of genie-officieren noodig is , wy Hollanders moeten 
daarvan zooveel weten en zooveel reeds op de scholen on- 
derwyzen als in een ander land wellicht overdreven zou z^n. 
En toch is het zooals Stieltjes zegt, „te verwonderen hoe 
slecht b.v. de toestand van polderland bekend is, en welke 
verkeerde oordeelvellingen men daarover hoort, zelfs van 
technische personen, bij wie men meer kennis van die zaken 
zou mogen veronderstellen". (1) En in het met goud be- 
kroondewerk van van Egmond. „Beschry ving v. d. Waterstaat 
van Rijnland", lezen wjj in de inleiding: „w^ gelooven dan 
ook niet te veel te zeggen, wanneer wy beweren, dat om- 
trent den toestand van ons vaderland, ten opzichte van het 
water, bij velen een volslagen onkunde heerscht, bij een 
nog grooter getal een zeer oppervlakkige kennis bestaat. De 



(1) Hil. studiën I- Mil. Inundati^n. 61. 46. 



VIII INLEIDING, 

reden daarvoor ligt voor de hand. Het is ook hier weder : 
onbekend maakt onbemind." En wat verder : „Worden onze 
wenschen vervuld, dan verkrUge men zoodoende (door het 
geven van beschryvingen onzer polderlanden) in eene niet 
ver verwijderde toekomst eene gemakkel\jke handleiding tot 
het bestudeeren van den waterstaat van ons land en worde 
die handleiding by de lessen op de hoogere burgerscholen 
als leerboek gebruikt. Wvj achten dit even onmisbaar als vele 
andere voor die scholen voorgeschreven studiën^ 

De geschiedenis van onze worsteling tegen de wateren en 
het veroveren van zooveel vruchtbaren grond op dat water 
heeft iets wat treft; dit kan men dikwyis opmerken. Ik 
veronderstel dus , dat waar de leeraar de stof goed machtig 
is , de behandeling van dit voor ons zoo bij uitstek gewichtige 
deel der aardrykskunde ook in de school reeds belangstelling 
zal opwekken. 

„Nederland ontleent z^n naam aan z^jn lage ligging; som- 
mige deelen liggen zelfs beneden de oppervlakte der zee ; 
daarom z^jn er zooveel dyken en kaden. Het is gedeelteiyk 
slechts een aanslibbing der groote rivieren." Ziedaar het 
geheele begrip omtrent de bijzondere gesteldheid van ons . 
land, dat vele Nederlanders bezitten. Dat begrip is zelfs bij 
hen die de aardrijkskunde hebben te onderwijzen of bij hen 
die zich aan de studie dier wetenschap in hoofdzaak hebben 
gewijd zeer onvolkomen. 

Doch waar zou hy , die niet door speciale betrekking of 
belangen of woonplaats toevallig beter op de hoogte is , hel- 
dere begrippen omtrent gedaante en afwatering van onzen 
bodem hebben kunnen verkrygen ?* Wat hieromtrent in onze 
aardrykskundige werken voorkomt is óf onjuist óf volstrekt 
niet geschikt om heldere" voorstellingen te geven van het 
voornaamste deel des lands. 

Omtrent de waterloozing , eigeniyk de hoofdzaak, vindt 
men in geen enkel werk iets. Er biykt uit de weinige woor- 
den die wél omtrent deze quaestie voorkomen dikwerf, dat 
de denkbeelden 'van den schryver zei ven niet gevestigd zyn. 
In sommige boeken b. v. worden de woorden „polder" en 
„inpolderen"j£ gebruikt , zonder dat hunne beteekenis vooraf 
verklaard is. 
Zoo leest men in een onzer meest ''gebruikte schoolboeke 



INLEIDING. IX 

der Aardrijkskunde van Nederland. ^^De lagere gronden (welke, 
en alle ?) worden door honderden watermolens , door wind 
en zelfs door stoom gedreven , van het water vr^ gehouden 
(Hoe kan dat, en van waar komt dat water en waarheen 
wordt het gemalen? zal een leerling vragen. Waarom loopt 
het water er niet van zelf weg, zooals daar waar geen mo- 
lens zijn?) — „terwjyi verder door het leggen van draineer- 
buizen nog gezorgd wordt, dat het neervallende water niet 
op het land blüft"(?!) »0m met vereenigde krachten den 
stryd zoowel tegen het binnenwater als tegen het buitenwa- 
ter vol te houden", (ontbreekt verklaring van binnen- en bui- 
tenwater) „zijn er in ons land een verbazend groot getal wa- 
terschappen of polders , d. z. vereenigingen van gronden door 
een gemeenschappeiyken dyk omgeven en met werken om 
het overtollige water te loozen." 

Deze verklaring van „polder", de eerste die in dit boelge 
voorkomt, is zeker met geschikt om een helder beeld te ge- 
ven van onze provinciën Zuid-Holland, Noord-Holland, Zee- 
land, een deel van Utrecht, enz., want een verdere tee- 
kening van dit deel des lan<^s ontbreekt. Dit is alles en dat 
weinige is bovendien niet juist. Het woord „polder" wordt 
nl. slechts in overdrachtel\jken zin voor administratief pol 
derlichaam gebruikt, zelfs in die streken waar geen eigen- 
lyke polders z^n. Men bedoelt er dan mede het abstracte 
begrip „waterschap", d. i. de vereeniging van belanghebben- 
den by de waterloozing, enz. van één of meer polders of an- 
dere landen. 

In concreten zin echter is een polder een stuk land , dat 
ten opzichte van waterbescherming en waterafvoer in bijzon- 
dere conditién verkeert; in dezen zin is een waterschap dan 
eene uitgestrektheid lands bevatttende één, doch soms veel 
meer waterstaatkundige polders , soms ook deelen er van , 
die ten opzichte van waterafvoer, enz. soms wel verschillende, 
doch tevens gemeenschappeiyke belangen hebben. 

In een leerboek der Aardijkskunde , dat op vele H. Bur- 
gerscholen, enz. in gebruik is, vind ik het volgende , waar- 
uit biykt, dat de schrü'ver niet weet wat een polder is: „Laat 
men de polders (?) buiten rekening , dan bestaat het (Zuid- 
Holland, Noord-Holland en Zeeland) grootendeels uit laag. 
veen." En ik meende dat juist alle polders in Z.-Holland en 
N.-HoUand, buiten de bedijkingen uit de zee gevormd, uit 



X INLEIDING. 

laagveen bestonden, voor zooverre zy niet wt^geveend ztjn 
of het veen er met wat rivierklei bedekt is. Wat verder 
heet het : „alle polders en drooggemaakte meren beslaan sa- 
men een oppervlakte als Utrecht en Groningen samen." Dat 
is een quaestie vanoptellen; maar zouden dan ö'c/^ceZ Zeeland , 
Zuid-Holland, Noord-Holland, de grootste helft van Utrecht, 
het grootste deel van Friesland en een deel van Groningen 
benevens de Overyselsch Geldersche kuststreek en zeer groote 
deelen van Gelderland en Noord-Brabant samen slechts zoo 
groot zijn als Utrecht en Groningen? Waarschijnlijk bedoelt 
de schryver met „polders" uitgeveende en daarna droogge- 
maakte meren, droogmakerijen dus. „De Holl. meerpolders 
liggen zelfs beneden A.P." — alle Holl. polders . in geheel 
Holland behalve in en bij de duinstreek en op eenige hoogere 
bedykingen , op Goeree , enz. na liggen beneden A.P. , 1 4 2 M: 
zelfs. „De lage bodem is oorzaak van meer veeteelt dan 
landbouw." Vreemd ! En byna de eenige plekken waar land- 
bouw gedreven wordt zijn juist de allerlaagste, nl. de droog- 
makerijen van 3,5 i 5 M. diepte ! Dat zit 'm in de grondsoort 
niet in de laagte. — „De Zuidpias op —5,6 A.P." — niet 
waar, dat is het zomerpeil van het water in de slooten, 
WB.B.Tboven het terrein een 75 c.M. minstens liggen moet; 
enz. , enz. 

Ergens anders vindt men: „In Zuid- en Noord-Holland ztJn 
er nog onderscheidene (stroompjes), maar meest zoo „ver- 
graven" dat ze meer of min kanalen zijn geworden , zooals 
de Hollandsche IJsel, die iets beneden Vreeswijk uit de Lek 
voortkomt." De Schrijver doet hier blykbaar de loflFelijke po- 
ging ons te doen inzien : dat het niet aangaat bij onze Hol- 
landsche zoogenaamde rivieren , van rivieren te spreken en 
nog minder deze te laten „ontspringen'-, „stroomen'' en ein- 
delyk „zich storten in." Maar in zijn verklaring is iets on- 
bestemds. Neen, er is geen eigenlijk gezegde rivier meer in 
Holland of Zeeland, maar niet omdat zij door vergraven 
„min of meer kanalen" zijn geworden. Ik geloof niet dat er 
aan den Amstel of Ouden Rijn of Hollandschen IJsel gegra- 
ven is, ten minste in geen andere mate en op andere wijze 
dan zulks op de meeste wateren tot bevaarbaar houden ge 
schiedt, maar zy zijn alle door sluizen aan begin en einde 
afgesloten en soms in stukken verdeeld, in bakken met stil- 
staand water herschapen , waarvan men den geheelen inhoud 



INLEIDING. XI 

in zijn macht heeft; di^rom ztjn zy kanalen geworden. 
Uit het aangehaalde zal , dunkt mU , een oningewijde zich de 
volgende voorstelling van ons polderland maken : een laag 
land, waarvan gedeelten hier en daar met dyken omringd 
zijn, waaronder een uitgestrekt buizennet ligt (!), met een aan- 
tal watermolens er in, die het water wie weet waarheen 
malen en waardoor rivieren loopen evenals alle andere ri- 
vieren in andere landen, die alleen maar een beetje vergraven 
zijn en daarom op kanalen gelijken. 

En hoe zij die ongetwijfeld beter weten, uit gewoonte of 
als erfenis uit de school , soms geheel verkeerde denkbeelden 
doen ontstaan, kan blijken uit Mr. A. A. J. Meijlink's be- 
roemde „Geschiedenis van het Hoogheemraadschap van Delf- 
land", waarin bl. 173 voorkomt: „de Oude Ryn {?), die van 
Wyk bö Duurstede naar Utrecht vloeit, vervolgens langs 
Leiden en Woerden loopt en zich door Katwyks sluizen in 
zee werpt !" Dat klinkt zeer vreemd voor hen die weten , 
dat niet één droppeltje water uit den Ouden Rön te Utrecht 
ooit Katwyk , ja zelfs Harmeien kan bereiken , maar dat het 
reeds vóór dien tijd naar Vecht en Zuiderzee is afgevoerd. 
Rynlandsboezem , de vergaarbak met stilstaand water, te 
Katwijk zich aan 't werpen ! 

Het is m\j volstrekt niet te doen om onjuistheden en on 
volledigheden van overigens wellicht zeer verdiensteiyke 
werken op te zoeken en aan te toonen; het bovenstaande 
haalde ik slechts aan als een middel om mjjne beschouwin- 
gen aan vast te knoopen. Liever dus dan die werken te 
noemen en te ontleden , wijs ik er op eenige , die meer ge- 
schikt zjjn om een goed beeld te geven van het rijkste en 
dichtst bevolkte deel des lands. 

„M. H. J. Planten ga. Militaire Aardrykskunde en Sta- 
tistiek van Nederland, België en Duitschland. Eerste Deel. 
Nederland. 2e herziene druk, Breda. Voor rekening der 
K. M. A." — Dit is het eenige aardrijkskundige werk, dat 
een hoewel nog zeer beknopt hoofdstuk bevat over: Den 
verticalen vorm van den bodem en inrichting der polders, 
benevens een voor oningewijden zeer geschikt Hoofdstuk over 
rivieren en kanalen. Uit den aard der zaak zijn echter 
slechts deze hoofdstukken van belang voor a. s. onderwijzers, 
leeraren, enz., hoewel te beknopt; zy vormen een betrekke- 
lijk klein gedeelte van het geheele werk dat f 4,67 kost en 



XII INLEIDING. 

dat evenals alle werken voor rekening der K. M. A. „voor 
particulieren in den handel" niet ter inzage te bekomen is. 

„T>. J. Storm Buising. Handleiding tot de kennis der 
Waterbouwkunde voor de Kadetten der Genie, in twee deelea 
met Atlas." — In het tweede deel komen voor de Hoofdstuk- 
ken I. Hoofdrivieren in Nederland en V. Polders en droog- 
maker^en, geschikt om een goed beeld van onzen bodem t© 
geven, vooral als men eerst in een der bekende, ontschat- 
bare werken van Staring de vorming van onzen bodem en 
de tegenwoordige ligging der lagen heeft nagegaan. 

Dit is echter een technisch werk, welks andere Hoofd- 
stukken voor de studie onzer aardrijkskunde in hydrografie 
geen of weinig waarde hebben; bovendien is het voor a. s. 
ingenieurs geschreven , dus hier en daar veel broeder dan voor 
het door mij beoogde doel noodig is. Het werk is natuurlek 
zeer kostbaar en lig^ daardoor niet binnen ieders bereik. 
Toch raad ik hem die het He deel in handen kankrygenten 
sterkste aan, genoemde hoofdstukken te bestudeeren. Uit dit 
werk zyn de genoemde deelen van Plantenga's werk hoofd, 
zakelijk een résumé. 

„Stieltjes. Militaire Studiën I. Militaire inundatién.— 

Hierin komen zeer belangrijke gegevens voor van den 
schrüver-specialiteit ; vooral over waterbezwaar in lage ter- 
reinen. Het is wel een werk van militairen aard, doch in dit 
opzicht niet zóó speciaal of technisch, dat dit een groot 
bezwaar kan zijn.. 

„W. C. H. Staring. Natuurkunde en Volksvlyt van Neder- 
land, strekkende ter verklaring van Kaarten voor aardkunde, 
waterstaat, enz." — Dit werk van den bekenden schryver 
bevat over de geologische gesteldheid van ons land, in uit- 
stekend klaren vorm, juist zooveel als gewenscht is, om 
daarna de studie onzer hydrografie gemakkelijker te maken 
Ik heb er voor zoover my dat nuttig voorkwam uit geput. 
Onze hydrografie is te beknopt behandeld en niet op die 
wijze om al het eigenaardige van ons Zeeland en Holland 
te doen gevoelen — wat in dit werk geen hoofdzaak was. 
Onnoodig echter te vermelden, dat de bepalingen hier gege- 
ven juist zyn, iets wat men van vele andere werken niet 
beweren kan. 

„W. C. H. Staring. Voormaals en thans. — Deze verzame- 
ling van opstellen, bewerkt door den Heer van Pesch, 



INLEIDING. XlII 

is, nog meer wellicht dan het hiervoren aangehaalde werk, 
uitmuntend geschikt om, uit de vorming van onzen bodem 
door de natuur en door den mensch, tot een goede verklaring 
te komen van .de tegenwoordige hydrografische gesteldheid en 
het voorkomen van dien bodem. Vooral de opstellen : „Het 
zakken van den bodem" en „Verlies en aanwinst van land 
in Nederland", zyn niet genoeg aan te bevelen. 

De Waterstaatskaart van Nederland. - Als men 
zich eerst goed eigen gemaakt heeft om een dergeiyke kaart 
tot in de geringste détails te verstaan, haar te lezen zooals 
men dat noemt , haar dus met een geheel ander oog te bekij- 
ken dan waarmede de aardrijkskundige andere kaarten beziet , 
die slechts eene figuratieve voorstelling geven en niet , zooals 
deze, aangeven cUles wat het terrein aanbiedt — dan zal 
het bestudeeren van deze prachtige kaart bgna alleen vol- 
doende zyn om zich langzamerhand goede begrippen van 
het voorkomen des lands te vormen, vooral van het typisch 
HoUandsche gedeelte , het polderland. Tot dit laatste is die 
kaart zelfs zoo goed als onmisbaar; zy is met de Topogra. 
flsche Kaart van het Min. van Oorlog, de eenige, waarop 
niet alleen alle polders (van het geheele land) zijn aangege- 
ven , maar waarop hun middelen van waterbescherming en 
waterloozing in détails zyn na te gaan. Bovendien vindt 
men op elk blad een opgave van waterschappen, polders, 
verveningen , enz. op het blad voorkomende , benevens vele 
andere aanwijzingen op de kennis van den waterstaat be- 
trekking hebbende, te raadplegen werken, enz. De schaal 
is 1 : 50000. 

Een kostelijke leiddraad dus by de studie onzer hydro- 
grafie en gedaante des bodems ! 

Eindeiyk leze men het hoogst belangwekkende werk 
„Sypesteinende Bordes. De verdediging van Neder- 
land in 1672", waaruit biyken zal, hoe wy Hollanders met 
ons water kunnen omspringen en welk een kracht wy daar- 
uit kunnen putten, en er zal veel licht schynen over veel 
wat vroeger duister was. 

Daar er alzoo geen werk bestaat dat voor aanstaande on- 
derwijzers of aardrykskundigen of belangstellende niet- technici 
byzonder geschikt is, zoo wil ik trachten, acht gevende op 
het doel: „de kennis des vaderlands te bevorderen" en steeds 
voor oogen houdende de categorie van lezers voor welke ik 



XIV INLEIDING. 

meer in 't byzonder schryf , in dat gemis voor zooverre nüj 
mogeiyk is te gemoet te komen. 

Ik zal daarby dus zeer v^einig meedeelen, wat niet reeds 
hier en daar in werken en kaarten en verslagen verspreid te 
vinden is, doch ik hoop van ganscher harte dat de behande- 
ling en wjjze van voorstelling er toe leide , dat men na het 
lezen van dit boek zich een duidelijke voorstelling van ons 
typische Holland; Zeeland enz. kunne maken. Ik houd m\j 
dus vooral zeer aanbevolen voor opmerkingen die kunnen be- 
dragen tot verbetering van de wyze van behandeling en 
voorstelling. 

Ik ben zelf ten volle overtuigd , dat hier en daar mijn werk 
verbetering behoeft, dat er in de vele opgaven in het hoofd- 
stuk „Topograflb", welke ik uit zoo vele bronnen moest bij- 
eenzamelen , op enkele plaatsen fouten zullen schuilen — deels 
het gevolg wellicht van veranderingen van zeer jongen da- 
tum, die my nog niet ter oore kwamen. Als belangstellenden 
mö zoo mogeiyk op die fouten zouden willen wijzen en mij 
verbeteringen toezenden, dan zullen z\j my daarmede zeer 
verplichten. 

Ook reeds nu betuig ik hier myn warmen dank voor de 
groote belangstelling in het algemeen by deskundigen gevon- 
den en voor de voorlichting my zoo bereidwillig door velen 
verstrekt. In 't byzonder ben ik erkenteiyk den Heeren 
Dr. C. M, Kan, Hoogleeraar te Amsterdam, J. Kuyper te 
'sHage, Mr. van Blom, GriflSer der Prov. Staten van Fries- 
land te Leeuwarden, J. Kater, Hoofdingenieur van den Prov. 
Waterstaat in Groningen , W. P o 1 1 , bestuurslid van het 
Waterschap Westerwolde te Pekela, P. L a b r y n. Waterbouw- 
kundige van Polder Schouwen te Zierikzee , van Maanen, 
Ingenieur Ie kl. van 's Ryks Waterstaat te Zutfen, 
P. Kleynhens, Kapitein-Ingenieur te Utrecht , en alle an- 
deren, die my in myn veelomvattende taak steunden, hetzy 
door het nagaan der copy, hetzy door het verstrekken van 
inlichtingen als anderszins. 

In het volgende onderstel ik uit den aard der zaak de 
noodige kennis van de kaart des lands; terwyl ik zoo kort 
mogeiyk wil zyn in dat gedeelte, hetwelk uit aardrykskundige 
leerboeken als anderszins gemakkeiyk kan worden geput of 
waarschijniyk den lezer reeds bekend is. 



INLEIDING. XV 

Als bronnen z^n behalve genoemde werken nog door m^ 
geraadpleegd : 

Han, Hochstetter und Pokorny. Allgemeine Erdkunde. 
Tienjarig overzicht van de waargenomen waterhoogten langs 
de Ned. Hoofdrivieren, enz. 

Jaarverslagen der Provincie Gelderland. 

Nieuwe Verhandelingen van het Bat. Gtenootschap van 
proefondervindelijke wysbegeerte te Rotterdam : 

A. van Egmond. Beschryving van den Waterstaat van. 
het Hoogheemraadschap van Rynland, 1867. Tweede Reeks 
Deel I, 2e Stuk. 

Jhr. Mr. W. T. Gevers Deynoot. Statistieke opgave 
en beschrUving van het Hoogheemraadschap van Schieland, 
1850. Tiende Deel. 

J. A. Sc holt en. Statistieke opgave en beschrijving van 
den Alblasserwaard en der Vyf Heerenlanden , 1850 Tiende 
Deel. 

M. G. Be\jerinck. Statistieke opgaven betreffende den 
Waterstaat van het Hoogheemraadschap van Delfland en van 
den Krimpenerwaard. 

Mr. A. A. J. M e y 1 i n k. Geschiedenis van het Hoogheem- 
raadschap en der lagere waterbesturen van Delfland. 

Jhr. Mr. Gevers van Endegeest. Het Hoogheem- 
raadschap van Rynland. 

Mr. G. de Vries Az. De Zeeweringen en Waterschappen 
van Noord-Holland , 1864. 

De jaariyksche verslagen , requesten , enz. van het Hoog- 
heemraadschap Waterland, 1870-1881. 

Jhr. Mr. P. A. M. V. O. van Rijckevorsel. Bydrage 
tot de kennis der Hoogheemraadschappen en waterschappen 
in de Provincie Utrecht, 1846. 

Jhr. J. A. Lycklama èi Nyeholt. Verbetering van Fries- 
lands Watertoestand, 1869. 

H. Pasma. Frieslands boezemwater, 1868. 

J. Klaasesz de Boer. Bydrage tot de geschiedenis der 
dijkplichtigheid in Friesland , inzonderheid met betrekking tot 
Oostergoo, 1868. 

C, J. P r a k k e n. De Provinciale Staten van Friesland en 
de Zeewaterkeerende Waterschappen. 

Voorstellen van Ged. Staten aan de Prov. Staten van Fries- 
and betr. de verbetering van den Tjonger en de Luide, 



XVI INLEIDING. 

Jhr. J. Vegelin van Claerbergen. Over de Veengra- 
veryen. — Andere stukken daarop betrekkelyk. — ^ De droog- 
making van het Tjeukemeer en andere stukken over Fries- 
land. 

Dr. G. A. Venema en C. Brunings. Bijdragen tot de 
Hydrografie van Groningen. 

Dr. G. A. Venema. 'Bedragen tot de aardrijkskundige ge- 
steldheid van Groningen, 1856. — Over den Bodem van het 
Oldambt en Westerwolde 1862 en 1865. - Het dalen der 
noordelijke kuststreken, 1854. — Verklaring van de veran- 
dering der kusten, 1849. — Over den natuurlijken toestand 
van Westerwolde. — Indijking van den Dollard. — En ver- 
scheiden andere stukken van dien schrijver. 

Staten der Molenkoloniën in de Provincie Groningen. 

Rapport eener Commissie uit de Staten van Groningen 
over de indijking der Lauv^erszee, enz., 1860. 

U. G. Schilthuis Verbetering der Scheepvaartkanalen in 
de Prov Groningen.. 1857. 

De Reglementen der Hoofdwaterschappen. 

J. V. d. Honert Thz. Geschiedenis en beginselen der 
Ned. Wetgeving betr. de macht der Hooge en andere Heem- 
raadschappen , enz. 



ERRATA. 

Men gelieve het volgende bij te voegen of te verbeteren: 

bl. 105. Regel 15 v. o. staat: is den Gek. Holl. IJsel, 
lees: in den Gek. Holl. IJsel. 

bl. 183. De landen genoemd onder B te verwisselen met 
die onder C. 

bl. 165. Regel 6 v. b. staat: de gekleurde landen, lees: 
de geel gekleurde landen. Regel 15 v. b. staat: 
Noorlansche, lees: Noordlandsche. 

bl. 173. Onder „Anna-Paulownapolder , reg. 8 en 9 v. o. 
staat: „door één stoom- en vijfwindvijzeimolens", 
lees: „door 2 stoomtuigen en 5 windvijzelmolens. 

bl. 175. Onder „Raaksmaatsboezem" staat: „waaronder er 
ook eenige zijn buiten den Westfrieschen om- 
ringdijk." 

Hierbij te voegen: nl. de Rekerlanden, tusschen 
den Rekerdijk en het Gr. Noord-Holl. Kanaal van 
Krabbendam tot Schoorldam gelegen. Op Kaart 
IV moet dit smalle strookje dus blauw gekleurd 
wezen, 

bl. 176. Onder „de Mient of Niedorperkoggeboezem" staat: 
„De boezem wordt afgemalen op den boezem van 
het Kolhornerdiep bij Lutjewinkel." 
Bij te voegen: nl. op een bovenkolk door een 
stoomgemaal van 35 paardekracht , daarin ge- 
steund door 5 strijkmolens , uit welke kolk het 
door de Boerensluis op den boezem van het 
Kolhornerdiep geloosd wordt. 

bl. 177. Onder „De Schagerkoggeboezem" staat: „De loo- 
zing geschiedt door de Schagersluis , enz." 

Hierbij te voegen: uit een bovenkolk, nadat het 
boezemwater door 3 strijkmolens daarin opgemalen 
is, en, als deze het toegevoerde water niet 



machtig zijn of buiten werking moeten blijven 
door windstilte, door een stoomgemaal van 40 
paardekracht. 

bl. 177. Onder „de Boezem van het Kolhornerdiep" bij 
te voegen: 

Een deel van den Groetpolder , die t. Z. van het 
Kolhornerdiep ligt, wordt bemalen door een stoom- 
gemaal van 35 paardekracht, staande aan den 
mond van het Kolhornerdiep en uitslaande door 
een duiker in de schutsluis. 

De Waardpolder, t. N. yan het Kolhornerdiep 
wordt bemalen door een molen op het uitwate- 
ringskanaal langs den zeedijk en zoo noodig door 
een stoomgemaal van 13 paardekracht. 

Op de Kaart IV is het poldertje , t. Z. van den 
Groetpolder bij de uitwatering van de Langereis 
gelegen, abusivdyk paars gekleurd ; de kleur moet 
bkiuw zijn, daar die polder op Raakmaats- 
boezem loost. 

bl. 177. Op de onderste regel staat: „De vier Noorder Kog- 
gen , welker . . .", lees : het grootste deel der Vier 
Noorder Koggen , welks . . . 

bl. 213. staat : „de Vier Noorder Koggen wateren direct op 
zee af , op het Z.W. deel na",, by te voegen : 
bestaande uit eenige polders t. N. van den Berk- 
meer en den Lutkedijk, en op een klein poldertje 
na t. Z- van den Groetpolder en t. N. van de 
Langereis , geheeten de Bedijkte boezem. 

bL 214. Onder „Geestmerambacht" staat: „bevat behalve 
het oude ambacht van dien naam ook eenige 
polders buiten den Westfrieschen omringdijk", bij 
te voegen : nl. de Rekerlanden en den Kraspolder , 
gelegen tusschen den Omloopdijk (bij Oudorp) en 
de Schermerringvaart en uitslaaïide op Schermer- 
boezem. 

bl. 215 Onder „Ambacht der Schager- en Niedorperkoggen'* 
bij te voegen: De Waterschappen Schagerkog- 



ge-strijkmolens en Niedorperkogge-strijk- 
m o lens worden gevormd, het eerste door de zes , 
het laatste door de negen polders met 4 daarop 
uitslaande kleine droogmakerijen , die resp. op de 
Schager- en Niedorperkoggeboezems loozen. De be- 
sturen van elk der beide Waterschappen bestaan 
uit 1 Dijkgraaf en 4 Heemraden als Dag. Bestuur 
en een coUegie van 12 Hoofdingelanden, waaron- 
der de Dijkgraaf en Heemraden begrepen zijn. 
De taak der besturen bepaalt zich tot het beheer 
en onderhoud der strijkmolens en stoomtuigen en 
der koggeboezems en voor zoover Niedorperkogge 
betreft, ook van eenige bruggen. 

bl. 255. Regel 4 en 5 v. b. staat: „en in een deel van 
Schouwen", lees: en in het grootste gedeelte van 
Schouwen en van Duiveland , alsmede in een deel 
van Zuid-Beveland. 

W. 254. Regel 5 en 6 v. o. staat „behalve een polder" lees : 
behalve eenige polders. 

1)1. 255. Regel 10 v, b. staat „geheel Zeeland", lees : het 
grootste deel van Zeeland. 

bl. 256. Regel 4 v. b. staat „tot -1,7 A.P.", lees: tot 
-1,87 A.P. 

bl. 259. Regel 18 v. o. staat „Alle overige duinen, enz.", 
lees : Van de overige duinen wordt een deel door 
den Westerenban van Schouwen onderhouden, 
het deel langs den Oosterenban met de verdedi- 
ging door het Rijk. 

bl. 269. Regel 7 v. o. staat „1495", lees : 1795. 

bl. 277. Regel 13 v. b. achter „+ 3 A.P." bij te voegen : 
Sommige zijn feitelijk reeds bekaad tot + 4 A.P. 
volgens de Waterstaatskaart. Een betr. groot 
aantal polders van dit gedeelte blijft dus (verge- 
lijk de rivierstanden) zelfs bij zeer hooge vloeden 
droog , als hunne kaden niet bezwyken. 

bL 286. Regel 9 en 10 v. b. staat: „Van den Rozen- 



daalschen en Zevenbergschen vliet", lees: vanden 
Rozendaalschen en Steenbergschen Vliet. 

bi. 287. De waterstand te Tholen te veranderen in : 
(1871-1880) M. Vl. + 1,82, M. E. -1,66 A.R 

bl. 309. Regel 16 v. o. staat „lands grens", lees Fries- 
lands grens. 

bl. 866. Regel 1 , enz. van boven staat : „De jongste zijn 
enz." Dezen zin te lezen : Tot de jongste be- 
hoort de Johannes-Kerkhovenpolder, liggende onder 
Termunten," en op regel 12 v. b. achter „Vier- 
huister- en Homhuisterpolders resp. de jaartallen 
(1807) en (1806) te voegen. 

bl. 389. Regel 14 van boven staat: „(1876-1880)" lees: 
(1879-1880). 

bl. 427. Regel 14 v. o. staat + 2,10 A.P., lees: +1,66A.P^ 



HOOFDSTUK 1. 
Algemeene bepalingen en beschouwingen. 



De hydrogn^Bche toestand van een land wordt 
bepaald : 

10. Door de hoeveelheid water die op zijne oppervlakte 
zelve neervalt, door het deel wat hiervan moet geloofd 
worden en door de wijze waarop dit geschieden kan. 

2^. Door de gesteldheid der groote rivieren, die van 
het buitenland komende , er doorheen stroomen. Vooral 
is die invloed groot, zoo het land de riviermonden en hunne 
delta's bevat , zooals met ons land het geval is. 

3^. Van de getijen en stroomen der zeeën die het bo- 
spoelen. 

Natuuriyk hebben gesteldheid des bodems , klimaat , be- 
planting, enz. groeten invloed op de hoeveelheid water 
die neerslaat en geloosd moet worden en op de wijze van 
loozen. 

▲tmofiferisofaen neenlag noemt men al het water 
dat in den vorm van regen , sneeuw , hagel , enz. op den 
bodem neervalt. De hoeveelheid kan zeer verschillend zijn 
voor verschillende landstreken. Zij wordt gewoonlijk opge- 
geven door de hoogte te noemen in millimeters van het 
water , dat per dag of per jaar den bodem zou bedekken , 
als het hierop staan bleef. Volgens hierna te vermelden 
waarnemingen over 99 jaar (tot 1743) bedraagt die hoogte 
in ons land gemiddeld jaarlijks ruim 667 m.M. , dus per 
dag 1,8 m.M- ; de grootste neerslag per etmaal waargeno- 
men is 50 mJL 

1 



2 

Een deel van den atmosferischen neerslag verdampt 
weder. 

De gemiddelde verdamping per etmaal was over genoemd 
tijdvak 1,62 m.M. , deze stijgt echter in de zomermaanden 
soms tot gemiddeld 5 m.M. Later komen wij op neerslag 
en verdamping terug bij de behandeling van ons polderland. 

Nog een ander deel van den neerslag wordt opgezogen 
door den bodem of gebonden tot vorming van mineralen ; 
weer een ander door menschen , dieren en planten tot zich 
genomen. Het overblijvende water vloeit naar de dalen , 
vormt daar stroomen , die , naar lager gelegen plaatsen 
vloeiend , hun water eindelijk in den Oceaan brengen. 

Een rivier is dus in het algemeen de natuurlijke water- 
loozing van een landstreek. 

Alle landen die op een rivier en op hare zijtakken en 
armen hun water loozen, afwateren, vormen samen 
het stroomgebied van die rivier. 

Bivierbed. Het diepste gedeelte van het dal, waar- 
y door de wateren eener rivier onmiddelijk afvloeien heet 
het bed. Meestal is daarin nog een verdieping of gej;il te 
onderscheiden — het zomerbed. 

Stroomdraad, lengteprofiel, boven en beneden. 
Zooals wij hierna zien zullen , vloeit niet al het water van 
een stroom met dezelfde snelheid. De richting van de 
grootste snelheid nu heet stroomdraad; deze nadert 
nu eens meer den eenen dan weder den anderen oever. — 
De doorsnede van de rivier met een vertikaal vlak gaande 
door den stroomdraad heet lengteprofiel. Punten 
aan de rivier dichter bij den oorsprong gelegen, li^en 
natuurhjk hooger dan punten dichter bij de monding. Die 
betrekkelijke ligging duidt men ook aan door te spreken 
van boven en beneden. 

Verval, verhang, stroomsnelheid. De snelheid 
waarmede het water eener rivier zich voortbeweegt hangt 
in het algemeen af van de helling van den bodem van haar 
bed. Die snelheid is door de wrijving over den bodem en 
^n de lucht niet op elke diepte dezelfde: zij is het grootst 



ii>^ 



8 



dicht bij de oppervlakte, het kleinst bij den bodem, en in 
't algemeen ook grooter midden in het bed dan aan de 
oevers , tenzij bij bochten , enz. Men heeft werktuigen , 
meestal in den vorm van voortdrijvende lichamen, waar- 
mede men het gemiddelde van al die snelheden in zekere 
dwarsdoorsnede der rivier bepalen kan. Snelheid noemt 
men dan het gemiddelde der wegen , die de waterdeeltjes 
uit die doorsnede per seconde afleggen, uitgedrukt in M. — 
Het is duidelijk dat de waterspiegel zekere helling aan- 
neemt, dalende naar den mond; die helling hangt wel van 
die des bodems af doch is er meestal niet aan gelijk ; zij 
hangt ook samen met de hoogte van den waterspiegel, enz. 
Het verschil in hoogte van den waterspiegel eener riviei', 
op twee punten gelegen in de richting van den stroom , 
noemt men verval. Men drukt het meestal uit in M. 
per 1000 M. afstand. Verhang is de meetkundige be- 
trekking tusschen het verval tusschen 2 punten en hun- 
nen afstand. Is alzoo het verval tusschen twee plaatsen 
aan eene rivier 0,045 M. per 1000 M. , dan is het ver- 
hang *Vi««M»a. 

Algemeen peil of vlak van vergelijking. A. P. 
Bivierstand. Naarmate de rivier meer of minder water 
afvoert, vermeerdert of vermindert natuurlijk de hoogte 
van haren waterspiegel en neemt tevens , daar de zijwan- 
den van het rivierbed hellen , de breedte toe of af. De 
hoogte van den waterspiegel wordt niet opgegeven ten 
opzichte van punten op den bodem die trouwens verande- 
lijk zouden zijn , maar ten opzichte van een vlak dat men 
door ons geheele land en zelfs hier en daar in het buiten- 
land als algemeen vlak van vergelijking heeft aangenomen. 
Dat vlak is het horizontale vlak, liggende ongeveer op de 
hfK)gte van den gemiddelden stand van den vloed te Am- 
sterdam toen het Y nog open was en wordt steeds aan- 
geduid door A. P. (Amsterdamsch peil). 2,3 Meter daar- 
l)OYen wordt aangegeven door + 2,3 A. P. , 0,25 M. daar- 
beneden door - 0,25 A. P. of -^0,25 A. P. Men heeft 
wel eens getwist over den juisten oorsprong van A. P. ; 

1* 



dit doet echter tegenwoordig niets meer ter zake. A. P. 
was het nulpunt der peilschaal van het zoogenaamde wa- 
terkantoor te Amsterdam , dat vermaard was om zijne 
waarnemingen; oorspronkelijk was het dus waarschijnlijk 
een stadspeil , dat zeer nabij den gemiddelden vloedstand 
kwam , den 22 December 1812 door Kraijenhoflf overge- 
bracht en aangegeven door kruissneden op hakkelbouten in 
een paar muren te Amsterdam (*) en elders. — De hoogte 
van den waterspiegel of stand der rivier wordt afgele- 
zen op peilschalen van afstand tot afstand langs de 
oevers aangebracht. Om spoedig zich een vrij juiste 
voorstelling van den stand eener rivier te maken, verge- 
lijkt men dikwijls bij middelbaren rivier(stand) , ver- 
kort aangegeven door M. R. , zijnde de gemiddelde hoogte 
der rivieren gedurende de 6 zomermaanden over 
een reeks van jaren waargenomen. Op den Rijn en zijn 
takken nam men dikwijls voor M. R. den gemiddelden stand 
van het water over de 6 zomermaanden van 1 Mei tot 
31 Oktober , gedurende vele jaren door Kraijenhoflf waar- 
genomen en later eenigszins gewijzigd. Die waarnemingen 
hadden nl. plaats van 1782—1810 en de middelbare rivier- 
stand uit die waarnemingen afgeleid werd gerekend over- 
een te komen met die van 12 Augustus 1812. Later 
heeft men die gemiddelden door het grooter aantal beschik- 
bare waarnemingen kunnen verbeteren en als middelbaren 
rivierstand aangenomen dien van 10 achtereenvolgende 
dagen in Mei 1838. — 

Tegenwoordig gjBeft men veelal als M. R. op (o. a. op 
de waterstaatskaart) den gemiddelden zomerstand over het 



(*) KI. aan hot achterftx)nt van de beui's op het Rokin , oan de Nieuwe 
Markt h^ het waterkantoor en op de peilschaal aan den Schrejjerstoren. Later 
is het genoemde nulpunt binnen Amsterdam nog aangeduid door het inmetse- 
len van 4 peilsteenen als : naast de peilschaal van de Amstelaluis , in het 
oostel^k contrefort van het achterfront der Bexirs aan het Rokln , aan het ge- 
bouw van den Schre^erstoren binnen het schuitenhuisje in den gaven muur, 
en in den oosteiyken hoofdmuur van de Kolkswaterkeering beneden den peil- 
steen van zeed^jkshoogte. 



laatste tienjarig tijdvak , eindigende met een jaar dat een 
veelvoud van 10 is, dus nu b. v. over 1871 — 1880. — 

Nat profiel , natte omtrek , breedte , zomerbed 
en winterbed. Denkt men zich de rivier gesneden door 
een vertikaal vlak loodrecht op den stroomdraad, dan 
noemt men de doorsnede van dit vlak met de watermassa 
het nat profiel, dat dus in grootte afhangt van den 
rivierstand. — De lijn die het nat profiel met den bodem 
gemeen heeft heet natte omtrek. —Van breedte eener 
rivier kan geen sprake zijn dan met bijvoeging van den 
stand. Men bedoelt er dan mede de breedte van den wa- 
terspiegel bij dien stand , gemeten loodrecht op de richting 
van den stroom. Het bed waarin de rivier bij middelbare 
en lagere standen stroomt , meestal een scherp aangeduide 
(üepe geul , wordt ook wel zomerbed , het deel van het 
dal waarover zij bij hoogere standen heenvloeit winter- 
bed genaamd. 

Vermogen of capaciteit. De beteekenis eener rivier 
hangt meestal bijna geheel af van de hoeveelheid water , 
die zij gemiddeld afvoert. Niet altijd is deze dezelfde ; 
verandering van die hoeveelheid zal op een bepaalde plaats , 
verandering in rivierstand en breedte van den waterspiegel 
ten gevolge hebben. Nu kan men bij een bepaalden rivier- 
stand meten hoeveel M* water in een seconde voorbij ze- 
ker punt stroomt en dit aantal M' noemt men het ver- 
mogen der rivier. Uit de bepalingen, die wij boven ge- 
geven hebben van nat profiel en stroomsnelheid zal men 
nu nl. gemakkelijk inzien dat wij hebben : Vermogen =3: 
Inhoud nat profiel x stroomsnelheid. Hieruit volgt, dat 
waar door vernauwing , enz. het profiel afneemt , de stroom- 
snelheid in dezelfde reden zal toenemen , omdat het ver- 
mogen standvastig blijft ; dit ziet men dan ook steeds in 
werkelijkheid gebeuren. — 

Verband tasschen vermogen, stand, breedte, 
enz. Uit het bovenstaande is duidelijk , dat als men 
over de beteekenis eener rivier wil oordeelen , men riiets 
heeft aan de opgave van etand of breedte , maar wel aan 



6 



die van het vermogen , waarvan eerstgenoemde een gevolg 
zijn — tenzij men zeer nauwkem'ig met de gesteldheid 
van de rivier bekend is of tabellen bij de hand heeft, 
waaruit men onmiddellyk het vermogen bij een bepaalden 
stand kan vinden. Stel b.v. men neemt aan een peil- 
schaal waar , dat een rivier een stand heeft van + 8,25 
A.P. en men vindt in een tabel een bijbehoorend vermogen 
van 1000 M*; neem nu eens aan dat uit de rivier, door 
sluizen b.v. , zijdelings wordt afgetapt 250 M* dan blij- 
ven 750 M* vermogen over , waarbij men b. v. in de tabel 
een stand van + 7,5 A.P. vindt, de rivier daalt dus 
dientengevolge 0,75 M. , welk verschil echter natuurlijk 
niet plotseling ontstaat , doch boven en beneden het pmit 
van aftapping verdeeld wordt; er ontstaat nu ook ander 
verval en verhang. Berekeningen , die dienaangaande kun- 
nen geschieden behooren hier natuurlijk niet thuis ; van 
belang is het hier slechts , goed in het oog t^ houden , 
dat bij eiken bepaalden rivierstand , een bepaalde breedte , 
een bepaalde natte doorsnede , een bepaald vermogen (^ii 
ook een bepaald verhang en een bepaalde stroomsnelheid 
behooren. 

Voor sommige doeleinden zou het dikwijls beter zijn 
dat in plaats van den stand : „b ij zooveel m eter 
boven of b e n o d e n M. R.", werd opgeven „b ij e « n 
vermogen van zooveel M*." 



HOOFDSTUK 2. 



De Hoofdrivieren en de Zee. 



Van onze hoofdrivieren , de Rijn , de Maas en de Schelde, 
bezit de laatste, binnen onze grenzen gekomen, niet meer 
de meeste eigenschappen eener onafhankelüke rivier. Hare 
monden zijn zoo breed en bovendien trechtervormig, dat 
zij bijna, boezems der zee zouden kminen genoemd worden 
en de zee dringt zoo diep hierin , dat door haren invloed 
— eb- en vloedstanden verschillen 3,80—4,20 M. — moei- 
lijk meer van stand , stroomsnelheid , vermogen , enz. der 
eigenlijke rivier sprake kan zijn. Daar de Schelde boven- 
dien een betr. klein deel des lands bespeelt, welks 
hydrografische gesteldheid met die van andere te bespreken 
gedeelten overeenkomt en niet afhangt van bijzonderbeden 
meer speciaal de rivier de Schelde eigen , zoo zullen wij 
ons in het volgende hoofdzakelijk tot de andere hoofdri- 
vieren bepalen. 

DE RIJN. 

De Bijn , de machtige rivier , wier stroomgebied zich 
over 4000 vierkante geogr. mijlen (22,000.000 H. A.) uit- 
strekt, in het zuiden in Zwitserland tot de grenzen van 
Italië en in het oosten (door de Main) tot aan de grenzen 
van Bohème, heeft, wacu: hij nog onverdeeld ons land 
bimientreedt , het water van nagenoeg zijn geheel stroom- 
gebied ontvangen. Op dat punt bedraagt zijn vermo- 
gen bij : 



lagen st. (1 M. ond. M. R.) H. B. boogen 8t. (1 H. bov. H. R.) 

1750 M». 2380 M». 3700 M*. 

Bij hoogere standen wordt dat vermogen echter veel 
grooter. Het stijgt bij 2 M. boven M. R. tot het dubbele, 
bij 3 M. boven M. R. tot het drievoud van dat bij M* R. 
en kan zelfs tot 10000 en 12000 M* per sec. klinunen. 
Aan den anderen kant kan het nog veel beneden het 
laagste der hier opgegeven vermogens dalen ; te Straats- 
burg waar het stroomgebied nog niet zeer groot is , was 
de rivier by de buitengewone droogte in Februari 1882 
tot een beek teruggebracht die in het diepste gedeelte van 
het bed vloeide. 

Een juiste vergelijking van het vermogen met dat van 
andere rivieren is zeer moeilijk, omdat men dan tevens 
zou moeten weten wat men bij deze onder M. R. verstaat. 

Do stand van den Rijn bij M. R. , waar hij op onzen 
bodem komt is + 11,5 A. P. Aan den mond bij den 
Hoek van Holland bedraagt die stand bij eb — 0,54 en 
bij vloed + 1,04 A. P. , waaruit men het verval kan op- 
maken over de geheele lengte der rivier binnen ons grond- 
gebied. Dit verval is over dien afstand echter volstrekt 
niet gelijkmatig verdeeld , het is boven veel grooter dan 
beneden. Terwijl b.v. de rivier bij M. R. tusschen Pan- 
nerden en Arnhem op elke 1000 M. 0,127 M. daalt, zoo 
wordt dit verval naar den mond toe vrij regelmatig ge- 
ringer , totdat het tusschen Rotterdam en den mond bij 
vloed slechts ruim 0,06 M. bedraagt en bij eb slechts 0,006 
M. De loop is hier dus zeer traag. De grootste snelheid 
op den Rijn en zijn armen waargenomen is die op het 
Pannerdensche Kanaal by genoemd verhang , dus bij M. R. 
nl. 1,18 M. in de sec. Bij hoogere standen stijgt even- 
wel die snelheid, bij zeer hooge tot boven de 2 M. zelfs. 
Ter vergelijking diene dat de snelheid der Seine te Parijs 
1 — 1,9 M. p. sec. bedraagt, die van de Theems te Londen 
bij vloed 0,91 M. , bij eb 0,76 M. , de Tiber te Rome bij 
lage standen 1 M. ; de Rijn bij middelbare standen heeft 
te Alt-Breisach zijn grootste snelheid nl. 2,87 M. , terwijl 



<) 



die te Basel kan stijgen tot 4,16 M. Wij geven later een 
vergelijkend overzicht van den rivierstand en2. op enkele 
voorname punten van den Rijn en onze andere rivieren. 

Wij zeiden zoo even : de mond van den Rijn cuin den 
Hoek van Holland, Men denke er om en doe steeds zoo 
noodig uitkomen dat Pannerdensch Kanaal— Neder-Rijn — 
Lek —Nieuwe Maas één hoofdrivier is. De tijden van de 
verdeeling bij Wijk bij Duurstede, enz. in de schoolboeken 
zijn gelukkig voorbij , al zijn vroeger de Ki-omme Rijn , 
Vecht, Oude Rijn en HoUandsche IJsel ongetwijfeld mach- 
tige takken geweest, zooals uit de geologische vorming 
der gronden langs hun oevers (rivierklei) bUjkt. Toch — 
waarschijnlijk door de ongelukkige naamsverwisseling - 
wordt nog niet algemeen begrepen wat de rivier de Rijn 
is ; en in het prachtwerk „cfo R^yi*' n.b. vertelt ons Hack- 
lander dat: de Ovde Rijn bij Arnhem zijn schoenen naam 
met dien van Lek verwisselt , bij Vreeswigk zich in 2 
tcikken verdeelt, waarvan de rechtsche Kromme Rynheet 
die bij de Aw^fetad Leiden in zee komt , enz. De vertaler 
merkt slechts op dat de rivier bij Arnhem niet Lek heet. 
Na de geheele behandeling der groote rivieren zullen 
wij laten volgen een beschryving van haar loop in Neder- 
land , zooals zij ons wenschelijk toeschijnt in leerboeken, enz. 
Zooals bekend is , • verdeelt de Rijn zich bij Pannerden 
in tweeen ; de linkerarm , de W a a 1 voert bij M. R. •/» 
van het water der onverdeelde rivier af , de rechter , het 
Pannerdensche Kanaal of Rijn geheeten , neemt */» mede 
om later even voorbij Huissen aan de Pleij gekomen aan 
een nieuwen arm naar rechts , den IJ s e 1 , V9 van het 
vermogen van den Boven-Rijn afstaan en daarna als Ne- 
der-Rijn met */9 daarvan verder westwaarts te vloeien. 

Gedurende haren loop door ons land tot 
aan Krimpen a./d. Leken Grorinchem a./d. Mer- 
wede ontvangen de hoofdrivieren, als men 
de Maas tot Woudrichem uitzondert, slechts 
zeer weinig nieuw water. Van datgene, 
wat op onzen bodem neerslaat wordt slechts 



10 



zeer weinig door de stroomen afgevoerd; 
van de lagere gronden geschiedt dit voor een groot ge- 
deelte langs andere wegen. Men heeft terecht inge- 
zien dat dit zeer voordeelig is : de rivieren , wier wate- 
ren het ons toch reeds zoo dikwijls lastig kunnen ma- 
ken , worden daardoor niet meer dan noodig bezwaard en 
de afwatering der lage landen kan veel beter op de zee 
geschieden bij de ebbestanden die dagelijks weerkeeren, 
dan op de altijd hoogere rivieren , die dikwijls , vooral in 
het voorjaar , juist als bevrijding van het overtollige water 
het meest gewenscht is , door hunne hooge standen gedu- 
rende weken alle loozing beletten. Later als wij eerst 
een goed overzicht van onze gezamenlijke hoofdrivieren 
en hunne eigenaardigheden hebbon verkregen hebben, ge- 
ven wij in 't breede op , welke landen daarop afwateren. 

De splitsing van den Rijn in de drie hoofdarmen , juist 
zooals die thans plaats vindt en de genoemde verdeeling 
van zijn vermogen over die armen bestaat eerst sedert 
een eeuw. — Wij zullen hier niet stilstaan bij den vermoe- 
delijken loop der rivieren ten tijde der Romeinen, waar- 
omtrent altijd groot verschil van gevoelen geheerscht heeft, 
vooral ten opzichte van een noordelijken en een middel- 
Rijnarm ; slechts merken wij ter loops op dat de Kromme 
Rijn en de Oude Rijn zeer goed een machtige hoofdarm 
kunnen geweest zijn , waarvoor de geologische vorming der 
gronden langs hunne oevers pleit , terwijl juist deze het 
bestaan van een arm door de Geldersche vallei schijnt te 
weerspreken ; voorts dat de IJsel van Westervoort tot 
Doesborgh en de Lek waarschijnlijk door de Romeinen 
niet gegraven maar vergraven zijn. - 

Tot voor eene eeuw geleden waren de stroomsnelheid 
en daarmede het vermogen van den Waal steeds wassende 
en veel aanzienlijker dan thans , terwijl de Rijn en IJsel 
hoe langer hoe onbeduidender waren geworden , zóó zelfs 
dat bij lage en gewone rivierstanden hun bovenraonden, 
d. z. de plaiitsen waar zij resp. uit den Boven-Riju en 
Neder-Rijn voortkwamen , geheel droog liepen. Zooals wij 



11 



weten trok in 1672 het Fransche leger, na den Boven-Rijn 
bij Wezel te zijn overgetrokken , andermaal over de rivier 
de Betuwe binnen bij het Tolhuis te Lobith (de onneem- 
bare veste „Tolus" der Fransche schrijvers) ; hier gingen 
zij dus over den Neder-Rijn , want de rivier verdeelde zich 
toen twee uur hooger op bij Schenkenschans (Zie Kaartje I). 
Uit brieven van gedeputeerden te velde blijkt, dat aldaar 
toen de koeien door den Rijn liepen. Het diepste gedeelte 
dat de Franschen moesten doorwaden had 4 è 5 voet water. 
De voornaamste oorzaak van het steeds toenemen van 
de Waal en van het onbeduidender worden van Rijn en 
IJsel lag in den St. Elizabethsvloed , die zooals bekend is 
in 1421 den Zuid-Hollandschen waard overstroomde , d. i. 
de landstreek gevormd door de landen die nu zijn : het 
land van Strijen , het eiland van Dort , de Biesbosch , het 
Bergsche veld, de landen van Altena en van Heusden, 
de Langstraatsche velden en de streek land die ten westen 
van Geertruidenberg tot Zevenbergen zich uitstrekte, ter- 
wijl toen de Klundert en Fijnaart eilandjes waren , gelegen 
in een groeten zeeboezem, de Meeren genaamd. Eertijds 
ten tijde der Romeinen waren de Waal en de Maas geheel 
van elkander gescheiden tot dicht bij hunne uitmonding 
in zee (zie Kaartje III) ; in 't algemeen was toen de loop 
der benedenrivieren geheel verschillend van den tegenwoor- 
digen ; de gedaante hunner wijde monden vooral en van de 
daarin gelegen Zuid-HoUandsche eilanden was geheel an- 
ders dan thans. De Waal liep toen ook langs Woudrichem, 
doch had daar geen gemeenschap met de Maas. Deze liep 
van Bokhoven ten zuiden van Heusden om , ongeveer door 
het thans gedeeltelijk opgedroogde bed van het Oude 
Maasje langs Geertruidenberg door het eiland van Dort 
en het land van Strijen , door Beijerland en Putten tot 
GeervHet , alwaar zij zich eerst vereenigde met de Waal , 
die toen ten Noorden van het tegenwoordige Dortdrecht 
door IJselmonde westwaarts vloeide en hare wateren met 
di(^ van deze rivier vermengd door een zeer breeden mond 
in zee stortte. Sporen van deze oude stroombedden van 



12 



Maas en Waal zijn nog te vinden, van de Maas : op Beier- 
land in de Binnenbedijkte Maas van Maasdam tot 
Westmaas en waarschijnlijk in den Vierambachten- 
boezem bij Geervliet , van de Waal : in een water, nog 
de Waal geheeten, zich uitstrekkende van tegenover Al- 
blasserdam aan de Noord langs Hendrik-Ido- Ambacht en 
Rijsoord tot Heerjansdam aan de Oude Maas , welke laat- 
ste toen waarschijnlijk verder de Waal vormde. Reeds 
vóór den graventijd echter nam de Maas een anderen loop 
waarschijnlijk een gevolg van de gemeenschap die zij toen 
reeds nu en dan had met de Waal te St. Andries, over 
de landen tusschen Dreumel en Rossum en door het Ka- 
naal van Heerenwaarden , waardoor deze hier bij hooge 
standen zich ten deele op de Maas stortte. De oude loop 
t. Z. van Heusden om verlamde en in de plaats daarvan 
ging zij den korteren weg naar de Waal volgen van Heus- 
naar Gorinchem ongeveer zooals dat tegenwoordig nog ge- 
schiedt ; zij hep dus van toen af niet meer door den Groo- 
ten (Z. HoUandschen) Waard. Toen nu deze waard, die 
ten Noorden langs Maas en Merwede en in het Westen 
tegen de zee bedijkt was , doch in het Zuiden tegen de 
hoogere Brabantsche gronden te niet liep , den 18den No- 
vember 1421 door een storm uit zee werd ingebroken en 
zijn gronden die gedeeltelijk uit veen bestonden , gedeelte- 
lijk en hier en daar geheel , d. i. 4 è. 5 M. diep , werden 
weggeslagen, viel het water van de Waal in den toen ge- 
vormden open zeeboezem. Toen langzamerhand de weinig 
of niet weggeslagen deelen en de in dien plas neervallende 
slikken der rivier weer als een menigte eilanden boven- 
kwamen , werden geulen of killen daartusschen ge- 
vormd , die thans in den Biesbosch nog gedeeltelijk bestaan 
en daardoor ontlastte zich de Waal grootendeels , terwijl 
de oude rivier langs Dordt hoe langer hoe minder water 
kreeg. De Waal had nu nog slechts v. van hare voorma- 
lige lengte, gerekend tot aan den Moerdijk ongeveer, ter- 
wijl de waterstand bij eb hier bovendien aanmerkelijk la- 
ger is dan bü den ouden mond bij den Briel ; alzoo 



13 



ontstond over een korteren afstand een veel grooter 
verval. 

Door beide oorzaken werd het verlmjvg dus veel sterker 
en daarmede namen natuurlijk stroomsnelheid en vermogen 
zeer toe ; — van daar dat de Ryn en de IJsel hoe langer 
hoe minder water kregen. Om deze reden en ook vooral 
om den Dordtschen handel , trachtte men later wel door 
gedeeltelijke en eindelijk in de vorige eeuw door geheele 
afsluiting der killen van den Biesbosch het Waalwater 
weer geheel door de Merwede te doen afvloeien , maar die 
plotselinge vernauwing gaf aanleiding tot zeer hooge wa- 
terstanden , zoodat ernstig gevaar ontstond en vele landen 
niet meer konden afwateren, men heeft de afdammingen 
der killen weer moeten wegruimen. Hieruit blijkt dat men 
een rivier niet kan dwingen in een voor haar ongeschikt 
bed te vloeien. In het begin dezer eeuw heeft men eerst 
op oordeelkundige wijze de Merwede, die langzanierhand 
vol ondiepten was geraakt en geen Vio van het Waal- en 
Maaswater meer afvoerde , door verdieping enz. voor groo- 
teren waterafvoer geschikt gemaakt en later in onzen tijd 
zijn de Killen afgedamd en is in plaats daarvan één enkele 
breede afvoer- en vaargeul gebaggerd, de Nieuwe Mer- 
wede, die nu een kleiner deel nl. de helft — zooals men 
althans hoopt te verkrijgen — van bet geheele Merwewater 
medeneemt. De kaden van de polders op de t. Z. der 
Merwede gelegen platen en eilanden hebben echter 1 , 6 
è, 2 M. minder kruinshoogte dan de daartegenover gelegen 
bandjyk van den Alblasserwaard , zoodat zij bij zeer hoogen 
waterstand overloopen en alzoo de landen ten Noorden 
van de Merwede ontzetten — Op den linkeroever der Nieuwe 
Merwede is thans een doorloopende zware bandyk aange- 
legd, over de platen en de geulen die hen scheiden; de 
geul zelve wordt al meer en meer een uitstekende rivier ; 
alleen aan haar benedeneinde bij de Deeneplaat, waar 
zij nog te breed is , is de vereischte diepte nog niet ver- 
kregen. 

De genoemde bandijk is tevens reeds een belangrijk deel 



14 



van een groot werk : de aanstaande indijking van den 
Biesbosch. 

I)e goede voortgang in de vorming der Nieuwe Merwede 
is deels te danken aan uitbaggering — in 1871 — 1880 wer- 
den ruim 4 millioen M* verwijderd die in de killen werden 
gestort — doch voornamelijk aan de krachtige werking 
van eb en vloed in de nieuwe rivier. 

Deze werking is oorzaak dat de middelbare standen op 
de rivieren hooger op , vooral op de Maas , voor die plaat- 
sen waar nog getijen zijn waar te nemen, vrij aanzienlijk 
gewijzigd zijn. Die bij vloed zijn ni. verhoogd en die bij 
eb eveneens , doch de verschillen tusschen H. W. en L. W. 
zijn grooter geworden. Zie de Tabellen hierachter. 

Het deel der Merwede tusschen Gorinchem en den bo- 
venmond der Nieuwe Merwede wordt ook wel B o v e n- 
Merwede en dat van hier tot Dortdrecht Beneden- 
Merwede genoemd. — 

Zooals wij reeds opmerkten verdeelde de Rijn zich vroe- 
ger reeds bij Schenkenschans in twee armen, d. i. tw^ee 
uur boven het tegenwoordige Separatiepunt. De rechter- 
arm , de Neder-Rijn , die door het zeer verklaarbare toe- 
nemen van de Waal steeds verarmde , voerde in den zomer 
van 1696 volgens een oude opname-kaart van den ingenieur 
Passavant niet meer dan */« van het water van den on- 
verdeelden Rijn af; in den mond van den IJsei stond bij 
M. R. nauw een voet water. In dezen toestand werd 
1701 — 1706 verbetering gebracht, door het graven van het 
Pannerdensche Kanaal , dat lager op de rivier de Waal van 
bij Pannerden met den Neder-Rljn bij Candia verbond ; dit 
geschiedde oorspronkelijk echter niet met dat doel, doch 
met het oog op de verdediging der oostelijke grenzen , 
waartee de Neder-Rijn ongeschikt was geworden , van daar 
de niet rechte strekking van het kanaal en de geringe af- 
stand der dijken (Zie Kaartje I). Dit kanaal trok veel 
water en werd na 1709 de eigenlijke rivier , terwijl het 
oude bed tusschen Schenkenschans en Candia verdroogde 
en alleen bij hooge standen werkte ; de Waal ging haar 



15 



loop toen benoorden Schenkenschans nemen. Maar later 
ging tengevolge van doorbraken die niet gedicht werden, enz. 
de Neder-Rijn weer langs zijn oud bed vloeien , de Waal 
ging tusschen Schenkenschans en den mond van het Pan- 
nerdensche Kanaal een diepe bocht naar het Noorden vor- 
men zóó , dat de plaats van de kerk van Herwen, die in 1696 
tien minuten t. N. van de rivier lag, in 1766 reeds 151 el 
t. Z. daarvan was gelegen. — Eerst in 1771 begon men de 
verbeteringen onder de leiding van den bekwamen inge- 
nieur Brunings , die den grondslag legden tot den tegen- 
woordigen toestand. Aan het Pannerdensche Kanaal en 
den IJsel werden nieuwe monden gegeven , meer geschikt 
tot opname van water, de genoemde bocht in de Waal 
werd afgesneden door het Bijlandsche Kanaal en 
de oude mond van den Neder-Rijn bij Schenkenschans ge- 
dicht. De oude rivier tusschen Schenkenschans en den 
benedenmond van het Pannerdensche Kanaal bestaat thans 
nog als een weinig beteekenende sprank in het oude bed , 
doch moet — wat voor ons zeer nadeelig is — meehelpen om 
bij hoog water breuken te voorkomen in den Zuider-Rijndijk 
tusschen Schenkenschans en Bimmen in het land van 
Kleef, waartoe een overlaat, d. i. een dam geschikt om 
water te laten overvloeien , in den ouden mond is gelegd. 
Deze werkte o. a. bij den buitengewoon hoogen stand van 
Januari 1883 met meer dan 2 M. overstorting. (Zie 
Kaartje I). 

Opzettelijk zijn hier wat uitvoerig de voornaamste ver- 
anderingen behandeld die onze hoofdrivier de Rijn onder- 
ging, alvorens in den tegenwoordigen toestand te komen; 
vooral om te doen uitkomen de gewichtige veranderingen 
waaraan de rivieren dicht bij haar monding (beneden- 
rivieren) onderhevig zijn, tengevolge van invloeden 
uit zee , of wel door zijdelings uitstorten bij zeer hooge 
standen op de rivier zelve als anderszms. 

De invloed van eb en vloed is op den Rijn (Lek) merk- 
baar tot Vianen , (verschil bij gewone tijen 0,03 tot 0,08 
M.) soms tot Kuilenburg en Beusichem , boven Schoonho- 



IH 



ven blijft het water echter steeds zeewaarts stroomen: 
op de Waal doet zich de invloed der getijen tot Bommel 
gevoelen (bij gewone tyen verschil 0,03 k 0,05 M.) , bij 
hooge vloeden en wind uit zee soms tot St. Andries , doch 
nooit loopt het in tegengestelde richting hooger dan tot 
Gorinchem. 

De Usel heeft door de genoemde verbeteringen , in het 
laatst der vorige eeuw aan onze hoofdrivieren uitgevoerd, 
weer eene zoodanige hoeveelheid water verkregen van den 
onverdeelden Rijn (V, bij M. R.), dat hij bij niet buiten- 
gewoon lage standen voor de scheepvaart geschikt is. Bij 
hooge rivierstanden voert de Usel een nog veel grooter 
deel van den Boven-R^n af, waardoor Neder-Rijn en Lek, 
welker overstroomingen groote rampen kunnen veroorza- 
ken , zeer ontlast worden ; de inundatie in de IJselstreken 
berokkent daarentegen betr. geringe schade. Vooral heeft 
daartoe bijgedragen het geven van meer scheppende mon- 
den aan het Pannerdensche Kanaal en aan den Usel ; 
hetgeen bij den laatste bestaan heeft in het dichten van 
den ouden mond en het maken van eene afsnijding over 
de Pleij (Zie kaartje I). Het gedeelte van de rivier 
van den Rijn bij Westervoort tot den Ouden Usel bij 
Doesborgh , de zoogenaamde Nieuwe Usel , is zeer waar- 
schijnlijk niet gegraven door Drusus' soldaten ter verbin- 
ding dier twee rivieren, doch slechts door hen verbeterd. 
De Usel vormt aan zijn benedeneinde een delta : even 
voorbij Kampen nl. verdeelt hij zich in twee takken , het 
Rechte diep en het Ganzediep , die zich weer verdeelen , 
zoodat de rivier zich door vijf monden in zee stort. Alleen 
het Ganzediep en de Ketel zijn voor binnenlandsche 
scheepvaart geschikt; de laatste is de voornaamste mond, 
die door twee lange in zee uitstekende hoofden, ter voor- 
koming van ondiepten vóór den mond, in zee geleid 
wordt. Zooals men weet is de Useldelta , het Kamper- 
eiland, bekend om zijne vruchtbaarheid. Het heeft nl. 
slechts lage bedijkingen en wordt alzoo bij hooge rivier- 
standen overstroomd, waardoor een vruchtbaar slib ach- 



17 



terblijft, dat tevens langzamerhand de delta uitbreidt. Dit is 
de natuurlijke toestand , zooals die bestaat bij den Bene- • 
den-Nijl, deGanges, enz. Dien toestand thans voor de andere 
aan onze rivieren gelegen landen in het leven te roepen 
zou echter onmogelijk zijn ; daartoe zou men wel is waar 
sommige landen , door ze tijdeUjk niet te bewonen , kunnen 
verbeteren en verhoogen, andere echter zouden zoo diep 
onder het water bedolven geraken , dat jaren noodig zouden 
zijn en onnoemelijke kosten zouden moeten besteed worden 
om die kunstmatig weer droog te krijgen. Dit zou niet 
natuurlek zijn en deed men het niet — wie zou thans 
een deel van het beste des lands weer aan de wateren 
willen prijs geven waarop het ten koste van zooveel oflFers 
veroverd werd? — 

De IJsel heeft aan zijn bovenmond bij M. R. een stand 
van + 9,45 A. P. en aan den mond van het Ganzediep 
van - 0,123 A. P. bij eb en + 0,034 A. P. bij vloed , 
welk verval weer niet gelijkmatig is verdeeld, doch op 
de bovenrivier het sterkst is ; het bedraagt tusschen Wes- 
tervoort en Zutfen ongeveer 0,12 M. op de 1000 M. , dus 
zoowat zooveel als dat van den onverdeelden Rijn, waar 
deze ons land binnentreedt. 

De invloed der getijen op den IJsel is gewoonlijk merk- 
baar tot even boven Katerveer, bij buitengewone storm- 
vloeden soms tot Wijhe, zelfs totZutphen. Boven Kampen 
blijft het water steeds zeewaarts stroomen. 

DE MAAS. 

De Maas heeft in 't algemeen een veel geringer ver- 
mogen dan de Rijn , echter kan dat tengevolge van het 
nauwere bed en .de veel grootere stroomsnelheid soms 
meer plotseling toe- en afnemen. Bij de laagste standen 
blijft de afvoer te Maastricht nog een 45 M« per sec. , 
terwijl deze bij hooge standen tot over 2000 M« stijgen 
kan. Het vermogen zal te Grave ongeveer zijn: bij zeer 
lage standen = 60 M* ; bij M. R. = 125 M» ; bij hooge 
standen = 2400 M«. 

2 



18 

De Maas treedt Nederland binnen met een stand bij 
M. R. van + 45 A. P. ; deze is bij Woudricheml,98of 1,7 
. + A. P. al naar het vloed of eb is , en uit dit groote 
/ verval is op te maken, dat de snelheid veel grooter moet 
; zijn dan die op Waal en Rijn. Dat verval is echter zeer 
/' ongelijk verdeeld : tusschen Maastricht en Roermond be- 
draagt het 0,40 M. op 1000 M. afstand, dat is dus 3 
maal zoo groot als het grootste verval op den Rijn of op 
de Waal in ons land. Van Roermond tot Venlo bedraagt 
het 0,18 M. op 1000 M. , dus Vl$ maal het maximum op 
de andere rivieren ; van Venlo tot Grave neemt het echter 
zoo sterk af dat het daar gemiddeld slechts 0,055 per 
1000 M. bedraagt. 

De invloed der getijen is merkbaar tot Heusden, soms 
tot Well. De vloed , d. i. het opwaarts stroomen van het 
water heeft echter zelden boven Woudrichem plaats. 

Wy zullen thans omtrent de Maas nog eenige zaken 
mededeelen die dikwijls ter sprake komen , vooral in tijden 
van hoog water en die dus dan vooral zeer wetenswaar- 
dig zijn. 

In de eerste plaats : de gedeeltelijke zijdeling- 
sche afvoer van het water der B o ven-Maas 
door Noord-Brabant. (Zie kaart IL) De bedijkingen 
van de Maas nl. vangen op den rechteroever eerst aan 
bij Mook , op den ünkeroever begint de groote bandijk bij 
Grave. Tusschen deze stad en het hoogerop gelegen 
Cuijk zijn twee polders van eigen dijken voorzien ; tusschen 
deze twee nu en tusschen den bovensten polder en de 
hoogere gronden bij Cuijk zijn twee open vakken , d. w. z. 
oevers zonder dijk , samen ter lengte van 5000 M. Het 
bovenste , tusschen Cuijck en den polder van Katwijk en 
Gr. Linden , is vóór korten tijd feitelijk afgesloten door de 
nieuwe spoorwegverbinding Nijmegen— Venlo. Het andere 
onbedijkte vak tusschen laatstgenoemden polder en dien van 
Esscharen en Gasselt is slechts door een zomerkade ge- 
sloten, waarvan een gedeelte door betr. geringe kruins- 
hoogte en bijzondere constructie geschikt is tot het over- 



19 

laten van water — een zoogenaamde overlaat. Dit 
gedeelte heet de Beersche overlaat en is lang 
2500 M. 

Bij een zekeren rivierstand nu loopt bet Maaswater daar- 
over Noord-Brabant binnen en ontlast alzoo gedeeltelijk 
het benedengedeelte der rivier. Men zegt dan: „de Beer- 
sche Maas werkt met zooveel cM." d. L het 
water vloeit ter hoogte van zooveel centimeter over den 
kruin van den overlaat — of ook wel , zooals men in die 
streken zelve zegt: „de Maas is om." De naam Beer- 
8che Maas komt van het dorp Beers dat in de „traverse" 
van de Beersche Maas is gelegen ongeveer *U uur t. W. 
van Cuijck. Het overgevloeide water loopt dan naar de 
zijde van 's Bosch af , Unks zich uitbreidende tot tegen de 
hooge heistreek, rechts in het algemeen den Maasdijk 
volgend doch vele polders vrijlatende , voor zoover deze 
zich door eigen kaden kunnen beschermen ; het dumt even- 
wel geruimen tijd vóór het water den Bosch bereikt. 

Het vloeit vervolgens door een paar sluizen en over 
eenige verlaagde gedeelten in den rechter Diezedijk op de 
Die ze en wordt hierdoor weer bij Crèvecoeur op de Maas ge- 
loosd. Van Crèvecoeur tot Bokhoven is de Maas 
links ook onbedijkt, langs welks vak de landen 's zo- 
mers slechts door kaden wordt beschermd en waarover 
het Beersche Maaswater dat t. Z. om den Bosch is geloo- 
pen en dat hetwelk Dommel en Aa aanvoeren eveneens 
weer op de Maas kan komen. Bij eenigszins hooge rivier- 
standen is dit echter niet mogelyk ; integendeel , vooral 
door invloed van Waalwater — waarover lüeronder — werkt 
de Bokhovensche overlaat dan omgekeerd van buiten naar 
binnen en loopt dan ook hier het water uit de Maas in Noord- 
Brabant, vereenigt zich met het Beersche Maaswater, dat 
nu ook ten Zuiden van den Bosch om door de zoogenaamde 
Meierij vloeit , en met het water der dan ook meestal sterk 
gezwollen riviertjes de Dommel en de Aa en stroomt dan , 
eerst in het Westen dan in het Noorden door de bedijking 
van de landen van Heusden, Vlijmen, Nieuwku\jk en 



20 



Dranen tegengehouden, tot aan den Baardwijkschen 
overlaat. (Zie Kaart II). Deze is als het ware de 
dorpel van de Langstraat , een ^k tot 1 uur breede strook 
lands, zich uitstrekkende t. N. en t. Z. langs het Oude 
M a a s j e van Baardwijk tot Geertruidenberg en door dij- 
ken ingesloten. 

Het inundatiewater komende over den Baardwijkschen 
overlaat wordt dan tusschen leidijken eerst noordwaarts 
in de Langstraat gevoerd , door het Oude Maasje opgeno- 
men en door deze rivier bij Geertruidenberg op den Amer 
gebracht. — Hoewel uit het bovenstaande blijkt dat Beer- 
sche Maas en Baardwijksche overlaat nauw samenhangen, 
zoo kan elk van deze zeer goed op zich zelf werken, wat 
ook soms gebeurt. Bij zeer hooge Maasstanden is dit ech- 
ter niet mogelijk. — -s Zomers van 15 April— 15 November 
wordt ten Zuiden van den Baardwijkschen overlaat tus- 
schen de leidijken een zomerkade gelegd ten einde gedu- 
rende dien tijd in de Langstraat geen overlast van water 
te kunnen hebben. Voor meer détails omtrent de Beer- 
sche Maas enz. zie men Hoofdstuk VI. B. De Geld. Brab. 
rivierkleipolders (t. Z. v. d. Maas) en de Rivier^aart H. — 

Een andere omstandigheid die zich bij de Maas voordoet 
en die van gewicht is , hoewel niet meer in die mate als 
voorheen, is de gemeenschap die de Maas reeds 
bij St. Andries heeft met de Waal. Reeds in zeer 
oude tijden bestond nl. gemeenschap over de landen tus- 
schen Dreumel en Rossum , waar Maas en Waal elkaar 
dicht naderen en welke landen ook thans nog onbedijkt 
zijn , dus niet begrensd door een Waaldijk ten N. en een 
Maasdijk ten Z. (Zie Kaart II). Bij Dreumel schijnt ook 
een overlaat geweest te zyn tot loozing van üiundatiewater 
uit het Maas- en Waalsche op de Maas. — Bovendien 
schijnen reeds in de 9de eeuw bestaan te hebben twee 
verbindingen door die landen nl. de Heerewaarde n- 
sche en Voornsche Kanalen, die evenwel in de 
vorige eeuw zijn toegedamd , en het gat van St. An- 
dries, loopende langs het fort van dien naam. Tot 1856 



21 



kon door dit gat de Waal zich gedeeltelijk op de Maas 
ontlasten of omgekeerd al naar hun betrekkelijken stand 
toen is echter dit kanaal afgesloten door een schutsluis 
zoodat de verbinding thans alleen in het belang der scheep 
vaart dient. Bij zeer hooge standen van de Waal nl. bij 
2,5 M. boven M. R. evenwel, kan deze nog over de Hee 
rewaardensche landen , d. i. ongeveer over de breedte van 
1 uur, water op de Maas werpen. 

Door deze opheffing der gemeenschap behalve in buiten- 
gewone gevallen is het voordeel verkregen , dat de stand 
der Maas zeer is gedaald over het algemeen , hoewel hij 
soms wat hooger is dan die op de Waal. Dit was wel 
te voorzien , daar het Kanaal van St. Andries , als het 
bij M. R. water op de Maas bracht , een vermogen had 
dat tweemaal zoo groot was als dat der Maas zelve ; 
daar dit evenwel slechts % van het vermogen van de Waal 
is , zoo wordt op deze rivier door de sluiting van het 
Kanaal de waterstand niet bijzonder verhoogd, al schijnt 
deze verhooging toch soms lastig te zijn (0,2 k 0,3 M. bij 
M. R. , 0,50 M. bij hooge standen). Na de sluiting is de Maas 
slechts zelden hooger dan de Waal , in het voorjaar mees- 
tal 0,5 tot 1 M. lager , wat de lage landen langs de Maas 
vooral in dien tijd met het oog op de afwatering zeer ten 
goede komt. Belangen van afwatering en scheepvaart staan 
echter meestal tegenover elkaar, en de Maas, die 's zomers 
toch al dikwyls weinig water hield , is door den invloed 
der dichting bij St. Andries, een invloed die zich naar 
boven tot Grave doet gevoelen , minder bevaarbaar ge- 
worden. — Intusschen kan bij zeer hooge waterstanden op 
de Waal — en dit is vooral van belang bij ijsverstoppingen 
benedenwaarts — ook nu nog een gedeelde van het Waal- 
water zich over de Heerewaardensche buitenvelden ont- 
la^sten op de Maas , hetgeen werkelijk reeds meermalen 
van groot nut is geweest. 

Tot eenig begrip omtrent de beteekenis der genoemde 
overlaten , enz. diene , dat 'bij den buitengewoon hoogen 
stand van 5 Januari 1883 , toen de Maas te Grave op 



22 



+ 11,07 AP., te 's Bosch -f 6,44 AP. stond, de Beersché 
overlaat werkte met 0,65 M. en de Beersché Maas bij Grave 
+ 9,93 AP. toekende , de Elftweg bij Grave met 1,44 M. 
overstroomd was, terwijl de overstorting der Bokhovensche 
en Baardwijksche overlaten resp. 1,77 M. en 0,75 M. 
bedroeg. — 

Wij mogen van de Maas niet afstappen zonder eerst nog 
iets gezegd te hebben omtrent het in Nov. 1882 door de 
Tweede Kamer en in Januari door de Eerste Kamer aan- 
genomen Wetsontwerp tot verlegging van den 
Maasmond, waarvan de uitvoering verstrekkende ge- 
volgen kan hebben en in Noord-Brabant een geheel ande- 
ren toestand doen geboren worden. 

Reeds in 1823 had Kraijenhoflf in zijn „Proeve van een 
ontwerp tot afscheiding van Waal en Maas" dit grootsche 
plan ontworpen en uitgewerkt , hetwelk in hoofdzaak hierop 
neerkomt: de Maas geheel onafhankelijk maken van de 
Waal , alzoo het gedeelte van boven Heusden tot Wou- 
drichem geheel afsluiten en de rivier terugleiden in haar 
oud bed, ongeveer door het Oude Maasje langs Heusden, 
door de Langstraatsche velden, om haar voorbij Keizers- 
veer zich op den Amer te doen storten. 

Volgens het thans aangenomen ontwerp wordt de Maa^ 
bij Hedikhuizen door een schutsluis afgesloten en zal van 
hier ongeveer het Oude Maasje volgend een nieuwe rivier 
worden gegraven en gebaggerd met groote bandijken ter 
weerszijden. i)e Bokhovensche overlaat wordt gesloten. 
Daarna zal langzaam en voorzichtig tot sluiting van de 
Heerewaardensche overlaten worden overgegaan. De bo- 
venmond der Beersché Maas kan door belanghebben- 
den later worden gedicht. 

De gronden waarop de Regeering dit ontwerp heeft ver- 
dedigd zijn: 

Door het wegnemen van de instrooming van Maas en 
Waal bij Woudrichem wordt deze laatste niet meer zoo 
sterk opgezet bij ijsgang. 

Er zal een sterker afstrooming plaats hebben over de 



^3 



geheele rivier, welker waterspiegel tot Grave verlaagd zal 
worden. 

De bodem zal uitschuren, het zand worden medegevoerd, 
zooals nu vele millioenen M* zand by de Waalverbetering. 
Door het afsluiten der overlaten zullen jaarlijks by ijs- 
gang terugkeerende gevaren zoo niet geheel verdwijnen 
dan toch zeker veel zeldzamer worden. 

De Regeering gelooft niet dat de Waaldyken beneden 
Heerewaarden (tengevolge der sluiting van de overlaten) 
teiifjevolge van dit onUverp zullen moeten worden verhoogd. 
Terwijl noordoostelijk Brabant in deze wet een redmid- 
del zag tegen de jaarlijksche overstroomingen, streed noord- 
westelijk Brabant, er tegen. Men vreesde verhooging van 
den waterspiegel bij Keizersveer, dus belemmering van 
(Ie waterloozing in deze streken (Land van Heusden) , 
vooral als de Heerewaardensche overlaten niet reeds vóór 
(Ie opening der rivier gedicht werden (en er dus nog Waal- 
water op de Maas kwam). Deze bezwaren waren o. a. 
ook uitgedrukt in een adres van 23 betrokken .water- 
schappen. 

De ingenieur van der Sleijden vreesde verzanding vóór 
den mond der nieuwe rivier : en zeide dat de zandafvoer 
door de Waalverbetering een verhooging van den water- 
spiegel heeft doen ontstaan. 

De ingenieur Dirks vreesde geen verzanding in den mond, 
omdat er tij loopt; bij langzaam dichten der Heerewaar- 
(lensche overlaten, zal de Waal uitschuren en geen ver- 
hooging van de Waaldijken noodig zijn. 

Men zou kunnen zeggen , dat in 't algemeen de toestand 
van Nederlandsche hoofdrivieren — een Nederlandsch belang — 
waarschijnlijk veel beter zal worden bij uitvoering van het 
ontwerp , als nl. de rivier en haar dijken zelve machtig 
genoeg zijn na sluiting der overlaten. Het valt echter te 
betwijfelen of belanghebbenden den bovenmond der Beersche 
Maas wel zullen dichten. Een afgevaardigde uit diestreek 
liet zich dit trouwens ook ontvallen , en volgens deskundi- 
gen zal men er zich wel voor wachten , daar dit reeds 



24 



te' Grave een zeer aanzienlijke verhooging van den water- 
spiegel zou geven. — Wij zouden dus niet durven verze- 
keren, dat men hier te doen heeft met een algemeen 
Noord'Brabantsch belang, ten minste van noordoostelijk 
N.-Brabant ; men stelt zich in deze , niet het minst in 
onze Kamers, waarschijnlijk veel te veel voor. — 

Het is misschien niet overbodig hier een beschrijving te 
geven van den loop der hoofdrivieren in ons land, zooals 
zij o. i. ook in de leerboeken behoorde voor te komen. 

De Rijn komt even boven Lobith in ons land, verdeelt 
zich bij Pannerden in twee takken , waarvan de linker , 
de Waal, bij middelbare standen met % van het ver- 
mogen van den onverdeelden Rijn westwaarts stroomt en 
de rechter, het Pannerdensch Kanaal, ook wel Rijn 
of Neder-Rijn geheeten, noord westwaarts vloeit tot bij 
Westervoort. Hier geeft hij aan een zijtak naar rechts , 
den Gelderschen IJsel, v, van het water des onver- 
deelden Rijns af , om zelf , zijn naam behoudend , met het 
overige % westwaarts te stroomen. Hij loopt vervolgens 
langs Arnhem , Wageningen , Rhenen, Wyk bij Duurstede, 
waar hij den naam van Rijn of Neder-Rijn met dien van 
Lek verwisselt, langs Culemborg, Vreeswijk, Vianen, 
Ameide , Nieuwpoort en Schoonhoven en neemt bij den 
Elshout schuins tegenover en iets boven Krimpen het wa- 
ter van den Noord op. De rivier vloeit dan onder den 
naam van Nieuwe Maas voort, ontvangt even voorbij 
Krimpen het water van' den Hollandschen IJsel, 
stroomt langs Rotterdam , Delfshaven, Schiedam en Vlaar- 
dingen , geeft even voorbij die plaats een deel van zijn 
water naar links aan de Botlek, die tusschen de 
eilanden Weiplaat en Rozenburg naar de Brielsche Maas 
loopt , en stroomt onder den naam van Scheur langs 
Maassluis, om beneden Rozenburg hare wateren door den 
Nieuwen Waterweg (doorgraving van den Hoek 
van Holland) en tusschen de beide Zeehoofden door in 
zee te storten. — De rivier ontvangt behalve door eenige 
kleine beekjes van de# Veluwe en van de uiterwaarden , 



25 



voor het eerst eenig Nederlandsch water te Ameide van 
den Zederikboezem en daartegenover van een paar pol- 
ders bij Jaarsveld; daarna de eerste belangrijke hoe- 
veelheid aan den Elshout van het grootste deel van den 
Alblasserwaard , die er reeds bij Streefkerk rechtstreeks 
eenig water op af deed loopen, terwijl beneden dit 
punt de stroom groote watermassa's ontvangt , . rechts 
van den Krimpenerwaard , den Holl. IJsel, Schieland en 
Delfland , Unks van de eilanden IJselmonde en Rozenburg. 
De Waal loopt van Pannerden langs Nijmegen, Tiel 
en Heerewaarden en werpt over een onbedijkt gedeelte 
boven en beneden dit dorp bij zeer hoogen waterstand water 
op de Maas , stroomt dan langs Bommel en Herwenen en 
neemt bij Loevestein links de rivier de Maas op. De 
stroom vloeit dan onder den naam van Merwe of 
Boven-Merwe langs Woudrichem en Gorinchem tot 
Werkendam , geeft dan ongeveer de helft van zijn water 
aan een linker zijtak ,de Nieuwe Merwede, die in 
Z.W. richting loopt totdat zij by de Deeneplaat zich op 
het Hollandsch Diep stort, en vloeit zelf onder den naam 
van Merwe of Beneden-Merwe door tojb Dor- 
drecht. Hier verdeelt zich de Merwe in tweeën: in de 
Noord, die N. N.Westwaarts loopt en zich boven Krim- 
pen met de Lek vereenigt , en in de O u d e Maas. Deze 
laatste geeft even voorbij Dordrecht het grootste deel van 
haar water aan de Dordtsche Kil, die zuidwaarts 
loopt en bij Willemsdorp op het Hollandsch Diep komt, 
en vloeit zelve westwaarts tusschen de eilanden IJsel- 
monde (rechts) en Beierland met Putten en de Weiplaat 
(links) door , na bij Oud-Beierland een deel van haar groo- 
tendeels uit getijwater bestaand vermogen aan het Spui 
(tusschen Beierland en Putten) te hebben afgegeven en 
boven de Welplaat aan het Haartelsche gat, dat 
dit eiland van Putten scheidt. Het overige water van de 
Oude Maas komt op de Botlek. Deze laatste , die ten Z. 
en vervolgens de Brielsche Maas die ten Z. W. 
langs Rozenburg en ten N. langs de stad Brielle loopt, 



2ö 



brengen een deel van het water van Nieuwe en Oude 
Maas door den mond van de Maas naar zee. 

De Waal ontvangt behalve van het Ooipoldertje boven 
Nijmegen , van de uiterwaarden en van den polder van 
Herwijnen bij Vuren geen Nederlandsch water. De Mer- 
wede (Boven- en Beneden-Merwede) ontvangt rechts door 
de Linge bij Gorinchem of meestal door het Kanaal van 
Steenenhoek bij Steenenhoek al het water van Over- en 
Neder-Betuwe , dn landen van Culemborg en Buren , den 
Tielerwaard een deel der Vijf boerenlanden ; links niets* 
De Noord ontvangt rechts het water van den polder van 
Papendrecht en bij Alblasserdam van een deel van den Al- 
blasserwaard (boven den Nederwaard), links van een deel 
van IJselmonde. De Oude Maas ontvangt rechts van 
IJselmonde en links van Beierland , Putten en de Welplaat 
veel water, hetzij rechtstreeks hetzij door tusschenkomst 
van boezems. Op Botlek en Brielsche Maas wateren rechts 
Rozenburg en hnks de Welplaat , Putten en Voorne ge- 
deeltelijk , rechtstreeks of door boezems af. 

De Maas komt even boven Eijsden in Limburg , loopt 
noordwaarts langs Maastricht , Maaseijk (België) , Stevens- 
weert en Roermond, tot welke laatste plaats het verval 
zeer sterk is ; dan langs Venlo , Boxmeer , Gennep , Cuijck 
en Mook, van waar de rivier in westelijke richting met 
betr. gering verval verder gaat stroomen. Vóórdat zij 
Grave bereikt, stroomt bij zeer hooge standen een deel van 
haar water over een onbedijkt vak op den linkeroever, den 
Beerschen overlaat , Noord-Brabant binnen onder den naam 
van Beersche Maas ; de rivier loopt verder langs Grave , 
Ravestein, Batenburg, Megen en het Fort St. Andries ; boven 
en beneden het laatste punt ontvangt zij bij zeer hooge rivier- 
standen op de Waal over de Heerewaardensche overlaten 
water van deze rivier. De Maas loopt vervolgens langs 
de Blauwe Sluis, Crevecoeur en Bokhoven, alwaar zij bij zeer 
hoogen stand over een onbedijkt vak een deel van haar 
water in Brabant doet stroomen, of ook soms bij werking 



der Beersche Maas water van deze ontvangt, verder langs Aalst 
en Pouderoyen en vereenigt zich , na tusschen Loevenstein 
en Woudrichem door gestroomd te zijn , bij deze plaatsen 
met de Waal. 

De Maas ontvangt gedurende haren loop tot Grave het 
water van een vry groot stroomgebied in Belgisch en Ne- 
derlandsch Limburg, Noordbrabant en de Rijnprovincie door 
de rivier de Jeker, die bij Maastricht Unks zich in de 
Maas stort ; door de Geul , de Geleen , de Roer , de Swal- 
men, de Niers die rechts, de Neer en de Raam die links 
in de rivier vallen, benevens door eenige kleinere stroomp- 
jes. Bij Appeltem, Altforst en tegenover Ooyen ontvangt 
de rivier door drie weteringen en boven Heerewaarden 
door de Alphensche en Dreumelsche sluizen het water van 
het Rijk van Nijmegen en het land van Maas en Waal ; bij 
de Blauwe Sluis van een deel van noordwestelijk Noord- 
brabant en bij Crevecoeur al het water van het aanzienlijk 
stroomgebied van de rivieren de Dommel en de Aa met 
hunne zijriviertjes en van den boezem van de Dieze en 
daarop loozende boezems en wateren. Bij Hedikhuizen 
brengt voorts de boezem van de Hedikhuizensche Maas eenig 
water op de rivier, terwijl eindelijk boven en beneden 
Aalst en beneden Pouderoijen de geheele Bommelerwaard 
op de rivier afwatert. — 

Hieronder laten wij volgen eenige gegevens omtrent onze 
hoofdrivieren. Naast de standen over 1871 — 1880, waarin 
de M. R. aan de benedenrivieren vrij hoog was , vooral 
voor de Maas , geven wij die van 1861 — 1870, die vrij laag 
zijn en die van 1851 - 1860 , die het gemiddelde tusschen 
beide houden. 

Men moet evenwel niet uit het oog verliezen , dat de 
verhooging op het benedengedeelte der rivieren boven 
Werkendam een gevolg is van de meer en meer krachtige 
werking der getijen in de Nieuwe Merwede en dat dus de 
stand over het laatste tijdvak voor bedoeld gedeelte waar- 
schijnlijk meer den normalen stand in de toekomst nabij- 
komt dan dien in vorige tijdvakken. 



ï 



è 



28 



OOÏO 

00 00 00 

'vco 'T^ 
<M ^ oa 

rH 00 rH 
CO 

O CO O 



t^ <M (-. _ 
00 ^i>» 00 

00 3-«> 

rH co rH 

fe!l! te 

® rH ® 



l> 00 _ 

ooi> O 
-^E^ 00 00 



co <X) 

•00 00 



00 



-«*< 

§ 



00 73 '^ 

00 o^t> 



-< 00 

H I 
os 00 


















co'^o 

co rH 



O 






Oi 00 



CO T-* 
00 lO 



00 CM rH o 
CO tH tH rH 



CO O 






05 



^ co 

-**< CD_ rH 





CO 


00 


co 


tH 

co'^ 


o" 


00 





co 
of 



(M 

CO 



m^-^/Ts^-^/^ ï^^— 'CO'^CO 



co' 

CO 



'Oi ^"^05 !>• 



•^ ».ïï S» SS :B§l:I5?.g 

CO^OO'^Of^-'rH^O^-^ 



§ s 



00 

OCT Oq' r-T 
co rH i-H 



co co 
csT ocT 



os 



00 rH 

co 



CM (M 






sgs 



00 



'CO 



'^ '«5"'^ lï?*^ 'Tri'^ f^ 'm *^ 






H I 

PS» 

w 



6dD 

s 



co 1-H 



- ^^cd'^^CO '^Q^^^y^ '^O "^ 



00 ';x«M 



o 

00 



co 
co 



00 CM 

co rH 



CM 

ö* oo' 



00 co 
co*^ 



co -* 

CM^ rH^ 

-^ co" 



co 
cm'" 



co ^l> ^*^ 



Sig?2g|g|g|g2g 

•^^-'CO'^^i-H^-^OO^-'CO'^iO'^ 






ÏZ5 

CD 

H 

Hl 



o; 



5 

H-5 



O) 

'S 



c6 



03 

i 









•u(\'5i-u9Aoa: "iiftH-J^p^x 



•2191 



29 









t4 I 



O 
00 



00 



00 



00 



co .^-s"^ "^ /— kCO 
CQ QQ o T-H CO Oi 



Ol DO 00 OQ CO T-H 5Ö CO QQ (M M 



o 

I 



00 



o 



l> CM 

O t-H 



tH O »-» 



co co 
1— I cTr-T 

I 



I 



I I 



Oi co 



§8 



CO 



co 

1— I 
co" 



co 



l>- 00 Oi 

co* ^of 



co 

00 



GvT I-T 



lO , 



,CO ^Oi , 



co ^ö ^ö lo ^o 



T-l CQ-^ W'^ aOl> SQ.^ CQCOlO CQt-H 
O w' O w o w O w' O w t-H o o rH 

I I I I - 1 II I 



co go G<i wa 




•3101 



'losfl'H 'zue 's-Bisji OMiiaiij 



30 



55 



u 



è 



o 

H t 

co JH 

(-1 









EH I 

P?a 



3^ 

^ s 






s s 



> CM 






00 :3nD co 









co 



(M r-l 



00 
00 



O 



05 GQ '^ 

00 O lO 



O 



00 






o 



co 



CO 






CO 1-H 

cq^ ©q 
hT co" 






^ cc 
00 ^Sco 5? 



cTSr-T w cTt-T 
I I I I 



Oi 



00.-^<?5,^CO T-H 

"^ .^05 ^c» C35 kO CO 

i>.'"*d'Co"'Sco'" of I-T 



t>- T^ 03 05 
00 -**< o co 



I 



CO r* 

05 ^ 



05 



00 



03 

co 
o* 



co »o 

05^ O. 
CO GO 




T-H CO 



j" co 



Ol 00 



lO S>co 30 '300 •.ï?!^ ::=» 

T-» "^^i— I ^^rH "-^ >-^ w 



CD ,^co ,-^ 

co QQ co QQ 



00 o t-H 



o 

»0 , 



^^ë^^^S^^S^ ^ ^& 



g 



^ 
-:*< 



03 

o" 



00 T-H 

05 co 



00 



lO 



00 

co 



05^ 

of 



s 



^ ^CO "^O " 






/--s Co 






5Z5 
QQ 

5 << 

fl4 



'S 

> 



(13 









i 
^ 

^ 



i 



•zno *siËrBj^ '^ 



•Itn?AV 



31 



1 p 

1 i 

' o 

1 








RIVIERSTAND 
over 1871-80. 


1 


1 0,55 

1 0,25 

0,31 

0,49 

1 1,03 

-0,92 

-0,30 

(ijs) 

-1,27 


t^ 00 
CM CM 

1 1 


te 


1,85 

1,45 

1,56 

0,73 

1,33 

0,02 
0,99 

-0,29 


1 


1 


4,73 

4,69 

3,64 

3,40 

13,29 

2,13 
2,56 

1,64 


CM O 


RIVIERSTAND 
over 1861-70. 


1 


CD 00 !>• -.• CO .'-kO o ^-vO 
t- -* lO Rh o tö C^ co .fOia 

d" o" O «j o"'3o"ö'"St-r 

1 1 1 


-0,58 
(ijs) 

(ijs) 


« 1 
^ 1 

«o 


1,64 

1,29 

1,46 

0,90 

1 1,30 

1 0,08 
0,94t 

-0,35t 


Ci CD 
00 ^ 

1 


S 




2,85 
1,70 


RIVIERSTAND 
over 1851-60. 


1 

3 


co ,— 03 _ co .-V os (M «D 
lO « -* oo ■* M (N 1-1 o 

©■••c-ö'So'-So" o" T-T 

1 1 


-0,60 
(ijs) 

-1,39 
(ijs) 


^1 


1 1,73 

1 1,42 

1,53 

1,09 

1,27 

-0,13 


co o 
00 «o 
o" o" 

1 


1 

1 




co '::^^* 

(M ^-^rH 


< 


5Z5 
M 

CD 


> Gorinchem . 

Steenenhoek 

1 
1 
W Dordrecht 

Spijkenisse 


1 


1 'opoAVJopi 'si^^jï-o aqosj9ua 



82 





>; 












2 




1 






o 


^ <^ S 
i> r^ 00 




Sao 




>; 






00 


00 00 00 




rfl r^ 








T-H 


1-H rH 1-H 




rH-^ 




0* 






có 


G<I ci Ó 




00^ 




st 






g 


CO CO t^ 
00 00 00 






ê 








1-H rH 1-H 
-H -H -H 




•K-H 






£ 


O 00 


o 


ö'ö'i-rö'i-ro 


O 


^co oa £".— cc 


Q 




I 


^ CO 


O 


00^ 

i-T 


So O o --=2^0 


%i 




^ 


1 


iv «_ 


1 1 1 1 1 


1 


1 1 ! 


H 1 

SS 




as § 


(M lO 


O 


00 lO o cq o CM 


1-H 


co CM t^ C^ 


OQ 00 






CO CX) 


lO^ 


1-H^^^co iq^cq^ 


CO 


CO O 1-H O 


•1 ë 




a S 


r4* Ö^ 


T-l 


(O^rH^cTt-rö^i-r 


o 


i-TÖ^rH^ o" 


E:^ 




te 


__^___ 


^ 


1 1 


1 


1 


(4 




I 










-K- -H 






o co 

co lO 




ïO co Q co c^ co 
o ^o co a> oi 


3 


Oi> CO O iH 
(M^i-H^CM^ iH 






» 


co*^ co" 


co" 


ofco"oi"ofi-r(N* 


1—1 


jyS^oS^ CO of 






















^ -z^^ 


05 


^^ Oi o o (MO 
.^CO t-H Oi '^J^ t-H co 


.-xC^ 


^co o 






^ .OOjO^ 


co 


.5S,co^ 


^<=L^^ R 


H 1 




1 


o'wö' 


o" 


w0"0"^"0"rH0" 
1 1 1 1 1 t 


w<M 


^oo 




•-) 




-^ «. 


1 1 1 1 1 i 


1 


1 




lO^ o 


3r 


^ $"05 co co t-H 


1-H 


o 00 


«S 




^ 


lO co lO co iO CO^ 


l> 


COO R 






T-t r-T 


I-T 


o r-To t-TO rH* 
1 1 


o" 

1 


^a 






<0 




^ ,.«, 


1 1 


I 




5 




•K- 


•H-K--K-H--K- 






P3 






rH Oi 


co 


CO lO o »0 o iO 


s 


co co 






g 


CO OQ 


00 


^<M^00 co O^GQ 


t-H co 




















» 


co co 


osT 


ofco^i-Tofofco^ 


1-H 


co^of 












•*- 


•J- 








I 


co ,"^10 


^-^ 


05 


1-H 


<M CO 


Q 




gTwcT 


§ 


R R R '^ 

o 


05^ 

1-H 




5s 

H 1 




iJ 






1 


1 


1 1 










1 




1 1 


. 






•*- 


-*- 




®s 




P3 1 
^ 1 


c^ \o 




00 


(M 


i>» co 


mS 




LO^ 1-H^ 




R R R <>i 


!>• 


CM tH 






I-T I-T 




r-^ 


o" 
1 


\ 






o 


_ 


^ 


,^ 


1 


1 


5 






-ï- 


•*- 








S) 


(M ^ 


^.^ 


R R R g^ 


o:> 


^.^. " 






§ 


CO l> 


§ 


(M^ 






w 


co co" 




(M_ 


1-H 


co 1-H 








• 




. 


, 


• • 






s^ 


g 




M 


& 


s 


< 


0S 


H 
QQ 


1 

0) 




f 1 i 
1 1 1 


1 
1 

i 


s 1 


{z; 




Hl 

Pi 


^ S <S w 


^ 


^ :^ 


•nx'apjooii 



;13 






i 

o 



H I 

QQ ^ 

OS 00 






I aür; 



(4 OD 

^^ 



I -2 

I 



^1 



I 



O 
X 



00 



GO 






:s 



^SS 



III I 1^1 11 



X lO 

I 



Xi-< 



»-< o o cT th' ^ i-Tt-T 



X co 



X C30^ 




t-iO 



X !>• co C^ X ö 
cö^t>^o^ t^ o !>• 

i-^cTcT cT i-T cT 



cc 




34 









-^ 














>3 




X 

S^'^ 














^ 




^: CM 












1 


k 




o Sa 






O 








£< 




00 '^'9 






00 








i 




iSt;*rL 






1— ( 










^^o^ 






di 








S 




^ r-( 






co 








o 




00 C 1-H 

t-H 1— 1 






00 

1—1 












-1- 
















S 


5^5^ 2 


00 kO 


' l> 00 


^ co 


1—1 


CM 






s» 


t^ 1-« 


05 C35 


l> co 


c^ 


'f' 


p 

H 1 




! 


-**< 00 "^ Tji 00 


i-( 1-H 


O O 


ö^ o" 


o 







ai § 


i-i -^ ^ (M -^ 


05^ 


CO CO 


o: oa 


CO 





«s 




CM 05 00 00 '^ 


00 00 


(M 1-H 


o ot 


a 


S 


W w 




liO 05 :o lO ^ 


CM CM 


CM CM 


<M 1-1 


1—1 


rH 


H^ S 






T^ 












>s 




(O 








- - ,, , 


^^y 


^^ - 






I 


^ 00 CO CO 00 

o^co^Oi^cM^ cq^ 

r-^ 00 1^ t— • Oi 


SS' 

oo'co"* 


^•' 50 "^"^ co ""*— ' co ^"""^ co 


il 









w 


CM T-H T-H i-H 






- 






p 




1 


^ T-H co iO 
CO 00 ^CO 1-H 

-^"x' ""^^ oo" 


t2§ 

1-1 T-l 


o CM 

1-1 05 




s 

ö" 




5o 

H 1 




J 


T-H 






,. 





^ 


P5 6 


Oi^cq^ j.»c o^ 


S8 


co r* 


o ^ 


00 


»c 






00 co 


I>. -^ 


t^ 


^ 






•^05 tO ^ 


CM CM 


1—1 1—1 


tH 1—1 


1-H 


T-H 


H 




^ s 


1— 1 
















<e 








^v, 


— '•-— 


, 










-H +- 










■2 


!>• 00 00 'CJ^ co '' 


5>oo co 


i> ':;^|>• 


co ';i'i> 


1:^0 


t^ '^ 


P5 




&> 


a> lo sjOO .gjO:» . 


a^.^. 


«l»<» 


0:S.9. 


gj^ 


^..è 






§ 


Oic^ o ^00 ^ 


-^00 »o 


iO '^lO 


».0 "-^iO 


^0 


lO ^ 






» 


rH 1—1 1—1. 






- _ 


.r «. 


_ 






t 


^„^. .^. . 


R R 


R 


R 




R 


Q 




3 


-^00 ^ 












H 1 




T-l 














M S 


OCO !-• 
















^.^^ rO. ;. 


R R 


R 


R 




R 




i_: B 


lO O co 












w^ 




s s 


1—1 tH 
















«0 
















5 


(M CO i-J 












P$ 




» 


O CM pjOO R 

CM rH 1-1 


C R 


R 


R 




R 











• • 


ti 


• 




• 






:^ 


• • * • • 


OC M 




• 




q3 


{ï; 




H 


"ö 


g 53 


N 






J^ 




s 




1 O M g g 
Q § o S ® 


1 


1 






i 



3ü 



OPMERKINGEN 




Dat de stand a.d. 
Ark. Daraietshoo- 
gerisdanteAspe- 
ren, komt door het 
uitslaan v./h. boe- 
zemwater v.d. Ze- 
derik, enz. door de 
stoomgemalenaan 
den Ark. Dam. 


In 1772-1780 
9,96-6,42-5,27. 
5Jan.l883hoogste 
stand 8,83 bij o.w. 


RIVIERSTAND 
ovor 1871-80. 


\ 


0,35 

0,34 
0,32 

0,05 

0,10 
0,07 
0,29 

-0,49 


7,42 
(ÜS) 

5,12 
(ijs) 

2,66 


» % 


t;* 23CO ^ -?hCOCO 00 
05^ o 05 05 05 00 »o l^ 

o" r-To" ö' o"oi-r ö* 


9,42 
7,26 
4,71 


4,14 

4,20 
3,61 

3,46 

2,75 
2,75 
3.54 

3,40 


13,36 

10,46 

8,56 


RIVIERSTAND 
over 1861-70. 


0) 


•* -*< eo i-H o O lo ■]S^. 


co 'm o "«"«M 


M.R. 
6 Eomerm. 


1,08 

1,09 
1,03 

0,99 

1,00 
0,93 
1,46 

0,90 


8,99 
6,80 
4,23 


1 
1 




14,00 

(\is) 

10,28 
8,40 


RIVIERSTAND 
ovor 1861-60. 


1 


0,16 

0,28 
0,32 

0,32 

0,36 
0,33 
0,43 
(ijs) 
0,29 


sgsgs 




1,20 

1,22 
1,21 

1,21 

1,19 
1,10 
1,53 

1,09 


9,55 
7,25 
4,76 


» 


4,11 

2,12 
4,18 

2,63 

2,62 
2,62 
3,21 

(ijs) 
2,96 

(Vjs) 


o5 3^ .'^S % 

co"— 'ö^'^ocT""-' 


< 


H 
OQ 

< 


'SrS MM 


l t • 

^ A r§ 



no 



'< 


1 








B*" o 








»— 1 


8 >-§1 

2 5§^ 


MER 






00 


2 lil 


s 












+- 


•»- 






5 


'M 


t— f 


^^ 


^(M CO 


n 




CD 

o' 


êS^ 


03 -^ CO 

3<S o ^ 


^ . 


»J 




J_ 


1 


i 1 


^ o 












•«j 00 








" 


H 1 


«• fi 


o:> 




t^ 


T-l O 


P? 00 


1 


co 




00 


irr CO »= 


w^ 


;^ s 


00^ 


»— ( 


Ö^ 


ö* ö' 


r « 


«D 










^ ^ 








^ 




»-• ^ 


"5 




-i- 


-h- 




p^ 


i 
1 


o 

»— 1 


§ 


8 


3 Sig . 




c^-'' 


-^' 


-*" 


co of^ 


p 


1 




1 


£: 




iz; . 


•^ 








1 1 


^g 


- 








— 


n- . . 


H 1 


^ i 


-ï*^ 






CO ^ 


S« 


« s 


Gl 






-:*^ oa c: 


«00 


Ȥ 


of 




^ 


o" o* 


^1 


<o 










^ o 


5 


»o 






lO co 


« 


Sb 


!>• 




R 


X^ CO^ R 




'6 


S 






of of 




» 








— — w " 


ft 


1 


CM 

O» 


i 


R 




Jz; . 


5 








1 1 i 


Zm I 










* "»»» '* 










-:- -K •«- 


t^ 1 


« 1 


CX> 






»-H co tH 


Si 


ai 
co 




*:: 


-5l< CQ 03 

o o" ö' 




«e 












00 


g 


r: 


oq (M ^^TT-« 




» 












. 




. 


• (ü 










»H g 


^ 


, 




, 




» S 


um 






s js ^ 


W CQ 


ei 




<D 


^ fl 9< 


KAM 

DEB 

PLAAT 




1 


a 1 o^ 






•pSfl 9qOSJ9pT90- 



37 



Als men de in bovenstaande tabel medegedeelde gegevens, 
voor die punten waarvan de waarnemingen bekend zijn , 
vergelijkt met de standen in het tienjarig tijdvak dat een 
eeuw geleden is nl. 1772—1780, dan kan men daaruit 
zien , dat de standen volstrekt niet in hoogte toenemen , 
zooals sommigen beweren. 

De verhooging van den bodem der rivieren, nog onlangs 
door een lid der Eerste Kamer op 7 voet (!) (in welken 
tijd ?) geschat , bestaat waarschijnlijk slechts in de ver- 
beelding van velen , die nu en dan last van hoog water 
hebben. Staring (Zie ,, Voorheen en Thans") geloofde er 
niet aan. 

Behalve de besproken hoofdrivieren vindt men in het 
oosten en zuiden des lands een groot aantal kleinere ri- 
vieren , die zich in de hoofdrivieren of in zee storten , 
doch die hoofdzakelijk voor afwatering en scheepvaart van 
locaal belang zijn. 

Sommige wateren , die ongetwijfeld vroeger belangrijke 
armen der hoofdrivieren waren of hiermede samenhingen , 
zooals de Kromme Rijn , de Oude Ryn , de Vecht , eeri 
deel van den HoUandschen IJsel zijn geen rivieren meer, 
evenmin als zoovele andere wateren in het westen des 
lands , die men rivieren noemt , zooals : Gouwe , Amstel , 
Spaarne , enz. en waarover wij later bij de beschrijving 
van dit typische gedeelte van Nederland zullen spreken.— 

Een rivier die echter in zekeren zin samenhangt met 
de hoofdrivieren , omdat zij bij dijkbreuken het water der 
overstrooming helpt afvoeren en ook water uit hen kan 
opnemen tot het stellen van kunstmatige inundatiën bij 
oorlogsgevaar en om die beide redenen van groot algemeen 
l)elang is , is de Linge. (Zie Kaart IL) Deze rivier , 
die haar loop begint in den oostelijken hoek der Over- 
Betuwe bij het kasteel Doornenburg (vóór de graving 
van het Pannerdensche Kanaal nog meer oostelijk, by 
Henven), is de afwatering van het land tusschen de 
groote rivieren , den Rijn en de Lek ter eene zijde en de 
Waal ter andere , alzoo van Over- en Neder-Betuwe , het 



:m 



land van Kuilenburg, de Vijfheerenlanden en den Tieler- 
waard. Zij vloeit langs Asperen , Leerdam en Heukelom 
en door Qorinchem en stort zich hier in de Merwede, 
waarvan zij echter is afgescheiden door een keersluis om 
hooge standen op te keeren en waartoe ook nog een andere 
sluis binnen Gorinchem dient, die tevens bestemd is om 
zeer hooge standen van de Linge op te houden , als deze 
hoog is opgezet door inundatiewater van Rijn, Lek of 
Waal. Het groote gewicht toch der Linge is niet alleen 
daarin gelegen , dat zij de eenige afwatering vormt der 
genoemde landen, doch tevens in de hulp die zij kan ver- 
leenen om het water van overstroomingen weg te voeren, 
ontstaan door doorbraken in de zuider Lek- en Rijn- of 
noorder Waaldijken ; het inundatiewater wordt daartoe bij 
Asperen tusschen de Lingedijken gebracht en zoolang mo- 
geiyk bij Gorinchem geloosd of anders tusschen de Linge- 
dijken geborgen. (Het overige inundatiewater stroomt over 
den Tielerwaard heen en wordt door een sluis en overlaten 
in den Waaldijk te Dalem op de rivier de Waal gebracht.) — 
Ton einde de afwatering van het stroomgebied der Linge 
en ook de loozing van het water der overstroomingen te 
bevorderen , is van de Linge by GoJinchem een kanaal 
gegraven , het Kanaal van Steenenhoek, dat 
ongeveer evenwijdig aan de Merwede loopende , I1/2 uur 
lager door eene sluis bij Steenenhoek op deze rivier af- 
watert. Het verval nl. tusschen Gorinchem en den mond 
van dit kanaal is bij M. R. bij vloed 31 en bij eb 72 c.M. 
en bij hoogere standen nog veel aanzienlijker. Hierdoor 
kan dus door het kanaal van Steenenhoek het Lingewater 
(binnenwater) nog langen tijd geloosd worden als zulks 
door den hoogen stand der Mei*we (buitenwater) te Gorin- 
chem niet meer mogelijk is. Bij een hoogen waterstand 
echter van de Linge te Gorinchem , nl. van 2,52 -f A.P. , 
mag niet meer door het kanaal worden geloosd met het 
oog op de veiligheid van den Alblasserwaard waardoor het 
loopt , waarom het bij Gorinchem door eene sluis van de 
Linge kan worden afgesloten. Aan den benedenmond 



39 



van bet kanaal bestaat tbans een krachtig stoomgemaal 
om het kanaal af te malen en de loozing van Lingewater 
alzoo te bevorderen. 

De Linge is van bij Tiel ongeveer ter weerszijden be- 
dijkt, 's Zoiners is zij soms een zeer onbeduidend 
stroompje , vooral in de Over- en Neder-Betuwe , bif^na 
geheel opdrogend, 's Winters kan „het kleine rtvierke" 
van Cremer soms tot een geweldigen stroom aangroeien, 
van daar dat de spoorwegbrug bij Greldermalsen zoo ruim 
is genomen , nl. van 5 spanningen elk van 37 M. = 185 M. 
De stand komt meestal ongeveer met dien der groote ri- 
vieren overeen ; zijn deze echter zoo gewassen dat hunne 
uiterwaarden onderstaan ëh zij alzoo tegen de dyken steu- 
nen , dan voert de Linge , behalve het water van haar 
eigen stroomgebied , ook water af dat onder en door die 
dijken lekt, lek wat er zooals men dat noemt. 

Bij Tiel naderen Linge en Waal elkaar zeer dicht nl. 
tot op 2000 M. (22 min.) ; zij zijn daar door een kahaal 
verbonden , dat echter alleen bestemd is om in oorlogstijd 
de Linge op te zetten en alzoo water te brengen voor de 
NieuweHoUandsche Waterlinie , onze hoofdlijn van verde- 
diging, die bij Asperen de Linge snijdt. — 

Reeds vroeger merkten wy op, dat de hoofdrivieren uit- 
gezonderd de Maas betr. weinig water van den Nederland- 
schen bodem afvoeren en ook dat het grootste gedeelte 
Nederlandsch water dat z\) ontvangen op het benedenste 
deel dier rivieren gebracht wordt, terwijl de bovenrivieren 
(binnen onze grenzen) zoo min mogelijk worden bezwaard. 
En om deze ontlasting van de stroomen én omdat loozing 
van lage landen beter en geregelder op de zee of de bene- 
denrivieren bij ebbestand kan geschieden, is dit een voordeel 

Uit het volgende zal een juiste bepaling van het stroom- 
gebied in ons land zyn op te maken. Wij merken nu 
slechts op : 

Dat de Waal bijna in 't geheel geen water ontvangt dan 
van de uiterwaarden ; alleen van den polder van Herwenen 



40 

door het stoomgemaal beneden Vm-en. [Dat de Neder-Rijn. 
Lek , Nieuwe Maas , Scheur , Kanaal door den Hoek van 
Holland niet noemenswaard water ontvangt vóór tegenover 
Krimpen a./d. Lek aan den Elshout, waar de Alblasser- 
waard , na kunstmatige opvoering van het water , op de 
rivier loost. (Ook reeds bij Ameide krijgt de rivier een 
ded van het boezemwater der Vijfheerenlanden en bij 
Jaarsveld van 2 polders t. N. v. d. Lek.) Dat de Linge 
een groote rol speelt in het afvoeren van water van ons 
grondgebied, nl. van Over- en Neder-Betuwe , Land 
van Culemborg, Tielerwaard en Vijfheerenlanden voor 
zoover dit niet te Ameide op de Lek geschiedt. Dat de 
Maas van alle rivieren het Aeest op het bovengedeelte 
bezwaard is , voornamelijk door het Rijk van Nijmegen en 
het Land van Maas en Waal. Dat de Merwe afvoert aan 
Nederlandsch water dat van alle landen bezuiden den 
Neder-Rijn en de Lek en van die behoorende tot het stroom- 
gebied der Maas, uitgenomen dat van den Alblasserwaard. 

IETS OVER DIJKEN , OVERSTROOMINGEN EN 
BEHEER DER RIVIEREN. 

Het nemen van maatregelen tot het in het bedwang 
houden der machtige stroomen die ons vaderland doorsnij- 
den , door dijken , zijdelingschen waterafvoer , goede water- 
verdeeling , enz. ; het voorkomen of verminderen van het 
gevaar bij hooge waterstanden en ijsverstoppingen, het 
^ïnAvU beperken van de rampen bij eenmaal ontstane overstroo- 

mingen en het wegvoeren van het inundatiewater op de 
geschiktste wijze — dat alles behoort tot dfen werkkring 
van den waterstaatkundigen ingenieur en eischt een om- 
vangrijke studie. Wij willen in het volgende slechts met 
een enkel woord een en ander daaromtrent aanstippen en 
hoofdzakelijk eenige quaestiên verklaren die in tijden van 
gevaar dikwijls ter sprake komen en alzoo het meest 
wetenswaardig zijn. 

Tegen de hoogere rivierstanden moet het grootste ge- 



41 



deelte des lands beschermd worden door dijken, op kor- 
ten afstand der oevers de rivieren volgend , daar anders 
bij die standen het water buiten het eigenlijke rivierbed 
tredende zich naar Unks en rechts over het land zou uit- 
breiden. Wat de vreeseUjke gevolgen zouden zijn van het 
wegnemen der dyken kan men zich voorstellen , als men 
bedenkt dat een deel van Gelderland , Utrecht , bijna ge- 
heel Zuid-Holland, enz. in 't algemeen veel lager hggen dan 
M. R. zelfs bij eb en dat gedeelten daarin, de droogma- 
kerijen nl. waarmede wy later zullen kennis maken , tot 
4 è 5 M. beneden den gemiddelden waterspiegel der zee 
zijn gelegen ! Deze laatste zouden dus op nieuw moeten 
drooggemaakt worden na overstrooming , door kunstmatige 
opheffing van het water en hoeveel tonnen gouds zijn 
soms jaren achtereen in deze en vorige eeuwen besteed 
moeten worden om een enkelen plas te ledigen ! Dat in 
de bedoelde zeer lage streken, waar de waterspiegel der 
rivieren dus altijd hooger ligt dan het land, het water 
dier stroomen niet altijd tegen de dijken spoelt, komt daar 
van daan , dat de landen onmiddelijk langs den stroom ge- 
legen hooger liggen , een gevolg van de verhooging door 
bezonken sUb en zand 'bij overvloeiing. 

In 't algemeen zijn de dijken op eenigen afstand van het 
eigenlijk bed b\j M. R. aangelegd, om er tusschen een 
groote massa water te kunnen bergen. De landen tus- 
schen dat bed en de dijken gelegen noemt men uiter- 
waarden of buitend ij ksche landen. Zij liggen 
uit den aard der zaak hooger dan de binnendijksche gron- 
den door de gestadige ophooging bij overvloeiing , wat o. a. 
blijken kan uit de peilen op Kaart III. Soms z\jn landen , 
buiten den kapitalen rivierdijk gelegen, ook door kaden 
omringd, om hen ten minste in sommige jaargetijden tegen 
overstrooming te vrijwaren ; deze zijn dan echter slechts 
//x) hoog , dat zij bij de hoogere rivierstanden overloopen ; 
<le landen zelve hggen hoog genoeg om bij lagere standen 
der rivier hierop natuurlijk te loozen , d. i. zonder kunst- 
matig omhoog brengen van het daarop neervallend wat(^r 



+L> 



du8 door sluizen of duikers die zoo noodig tegelijk met 
de kaden het buitenwater keeren. 

Ligt een dijk onmiddelijk aan het rivierbed, wat dikwijls 
èn voor den dijk zelven èn voor waterberging een nadeel 
is , dan noemt men hem schaard ij k. 

Niet overal zijn dijken noodig, nl. daar niet, waar de 
aangrenzende landen zoo hoog liggen , dat zü zelfs de hoog- 
ste standen der rivier keeren. Men zegt dan dat de rivier 
aldaar hooge oevers heeft. 

Soms worden dijken aangelegd meer landwaarts in , om 
bij eventueele doorbraak van de langs zee of groote rivie- 
ren gelegen dijken het overstroomingswater ten tweede 
male te keeren. Zulke dijken heeten slaperdij ken. 
Ook ontstaan deze, wanneer door indijking van landen bui- 
ten een groeten rivier- of zeedijk , deze zelf voor een ge- 
deelte slaper wordt, zooals men dat noemt. — 

Gtovaar voor overstrooming kan ontstaan door zeer 
hoogen waterstand : P. bij open water , d. i. zonder dat 
de rivier met zwaar ijs bezet is en 2^*. te gelijk met of 
tengevolge van ysgang, door verstoppingen. 

In het eerste geval kan de dijk bezwyken door onder- 
mijning, wat vooral plaats heeft bij schaardijken , omdat 
daar de stroom onmiddelijk langs den voet van den dijk 
gaat en dezen allengs wegschuurt; door doorkwelling, 
als de grond waarop de dijk rust van dien aard is , dat 
het water door zijne groote hoogte sterk drukkende ei 
doorheen perst, totdat het ingevolge een bekende na- 
tuurwet aan de binnenzijde van den dijk weer omhoog 
komt; als nu bij daling van het water de onder den dijk 
ontstane kanalen niet langer met water, enz. gevuld 
blijven , zakt hierin grond van het lichaam van den dijk 
na, deze wordt hier en daar hol en ploft eindelijk ineen. 
Een naar binnen uitwijken en daardoor doorbreken 
van den dijk door den druk van het daartegen hoog gere- 
zen water komt zelden meer voor, nu de dijken vooral in 
de laatste eeuw zeer verbeterd zijn — tenzij de ondergrond 
zeer slap is en daardoor de dijk omvalt ; men zegt dan 



4a 



dat de dük op slecht staal rust. Zulks is o. a. hier 
en daar met de belangrijke Lekdijken het geval. Meestal 
is doorbreken een gevolg van overvloeien: het over 
den dijk slaande water holt kleine , later grootere geulen 
in den kruin en in de binnenglooiing uit, spoelt grond weg, 
neemt eindelijk geheele stukken mee en veroorzaakt op 
die wijze een doorbraak. Daarom zijn doorbraken bij open 
water tegenwoordig hoogst zeldzaam , doch zyn zij meer 
te vreezen 

Bij ij svers toppingen. Het gebeurt vooral bij een 
rivier als den Rijn , die uit streken met zachter klimaat 
naar koudere vloeit , dikwijls , dat de dooi boven aan de 
rivier eerder invalt dan beneden ; de afkomende ijsschotsen 
zetten zich dan bij het nog vaste of bij het nog weinig 
gebroken en in beweging zijnde ijs tot zware, hooge ijs- 
dammen vast , die zoo dicht zijn , dat zij de afvloeiing van 
het van boven toestroomende water grootendeels beletten 
en dit alzoo tot een onrustbarende hoogte opzetten. Deze 
dammen zetten zich meestal op ondiepe plaatsen of in 
sterke bocJiten en hebben soms eene lengte van twee en 
meer uren. Daar nu in dit geval door het hoog stijgen 
van het water achter den dam allicht gevaar ontstaat voor 
overloopen der dijken , zoo zijn doorbraken het meest bij 
ijsgang te vreezen. Men tracht dit dan te voorkomen door 
de dij'ken op te kisten, d. i. hen te verhoogen door 
een kleinen diim van een 0,6 k 0,8 M. hoogte en 0,4 en 
o,H M. dikte, bestaande uit mist en grond tusschen een 
Ptiar kleine beschoeiingen van planken of horden en palen, 
en op korten afstand van den buitenkruin van den dijk er 
op geplaatst. Zulke tijdelijke verhoogingen noemt men 
kistingen. Soms gebeurt het dat de dijken over ver- 
scheidene uren lengte er van voorzien zijn. Slaan deze 
door ijsschoUen en water ergens weg dan ontstaat groot 
gevaar voor doorbraak. 

Wij zullen thans een en ander over de bestaande dijken 
en de gevolgen van doorbraken op sommige punten zeggen. 
Vóór alles is in het oog te houden , dat de gevolgen van 



44 



overstroomingen voornamelijk afhangen van de wigze waarop 
inen het loater weer het spoedigst kan afvoeren. 

De Nederlandsche hoofdrivieren zijn op onzen bodem voor 
het grootste gedeelte b e d y k t. 

De Boven-Rijn en het Pannerdensche Kanaal 
zijn ter weerszijden door dijken beperkt, het laatste echter 
wel wat te nauw , daar de dijken bijna of geheel schaar- 
dijken zijn. 

De N e der-R ij n, Lek, enz. heeft van Arnhem tot Wa- 
geningen ter rechterzijde hooge oevers , dus geen dijken. 
Tusschen laatstgenoemde plaats en den Grebbeberg is de 
ingang der zoogenaamde Geldersche Vallei, die t. O. door 
de Veluwsche hoogten en t. W. door de hoogten begrensd ' 
wordt, die van de Grebbe noordwestwaarts door Utrecht 
tot in het Gooi doorloopen. Deze ingang van een uur 
breedte is door den Grebbedijk afgesloten. Van de Grebbe 
tot Amerongen zijn weer hooge oevers en voorbij dit laat- 
ste dorp is de rivier tot aan den mond geregeld bedijkt. 
De lage landen op den linkeroever, de Over- en Neder- 
Betuwe , het land van Culemborg, enz. zijn natuurlijk door 
een doorloopenden dijk beschermd. 

Breekt de Grebbedijk door dan loopt de Geldei-sche vallei 
onder. Wel ligt meer landwaarts in een slaperdijk ter 
bescherming van sommige lage landen , doch hoewel hij 
dikwijls van nut was , bezwijkt ook deze meestal spoedig 
nadat de Grebbedijk door is. Tot Veenendaal is de vallei 
weinig bebouwd en bevolkt en ongeveer waterpas; verder 
op daalt het terrein naar het noorden vrij sterk; het 
inundatiewater, opgenomen door beken en gebracht op 
de Eem , zal alzoo met een flink verhang spoedig op de 
Zuiderzee kunnen geloosd worden. Deze overstrooraing 
veroorzaakt dus geen groote ongelukken : in het algemeen 
zijn overstroomingen het minst rampspoedig voor landen 
die natuurlijk afwateren ; de meeste schade berokkenen zij 
aan die streken , die , zooals voor een groot deel van ons 
land het geval is , kunstmatig , door opmaling , zich van 
het overtollige water moeten bevrijden. 



45 



Erger , ja onberekenbaar kan de schade zijn veroorzaakt 
door een doorbraak van den Lekdijk tusschen Amerongen 
vn Kriiupen. Deze lengte wordt in drie deelen gescheiden 
wat benaming en beheer betreft: men spreekt nl. vanden 
Lekkend ij k Bovendams, d. i. het gedeelte gelegen 
boven het Klaphek, een punt even beneden Vreeswijk, 
alwaar vroeger (tot 1825) de HoUandsche IJsel uit de Lek 
voortkwam , van Lekkend ij k Benedendams, d. i. 
het gedeelte van het Klaphek tot Schoonhoven ; van hier 
tot Krimpen strekt zich de Lekdijk van den Krimpe- 
nerwaard uit. Die dijk beschermt een zeer groot, 
en wel het rijkste en belangrijkste deel des lands en dit 
is juist zoo laag gelegen , dat de gevolgen van een door- 
braak bij hooge waterstanden allerverschrikkelijkst zouden 
zijn. Wij zullen later meer nauwkeurig kennis maken met 
dat eigenaardige polderland dat het oostelijk deel van 
Utrecht , Zuid-Holland , bijna geheel Noord-Holland , enz. 
uitmaakt; het is nu genoeg er op te wijzen, dat de pol- 
ders, d. z. laag gelegen landen die hier door dyken enka- 
den tegen het inloopen van het water uit de rivieren en de 
zee moeten worden beschermd, -f 1 ^ — 2,50 A. P. 
liggen en de bodems der droogmakerijen, d. z. de 
polders waaruit eenige meters diep het veen weggegraven 
is en die daarna leeggemalen zijn , of de drooggemaakte 
meren een peil hebben van — 3,50 tot — 5 A. P. ! (Zie 
Kaart Hl). Als men nu bedenkt, dat de Lek b. v. in 
Januari 1883 te Vreeswijk een stand bereikte van + 6,4-t 
A. P. , dan kan men zich eenigszins een voorstelling maken 
van de ramp die Nederland zou treffen bij het doorbreken 
van den Lekdijk bij hoogen waterstand. Nu moet men 
wel is waar in het oog houden dat dit ontzettende ver- 
schil spoedig verloopt ; het water van de betr. smalle rivier 
breidt zich over eene groote oppervlakte uit, bovendien 
daalt de rivier tengevolge van de zijdelingsche afleiding 
(vermindering van vermogen) onmiddelijk; maar de polders 
en droogmakeryen zullen toch diep onder water komen , 
(laar ook de kaden en dijken die hen omringen zullen over- 



46 

loopen en bezwijken. Deze te verhoogen zóó dat zij de 
landen tegen overatrooming beveiligen zou meestal wegens 
de verbazend groote hoogteverschillen ondoenlijk zijn; bo- 
vendien zouden zij dan tot zulke zware massa's aangroeien, 
dat zij niet meer door den ondergrond waarop zij rusten 
zouden kunnen worden gedragen. Al kunnen de polders 
dan door uitmaling met de bestaande werktuigen en water- 
afvoer zooals zulks altijd geschiedt weer droog komen, de 
zoo diep liggende droogmakerijen, welker droogleggen jaren 
en jaren heeft gekost , de gewrochten van ondernemings- 
geest en vlijt van geslachten na geslachten, zouden weer 
meren en plassen zijn geworden en hun droogmaken — 
waarvoor nu wel is waar werktuigen, enz. gereed zijn - 
begon op nieuw ! Daarom zijn de Lekdijken jaar op jaar 
verhoogd , verzwaard , van flauwer glooiingen voorzien . 
enz., gelijk zulks nu onlangs nog in 1881 is geschied; maar 
het is niet te ontkennen , dat zy hier en daar op een zeer 
slechten ondergrond (op slecht staal) rusten, waardoor 
zij kunnen uitzakken, enz. Men heeft zelfs wel eens voor- 
gesteld om bij gevaar voor de noorder Lekdijken , die langs 
den linkeroever der rivier door te steken of wel hierin 
vooraf sluizen te bouwen en deze bij hooge standen te ope- 
nen met het doel om den noorder Lekdijk te ontlasten, 
gelijk zulks wel eens door doorbraken in de zuider dijken 
heeft plaats gehad. 

Valt een doorbraak in den Lekkendyk Bovendams , dan 
kan zich het water vrij door Utrecht en Holland versprei- 
den tot aan de gewezen zuider IJdijken. Men hoopt , dat 
in dit geval de Zuider-Rijndijk langs den Ouden Rijn, 
de zoogenaamde Prinsend ijk of Wierickendijk 
(langs de Enkele Wiericke, van Wierickerschans tot den 
HoUandschen IJsel boven Gouda) en de Hollandsche IJsel- 
dyk althans een deel van Zuid-HoUand , d. i. een deel van 
Rijnland , geheel Delfland en Schieland voor overstrooming 
zullen behoeden , maar daar de beide eerste dijken met 
hun kruinen slechts op hoogstens ongeveer + 1 AP. liggen, 
valt te betwijfelen of zy daartoe in de meeste gevallen in 



47 



staat zullen zijn. Heeft de doorbraak boven Vreeswijk plaats 
dan kan bij niet te ongunstige omstandigheden het over- 
stroomingswater evenwel reeds gekeerd worden door den 
straatweg langs den Unkeroever van den Vaartschen Rijn 
(+ AP.) , de militaire inundatiekade langs den rechteroever 
met de daarin gelegen sluizen , den Oosterspoorweg en den 
straatweg van Utrecht naar Zeist. 

De uitgestrektheid en het peil der overstroo- 
ming hangen o. a. hoofdzakelijk af: van den 
waterstand der rivier bij de doorbraak en van 
de hoogte van het terrein bij dedoorbraak, daar 
het aantal M*. water dat per seconde door de opening 
stroomt afhankelijk is van het verschil in hoogte van het 
buitenwater (der rivier) en het binnenwater (der inundatie) 
en het peil van dit laatste natuurlijk met de hoogte van 
het terrein samenhangt. Maar voornamelijk hangt de be- 
teekenis der inundatie af van de plaats der door- 
braak; hoe hooger deze valt hoe nadeeliger: immers is 
dit natuurlyk , want dan is er grooter hoogteverschil tus- 
Bchen het binnenstroomende water en het te overstroomen 
land en strekt zich de inundatie meer naar boven uit. In 
1673 staken de Franschen den Lekdijk tusschen Vreeswijk 
en het Klaphek door , dus zeer laag op het gedeelte Boven- 
dams , en het water bereikte spoedig Leiden en Amster* 
dam. Toch geschiedde het doorsteken op een voor ons 
gunstig punt, terwijl bovendien het water waarschijnlijk 
niet zeer hoog was — anders waren de gevolgen niet te 
overzien geweest (hoewel de verdediging daardoor niet 
rechtstreeks geschaad werd). Op 18 Februari 1747 had 
de laatste doorbraak van den Lekkendijk Bovendams plaats, 
doch nu op een zeer hoog dus ongunstig punt nl. bij Wijk by 
Duurstede ; nu viel zij echter gelukkig juist bij hooge gron- 
den, zoodat het water van de Lek , dat op 11 Maart reeds 
5J Rijnl. voet gedaald was , ophield naar binnen te stroo- 
men. Het inundatiewater stond te Woerden 0,69 + AP., 
terwijl de gewone stand van het binnenwater daar gemid- 
deld -0,48 + AP. of hoogstens -0,12 AP. is. De Zuider- 



iS 



R\jndijk hield, in weerwil van den slechten toestand, door 
opkistingen. 

Breekt de Lekkendyk Benedendanas of de dijk van den 
Krimpenerwaard door, dan komen het eerst de Lopikker- en 
Krimpenerwaarden , d. i, het land tusschen den Holland- 
schen IJsel en de Lek onder. De IJseldijken zullen bij 
krachtige overstrooming wel geen weerstand bieden, behalve 
de noorder IJseldyk beneden Gouda, een deel vormend van 
Schielands Hoogen Zeedyk met een kruinshoogte van 
+ 3,56 AP.: in 't algemeen evenwel zijn zij daartoe te 
laag, zooals o. a. in 1726, toen zij ook het inundatiewater 
niet hebben kunnen keeren, hoewel de doorbraak in het 
benedendeel van de Krimpenerwaard dus op het meest 
gunstige punt viel. 

Soms wordt gesproken van het Klokken slag, d. i. 
een zeker peil aan de noorder Lekdijken, dat waarschijnlijk 
zoo genoemd wordt, omdat men voorheen de alarmklok 
ter waarschuwing luidde als het water die hoogte bereikt 
had. De hoogte der dijken is er later naar bepaald. - 
Valt een doorbraak in den Zuider-Rijn- of Lekd^k boven 
het fort E verdingen, d. i. | u. t. W. van Culemborg, dan 
loopt de Over-Betuwe als de doorbraak hoog valt of anders 
de Neder-Betuwe en het land van Culemburg onder tot 
aan den Dief dijk. Dit is een dijk, waarschijnlijk reeds 
in het laatst der 13e eeuw aangelegd, loopende van den 
Lekdijk bij Everdingen naar den Lingedijk bij Asperen. De 
landen toch ten westen van den Diefdijk kunnen alleen 
kunstmatig — door bemaUng — worden bevrijd van over- 
toUig water en door hun veel diepere Ugging zouden zij al 
het inundatie water van de oosteUjk gelegen landen krijgen: 
daarom doet die dijk bü doorbraken daarboven groote dien- 
sten. Te Asperen sluit hij aan den noorder Lingedijk, van 
hier tot de sluis in de Linge bij die plaats Moerdijk ge- 
naamd, en keert met dezen laatste, de genoemde sluis, ver- 
volgens den Nieuwen Zuider Lingedijk tot den Gatdam en ein- 
delijk den versterkten zuider Lingedijk tot Gorkum het water 
der overstrooming. (Zie Kaart II). Dit wordt, zooals reeds 



49 



boven gezegd is bij de beschrijving der Linge , zooveel 
mogelijk langs deze rivier en het Kanaal van Steenenhoek 
geloosd en verder over den Tielerwaard door de Dalemsche 
hulpsluis en de overlaten boven Gorinchem op de Waal — 
nadat het, indien het van Rijn of Lek komt, door de 
overlaten in de Lingedijken boven Asperen , over de Linge 
heen ten zuiden van deze rivier is gebracht. Tusschen 
Asperen en Gorinchem blijft dan de Linge tusschen de 
dijken niet alleen hoog opgezet , doch ten behoeve van den 
op slecht staal rustenden Nieuwen zuider Lingedijk, nl. 
om dezen een tegendruk te verschaffen voor den drang van 
het inundatiewater , wordt ook de kom tusschen dezen dijk 
en de onmiddelijk langs de rivier de Linge gelegen Appel- 
dijk volgezet ; dit geschiedt door het openen der overlaten 
bij den Gatdam en boven Asperen in den Appeldijk. — 

Een doorbraak in den zuider Lekdijk beneden den Dief- 
dijk, dus in de Vijfheerenlanden (Zie o. a. Kaart IIL De 
Vijfheerenlanden worden aldus genoemd naar de vijf Heeren : 
van Arkel , Vianen , Hagest^in , Everdingen en Leerdam , 
die deze landen hebben ingedijkt) of in den Alblasserwaard 
berokkent zeer groote schade. De eerste moeten leegge- 
malen worden op het Zederik-Kanaal , dat het water dan 
bij Arkel op de Linge brengt; de Alblasserwaard wordt 
ook leeggemalen op de w^ze zooals dit in gewone tijden 
tot loozing van het polderwater tegenover Krimpen bij 
den Elshout gebemt (zie hieronder Hoofdstuk VI) en het 
opgemalen inundatiewater door de gewone uitwaterings- 
sluizen tegenover Krimpen aan de Lek (bij den Elshout) en 
bij Alblasserdam op de Noord geloosd. Als de inundatie 
niet zeer hoog is , zal eene overstrooming van Vijfheeren- 
landen en Alblasserwaard niet te geüjk plaats behoeven te 
hebben , daar zij gescheiden zyn door de Zouwen- en Bazel- 
dijken, die langs de Oude Zederik en het Zederik-Kanaal 
loopen en aan den Arkelschen Dam aan den noorder Lin- 
gedijk aansluiten. 

Wij hebben de tot nu genoemde overstroomingen wat 
uitvoerig behandeld, als zijnde van de meest gewichtige 



50 



gevolgen ; wij willen nu korter nog het volgende opmerken. 

Uit een hoogtekaart is ongeveer na te gaan welke landen 
bij dijkbreuken zullen worden overstroomd en men bedenke 
daarbij steeds , dat dit het ergst die landen treft die kunst- 
matig het water weer moeten loozen , welke landen wij 
hierna zullen vermelden. 

De Waal kan rechts de beide Betuwen, het land van 
Culemborg en den Tielerwaard overstroomen , welke over- 
strooming dan evenals het inundatiewater van Rijn of 
Lek, zooals hierboven gezegd is, wordt afgeleid. Links kan 
zij het Rijk van Nijmegen — als de doorbraak hoog is — 
en het land van Maas en Waal inundeeren , die op de Maas 
bijna geheel langs natuurlijken weg kunnen loozen. Een 
doorbraak van de dijken van den Bonmaelerwaard is meestal 
van emstigen aard; daar deze betr. kleine en laag liggende 
landstreek zeer diep onder water kan komen en bovendien 
door bemaling weer van het overstroomingswater moet 
worden bevrijd, dat dan zooals altijd in gewone tijden 
omtrent Poederoijen op de Maas wordt uitgeslagen. De 
Bommelerwaard is door een dwarsdijk , den Meidijk ge- 
naamd, in een grooter bovengedeelte en een kleiner beneden- 
gedeelte gescheiden , waarvan echter slechts het eerste 
diensten kan hebben , daar bij overstrooming van dit ge- 
deelte volgens bestaande bepalingen de Meidijk wordt 
doorgestoken , zoodat dan toch de geheele Bommeler- 
onder komt. Ook by overstrooming van het district be- 
neden den Meidijk bezwykt deze laatste meestal. Ieder 
herinnert zich o. a. nog de verschrikkelijke ellende door de 
overstrooming van den Bommelerwaard in 1861 veroorzaakt. 

De Maas kan bij doorbraken in den rechterdijk, d.i. dus 
beneden Grave de landen inundeeren, hierboven genoemd, 
die bij een doorbreken van den linker Waaldijk door het 
water worden beloopen. De overstroomingen in Noord- 
Brabant veroorzaakt bij hooge standen der Maas of bij 
doorbraken in den linker dijk hebben wy reeds boven bij de 
behandeling van die rivier besproken, (bl. 18.) 

De Merwede kan ter rechterzijde den Alblasserwaard 



51 

inundeeren (zie boven bij de Lek) en links het land van 
Altena. Deze laatste overstrooming vooral, kan zeer nood- 
lottig zijn , daar al het inundatiewater kunstmatig moet 
opgebracht worden en geloosd op den Biesbosch (Bakkers- 
kil en Bleekkil) of op het Oude Maasje. — 

Thans rest ons nog een woord te zeggen van de over- 
stroomingen in de IJselstreken. De IJsel is langs den 
linkeroever van Arnhem tot Velp bedijkt en een doorbraak 
in dit gedeelte zal slechts een betr. klein stuk lands tot 
aan de hooge gronden (het Arnhemmer- en Velperbroek) 
doen onderloopen , wat 's winters ook altijd tot bemesting 
geschiedt. Tot beneden Voorst zijn ter linkerzijde hooge 
oevers ; van hier begint echter een geregelde bedijking aan- 
sluitende aan den Kanonsdijk tegenover Zutfen en zoo die 
bezwijkt, loopt de smalle strook onder tot aan de hooge 
gronden; het water wordt door weteringen naar Hattem 
afgevoerd en komt van hier door de Grift op den IJsel. 
Een doorbraak beneden Hattem doet de landen van Zalk 
en Kamperveen onder water komen , dat op de Zuiderzee 
en den IJsel afloopt. 

Valt een doorbraak in den rechter IJseldijk boven Does- 
borg dan zal het water zich meestal niet verder versprei- 
den dan tot den Drempterdijk (kruin -f 12 A. P.) , 
dat is een hooge dijk zich uitstrekkende langs den rechter- 
oever van den Ouden IJsel tot Doesborg, en langs laatst- 
genoemde rivier en door overlaten en sluizen bij Lathum 
en Bingerden weer op den IJsel komen. De Drempterdijk 
loopt echter , ook zonder doorbraak doch bij buitengewoon 
hooge standen op den IJsel en Ouden IJsel , op sommige 
plaatsen over (1 Dec. 1882.) Tot aan Deventer wordt door 
het overstroomingswater een smalle strook tot de hooge 
gronden beloopen ; beneden die stad , alwaar de geregelde 
bedijking weer begint , zal , als die bedijking bezwijkt of 
als een laag gedeelte van dien dijk onmiddelijk t. N. van 
Deventer, de zoogenaamde Snippelingso verlaat , overloopt, 
het inundatiewater tot aan de hooge gronden van Salland 
zich verspreiden en langs de Weteringen die bij Zwolle 

4* 



62 



samen komen afloopen op het Zwarte Water. Het loopt dan 
hierlangs naar de Zuiderzee of wel bij hooge inundatie over 
den weg van Zwolle naar het Katerveer (allee van Recht uit 
best) in den polder van Mastenbroek en vervolgens door de 
bestaande uitwateringssluizen op de Zuiderzee. — De landen 
op den rechter IJseloever kuimen ook nog door iZ^^water 
worden overstroomd, nl. als een doorbraak valt in den 
rechter dijk van den Boven-Rijn in Duitschland omstreeks 
Rees. Terwijl Rijn en Waal daardoor verlicht worden ^n 
dus ook het gevaar voor de hierlangs gelegen landen ver- 
minderd wordt, wordt de IJsel dan zeer bezwaard, want 
het overstroomingswater wordt wel gedeeltelijk door den 
Ouden Rijn (de thans doode tak, die alleen bij zeer hooge 
standen werkt) opgenomen, doch loopt verder op den Ouden 
IJsel af, waardoor het bij Doesborgh op den IJsel komt. 
Deze wordt dan , zooals reeds meermalen gebeurd is, bui- 
tengewoon opgezet, waardoor alzoo gevaar voor langslig- 
gende landen ontstaat. 

In het algemeen zijn de nadeelen door overstrooming in 
de IJselstreken veroorzaakt niet te vergelijken met die 
door overstroomingen langs Lek, Waal of Maas veroorzaakt, 
daar eerstgenoemde landen zonder kunstmatige hulp spoedig 
van het overtolUge water kunnen worden bevrijd. Daarom 
heeft men vroeger zelfs den IJsel gebruikt tot zijdelingschen 
afvoer van Rijnwater , dat dan nl. bij het werken van den 
Ouden Rijn over een laag gedeelte van den rechter dijk van 
dezen tak, den zoogenaamden Lymerschen overlaat 
naar den Ouden IJsel , enz. gebracht werd. Thans is die 
overlaat echter opgewerkt, zoodat nu bij zeer hooge stan- 
den de Neder-Rijn door twee bovenmonden, h\] Pannerden 
en Candia, water ontvangt. Doorbraken in de IJseldyken 
zijn den laatsten tijd zeer zeldzaam geweest, in weerwil dat 
de rivier bij hoogere standen een veel grooter deel van de 
wateren van den Boven-Ryn afvoert dan bij M. R. Dit be- 
draagt soms tot 15 maal het vermogen bij M. R. en de 
stroom die hier en daar zeer eng is , kan dan nauw de 
groote watermassa bergen. — 



53 



Wij zeiden reeds dat tegenwoordig bij den algemeen vrij 
goeden toestand der dijken de grootste gevaren ontstaan 
bij ijsbezettingen op de rivieren. Verstoppingen stuwen 
dan het water er boven zeer hoog op , zoodat de dijken 
soms zelfs overvloeien en dan veelal doorbreken. 

Om eenig denkbeeld van de omstandigheden bij ijsver- 
stopping te geven , deelen wij hier mede een deel der be- 
schrijving die Storm Buijsing geeft van de ijsverstoppingen 
op de rivieren in Januari 1841. 

Nadat den vorigen dag de Boven-Rijn in Duitschland 
reeds in beweging was gekomen , begon ook den 12^®"^ Fe- 
bruari het ijs omstreeks Lobith los te geraken. Het ijs 
werkte echter niet geregeld door, en verscheiden verstop- 
pingen vertoonden zich op de Waal en den Neder-Rijn. 
Zoo ontstond er een ijsstopping beneden het Gentsche veer 
boven Nijmegen , en van beneden Slijk-Ewijk tot even bo- 
ven Druten , die wel lang was , doch slechts weinig water 
keerde. Van meer belang was de stopping beneden Tiel, 
daar deze het water 0,84 M. opstuwde , en toen wel op- 
brak , maar een weinig lager weder bleef zitten, onder nog 
ongunstiger omstandigheden. Bij den steenoven beneden 
Tiel zette zich namelijk het van boven afkomende ijs op 
den n^^^ weder vast en deed het water zoodanig rijzen, 
dat het 0,2 d 0,3 M. boven den kruin der dijken stond en 
door de noodkeering (kisting) wederhouden werd. Op den 
Neder-Rijn en de Lek was men te gelijkertijd mede in 
groot gevaar ; te Randwijk en te Heteren rees het water 
boven de dijkskruinen en stortte over de dijken ; de nood- 
keeringen bezweken en er deed zich gebrek aan materialen 
gevoelen. Het doorbreken van den dijk scheen onvermij- 
delijk , maar een kleine valling in het water hernieuwde 
den moed en het gelukte den dijk te behouden. Beneden- 
waarts te Lienden en Maurik, waar ook de dijken over- 
liepen , bleven zij door groote inspanning van krachten 
behouden. Intusschen bleef de ijsdam op de Waal be- 
neden Tiel vastzitten en liepen de dijken aldaar sterk 
over : - het gevaar vermeerderde door het ontstaan van 



54 



een verzinking in den dijk , doch eindelijk kwam er den 
18den 's avonds redding ; het ijs brak op , de dyk bleef be- 
houden en men zag zich voor de meer dan gewone inspan- 
ning en moeite beloond. Te Zennewijnen had de dijk over 
eene lengte van 1200 M. gedurende 20 uren overgeloopen. 
Ook benedenwaarts op de rivieren verkeerde men op som- 
mige punten in groot gevaar. Op de Lek echter liep de 
ijsgang vrij goed af ; wel rees het water te E verdingen tot 
aan den kruin van den dijk doch den IS^o^^ geraakte het ijs 
overal op de Lek los. — Enz." 

Niet altijd loopt ijsgang met verstopping zoo goed af als 
de hier beschrevene. Die in Maart 1855 o. a. was zeer 
noodlottig en menigvuldige doorbraken hadden daarbij plaats. 

De ijsdam die zich in December 1859 boven Brakel zette 
had een lengte van 12000 M. (ruim 2 uur) , waarbij het 
water te Bommel tot + 7,05 A. P. opUep, dus zeer hoog, 
doch te Tiel nog een paar meter beneden den hoogst be- 
kenden stand bleef. In het algemeen is de invloed der 
opstuwing door dammen het geringst bij lagere standen 
en daar waar het verhang het sterkst is. 

Van de dijken behooren slechts enkele niet zeer uitge- 
strekte vakken aan het Rijk. Het rechtstreeksch beheer 
er van behoort voor het overige — men kan dus wel 
zeggen in het algemeen — bij de betrokken dijkbesturen , 
soms uitsluitend dijkbesturen , doch veelal tevens besturen 
der aangrenzende groote waterschappen. Deze heffen van 
belanghebbenden in aangrenzende landen daarvoor lasten 
onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten. Zij nemen 
tevens maatregelen tot onderhoud en verbetering onder 
approbatie en het oppertoezigt van den Waterstaat. Het 
gewoon onderhoud geschiedt meestal door van ouds dijk- 
plichtigen ofgehoefslaagden (gedijkslaagden), 
die elk een hoefslag of gedeelte van den dijk zelf te 
onderhouden hebben (span- of hand diens ten) of 
wel daarvoor betalen. Buitengewoon onderhoud, belangrijke 



55 



herstellingen en verbeteringen worden uit het dijkfonds of 
de algemeene kas van het waterschap bestreden. 

De waterstaat , die zich dus niet rechtstreeks met het 
beheer der dijken inlaat, moet echter toezien op alles en 
rapporteeren omtrent alles , wat de toestand van de dijken 
en de rivieren zelven betreft. Over deze laatste voert 
hij echter direct het beheer , daar zij het eigendom zijn 
van den Staat. De waterstaat legt werken aan tot onder- 
houd en verbetering der rivieren , terwijl door particuUeren 
buitendijks niets mag worden aangelegd , verhoogd , enz. 
zonder toestemming der regeering. 

Bij ijsgang , zoodra de dooi invalt , of bij hoog water , 
als dit een bepaalde hoogte aan de peilschalen bereikt, 
worden langs de rivieren posten betrokken door ingenieurs 
en opzichters van den Waterstaat, die in verbinding staan, 
tot het doen van waarnemingen, het nemen van maatre- 
gelen onder goedkeuring van het Ministerie en het uitvoeren 
van de bevelen die door dit laatste worden gegeven. 

Ter waarschuwing van belanghebbenden worden by be- 
langrijke voorvallen, als losgaan der rivieren bij dooi, 
doorbraak van dijken, enz. seinschoten gedaan uit geschut 
van afstand tot afstand langs de rivieren geplaatst. 

Langs de dijken zijn hier en daar magazijnen, bevat- 
tende de gereedschappen en materialen die in bijzondere 
omstandigheden noodigzijn tot verdediging der dijken en tot 
het maken van kistingen, als rijshout, palen, planken, enz. 
De dijksbesturen zorgen daarvoor en de waterstaat houdt 
daarover jaarlijks inspectie. 

DE ZEE. 

Wij zullen later zien welk een gewichtigen invloed de 
zee op de vorming van ons land heeft gehad en wat zij 
nog gestadig aan de gedaante wijzigt door aanslibbing en 
afslag. Haar werking op de alluviale gronden is thans 
door duinen en dijken beperkt; echter dringt de zee bij 
vloedstand door de riviermonden nog diep landwaarts in 



56 

^^<^»v^VK. en wijzigt dan tijdelijk den waterstand op die rivieren. — 
De standen der benedenrivieren en die der zee 
bij afwisseling van getijen zijn natuurlijk van 
groeten invloed op de afwatering van het uit- 
gestrekte deel des lands, dat wegens zijne lage 
ligging kunstmatig moet loozen. Wij zullen daar- 
om in 't kort hier iets van de getijen op onze kusten 
zeggen. 
^ Zooals bekend is, worden de getijen veroorzaakt door 
de aantrekkende krachten van maan en zon ; daardoor ont- 
staat 2 maal vloed en 2 maal eb in één etmaal. Deze 
moeten , als zich geen bijzondere invloeden doen gelden , 
elk ongeveer 6 uur 12 minuten duren , wat op sommige 
plaatsen ook juist of op weinige minuten na het geval is ; 
waar andere oorzaken werken , is die verdeeling soms ge- 
heel anders. 

Het water der zee wordt nl. door aantrekking opgehe- 
ven ; dit geschiedt echter niet overal tegelijk en zal in een 
groote zee bijv. in den Atlantischen Oceaan kort na den 
maansdoorgang moeten plaats hebben voor verschillende 
plaatsen , dus van het Oosten naar het Westen voortgaande. 
In kleinere zeeën , grootendeels door land ingesloten, heeft 
het verschijnsel niet of bijna niet direct plaats, nl. niet door 
rechtstreeksche werking van zon en maan ; maar door dat , 
als de verbinding met een groote zee niet te nauw is , 
de verhooging van den zeespiegel aldaar langzamerhand 
door die opening in de kleinere voorttreedt. Uit den 
Atlantischen Oceaan treedt de vloed in het Kanaal en ver- 
toont zich daarna achtereenvolgens op de plaatsen langs 
Pas de Calais , Noordzee, enz. ; men noemt dit de voor t- 
. A;c \U.'. ^» beweging van den vloedgolf, hoewel eigenlijk 
f van geen voortbewegen doch slechts van een rijzen van 

het water sprake is. Een vloedgolf die van het noorden naar 
het zuiden langs de Britsche kust loopt en een die even- 
eens van Engeland naar onze kust oversteekt vereenigen 
zich resp.' bij Duinkerken en Petten met den vloedgolf die 
langs onze kust loopt. (Deze dus niet te verwarren met 



57 



den zeestroom die van Amerika komende door het Ka- 
naal, zich vervolgens noordwaarts langs onze kusten be- 
weegt en die wel degelyk het water in die richting ver- 
plaatst). 

De nauwe opening van het Pas de Calais, waardoor de 
vloedgolf moet dringen, de andere vloedgolven, enz. zijn 
oorzaak van den zeer ongelijken duur van vloed op plaat- 
sen langs onze kust en ook van de ongelijke verschillen 
tusschen den hoogsten gewonen vloedstand en den laagsten 
gewonen ebbestand op verschillende punten. Men duidt 
deze standen aan door H. W. (hoog water) en L. W. 
(laag water). 

Op de rivieren worden de tijden van intreden van den 
vloed, de duur van deze en de verschillen tusschen H. W. en 
L. W. nog meer gewijzigd. Het vloedwater der zee dringt 
nam cl ij k de rivieren binnen, omdat deze lager 
staan, en er heeft dus hier wel degelijk een voortgaande 
beweging van het water plaats en nog iets hooger op de 
rivier nog eenige rijzing door opstuwing. Hieruit laat 
zich verklaren : 

1®. Dat in het algemeen de vloed het hoogst oploopt 
in rivieren met zeer wijden trechtervormigen mond , zoo- 
als op de Schelde ; het verscliil tusschen H. W. en L. W. 
en de duur van den vloed zijn er even groot of nog iets 
grooter dan die van de zee bij den mond der rivier. (Zie 
0. a. de opgave voor Vlissingen en Bath in de Tabel 
hierachter). 

2®. Dat de hoogwaterstand het laagst en het verschil 
tusschen H. W. en L. W. het geringst is , waar de vloed 
door nauwe openingen in een wijd water moet dringen , 
zooals tusschen de Noordzee-eilanden in de Zuiderzee. 

3®. Dat het verschil tusschen de uiterste vloed- en eb- 
bestanden geringer is bij hoogen waterstand op de rivier 
dan bij andere standen ; bij M. R. is dat verschil echter 
grooter dan bij lagen rivierstand. 

4®. Dat hooge vloeden, zooals bij storm uit zee, enz. 
kunnen voorkomen, zich minder ver op een rivier doen 



58 

gevoelen , naarmate deze meer . natuurlek verhang heeft 
o. a. op de Waal. 

Het verschil tusschen H. W. en L. W. , dat bij Dover 
8.12 M. , bij Calais 5,6 M. is , neemt door de vernauwing 
in het Kanaal naar het noorden steeds af tot aan den 
Helder . waar een verschil van slechts 1,15 M. gaat. Het 
neemt dan weer toe naar de Jahde-golf tot 3,6 M., is aan 
de Elbe nog 3 M. en in 't noorden van Jutland nog 1,50 M., 
om verder naar de Oostzee af te nemen , terwijl m deze 
bijna geheel ingesloten zee de getijen bijna niet meer merk- 
baar zijn. Het grootste verschil tusschen H. W. en L. W. 
in ons land is te Bath op de Westerschelde nl. 4,41 M. ; 
de kleinste verschillen zijn in de Zuiderzee, soms nog geen 
0,10 M, bedragende. 

B\) nieuwe en volle maan hebben de zoogenaamde 
springvloeden plaats; de hoogten van deze verschillen 
een weinig naar den afstand dien de drie hemellichamen ten 
opzichte van elkaar hebben. 

Groeten invloed op de standen der zee aan de kusten 
en op die der rivieren , hebben de landwaartsche of af- 
waartsche winden ; hierdoor ontstaan de verschijnselen van 
opwaaien en afwaaien, die eveneens op alle binnen- 
wateren van eenige uitgestrektheid zijn waar te nemen. 
De stormen komen bij ons gewoonlijk uit het Z. W. , W. 
of N. W. en dan ontstaan stormvloeden op de Noord- 
zeekusten , die het water tot 2 è, 3 jM. boven gewone 
vloedstanden opzetten ; dan waait echter terzelfder tijd het 
water op de Zuiderzee van de kust van Noord-Holland af, 
soms tot 2,5 M., om aan de tegenovergestelde zijde, aan 
den mond van het Zwarte Water, ongeveer evenveel op te 
waaien. Eindigt de storm, zooals dikwyis plaats heeft, 
met N. W. richting na door het W. gegaan te zijn , dan 
jaagt hij de hoog opgezette Noordzeewateren tusschen de 
eilanden door in de Zuiderzee en deze raakt dan zoo vol , 
dat langs hare kusten zeer hooge standen voorkomen. 

De invloed van stormen uit zee is natuurlijk ook op de 
rivieren zeer merkbaar en wel het meest bij weinig ver- 



59 



hang en lagen stand , het minst bij hoogen stand. In het 
eerste geval is soms verhooging waargenomen tot Wijk 
bij Duurstede op de Lek en tot St. Andries op de Maas. 

Vallen stormen uit zee met springtij samen dan ont- 
staan natuurlijk de hoogste standen. Zoo ontstond ook de 
hoogste vloedstand der zee in deze eeuw nog waargeno- 
men, nl. die van 4 Februari 1825. 

In de onderstaande Tabel van gegevens omtrent de ge- 
tijen op onze kusten zijn de zeestanden opgegeven ten 
opzichte van het reeds besproken algemeen vergelijkens- 
vlak (bl. 3). — Wij merken hier op , dat men op sommige 
plaatsen gewoon is zeestanden , hoogten van dijken , enz. 
op te geven ten opzichte van V o 1 z e e (V. Z.) daar t9r 
pUiataCj o. a. langs de Zuiderzee in Noord-Holland, in 
Friesland en in Groningen. Volzee wil zeggen de getoone 
vloed , maar meestal bedoelt men er mede een onverander- 
lijk peil, ongeveer daarmede overeenkomende en aangegeven 
door een hakkelbout; dit peil verschilt dikwijls eenigszins 
met het wareV. Z. door dat het of niet juist is aangebracht 
of doordat door sommige invloeden de gewone vloedstand 
iets is veranderd. — 



60 






è 



'S 

S 



^ 1 
II 



s 



1 



00 



oo 

> 00 



§8; 



03 (M 

00 00 



CM CM 

I I 



CD ^* CM iC I> 

O CM 00 rH rH 



ÓvJ "^ 00 Oi 
co 00 00 o^ 



00 co 00 co CM (M CM CM CM 

I I I I I I I I I 



00^ Oq^ 

00 co 



CM lO CM o 00 

00^ lO 00. '^^ 

oo'co^co'^^ 



lö co lO "^ 

(M^rH^-^Oq^ 

00 00 00 00 



'AL "I 
^9 'M. *H neqos 



CM O '^ 00 
rH^CO^Cq^(M^ 

00 iO 00 00 



(M co CM 1-H CM 

CD 05 rH -^ CO 



00 lO CM Oi 
00 00 CM CO 



00 00 '^ -^ «^ (M CM 00 00 



SI 



s 

fi 



T-t 1— i 00 Oi '^ lO lO 

ocj^co^ oc5^0i^o^G>^cq^ 

r^i~^ r-Tr-T CM* CM* T-T ^r-TT-Ti-T 

II II I I I I I I I 



00 CM 

ï> co 



^ ^ 00 co r^ 
^* Oi O 00 CD 



t> -nj< 00 T-H 

'^ 00 <© Oi 



,-H,-H rHi-HCMCMCM ,-H,-|i-Ht-( 






00 

T— I 
I 

CO 



co 



co 



00 

1-H 

I 

co 



(M 



lO 



I 



00 



lO 



co 



co 



cjpapootA 'p -A 

u&moiido) 
jpeoïA -p 'A U]Soa 



os 

&4 



O) 



a 

O) 



03 



O 






a> o 

IS 






^ 

Q 



O) Ü . 



o . 

*^ " a ^ 






é -^ *£ ^ S S) ^' 



S5- 



t- c. 



61 



I 

o 



i 



o 

00 

CX) 

I 

CM 

00 



o 

00 

00 



00 



CM o co 
^00^-^ 

G^TosToq' 

I I I 



»C O ^ 

O) co 00 



I I 



rH 00 00 (M 00 CM 
00 CO 1—4 Oi 1— • "^ 

r-rdTr-TcrcTcr 
I I I I 



11 



(M 00 co 



co CM IV 

cq^»-H^Oi^ 
c^^co^c^f 



00 lO 00 05 00 os 
^cq^cq^cM^o^G>^ 

ocrco*csroo"^icr 



'JA, '1 
« 'JA. 'H ïreqas 



O Oi O 

^00^ cq^ 

CM^CM'cq^ 



00 I>- 00 
OO^O^O^ 

T-r<M*C>f 



lO CO CM -^ lO lO 

oq^cq^iv^cM^co^c^ 

T-To I-T 1—4 cTo* 



00 

82 

O 



i-H »o <M 



I I I 



(M t^ O 
00 t> c^ 

I I I 



00 CO-«t< 
OQ 00 00 



rH o 00 

o 00 00 



os 00 1— < 1— « 1— I o 

00^ O^ -^^ rH^ I>^ OS^ 

o*rH crGTi-TT-r 



I 



co '^ 1-H U3 co CM 
-^D^OO^CO^CD CM^ 

T-H T-TT-Ti-Tofor 






► % 






lO 



rH eg co 



co 



'I 



00 
CM 



co 



I 

co 



I> 00 
lO CM lO 



^ ^ lO 



o 00 
CM lO CM 



00 t> os 



o os 

CM -^ 

I I I 

•^ 00 00 



(•JIoSpeoïA -p 
iieiao:[do) 
P«oiA -p -A tzfSee 

»1 




i 
i 



I 



62 




00 Q o co Oi 

CQ^^rH^Oi^Oq^ 

I I I I I 



8 



lO O lO <© 
GQ^ 00^ 0^05^ 

CM osTi-rcNTi-r 

I i I I I 



lO 

of 



II 



CM o Oi co ï> 

iO 00 CD rH^O^ 

oTof osTco'co' 



^CD^i-j^CO^I>^ 
00 OQ CO C<1 T-H 



o 






CO t^ ï> ^ rH 

'^ CD rH O CO 



lO 00 00 kO ^ Oa lO 
D- c^ irs co CD '^ (M 



I> 



•^1 

1^ 



I 



O <M CO lO 00 

lO CD T-H rH rH 

c5'<o<o<Sö' 



OQ «M kO 00 CM 

!>• 00 00 00 Oi 

I i; I I I 



CD »C ^ rH 00 
Oi^O^O^CM^rH 


8-89 

8-2 

8-22 



CD 00. d) ^ co 

00 0C5iI> lO CQ 



CQ 



»0 



A 
& 
& 

Q 



II 



00 ^ Oi 

lO lO "^ co 

I lil 

I> t^ 00 I> 



00 rH <M 

I I I 
CO ^ '^ 



00 lO 

«^ rH «^ T-H 

I III 

CO ^ co lO 



('jfoSpeoiA *p 'A 

aeato:^do) 
peoiA -p -A n^Sag 



00 

Pk 







.^^ 












b--sii.aie.-g 



cö ^ 



5»S fe'3^£S''J5 g ï3(^g 



63 



I 



O 



1 



00 

00 1-H 

00 I 
I 00 
00 -H 



O 
00 
00 



00 



§ 



I 



tJh^ ?0^ 1-4^ 00^ ^ O^ f-^ ?0^ lO^ lO^ O^ 

i-T T-T T-T cT cT »4* i-T i-T 00* of OQ 
I I I I I I I I I I I 



o rH c^ o co T-H oi oq Q 00 03 co 
of of ofofof I-Tof of of crfcrf -^ 



'JA. 1 
no 'AL 'H n©qM 



rHiOOOO^I>^OOdCOOOOOC^ 

cT gT cT cT cT o" cT cT cT T-T of of of 



BS 



I 



00 rHOOOOOOOOOiOO'^00 

co 00^ co ©i.o.o^^o^'^^^l^ï'i*^ 

o cTcTo cTo cTo o rH »H ö* 

I III I I I I I 






P 
P 









peoiA -p -A uïaea 



A4 



CO r-4 JO rH OO -^ O i-H '^ lO '^ < 

cT o o GrcrcrGrö^cTi-r»-* i 
lil 



52S 
I 1 I 

CD CD lO 



CO ifi 

co 09 co 

I I I 






64 

Tegen de zee beschermen duinen en dijken. De eerste, 
' ' langs de Zeeuwsche en Hollandsche kusten vroeger meer 
s-/ zeewaarts gelegen doch langzamerhand naar binnen ge- 
worpen , komen nog steeds meer landwaarts in , daar 
het strand op die kust afneemt. Tengevolge van doel- 
matige voorzieningen aan de duinen, voornamelijk door 
helmbeplanting, en van het strand op smalle plaatsen, 
heeft zulks in de laatste eeuwen evenwel niet meer in 
zoo sterke mate plaats als vroeger. Aangrenzende hoofd- 
waterschappen of uitsluitend daarmede belaste üchamen 
of de provinciën zorgen voor dat onderhoud en tevens 
voor den Westkappelschen zeedijk op Walcheren en de 
Hondsbossche- en Pettemer zeewering in Noord-Holland, 
die beide ter vervanging dienen van de hier geheel weg- 
geslagen duinenrij. Tevens wordt op de hoogte van Ter- 
heijde tot iets t. Z. van Scheveningen het strand beschermd 
door de zoogenaamde Delf landsche hoofden ; achter een 
deel hiervan ligt meer landwaarts in een zoogenaamde 
slaperdijk om bij eventueele doorbraak der smalle duinenrij 
het zeewater te keeren. — Op de zeeweringen komen wij 
hierachter bij de topografische behandeling van ons pol- 
derland , Boek II , Hoofdstuk VI , meer in détails terug. 
Langs Zuiderzee en Wadden beschermen alleen zeedijken , 
hier en daar afgebroken door hooge gronden , als de kusten 
van Gooiland , de Veluwe , de hooge gronden bij Vollen- 
hoven in Overijssel, in Gaasterland in Friesland en op 
Wieringen. 



HOOFDSTUK 3. 



Vorming van den bodem. 



Uitwatering van rivieren in zee. Vorming van 
liaffbn en delta's in 't algemeen. 

De mechanische kracht der zee , een gevolg van de be- 
weging die ontstaat door de getijen, door de golfstr(X)men 
en door den wind , heeft grooten invloed op de zeekusten , 
hetzij een vemielenden hetzij een opbouwenden. Vooral is 
die invloed groot bij den mond van groote rivieren , daar 
met den vloed en landwaartsche stormen het zeewater er 
in oploopt om bij eb tegelijk met het rivierwater weer af 
te vloeien. Hierdoor kan een verwijden der monden ont- 
staan (mondtrechters , stroombekkens); indien nl. de om- 
standigheden niet gunstig zijn voor deltavorming, waarover 
hieronder. Daar alle stroomen meer of minder groote, 
doch altijd zeer belangrijke massa's kiezel, grint, zand en 
klei medevoeren , zoo laten zij deze bij vermindering hun- 
ner stroomsnelheid vallen en bij wyde monden als waar- 
over wij spraken , die soms ongeveer stilstaand en bij eb 
naar zee stroomend water hebben, zal dit niet onmiddelijk 
bij de uitwatering der rivier in dat stroombekken plaats 
hebben , doch daar waar de strooming naar zee byna ge- 
heel ophoudt. Op deze wijze ontstaan smalle wallen gronds 
op eenigen afstand dwars voor den wijden mond, die den 
zeeboezem geheel of gedeeltelijk afsluiten en dikwijls nog 
versterkt worden door het zand dat de zee daartegen 
werpt en dat de winden er verder tegenop werken, juist 
zooals zulks bij de gewone duinenvorming plaats heeft. 
De zoo ontstaande bijna afgesloten zeeboezem heet in 



CU) 



Duitschland aan de Oostzeekusten Ha ff (iStettiner, Frisehe 
en Kurische Haff, enz.); de wal die hem afsluit Nehrung. 

De steeds in beweging zijnde watermassa's der stroomen 
schuren de gesteenten waarmee zij in aanraking komen 
af of rukken er na uitspoeling brokken van los , daarin 
meestal door vooraf gegane verweering van die gesteenten 
geholpen. Daardoor voeren zij een verbazend groote hoe- 
veelheid vaste deelen mede , die al naar hun aard en ge- 
wicht in het water worden zwevende gehouden of over 
den bodem worden voortgerold. Het voortstuwend ver- 
mogen eener rivier , dat natuurlijk van vermogen en 
stroomsnelheid afhangt heet haar stootkracht. Hoe 
groot deze zijn kan blijkt o. a. als men weet, dat de Rijn 
bij Germersheim op 1000 M^ stroomlengte 1000000 M» 
kiezel , grint , enz. in beweging brengt en deze jaarlijks 
275 M* vooruitschuift. Men berekent, dat de Mississipi 
3.702.758400 en de Ganges 6368000000 Kub. voet vaste 
stoffen per jaar in zee voert. (1) 

Het uitschuren (Erosie), dat op de benedenrivieren 
(door de groote watermassa's) begonnen is , heeft de rivier- 
dalen gevormd. De medegevoerde stoffen blijven rusten 
of vallen neder , zoodra de snelheid van den stroom te 
gering wordt om hen verder te brengen. Terwijl op het 
bovengedeelte der rivier alles meegevoerd wordt , blijven 
op de middenrivier de grove kiezel en de kleine rotsblok- 
ken liggen en vormen banken; deze komen dus 
hoofdzakelijk op het middengedeelte voor. 
Op de benedenrivier , waar de snelheid het geringst is, 
de zee het water zelfs in tegenovergestelde richting stuwt, 
wordt nog slechts fijne klei en zanddeeltjes zwevende ge- 
houden en ook deze laat de stroom naarmate de snelheid 
naar den mond afneemt langzamerhand ten deele zakken. 
(Sedimentatie). 

Hochstetter geeft op dat : 



(I) Hann , Hochstetter In PokÖrny. Allgemeine Erdkunde. Thell II (Hocb- 

«tetter.) 



()7 



fijne fcjüb blijft liggen bij 0,08 M. snelheid per seconde, 
fijn zand „ „ „ 0,16 „ „ „ „ 

grof zand en afgeronde kiezel 

blyft liggen bij 0,21 „ ,, r « 
kiezel van 2 a 3 cM. middellijn 

blijft liggen bij 0,64 „ r? ?y ?? 
kiezel van eigrootte blijft 

Uggen bij 1,00 „ „ „ „ 
Hierdoor ontstaan in den wyden mond of zeeboezem 
waarin de stroom uitloopt dammen , die zich soms tot 
eilanden verheffen en oorzaak zijn, dat de stroom van 
richting moet veranderen, alwaar dan weer hetzelfde ver- 
schijnsel plaats vindt. Ook de bodem van het rivierbed 
zelf wordt soms algemeen sterk opgehoogd; de rivier moet 
daardoor weer een anderen loop nemen , breekt zich een 
baan in de oevers bij bochten waarin zij valt, enz. Er 
moeten dus aan het benedendeel der rivieren takken ont- 
staan, verschillende monden waardoor zij in zee uitstroo- 
men en deze moeten zich onophoudelijk verplaatsen, tenzy de 
mensch door de dyken, die tegen overstroomingen beveiUgen, 
dit verhindert. Het is echter te betwijfelen of dit bij som- 
mige rivieren, bij die nl. waarbij de omstandigheden een ver- 
hoogen van den bodem veroorzaken — zooals o. a. in 
sterke mate by de Po het geval is. — wel op den duur 
vol te houden is , ten minste of bij gedeelten , na uit- 
spoeling, doorbraken, enz. de dijken niet langzamerhand 
met de rivieren zullen moeten verplaatst worden. Het 
land dat alzoo gevormd wordt om en tusschen de monden 
lier groote rivieren noemt men delta , naar den vorm dien 
de Nijldelta heeft , n.1. dien eener Grieksche D (A). Soms 
vullen die delta's een vroegeren zeeboezem , soms , wat 
meestal het geval is, steken zy meer of minder vooruit in 
zee , zooals bij Mississipi , Ebro , Lena , IJsel (Kamper- 
eiland); soms ook blijven zij door de zee bedekt, zooals 
b.v. bij Weser en Elbe. Het schijnt nl. dat geen delta's 
boven water gevormd worden waar de kust zinkende is , 



08 



wel waar zij stijgt ; waar vry hooge delta's zijn is de 
grond vroeger opgeheven. 

Men moet zich wel wachten uit deze beschrij- 
ving van deltavorming in het algemeen, dade 
lyk eene verklaring af te leiden voor het ont- 
staan van het land tusschen onze groote rivier- 
armen. Wel zullen de armen, Rijn, Waal, IJsel en 
wellicht ook nog andere die thans verdwenen zijn , op de 
wijze als hiervoren omschreven , zijn ontstaan , doch het 
land dat zij omvatten is , voor zoover men nl. de bovenste 
lagen beschouwt waarop wij leven, van eene geheel andere 
wording. Wij zullen deze hierna leeren kennen en daaruit 
zien , dat slechts hier en daar in de nabijheid der stroomen 
eene betrekkelijk dunne laag te vinden is , die uit de 
rivieren is bezonken en dan nog wel meestal rustende op 
andere gronden aan welker vonning de rivier volstrekt 
geen deel heeft. - 

Wording van den bodem van Nederland. 

Hoewel .wij ons niet in 't bijzonder hebben bezig te houden 
met de geclogisclie vorming van ons land, zoo hangt de 
hydrografisclie toestand en de verdeehng in twee hydrogra- 
fisch wel te onderscheiden gedeelten zoo nauw met die 
vorming samen , dat het voor een klaar begrip onzer hy- 
drografie zeer noodig is om zich het volgende goed in her- 
innering te brengen. 

De gronden van Nederland die aan de oppervlakte ko- 
men behooren geologisch bijna uitsluitend tot het vierde 
of quartaire tijdperk — op enkele hectaren in Limburg 
en in de Graafschap (Zutfen) na, die tot de tertiaire of 
secundaire formatie behooren. Men weet dat men die 
gronden naar hunne wijze van ontstaan in twee wel te 
onderscheiden hoofdformatiën kan verdeelen: het dilu- 
V i u m , d. z. de oudere , door tusschenkomst van zoet wa- 
ter gevomid in een tijd toen reeds landdieren op de aarde 
woonden, en het alluvium of de hedendaagsche gronden 
^, z, die welke in latere tijden door zee en rivieren gevormd 



m 



op een wijze zooals nog dagelijks plaats heeft 
en die door dezelfde oorzaken het meest nog aan gedaante- 
verandering onderhevig zijn. 

De diluviale gronden beslaan (voor zoover zij aan de 
oppervlakte komen) ongeveer 41 % van de oppervlakte 
van ons land en vormen in het algemeen het oostelyk 
gedeelte daarvan , nl. het zuiden van Groningen , het zuid- 
oosten van Friesland , Gaasterland , Drenthe , bijna geheel 
Overijssel, de Graafschap, de Veluwe, het oosten van 
Utrecht en Gooiland, den zuidoostelijken hoek van Gelder- 
land bij Nijmegen , het zuiden van Noord-Brabant en Lim- 
burg op het kleine deel na dat tot oudere formatiên be- 
hoort. Ook Urk, Wieringen en deelen van Texel, VUeland en 
Terschelling behooren tot het diluvium. In dit in algemeene 
trekken aangegeven gebied van het diluvium zijn deelen , 
zooals strooken gronds langs de rivieren en de zee benevens 
de hooge veenen , die tot de jongere vorming van het allu- 
vium behooren. Voorts strekt het diluvium zich onder het 
andere deel des lands, het allu vium op meer of minder 
diepte uit tot in de Noordzee welks zandbodem er toe 
behoort, die de duinen reeds langs de kusten gevormd 
heeft. — Het diluvium bestaat ongeveer geheel uit zand, 
grint en keien; grint, keien en zand komen alleen voor 
in het oudste gedeelte , het jongere deel , dat waar- 
schijnlijk uit het oudere is ontstaan, bestaat uitsluitend 
uit zand terwijl het zuideiyk gedeelte van Limburg hoofd- 
zakelijk bestaat uit wat de Duitschers Loss noemen d. i. 
klei , vermengd met eenig zand en hier en daar mergel- 
achtig. Al die gronden zijn van verschillende deelen der 
aarde door geweldige werkingen van het wat^r hierheen 
gebracht en toen hier en daar opgeheven. Van daar de 
onderscheiding van het zoogenaamde grintdiluvium, 
welks hoofdbestanddeelen grint en keien zijn , in afdeeUn- 
gen als: het Scandinavisch grint t. N. van de 
Overijselsche Vecht , gevormd door zand , rotsgruis , enz. 
(lat waarschijnlijk door groote gletschers en op ijsbergen 
uit Samdinavie hierheen is gevoerd ; tusschen de Vecht 



70 



en den Rijn met de Lek het gemengd d i 1 i v i u m 
van Scandinavië en de oostelijk en zuidelijk gelegen Duit- 
sche bergmassa's (Hartz , enz.) klaarblijkelijk afkomstig ; 
het R ij n d i 1 u V i u m ten zuiden van de vorige afdeeling 
t^t aan de Maas en ten zuiden van deze rivier en langs 
haar oevers het Maasdiluvium, beide gevormd op de 
wijze als hierboven voor delta's in het algemeen is be- 
schreven , want sporen van oude rivierbeddingen zijn hier 
en daar bepaald aan te wijzen. Voorts behoort een deel van 
den bodem op Urk , Wieringen , Texel en een deel van Ter- 
schelling en de Zuiderzee daaromtrent tot het grintdiluvium. 

Het zanddiluvium is zeer waarschijniyk ook door 
het water door afschuring en uitspoeling van de grintheu- 
vels ontstaan ; ^ van daar dat het zich meestal aan den 
voet dezer laatste uitstrekt, de valleien er tusschen aan- 
vullende en waarschi^lijk andere grintheuvels in zijn bin- 
nenste bevattende. Er komt bijna geen leem in voor, 
terwijl het grintdiluvium , hier en daar leembanken bevat. 

Gelijktydig met het zanddiluvium schijnt het Loss in 
Limburg te zijn ontstaan. Omtrent deze vorming is ech- 
ter veel op te merken , wat men nog moeilyk verklaren kan. 

In het diluvium vindt men langs de beken en de klei- 
nere rivieren de zoogenaamde bee kb ezink in gen, d. z. 
min of meer zandige kleilagen door die stroompjes ge- 
vormd, die meestal tot weilanden gemaakt en daarom 
gewoonlijk groengronden geheeten worden. Ook zijn 
deze hier en daar tot bouwlanden gemaakt , door betere 
afwateringen, enz. In de groengronden komen lagen 
ij z e r o e r voor door middel van den plantegroei gevormd 
uit den ijzerhoudenden klei- en zandgrond. 

De beekbezinkingen behooren dus tot de alluviale gron- 
den evenals de rivierbezinkingen, die binnen de 
algemeene grenzen van het diluvium voorkomen en op de- 
zelfde wijze langs de groote rivieren worden gevormd ; wij 
zullen deze hierna bespreken. 

De zwarte bouwgrond die thans deelen van het dilu- 
vium bedekt is ontstaan door bebouwing na bemesting 



o 



n 



met plaggen of zoden van de heide- en groengronden ook 
uit hoog veen, dat ook thans nog ter dikte van hoog- 
stens 4: è, 5 M. in groote uitgestrektheden als zoodanig 
voorkomt in Groningen, Drenthe, Friesland, Overijssel en 
in de Peel en hoe langer hoe meer verveend, d. i. van 
het veen of de turf ontdaan , en tot bosch- , bouw- en 
weiland gemaakt wordt (dalgrond). 

Veen ontstaat in het algemeen door het ten halve ver- 
gaan van planten , die in dien toestand blijven , doordat 
zij aanhoudend nat blijven ; dat gebeurt nog dagelijks en 
veen is alzoo eene alluviale vorming. Men onderscheidt 
drie soorten, waaronder het hoogveen. Dit ligt byna 
altijd op diluviaal grint of zand en op hoogvlakten of in 
hoog gelegen valleien. Het hoogveen ontstaat altijd door het 
aanhoudend groeien en afsterven van mos in bosschen en 
het struikgewas daarin en er omheen , op en tusschen 
(Ie gevallen boomstammen, die ten deele ook door strui- 
ken en heide werden overgroeid en thans nog veel in het 
hoogveen worden gevonden (kienhout). Het houdt zeer 
veel water , is daarom onbegaanbaar , en als het water 
<»r door greppels , enz. uit afgetapt wordt , Mirikt het bij 
Mpdrooging zeer sterk in d. w. z. het zakt ineen. 

Het nog niet beschouwde deel des lands , m 't algemeen ' 
de westelijke en noordwestdijke helft vormt met de reeds 
genoemde alluviale gronden het aUuyimn. Het is niet' 
in zijn geheel op ééne wijze gevormd ; een deel hoofdza- 
kelijk door bezinklng van klei uit de zee ^ een ander door^ 
veenvorming. 

Om tot een klaar begrip te komen van den 
t'xceptionelen hydrografischen toestand 
van deze gronden, vooral van die op laatst-' 
genoemde wijze gevormd, is het van het 
hoogste gewicht zich hun wijze van ontstaan 
steeds goed voor oogen te stellen. 

Uit vele omstandigheden is op te maken, dat onze zee- 
provinciën zeer lang geleden grootendeels behoord hebben 
tf>t een haf of zeeboozem , wolks ontstaan wij reeds be- 



schreven en zooals wij ze thans o. a. nog vinden kunnen 
aan de Postzeekusten. Dat haf bevatte een deel van 
Vlaanderen , Zeeland , Holland , een gedeelte van de tegen- 
woordige Zuiderzee en de lage landen van Friesland en 
Groningen ; het strekte zich echter waarschijnlijk nog veel 
verder uit, tot voorbij den Elbemond en ontving de wate- 
ren van Schelde , Maas , Rijn , Eems , Weser en Elbe. 
Grenzen en diepte van die binnenzee zijn t-egenwoordig 
nauwkeurig aan te wijzen. Haar bodem nl. is weer te 
vinden in het zand met zeeschelpen — nl. dezelfde schelpen 
die men tegenwoordig nog in de Zuiderzee en de Zeeuwsche 
stroomen doch niet in de Noordzee aantreft — dat in Hol- 
land , Friesland , enz. op ongeveer 5 meter diepte beneden 
den tegenwoordigen bodem te vinden is , dat is zoowat 
6,5 Meter beneden de gewone vloedstanden der zee. Die 
zandbodem , soms tot de alluviale vormingen gerekend , is 
door afspoeling van de diluviale gronden ontstaan ; zij rust 
op 25 Meter onder vloed op de oorspronkelyke diluviale la- 
gen , eveneens uit zand bestaande. In Holland heeft zich 
door bezinking een laag klei op den zeebodem afgezet , die 
vruchtbare bouwgrond, waarvan wij later nog veel zullen 
spreken, die den bodem vormt van onze menigvuldige 
droogmakerijen. Deze klei is een bewys te meer dat zij 
ip een binnenzee is bezonken , die een stilstaand , dus door 
een duinenrü bijna geheel afgesloten water was ; want in 
Jitroomend water wordt klei zwevende gehouden en verder 
gevoerd ; dat het haf zeevieAer bevatte blijkt uit den aard 
der in de klei gevonden schelpen. 

Aan de monden der rivieren vormden zich banken, die 
bij ebbe droogkwamen en waarop zich bij vloed klei af- 
zette die al hooger en hooger werd, tot de aldus ontstane 
kleilanden slechts bij hooge vloeden werden overstroomd. 
Zoo zijn de Zeeuwsche en Zuid-HoUandsche eilanden gevormd ; 
voorts groote bedijkingen in het Noorden van Noord-Hol- 
land , een deel van Friesland en Groningen en dit geschiedde 
dus geheel op dezelfde w\jze als thans nog in Zeeland en 
ook in Friesland en Groningen land wordt aangewonnen. 



<•) 



Slaan op de bij ebbe bovenkomende landen geen riet of 
biezen op, wat bepaald noodig is opdat de klei er tusschen 
bezinke en vastgehouden worde , dan komt men door kunst 
te hulp door zoogenaamde slikvangers, enz. De aldus ont- 
stane nog onbedijkte gronden noemt men in Zeeland 
schorren, in Friesland en Groningen kwelders. 
Zij worden door dijken van de hoogere zeestanden afge- 
sloten , zoodra zij tot de hoogte van den gewonen vloed 
zijn opgehoogd of met een genoegzame laag klei overdekt 
zijn (r ij p z ij n) en zijn dan uitstekende bouwgronden. Bij 
groot verschil tusschen het L. W. en H. W. der getijen 
is de gevormde kleilaag natuurlijk het dikst en dus de 
grond van de meeste waarde : van daar de beroemde 
Zeeuwsche kleigronden ; is genoemd verschil gering , dan 
kan slechts eene dunne kleilaag ontstaan, hier en daar 
zand bloot latende; zooals dus b. v. aan de Zui(}erzee- 
kusten in de grootendeels uit zandgrond bestaande inpolde- 
ringen de Zype en het Koegras. Deze soort van landen , 
zeepolders geheeten , behooren tot de oudste indijkin- 
gen; in Zeeland ontstonden zij waarschijnlijk reeds vóór 
de twaalfde eeuw {*) en de geheele oppervlakte die zy 
beslaan ontstond eerst langzamerhand. Zoo bestonden de 
Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche eilaüden oorspronkelijk uit 
vele kleinere eilanden, die door achtereenvolgende indykin- 
gen tot grootere zijn saamgevoegd. Zoo bestond Walche- 
ren eerst uit 10 eilandjes, Goeree en Overflakkee in de 
15de eeuw nog uit 3 eilanden, enz. en bij alle is bij 
een aandachtige beschouwing van de groote Topografische 
Kaart of van de Waterstaatskaart , zeer goed een oudste 
kern , om het zoo maar eens te noemen , te ontdekken , 
waaromheen de nieuwere bedykingen gegroepeerd liggen. 
Ook de gang van het achtereenvolgens landaanwinnen in 
Groningen en den Dollard is gemakkelijk uit de kaart na 
tégaan. Waarschijnlijk ontstond evenzoo in vele oudere tyden 
Westfriesland , dat bijna geheel uit zeeklei bestaat, 

t*» W. o. H. STAKING. Voorheen en Thans bl. 1V2. 



74 



In latere tijden is de genoemde binnenzee, althans een deel 
er van, door de duinen geheel van de zee afgesloten en is 
er een groot meer met zoet water gevuld ontstaan, dat 
een deel van de tegenwoordige Zuiderzee bedekte van 
Ameland af, Holland tot aan de stroomen ten noorden van 
de klei-eilanden en tot aan den Krimpenerwaard, het wes- 
telijk deel van Utrecht en dat ten oosten van de Vecht 
tot aan de zandgronden en ten noorden van de Loos- 
drechtsche venen. Deze evenals de Krimpener- en Alblas- 
serwaarden zijn op een andere wijze ontstaan — daar zij niet 
op een voormaligen zeebodem rusten - dan de gronden die 
later het genoemde meer gevuld hebben. In dat meer 
toch stortten zich geene belangrijke rivieren en was alzoo 
stilstaand water. Hierdoor moest er veen in gevormd 
worden nl. zoogenaamd laag veen. In stilstaand water 
heeft dit altijd plaats door het half vergaan der afgestor- 
ven daarop drijvende planten , die dan naar den bodem 
zakkeji en daar een modderlaag, vormen , waarop hoog op- 
schietende waterplanten gaan groeien , zoodra hiertoe de 
diepte genoeg is afgenomen. De wortels van deze maken 
de modderlaag vast, die dikwijls lichter dan het water 
wordende naar boven komt en drijft (zodden , drijftillen) , 
doch later als nog meer levende en afgeston'en planten 
haar sterk bezwaren , weer langzamerhand tot op den 
bodem van den plas omlaag zakken. Er is dan zooge- 
naamd laagveen gevormd , dat met het oppervlak dus even 
hoog ligt als dat van het omringende water , waarin het 
dus verschilt van het m o e r a s v e e n , dat langs kleuie 
riviertjes en beken of op de heide in het diluvium is on- 
die p water , dus niet door drijvende waterplanten , ge- 
vormd wordt en dat met zijn oppervlak het rijzen en da- 
len van den ondergrond volgt. Lage venen en moerasvenen 
zijn beide bij goede behandeling en bemesting tot weiland 
en bouwland te maken. Het groote HoUandsche meer, 
zooals wij het eens een oogenblik noemen zullen , werd 
dus met een 3è,4M. dikke veenlaag gevuld, waar- 
op eeuwen geleden aaneongeschakelde dichte veenwouilt^n 



4'} 



ontstonden. Hierdoor zochten zich de Rijnarmen , de te 
genwoordige Kromme Rijn en de Oude Rijn, die thans 
in 't geheel geen rivieren meer zyn doch toen vrij 
machtig moeten geweest zijn , een weg naar zee , en als 
zij buiten hunne oevers traden , zetten zij langzamerhand 
op het veen een laag r i v i e r k 1 e i af. Deze volgt , als 
men eene geologische kaart beziet , nog als een breede 
strook hunne beide oevers. Bij Rotterdam was het groote 
HoUandsche meer waarschijnlijk in verbinding met het 
buitenwater , omdat aldaar afwisselende klei- en veenlagen 
in den ondergrond voorkomen. De veenwouden zijn ver- 
volgens door den mensch, enz. grootendeels verdwenen 
en hunne gevallen stammen vindt men nog in groote hoe- 
veelheid , als k i e n h o u t in het veen. Dit veen zelf is 
later door kunst drooger geworden doordat het omringende 
water eenige decimeters beneden zijne oppervlakte werd 
gebracht. Daardoor werd óf zeer goede teelaarde gevormd, 
waarop men thans de kweekerijen vindt, óf het veen 
werd door bemesting , enz. herschapen in de weelderige 
weilanden, die thans nog zoo zeer de bewondering op- 
wekken. * 

Van de rivierbezinkingen die langs de groote 
stroomen als breede strooken alluviaalgrond in het gebied 
van het diluvium voorkomen , maakten wy boven reeds 
met een enkel woord gewag. Zij vormen de klei der vrucht- 



K*) Wy merken hier op dat de hypothese van de afgesleten binnenzee vol- 
>arükt niet onaangetast daar staat. Anderen verklaren de beschrevene vomiing 
door het zcücken van den hodetn. Het zand onder do zeeklei , de bodem van het 
veronderstelde haf zou eenmaal boven ebbestand z^n verheven geweest, waar- 
voor onder anderen pleit de omstandigheid dat men op vele pliiatsen het kien- 
bout in het zand, niet in hot veen geworteld vindt. Nadat het daaronder 
Kedaald was, liet de zee er haar slib op achter en vormde zeekleilanden , zoo- 
als nog dagel^ks geschiedt, enz. Wy kunnen volstrekt niet uitspraak doen 
in deze quaestie. Voor ons is echter voldoende eene hypothese, die ons helpt 
in 't begrijpen der tegenwoordige toestanden ; wy hebben daarom hier de bin- 
nenzee-thee rie, voor Friesland en Groningen (Zie Boek II, Hoofdstuk 6, D.) 
^ie van het zakken des bodems als uitgangspunt der alluviaalformatie aango- 
n«»men. 






bare buitendüksche landen of uiterwaarden , die nog jaar- 
lijks worden verhoogd en de vette kleigronden tusschen 
Rijn en Maas in 't algemeen, nl. de Over en Neder Betuwe, 
Maas en Waal , den Tielerwaard , enz. ; ook de kleigronden 
langs de Maas en Merwede en 'tN. van het Oude Maasje 
van Noord-Brabant zijn eenmaal uit de overstroomings- 
wateren der groote rivieren bezonken , terwijl de klei der 
Krimpener- en Albasserwaarden slechts als een dunne laag 
op het veen ligt. 

Ook voeren de rivieren grint en zand af. Het 
eerste blyft echter li^en zoodra de snelheid beneden 
zekere . grens komt , van daar dat het grove riviergrint , 
dat voor wegen , enz. wordt gebaggerd , op het bovenste 
gedeelte der stroomen in ons land wordt aangetroffen. Hier 
en daar vindt men banken grint in den ondergrond, waar 
thans de rivier ver verwijderd is , zooals in de Betuwe 
en ook bij Gouda , Hannelen , enz. ; deze duiden aan , dat 
vroeger daar rivierarmen liepen en tevens dat de rivier 
een sterker stroomsnelheid had. Op het grint ligt ge- 
woonlyk zand en daarop de hoogstens 1 è 2 M. dikke klei. 
Dat zand uit de rivierbezinkingen is het, dat het water 
onder door de dyken doet kwellen , wat veel nadeel aan 
de binneridijksche landen berokkent. Wij merkten o. a. 
reeds op dat de Linge b.v. lek wat er uit de gi'oote 
rivieren afvoert; dit komt dus door de grint- en zandlagen 
onder de dijken door. 

Voegt men hierbij nu nog het zand dat de zee van 
haar bodem op onze kusten heeft geworpen en dat de nu 
eens breede , dan weer smalle strook langs de Noordzee 
vormt , dan heeft men een overzicht verkregen van alle 
gronden waaruit ons vaderland bestaat en van hunne vor- 
ming en dan zal men tevens inzien , dat men, zooals Staring 
zegt , „den uitroep : „Nederland heeft zijn bodem aan de 
gojven ontwoekerd*', als een dichterlijke ontboezeming be- 
hoort op té vatten , waarbij een deel voor het geheel ge- 
nomen wordt." 



HOOFDSTUK 4. 



Eigenlijke Hydrografie. 



Yerdeeling van Nederland in twee hydrogra- 
fisch te onderscheiden deelen. 

Het eene deel bevat de landen die geheel na- 
tuurlljke afwatering hebben, d. i. waar de at- 
mosferische neerslag, voor zooverre zij verdamping en op- 
ziüging van den bodem overtreft, geheel langs natuurlijken 
weg , nl. door de helling van den bodem , afgevoerd wordt 
langs greppels , slooten^ beken en kleine rivieren , die het 
water öf naar de hoofdrivieren of rechtstreeks naar de zee 
voeren. Tot dit gedeelte rekenen wij ook de hooge zand- 
en grintgronden , die het gevallen hemelwater bijna geheel 
opnemen en waarop het overige verdampt. 

Dit gedeelte bevat dus deelen van Friesland en Gronin- 
gen , geheel Drenthe , bijna geheel Overijsel , van Gelder- 
land de Veluwe , de Graafschap , de Lijmers , bijna het 
het geheele Rijk van Nymegen (behalve den Ooipolder), 
het land van Maas en Waal , de Over-Betuwe en een deel 
der Neder-Betuwe ; van Utrecht de hoogere zandgron- 
den en de landen langs den Krommen Rijn; van Noord- 
Holland het Gooiland ; van Noord-Brabant het Zuiden en 
Zuid-Oosten en geheel Limburg benevens alle uiterwaarden 
en duingronden. Li het algemeen dus de gronden 
van het diluvium met de ing omsloten venen 
en rivierbezinkingen. 

Alleen in dit deel des lands kan sprake 
zijn van eigenlijke gezegde rivieren. Al is 
een rivier als de Oude IJsel aan den mond, of het boven- 
gedeelte der Linge bij Asperen of anders bij Gorinchem , 



of de Üoinmel bij haren mond te 's B<:)sch afgesloten door 
eene sluis ora den waterstand op die rivier zooveel moge- 
lijk te kunnen regelen, deze alle blijven rivieren. Het 
water komt zonder eenige kunstmatige hulp in haar bed 
en de helling des bodems doet het van zelf , naar de open 
hoofdrivier of op de zee afvloeien. 

De hydrografische gesteldheid van dit ge- 
is dus dezelfde als die van alle andere lan- 
den ter wereld. — Men kan er i'n 't algemeen 
over het land ter weerszijden der wegen 
1 o o p e n , eene eigenschap van deze landen , die de landen 
van ons Vaderland in het andere gedeelte niet bezitten, 
daar zij (wat voor de afwatering noodig is) sterk doorsne- 
den zijn met slooten en greppels en zelve dikwijls geheel 
onder water of dras staan. — 

Geheel anderT is de gesteldheid van het overige 
deel des lands, waartoe dus op de duinstreken na, ge- 
heel Zeeland, Zuid-Holland, het N. W. vanNoord-Brabrant, 
van Gelderland het westelijk deel van Tielerwaard en 
Bommelerwaard en van het land van Culemborg, Utrecht 
tot en met een strook van 1 è, 2 uur breedte t. O. van 
Vaartschen Rijn en Vecht, Noord-Holland behalve het Gooi, 
het W. en N. van Friesland en byna geheel Groningen 
behooren. 

De ligging van dit gedeelte is nl. zeer laag zooals uit 
de vorming is op te maken. De eilanden en streken uit 
bezonken zeeklei bestaande zijn meer of minder — de 
oudere aanmerkelijk, tot 2,30 M. beneden den gewonen 
vloedstand gezakt , ineengeklonken zooals men dat 
noemt. 

Met de venen is dit eveneens en nog meer algemeen het 
geval, door het drooghouden van hun bovenste lagen. De 
droogmakerijen , die ontstaan door uitgraven of wegslaan 
van het veen tot op den ouden zeekleibodem, liggen met 
hun bodem zelfs tot — 5,5 A.P. Ook de oudere venen, 
die niet in de oorspronkelijke binnenzee zijn ontstaan, zoo- 
als die in Friesland en Overijsel, in het westen van 



71> 



rtrecht, de Krimpener- en Alblasserwaarden en in Noord- 
Brabant , liggen in de noordelijke Provinciën A. P. tot 
1 + A.P. , die in Utrecht en Holland tot -1.6A.P. Het 
is dus duidelijk: 

1. dat al deze landen door hooge dijken moeten be- 
schermd worden tegen het water der groote rivieren, som- 
mige slechts tegen de hoogere standen, hetzij deze door 
rivierwater hetzij zij door het opgeloopen vloedwater worden 
veroorzaakt, en ook, waar geen duinen zijn, tegen de zee. 

2. dat de meeste dezer landen geen gewone, 
natuurlijke afwatering bezitten. Al het water 
dat er in neerslaat (en dat niet verdampt of opgezo- 
gen wordt) blijft er in en zou het dus zonder kunst- 
matige hulp op sommige tijden in waterplassen doen veran- 
deren en de diepste deelen zelfs weer voor goed. Want slechts 
de hoogere deelen kunnen bij lage standen van de groote 
rivieren of de zee (het bui ten wat er) hierop langs na- 
tuurlijken weg hun wat<^r doen afvloeien ; andere moeten 
hierin somtijds door kunstmiddelen worden bijge- 
staan; het grootste gedeelte kan alleen door 
kunst worden drooggehouden. In dezen toestand 
verkeert geen ander land ter wereld. Het rijkste 
deel van ons vaderland is dus in dit opzicht eenig. Het 
is daardoor van een geheel eigenaardig type, eenig in 
voorkomen, eenig in hydrografische gesteldheid 
^n ook eenig in kracht. Hierover later. 

Het spreekt van zelf, in een dergelijk land kunntm 
geen eigenlyke rivieren voorkomen. Denkt men zich 
alle duinen en dijken weg, en de lage venen nog in hun 
oorspronkelyken toestand, dat is vóórdat zij inklonken, 
dus een 1 è, 1,5 M. hooger, dan zou alleen bij niet hooge 
standen van de hoofdrivieren of de zee een water als de 
Oude Rijn of de HoUandsche IJsel in zijn geheel , enz. 
kunnen stroomen en zich later in het buitenwater 
storten. Oorspronkelijk deden zij dit dan ook gewis, 
terwijl zij bij hooge standen van het buitenwater met het 
land er onder bedolven geraakten. 



80 

Thans liggen die zoogenaamde rivieren met hun wa- 
terspiegel boven het land ter weerszijden, 1 
i\ 5 M. hooger , waarom zij natuurlijk ter weerszijden door 
kaden worden ingesloten. 

In dit geheele deel des lands bestaat thans 
geen enkele eigenlijke rivier. 

Het water dat men daar nog rivier noemt heeft van 
een werkelijke rivier : 

1. Slechts de eigenschap behouden , dat het door zijne 
richting de algemeene helling van het land aanwijst ; 

2. Alle andere eigenschappen verloren , omdat al het 
water der landstreek waardoor het vloeit er kunstmatig 
in moet worden omhoog gebracht ; omdat het bij begin en 
einde is afgesloten en meestal bovendien nog door sluizen 
verdeeld is in afdeelingen , bakken als het ware , m e t 
stilstaand water, dat in eiken bak gewoonlijk een 
ander peil heeft en soms zijdelings geloosd wordt. 

Waarom dit geschied is zullen wij hierna vermelden. 
Genoeg zij het nu, op te merken, dat thans van vloeien, 
van een zeer traag stroomen , alleen sprake is als de eene 
bak op den andere wordt afgelaten of als de afsluiting aan 
het benedeneinde geopend wordt. Men zie o. a. de hier- 
achter gegeven beschrijving van den Ouden Rijn , Boek II , 
Hoofdstuk 6 , achter A , 2. — 



TWEEDE BOEK. 



Het land der kunstmatige afwatering, 

der polders en droogmakerijen , der 

afgesloten stilstaande wateren. 



Wij gaan nu eens kennismaken met het typische land 
der vaderen , met het land welks eigenaardigheden ons 
ternauwernood opvallen als wij er lang in wonen, doch 
die ons bij een nauwkeurige vergelijking met het andere 
deel des lands , waar wij natuurlyk afwaterend land en 
werkelijke rivieren vinden, wel degelijk treffen, evenals 
zij de verbazing en ook de bewondering van den vreemde- 
ling opwekken. 

Groen zien wij en nog eens groen : de eindelooze be- 
roemde HoUandsche weiden met hun zwaar vee. 't Is of 
wij hier om de aarde heen zouden kunnen kijken ; boomen 
zijn er niet dan hier en daar aan den gezichteinder, waar 
zij gewis langs een weg staan of om en in een dorp dat 
wordt aangewezen door een torenspitsje , of daar heel ver 
in het westen , waar het polderland ophoudt en de bosch- 
rijke kuststreek begint. 

Wij gaan langs een weg , tevens het jaagpad langs een 
onafzienbre vaart. Wij merken al dadelijk op dat niet 
alleen de weg doch ook de waterspiegel der vaart wel een 
meter hooger ligt. dan het land ter weerszijden. Ginds 
brengt een hooge steenen brug in onzen weg eenige 
afwisseUng; de brug Ugt over een water ,dat hier in 
de vaart uitloopt. Dat water schijnt nauw een honderd 
pas lang te zijn en komt van een watermolen die daar 
staat in de wei , het is een vrij in de vaart uitloo- 
pende zijtak, waarin die molen het water uit de tochten 
en slooten die dit land doorsnijden omhoog maalt ; die zij- 
tak ligt met zijn waterspiegel even hoog als die der vaart , 



84 



dus ook veel hooger dan het land, -ter weerezijden en is 
dus door kaden aan beide zijden begrensd ; het water in 
de sloten en tochten staat zoowat een voet benedeti het 
land. Wat verder komen wij weer aan zoo'n water, doch 
nu veel broeder , ginds varen er schepen in ; de kade 
langs den anderen kant , vrij breed van boven , loopt nu 
zacht glooiend naar het land af, doch diep, heel diep. 
Wat een verschil in hoogte tusschen dat land, de bodem 
van dien bak zouden wij wel kunnen zeggen , en het 
water hierboven ! Als wij maar in die wei konden ko- 
men — maar wij kunnen niet over de sloot heen, en we- 
gen zijn er in dit land niet op een enkele hoofdweg na — 
dan zouden wy van daar beneden die schepen zien zeilen, 
nog wel een manslengte boven ons hoofd. Zonderling land! 

Hier , tegen het landhoofd van de brug , is een peil- 
schaal. Het water teekent — 0,50 A. P. Maar dan moet 
dat land wel minstens — 4,5 A. P. liggen en de bewoners 
van die huizen ginds wet^n gewis dat de zee en de groote 
rivieren tweemaal daags 2 manslengten hooger staan dan 
hunne hoofden en soms wel 6 è. 7 M. , een huis hooger. 
Of zij bij de gedachte daaraan huiveren? Och neen: 
't is nog een vraag of zij van dat alles kennis dragen en 
trouwens wat zij wel weten is, dat er in onze dagen niet 
veel gevaar voor bestaat, dat de wateren van zee of rivieren 
hen hier zullen komen verjagen of verdrinken. Maar vóór 
die zekerheid bestond, is er gewis heel wat arbeid, een 
arbeid van geslachten op geslachten noodig geweest. En 
vóórdat die menschen daar konden wonen , waar eenmaal 
een diepe , door kunst of natuur gevormde plas bestond 
en vóórdat men dien diepen bak op sommige tijden van 
het jaar, dat het bijna dagelijks piasregent, behoorlijk 
wist droog to houden , ten minste zóó dat het water in de 
slooten nog iets beneden het land blijft, wat moest er al 
niet geschieden ! 

Welk een kalmte heerscht hier in deze dreven- Hier 
geen landvolk hier en daar aan het werk , zooals wij dat 
Qlders b. v. in Gelderland en in Utrecht zien. 't Is dan 



85 



ook bijna alles wei in 't ronde. Maar dat diepgelegen land 
is toch grootendeels bouwland en ook daar heerscht wei- 
nig leven. Dat komt omdat hier bijna uitsluitend de ge- 
wassen m het groot op onafzienbare velden, aaneen ver- 
bouwd worden en wij hier den bouw van peulvruchten , 
groenten, enz. missen, behalve in de onmiddelijke nabijheid 
der hoeven. Waar dit meer algemeen het geval is , valt 
ook meer te doen : de oogsttijd is niet voor alle stukken 
land dezelfde, een groot aantal wegen is daar noodig — 
hier niet en wij zien hier weinig bedrijvigheid vóór straks 
als het vee wordt gemolken of als de zeis door de tarwe 
en der haver gaat. 

Stilte heerscht hier allomme , alschoon er veel vertier 
is. Maar zonder geruisch doorklieft de trekschuit de wa- 
teren van de onbewegelijke effen vhet , het kabbelt en 
klotst slechts heel zachtkens tegen den voorsteven en nauw 
is de schuit voorbijgegleden of de rimpels van den water- 
spiegel trekken dra weer glad. Ook de hoefslag van den 
onden jagersknol is nauw hoorbaar op het mulle zwarte 
pad. Zoo zwart en mul is de grond hier als ge hem in 
de andere helft des lands nimmer gezien hebt; d&&r zag 
hij er altijd grijsachtig uit , al was het zand er door eeuwen 
bebouwing en bemesting langzamerhand tot zoogenaamden 
zwarten bouwgrond vervormd — hier is 't veen en teel- 
grond lijkt 't wel, die er juist uitziet als die welke de tuin- 
ders maken van blad. En die lage bouwgrond in de diepte 
is klei , in de diepe voor waar het kouter haar sneed 
blinkend van vettigheid; zoo zaagt ge ze nergens of 't moest 
in Zeeland of op de eilanden wezen. 

Land der onbewegelijkheid en kalmte , der degeUjkheid 
en der welvaart , eigenschappen die zich afspiegelen in de 
koude, secure, doch trouwe, degelijke zielen uwer bewo- 
ners, wij willen u eens wat nauwTettender bekijken, eens 
onderzoeken hoe gij wel in elkander zit en hoe gij ooit zoo 
werdt wat ge nu zijt. 



HOOFDSTUK 5. 



Verklaring van algemeene begrippen. 



Wat zijn polders en droogmakerijen? Hnn 
ontstaan en voorkomen. 

Beschouwen wij eerst de gronden in het laagveen, - 
Zooals wij reeds herinnerden: eenmaal was hier een bin- 
nenzee met zoet water gevuld , welks kleibodem uit zee- 
water bezonk , toen het meer als Haf nog toegankelijk was 
voor de wateren der zee. Die kleibodem lag gemiddeld 
i h 5 U. onder den gewonen vloedstand. Dat meer werd 
daal na afgesloten en opgevuld met laagveen tot de hoogte 
van het omringende water en daarop ontstonden bosscheii, 
die grootendeels later door natuur en menschenhanden 
vielen. Rivieren , armen van den Rijn , machtiger dan nu , 
stroomden door de wouden in hun bed van veen en lieten 
bij het buiten hun oevers treden langzamerhand een dunne 
laag rivierklei achter langs hun boorden op het veen. 

In de Romeinsche tijden heeft men reeds dijken aange- 
legd , doch deze werden door de Romeinen zelven slechts 
als communicatiemiddelen gebruikt. Het land , welks bo- 
venste laag toen nog niet kunstmatig werd drooggehouden 
en daardoor nog niet gezakt of liever ingekrompen was ; 
moet zoowel in de lage venen als in de aangewassen zee- 
kleilanden ongeveer ter hoogte van den gewonen vloed 
hebben gelegen; bij hoogere vloeden werd het overstroomd. 
Bewoond werden toen slechts de hoogere diluviale gronden 
en de duin- en geestlanden en van hieruit waagden zich 
jager en visscher in de met hoog bosch en lage strui- 
ken bedekte veenlanden , doorsneden en bedekt van tallooze 



87 



waterplassen en poelen, en de herder waagde zich vooral 
's zomers op de met riet , biezen en gras bedekte zeeklei- 
landen . en bergde er zijn vee op de droogste plaatsen die 
met behulp van dat vee zelf eenige voeten hooger werden : 
tot terpen of wierden, zooals zij nog te vinden zijn 
in Groningen en Friesland en op de Zeeuwsche eilanden 
(behalve op Walcheren.) De bosschen op de venen werden 
gedeeltelijk omgehouwen, de zeekleilanden begon men tè 
bebouwen toen men hunne groote vruchtbaarheid leerde 
kennen: op kunstmatig aangebrachte ophoogingen onlangs 
de grenzen ontstonden enkele dorpen en steden. In den 
gra ventijd begonnen de oudste graven , die slechts betr. 
weinige , kleine en zeer verspreide bezittingen hadden, 
eindelijk het indijken van gronden aan te moedigen. 
Zonder eenig verband en uitsluitend. om logale en private 
belangen werden toen naar gelang het land meer bevolkt 
werd , langzamerhand sonunige gronden met kaden en dij- 
ken omringd , om ze te beschermen tegen overstrooming 
door het water van buiten^ waaruit voorzeker veel twist 
moet ontstaan zijn. 

Die eerste dijken waren niet veel meer dan zomerkaden, 
die bij hooge vloeden overstroomd werden en dikwyls door- 
braken ; zij die hen legden bleven er bezitters van en ver- 
kregen rechten, enz. over de bedijkte landen, doch moesten 
de dijken ook zelf onderhouden. Zoo ontstond digkrecM , 
dat de Graaf allen verleende, terwijl hij zich ook het hoogste 
gezag in zake de dijken steeds voorbehield, zelfs toen 
eenmaal bijzondere ambtenaren werden aangesteld belast 
met het toezicht over de dijken (Dijkgraven.) Vóór 
de elfde eeuw zyn er waarschyniyk echter nog geene dijken 
of danmien te vinden geweest (in Westfriesland uitge- 
zonderd, dat trouwens op geheele andere wijze ontstond 
en veel vroeger bewoond was), wat o. a. ook hieruit af te 
leiden is, dat vóór dien tijd nog geen enkele naam van 
eene plaats voorkomt eindigende op digk of dam (Schiedam 
heette in zijn ontstaan Nieuwerschie.) Men beweert dat 
het M a i e n d ij k j e bij Leiden het oudste in Holland is , 



88 

doch het jaar van aanleg is niet met zekerheid op te geven. 
In den Krimpenerwaard zijn mede zeker de oudste dijken 
tot stand gekomen. 

In Holland waren Willem II , graaf en Roomsch Koning 
en Floris V de eersten die vele en goede maatregelen namen 
in het belang van de dijken en van den waterstaat in het 
algemeen. De laatste deed o. a. een „sterke dijk" van 
Amerongen tot Schoonhoven leggen ten behoeve van den 
Utrechtschen Bisschop. Later was het vooral de Ruwaard 
Albrecht , daarna Graaf , die zich zeer veel gelegen liet 
Uggen aan alles wat waterstaatszaken betrof. De meer 
belangrijke dijken langs de groote rivieren, om het water 
van deze te keeren, zyn waarschijnlijk eerst tusschen 1200 
en 1400 tot stand gekomen , hoewel nog niet in de tegen- 
woordige afmetingen. 

Er kwam echter eerst meer verband in alle dijkwerken, 
toen de groote waterschappen werden gevormd, d. z. 
vereenigingen van gronden met gemeenschappelijke belan- 
gen betreffende beveiliging tegen het buitenwater , loozing 
van het binnenwater , enz. Naarmate de landsregeering 
krachtiger werd , richtte zij meer waterschappen op en 
verleende deze soms een groote macht tot zelfs de bevoegd- 
heid van rechtspleging bij overtreding van de bepalingen van 
het Waterschap , enz. {rechtsmacht) en ging zij zich in het 
algemeen meer aan den waterstaat gelegen laten liggen. 
In Holland zijn Woerden (1322) en de Zwijndrechtsche 
Waard (1332) waarschijnüjk de oudste waterschappen. 

R ij n 1 a n d , waarover hierna meer , noemt zich wel is 
waar het oudste waterschap , dat in de dertiende eeuw 
van Graaf Willem II , Roomsch Koning , bijzondere privi- 
legiën verkreeg ; maar het valt te betwijfelen of er toen 
wel reeds van een Hoofdwaterschap in de eigenlijke betee- 
kenis sprake was. 

Binnen de groote buitenwaterkeeringen werden nu in de 
\A» , nog meer in de 15® , doch vooral in de 16® eeuw de 
veengronden, waaronder ook de met rivierklei bedekte, 
by gedeelten door kaden en dijken omringd. Dit afsluiten 



89 



geschiedde om geheel en al meester te zijn van 
den waterstand daarbinnen; de kaden beletten wa- 
tertoevoer van buiten , terwijl het door de afsluiting mo- 
gelijk werd het water daarbinnen uit te werpen. Eerst 
had dit plaats op zeer gebrekkige wijze, doch later na de ver- 
betering der windmolens meer afdoende. Gelukkig dat die 
verbetering werd gevonden want toen de ingedijkte veen- 
landen werden bevrijd gehouden van het water dat er op 
neerviel , toen men zelfe om de belangen van de veeteelt 
en nog meer om die van den landbouw het water zooveel 
mogelijk eenige decimeters beneden de oppervlakte van 
den bodem hield, toen kromp de bovenkorst , desponsach- 
tige massa die vroeger veel water hield, ineen; de vanboven 
uitdrogende veenen zakten dus, zij klonken in, zooals 
men dat dat noemt , hier meer daar minder , doch in vrij 
aanzienlijke mate. Op deze wyze werden langzamerhand 
alle veengronden — waaronder ook die langs de oevers der 
voormalige rivieren der Ouden Rijn en der IJsel , welke 
met een min of meer zware laag rivierklei zijn bedekt — 
bij aan elkaar sluitende gedeelten met dijken of kaden om- 
ringd — zij werden polders en hunne oppervlakten zakten 
tot op peilen van AP. tot — 2 AP. ongeveer. 

Een polder is een stuk land met kaden of dij- 
ken omringd ter afwering van het omringende 
water en tot afsluiting van het water daar- 
binnen. ^ 

De meeste polders zijn waarschijnlijk eerst na 1600 ont- 
staan. Toen waren de waterkeeringen langs de groote 
rivieren en de zee wel reeds in staat deze in niet buiten- 
gewone gevallen te bedwingen. Doch men moest de lan- 
den binnen die groote dijken toch nog bovendien , bij ge- 
deelten en voor zoover zij niet tegen de hoogere gronden 
in de duinstreken aansloten , door kaden insluiten 
om hen te kunnen drooghouden. 

De veenpolders , op de boven beschreven wijze gevormd, 
liggen dus door het inklinken zoo laag , dat zij slechts 
kunstmatig kunnen afwateron , dat wil zeggen ; het water 



j 



90 



dat er in neervalt, kan er slechts uit worden venvijderd 
door het door kunstmiddelen omhoog te brengen. De 
raeesten liggen ongeveer — 1,5 AP. ; zij liggen hooger, 
van O tot —1 AP. in de nabijheid der hoogere duinstre- 
ken. De diepste liggen ruim — 2 AP. De oudere lage venen, 
niet uit de voormalige binnenzee bezonken , nl. die van de 
Krünpener- , Lopikker- en Alblasserwaarden , ten deele met 
rivierklei bedekt en ook geheel tot polders gemaakt, liggen 
in 't algemeen iets hooger, van -0,5 tot —1,2 AP. 

In de omstreken van Delft voornamelijk t. O. van die 
stad en t. N. van Schiedam ligt een vrij groote uitgestrekt- 
heid klei aan de oppervlakte , misschien daar gekomen , 
omdat het oude Hollandsche binnenmeer bij Rotterdam 
waarschijnlyk met de zee in aanraking was(*), zooalso.a, 
is op te maken uit de afwisselende lagen veen en zeeklei 
in de nabijheid dier stad. (**) Deze landen behooren tot de diep- 
ste polders van Holland, zij liggen gemiddeld — 2 AP.- 

In vele polders van het laagveen der Hollandsche bin- 
nenzee is men voor en na het veen geheel gaan weggra- 
ven: men heeft die polders verveend. Wel kan de 
niensch en zijn vee de venen in uitstekende wei- en 
bouwlanden herscheppen, getuige onze beroemde Holland- 
sche weiden; maar dit was voor de oude bewoners een 
quaestie van tijd en zij waren soms meer op dadelijk voor- 
deel bedacht. De 2.5 è, 4 M. dikke veenlaag toch verte- 
genwoordigde een groote waarde aan turf als brandstof. 
Alzoo veranderden sommige polders in diepe plassen en 
bleven plassen. Deze soort van verveningen heeten plas- 

(•) Zie Staring. 

(**) Is deze verklaring Juist, dan moet die klei zeeklei zQn, ten minst« uit 
brak water z^n ontstaan, evonaU de klelbodem der hierna te vermelden droog- 
maker^en ; op sommige kaarten (Zie b.v. Bos' Schoolatlas) is z^ dan ook als 
zeeklei aangegeven. Staring zegt echter in z^jn „Voormaal en Thans", bl. 120, 
dat het klei is, tp dezelfde w^jze ontstaan als die langs de oevers van Ouden 
Ryn , Holl. IJsel , enz. dus r»oi«rklei ; als zoodanig komt zy ook voor op 
Kaart 7 van Staring*» „Natuurkunde en Volksviyt van Nederland." Van welke 
ilvier moet dan echter die klei gekomen z^n? En waarom ligt zy dan niet 
in den vorm van een betr. smalle , aaneengesloten strook , zooals alle rivier- 
kleibezinkingon ? 



91 



venreningen , daar op de eigenaars niet de verplichting 
rustte om de ontstane plassen droog te maken. 

Gelukkig wordt deze wijze van vervenen sinds lang niet 
meer toegestaan en men vindt dan ook betr. weinig plas- 
verveningen. Men heeft nl. begrepen dat het voorbUgaande 
voordeel, het tmfmaken, gevolgd kan worden door een 
nog veel grooter voordeel van blijvenden aard. Als men 
nl. den ontstanen plas droogmaakt , komt de bodem van 
de voormalige binnenzee , waarop het uitgenomen veen 
rustte, bloot, bestaande uit vette zeeklei. Reeds gedu- 
rende geruimen tijd zijn daarom nimmer meer verveningen 
vergund dan onder voorwaarde van het droogmaken van 
den plas na vervening. Tegenwoordig moet om de kosten 
daarvan te bestrijden een fonds (slikfonds) worden bij- 
eengebracht uit de opbrengsten dei' turf, zonder hetwelk 
de vergunning tot vervening niet verleend wordt en boven- 
dien een waarborgfonds voor behoorlijke vervening, 
omdyking , op peil malen , enz. gedurende den tijd dat het 
land langzamerhand in water verandert. Na droogmaking 
worden alle lasten door eigenaars betaald en het waarborg- 
fonds wordt terug gegeven. — 

Niet alleen op deze wüze ontstaan de droogmakerijen. 
Er bestaan nl. plassen of meren , zooals weleer de Haar- 
lemmermeer, de Zuidpias en de groote menigte meren in 
Noord-Holland, t. N. van het voormahge IJ, als de Purmer, 
de Wormer , de Schermer , de Beemster , enz. , waaruit 
het veen door de werking van het water bij stormen , enz. 
in den loop der eeuwen geheel ofgedeeltelijk is weggeslagen. 

Dit is nl. mogelijk bij die meren welke met ander water 
in verbinding staan , zoodat het losgeslagen veen er uit 
wordt weggevoerd; de oevers van geheel afgesloten meren 
kunnen wel aan eene zijde wegslaan (meestal aan oost- 
en noordzüde) , doch nemen aan de tegenovergestelde zijde 
weer toe : Zij worden dus niet grooter doch alleen verplaatst 
of wel zij nemen toe in oppervlakte doch worden ondieper, 
zoodat zij dan soms geheel verdwijnen. Ook kunnen deze 
plassen ontstaan zijn uit de plasverveningen in oude tyden. 



92 



Hebben deze meren een goeden ondergrond , en dit is 
binnen de grenzen der voormalige binnenzee in 't algemeen 
steeds het geval , dan worden zij zoowel als de oude plas- 
verveningen eveneens drooggemaakt, dus niet om de winst 
van de turf, maar alleen om den te verkrijgen grond 
en soms ook omdat groote plassen voor aanliggende 
landen gevaarlijk bunnen zijn, zooals o. a. met de Haar- 
lemmermeer meer en meer het geval werd. Het verschijnsel 
van opwaaiing nl., waarover wij vroeger bij de beschouwing 
der zee spraken , kan bij hevige winden bij uitgestrekte 
plassen zeer sterk zijn en groote gevaren meebrengen. Zoo 
liep de Haarlemmermeer in Nov. 1836 door opwaaing zoo- 
ver buiten hare oevers dat zij Amsterdam met groot ge- 
vaar bedreigde en in het laatst van December van hetzelfde 
jaar liep zij aan den anderen kant over en zette 8000 H.A. 
en een gedeelte der stad Leiden onder water. In Noord- 
Holland t. N.v.h. voormalige IJ komt deze soort 
van droogmakerijen bijna uitsluitend voor. Eerst 
in de laatste jaren is men daar begonnen eenige polders 
kunstmatig te vervenen. — De bodem der droogmakerijen 
bestaat wel in 't algemeen uit een 1 è, 2 M. dikke laag 
zeeklei , doch op sommige plaatsen is die laag soms zeer 
dun en ook vindt men er wel eens groote plekken in waar 
het zand, de oorspronkelijke bodem der binnenzee waarop 
de klei rust , aan de oppervlakte bloot ligt (Wormer- , 
Haarlemmermeer). 

De meeste van het groote aantal drooggemaakte kleine 
meren in N. H. evenwel hebben nog een veenbodem en 
zijn dan ook zeer ondiep in vergelijking met de grootere 
en die in Zuid-Holland waar de zeeklei den bodem vormt. — 

Er komen ook nog voor zoogenaamde verveningen 
in het drooge, dat zijn verveningen van stukken die 
in een uitgeveenden plas zijn blijven staan , van eilanden 
in een meer of plas of van stukken land die mede door 
den omringdijk der droogmakerij zijn omsloten, en die eerst 
tot turf gemaakt worden nadat de plas is drooggelegd. — 

Droogmakerij en zijn drooggelegde door de na- 



93 



tuur of door den mensch uitgeveende polders, 
diepe bakken dus, in 'talgemeen ni(*t hun 
bodem liggende op —3,75 tot —5,5 A. P. — De 
droogmakerijen ontstaande uit vervening met verplichte 
droogmaking worden ook wel veeninakerijen genoemd. 

Na de droogmaking klinkt de grond der droogmakerijen 
ook nog in , vooral als er nog wat fijn veen , zoogenaamde 
meermolm op den bodem Kgt. 

Een droogmakerij is dus altijd een polder, een polder 
niet altijd een droogmakerij. 

Als men de Tienhovensche droogmakerij, een drooggelegde 
veenplas ten oosten van de Vecht, en droogmakerijen in 
Friesland niet mederekent komen droogmakerijen uitsluitend 
voor in Noord- en Zuid-Holland binnen de grenzen der 
voormalige binnenzee. 

In dit deel des lands kunnen dus niet polders 
voorkomen, liggende met hun bodem tusschen 
2 en 3,75 ~ A.P. 

Hierop gelden twee uitzonderingen : Ten eerste liggen 
de droogmakerijen in Noord-Holland t. N. van het voor- 
mahge IJ en t. W. van Waterland , van Drechterland en 
t. Z. der hierna te noemen bedijkingen, slechts 1 è, 3 M. 
beneden A.P. Want wij vinden hier drooggemaakte plas- 
sen waaruit het veen niet geheel was weggeslagen of 
welker bodem , uit zand of geestgrond bestaande , de bo- 
dem is van de voormalige binnenzee, die hier tegen de 
hooge duinstreek te niet liep. 

Eene andere uitzondering maken de polders van het nog 
niet lang* geleden drooggemaakte IJ. De zee heeft gelegen- 
heid gehad in dezen zeeboezem haar klei te doen bezinken 
tot op onze dagen , en de bodem ligt alzoo op —0,8 AP. 
tot —3 AP., het hoogst in de voormalige Wijkermeer, het 
diepst bij Amsterdam. 

De diepste droogmakerijen liggen in Zuid-Holland en Am- 
stelland. De laagste onder deze zijn de Prins- Alexanderpolder 
en de Zuidplaspolder in Schieland , 5 k 5,75 M. beneden 
AP. en de Mijdrechtsche droogmakerijen in Utrecht (5 ^ 



94 



5,5 M. - AP.), in Noord-Holland nl. in Waterland, 
Westfriesland en een ded van Kennemerland , zijn zij met 
den bodem — 3,25 è, — 4 AP. gelegen. — 

Beschouwen wij de Kaart (Kaart III) aandachtig, dan zien 
wij ten N. en ten Z. van den Ouden Rijn twee groote stukken 
lands , door een tint donkerder dan die van het overige land 
aangegeven en bovendien door de inschrijving: D^\ Zy stellen 
een aaneenschakeling van droogmakerijen voor, bovendien zijn 
er in Zuid-Holland t. Z. van het voormalige IJ nog enkele 
afzonderlijk gelegen droogmakeryen in Delfland , Rijnland 
en Amstelland. Wij merken dan op dat een strook t. N. 
en t. Z. , de oevers van den Rijn over één uur of meer 
breedte volgende, geen droogmakerijen bevat. Natuurlijk! 
Hier is het veen met rivierklei bedekt en het zou dus 
dwaasheid geweest zijn om deze met het daaronder lig- 
gende veen weg te graven , alleen om aan een ander soort 
van klei , de zeeklei , te komen. — In de Krimpener- en 
Alblasserwaarden zijn geen droogmakerijen — dit kan ook 
weer niet verwonderen : de venen zijn ten deele met rivier 
klei bedekt, die echter hier en daar slechts dun en schraal 
is; maar bovendien rusten zij niet op den kleibodem van 
het oude meer: als men het veen wegneemt komt men 
op zand en riviergrint. Zand en de nog achtergebleven meer- 
molm zijn echter nog wel voor cultuur geschikt te maken. In 
den Krimpenerwaard hebben dan ook groote verveningen 
plaats , die in het eind dezer eeuw drooggemaakt moeten zijn. 
Ook in het Friesch-Overijselsche laagveen komen eenige 
droogmakerijen voor, waarvan 6 voormalige meren zijn. 

De oudste droogmakerij in Zuid-Holland is de Zoetermeer- 
sche-meerpolder , die in 1614 werd drooggelegd. Verreweg 
de meeste droogmakerijen hier, dagteekenen uit de 18e en 
en 19e eeuw. 

In Noord-Holland vindt men de oudste, nl. van het 
midden der 16e eeuw , terwijl daar de meeste belangrijke 
droogmakerijen tot stand kwamen tijdens de opkomst der 
Republiek van 1610-1650: de Beemster in 1612, de Pur- 
mer in 1622 , de Heer Hugowaard in 1625 , de Wormer 



95 



in 1637 , de Schermer in 1685 , enz. — In Friesland is de 
oudste droogmakerij, het Warregastermeer , van 1683; de 
andere zijn van het laatst der vorige en van deze eeuw. 

Sommige droogmakerijen zijn soms weer ondergeloopen 
en op nieuw drooggemaakt , zooals o. a. de Wormer in 
1825 — '26, enkele meer dan eens, zooals de Bijlmermeer. 
De Naaxdermeer is in 1629 bij den inval der Keizerlijken, 
voor de verdediging des lands onder water gezet, doch 
later niet weer drooggemaakt. 

Wat al spoedig onze weetgierigheid prikkelt is de ge- 
dachte : Hoe maakte men die plassen droog ; met welke 
middelen; waarheen gaat al hun water? Wij zullen dit 
beter kunnen inzien, als wij eerst eens nagegaan hebben 
welke de gewone wijze is waarop de polders hun water 
loozen. Wij stippen nu slechts aan : Vóór het droog- 
maken moet de plas natuurlijk van het omringende land 
en water worden afgescheiden. Dit geschiedt óf door het 
leggen van een r i n g d ij k om den geheelen plas óf door 
het gebruik maken van bestaande hooge wegen en kaden 
na verbetering en ophooging óf wel gedeeltelijk door 
het eene middel en gedeeltelijk door het andere. De grond 
voor den ringdijk moet soms gedeeltelijk van elders worden 
aangebracht, doch wordt meestal hoofdzakelijk verkregen 
uit een ringvaart, aan de buitenzijde langs den dijk 
loopende en dienende als communicatiemiddel in plaats van 
de afgebroken gemeenschap over den plas en om bij het 
droogmaken en verder drooghouden het omhooggebrachte 
water te ontvangen. Soms wordt dit in eens op andere 
l)estaande wateren gebracht en langs en uit deze in de 
open rivier of in de zee. Bij de droogmaking z^n boven- 
dien dikwijls nog vele zwarigheden te overwinnen, die 
echter meestal van technischen aard zijn. Wij wijzen hier 
o. a. op de omstandigheid, dat gebouwen op gronden inde 
onmiddelijke nabijheid van den plas of op eilanden daarin 
gelegen gevaar loopen van in te storten , als de bodem 
waarop zij drukken den tegendruk van het water mist na 



96 



do (Iroogmaking ; voorafgaande voorzieningen daarentegen 
of schadevergoedingen zijn daarom noodig. Voorts op ile 
noodzakelijkheid om , indien de plas mede tot waterberging 
van polderlanden, enz. dient, op eene andere wijze tegemoet 
te komen in de vermindering van gelegenheid tot water 
loozing, enz. Ook moet soms rekening gehouden worden 
met het kwelwater , dat , bij zandachtige geaardheid der 
gronden onder den ringdijk , onder deze door kwelt en in 
den drooggemaakten polder komt , enz. , enz. 

Het droogmaken geschiedde vroeger met watermolens 
door wind gedreven , tegenwoordig echter vrij wat spoe- 
diger door uitmalen met stoomwerktuigen. Die werktuigen 
dienen meestal tevens om later den polder droog te }ioude)i. 

Zoodra de grond boven begint te komen wordt een begin 
gemaakt met het verkavelen van den polder, dat wil 
zeggen, het graven of baggeren der noodige tochten en 
slooten , die den polder in deelen (kavels) spUtsen. Die 
tochten , enz. dienen om het water dat in de polder valt 
gemakkelijk naar de hierna te bespreken bemalingswerk- 
tuigen te leiden , die aan den omtrek staan en die het 
polderwater op een bepaald peil beneden het terrein moeten 
houden. Op de molens loopen meestal 8 è. 12 M. breede 
molentochten aan ; hierin komt het water door 6 a 
8 M. breede , onderUng evenwijdige tochtslooten; 
dwars hierop loopen de 3,5 êi 5 M. breede kavelslooten 
op afstanden van een 100 k 200 M. die met de tocht- 
slooten de kavels bepalen , daartusschen en evenwijdig er 
aan de 3 è, 4 M. breede scheislooten of heinslooten 
die de kavels in 3 è. 4 perceelen verdeelen en eindehjk 
daartusschen en er aan evenwijdig de 1 M. breede grup- 
pen ter bevordering van het uitzakken van het water, 
zij deelen de perceelen in akkers. De oppervlakte der 
gezamenlijke slooten moet ^Uo ^ Vu van den geheelen polder 
beslaan. De eerste, meestal zeer overvloedige oogst 
(gewoonlijk van koolzaad) wordt verkregen, door het welig 
opgeslagen onkruid plat te knikken , dit te overdekken 



97 



met de specie uit de slooten en deze dan te bezaaien. 
Deze handelwijze om den eersten bouwgrond te verkrijgen 
noemt men zwart maken. — 

Wij moeten nu nog met een soort van polders kennis 
maken , op een geheel andere wijze ontstaan. Zooals 
wij vroeger zagen zijn de Zuid-HoUandsche evenals de 
Zeeuwsche eilanden gevormd uit zeeklei, langzamerhand 
bezonken tot de hoogte van den vloed in de zeer wijde 
monden of rivierboezems (bl. 72), Zoo ontstonden ook door 
bezinking uit zee, de kleigronden van Zeeuwsch- Vlaanderen en 
in Noord-Brabant die van Geertruidenberg tot Bergen-op- 
Zoom. In Noord-Holland vormen die gronden Drechterland als 
oudste kern en in het noorden den Anna-Paulowna-polder, 
den Wieringerwaard en een deel van de Zijpe en het Koegras, 
enz. ; die polders echter , vooral de beide laatstgenoemde , 
kunnen wat hun waarde betreft niet in vergeiyking ko- 
men met de zware klei der Zeeuwsche eilanden , want 
zooals wij reeds vroeger verklaarden , is het geringe ver- 
schil der getijen in de Zuiderzee oorzaak, dat slechts een 
zeer dunne laag of hier en daar niets is bezonken en in dit 
laatste geval zand alzoo den bodem vormt. Voorts bezonken 
uit zeeklei de kleigronden van Texel, Wieringen en de breede 
strook van Friesland en Groningen langs de Zuiderzee , 
Wadden en DoUard , alwaar evenals in Zeeland en Noord- 
Brabant in onze dagen nog telkens nieuwe gronden aan de 
zee worden ontnomen , waarbij men dan het achterblijven 
der klei bij de ebbe wat bespoedigt door kunstmiddelen. 
Dit doet men in Zeeland b.v. door zoogenaamde si ik van- 
gers, d. z. kleine kaden van 20 k 30 c.M. hoogte, op 
afstanden van 20 k 30 M. rechthoekig uit den oever op 
de in te dijken sUkken gelegd , een weinig naar buiten af- 
bellende. Iets binnen hun uiteinden worden zij vereenigd 
door een zoogenaamden pla^sberm, dat is een laag rijs- 
hout , goed aan den bodem bevestigd , die bij eb het 
iJezonken slib tegenhoudt doch het wegzakkend water 
doorlaat. In Friesland bevordert men het ophoogen ihr 



98 



zoogenaamde kwelders door rechthoekig uit den oever 
gruppen van een 60 cM. diepte en 1,5 M. bo venbreedte te 
graven , ter lengte van een 300 M. en op een 5 M. vaneen. 
Met den daaruit voortkomenden grond worden de tusschen- 
ruimten (akkers) opgehoogd. Als nu de gruppen, dienaar 
voren wat ondieper bijloopen om het laatste met klei be- 
zwangerde ebwater op te houden , weer gevuld zijn — wat 
gewoonlijk reeds na een paar jaar het geval is — dan 
graaft men deze op nieuw uit en spreidt den uitkomenden 
grond op de akkers. Heeft de schor (in Zeeland aldus 
genoemd) of kwelder de hoogte van den vloed bereikt 
of ook wel reeds vóór dien tijd — wat echter met het 
oog op de dikte der kleilaag en het later inklinken en 
drooghouden niet schijnt aan te raden te zijn — dan sluit 
men dien als het eb is van de zee af, door een kleine 
kade , die langzamerhand tot een groeten dijk wordt 
opgewerkt , welke 3 è, 4 M. boven volzee reikt al naar 
de plaatselijke omstandigheden en waartoe de specie ver- 
strekt wordt uit de ingedijkte slikken. Als men van de 
uit zee bezonken gronden de alleroudste uitzondert, zooaLs 
Drechterland en die in Friesland en Groningen waar terpen 
en wierden een bewoning reeds in zeer oude tijden aan- 
duiden, dan blijven nog een 350,000 H.A. zeeklei over 
die wij op de zee hebben veroverd. 

Omringt men deze Weilanden slechts met betrekkelijk 
lage kaden , zooals thans nog in den Biesbosch geschiedt , 
dan kan men ze niet bewonen en er slechts op sommige 
tijden des jaars zaaien en oogsten, terwijl zij gedurende den 
anderen tijd onder het water bedolven geraken — waardoor 
zij nog in hoogte en vruchtbaarheid toenemen. 

Al deze kleilanden zijn dus ook polders , soms wel , ter 
onderscheiding der andere , zeepolders en meer algemeen 
nog bedijkingen genaamd. 

Hydrografisch is er tusschen zeepolders en andere polders 
in het algemeen geen verschil; de eerste werpen evenwel 
het water dat zij willen loozen dikwijls rechtstreeks op de 
jsee of op de hoofdrivieren uit , wat bij de laatste meesttil 



09 



niet het geval is, zooals wij hierna zien zullen. De meeste 
der zeekleipoldersloozen echter hun wa- 
ter langs natuurlijken weg en in dit opzicht 
verschillen zij van bijna alle niet-zeepolders , welker water 
omhoog gebracht moet worden op kunstmatige wijze. De 
jongere zeepolders nl. , evenals die welke nog dagelijks 
aangewonnen worden , liggen zoo hoog dat zij bij L. W. 
(eb) natuurlijk kunnen afwateren , daar zij zelve meestal 
boven of ter hoogte van den vloed ofniet veel lager liggen. 
De oudere zijn echter aanmerkelijk ineengeklonken , even- 
als de veenpolders , zelfs tot — 2 A. P. ; dat inklinken 
is ook oorzaak dat sommige zeer jonge polders , als deze 
gevormd zijn in zeeén waarin niet zeer hooge vloeden voor- 
komen, reeds dadelijk na hun ontstaan stoom, enz. noodig 
hebben om hun water omhoog te brengen. De gezakte 
zeepolders verkeeren dus ten opzichte van het drooghouden 
in dit opzicht in dezelfde omstandigheden als de veen- en 
rivierkleipolders. — 

Atmosferische neerslag en verdamping. - Wa- 
terbezwaar en watergebrek in polders. 

De eerste vraag die zich al dadelijk voordoet bij een 
meer dan oppervlakkige beschouwing van polderland is : 
hoe zorgt men dat al het water dat neerslaat in die landen , 
waarvan sommige terecht diepe bakken kunnen genoemd 
worden , er weer uitkomt en zelfs dat het op sommige 
tijden , als bebouwing of beweiding zulks noodig maken , 
op een bepaalde diepte beneden het terrein blijft? Alvo- 
rens het antwoord hierop na te gaan, zal het goed zijn 
dat wij de soort en de hoevhjelheid van het water kennen, 
waarmede wij hier te doen hebben. 

Men heeft hier altijd uitsluitend te doen met 
water dat op de polders zelven neervalt, niet 
met water dat van boven langs kleine rivieren toestroomt 
of met overstroomingswater van groote rivieren. Ook 
moet soms gerekend worden op een belangrijke hoeveelheid 
kwelwater, dat is het water dat, wegens de grint- of 

7* 



100 



zandachtige geaarheid der gronden waarop de dijken en 
kaden rusten, onder door deze heen kwelt , zooals o. a. in 
de Haarlemmermeer tijdens de droogmaking, doch ook 
nog later , zeer sterk het geval was. Wij hebben hier 
dus in hoofdzaak slechts te letten op locale regens en locale 
verdamping, omstandigheden 'die oorzaak kunnen zijn, dat 
bij een zeer lagen stand der hoofdrivieren en ook der kleine 
rivieren elaers, gedeelten van Holland en Utrecht drij- 
vende zijn , d. i. gelyk met of onder water. 

Want wel is er gemiddeld over een geheel jaar gerekend 
dikwijls evenwicht tusschen regen en verdamping, ja over- 
treft deze laatste soms den eerste , maar op sommige tijden 
des jaars is de regenval veel grooter dan de verdamping 
en dan worden de polders zooals men dat noemt met 
water bezwaard. Er kan nL 15 k 20 m-M. regen 
per dag vallen, doch er is slechts hoogstens 5 a 6 m.M. 
verdamping per dag mogelijk. 

Veel omtrent onze kennis van de hoeveelheden gevallen 
regen en verdamping zijn wij verschuldigd aan de waar- 
nemingen op den huize Zwanenburg bij Amsterdam 
reeds sinds 1748 gedaan. Hieronder volgt een staat der 
gemiddelden över-99 jaren. 





Gevallen 


Verdam- 


Verschil 


Maanden. 


regen 
in mM. 


ping 
in mM. 


Heer regen 
in mM. 


Meer verd. 
in mM. 


Januari . . . 


37,82 


&2a. 


29,54 




Februari 






37,10 


14,49 


22,61 




Maart 






36,21 


34,79 


1,42 




April . 






"37,71 


60,60 




22,89 


Mei . . 






39,61 


82,91 




43,30 


Juni . 






53,04 


94,92.. 




41,88 


JuU . . 






68,36 


94,89 




26,53 


Augustus 




75,41 


82,47 




7,06 


September 




71,68 


54,89 


16,79 




October . . 
November . 




7m. 


31,59 
17,92 


47,04 
52,25 




December . 




51,47 


18,32 


38,15 




Totaal . 


657,21 


591,07 


207,80 


141,66 



101 



Hieruit blijkt dat in de maanden April , Mei , Juni, 'Juli 
en Augustus de verdamping den gevallen regen doorgaans 
overtreft. In de overige maanden valt gemiddeld 208 mM. 
meer regen dan er verdampt en het is dit water dat vóór 
April, dus tegen den bouw- en weitijd, moet geloosd wor- 
den; hierbij moet men echter de middelen ter loozing niet 
naar dat gemiddelde cijfer inrichten maar naar het hoogste 
dat kan voorkomen en dat voor die maanden soms tot 
281 mM. heeft bedragen. In September 1872 viel \ in 
Rijnland in 10 dagen 146 mM. meer regen dan er ver- 
dampte en in October 1844 gebeurde het eens dat dit ver- 
schil in één etmaal 19,6 mM. bedroeg. Men moet wel zich 
richten naar bovenstaande algemecne gevolgtrekkingen , 
doch niet te veel aan enkele cijfers, vooral niet aan die 
der verdamping, hangen. De waarnemingen van deze laat- 
ste toch verschillen soms veel voor verschillende plaatsen, 
wat een gevolg der ligging kan zijn ; ook worden bij de 
gegevens omtrent regenval opslurping van den bodem , 
sneeuw en hagel nu eens wel dan weder niet in aanmer- 
king genomen. 

Om zich nu eenigszins duidelijk te kunnen voorstellen , 
wat in polderland regenval kan beteekenen , bepale men 
zich eens tot het geval dat de regen de verdamping per 
etmaal met 1 mM. , dat. is dus niet bijzonder veel, over- 
treft. Eén mM. hoog op het land geeft een waterlastvan 
10 M' per hectare p. etmaal , dus van 10,000 M' per 1000 
HA. p. e. of 7 M* op die oppervlakte per minuut. Daar 
nu één paardekracht van een stoomwerktuig de ki'acht is 
die 75 KG. per seconde of 4,5 M' water per min. 1 M. 
hoog kan opvoeren , zoo is dus in dit geval y^r» paarde- 
kracht per 1000 HA. per M. opvoerhoogte noodig om het 
water in den polder op het bepaald peil te houden d. i. 
geen waterbesswaar te hebben. Bedraagt nu de regen- 
val niet 1 maar 10 mM. p. e. meer dan de verdamping, 
dan is natuurlijk het noodige aantal paardekrachten ook 
10 maal zoo groot , dus = 15,5. De sterkste stoombe- 
maling in de Haarlemmermeer bedraagt slechts 10,5 en 



102 



werd in het plan tot droogmaking der Zuiderzee op 12 
paardekrachten per 1000 HA. gesteld. Er kan dus dan 
nog waterbezwaar voorkomen , doch zelden , en het is ook 
niet noodig , dat wat in één etmaal valt ook in één etmaal 
wordt weggemalen. 

Polderland zuigt in de meest gunstige omstandigheden 
slechts 5 cM. water o p vóór het verzadigd is en om nu 
eens na te gaan wat dus van zulk land meer moet afge- 
voerd worden dan van andere , niet gepolderde terreinen 
met hellenden bodem , gaan wij eens even tot bovenstaande 
berekening terug. — 10 mM. meer regenval dan verdam- 
ping p. etmaal is 100 M* per HA. p. e. of 1 M* per Vioo 
HA. p. e. of 1 M' per 864 HA. per sec. — Nu voert de 
onverdeelde Rijn bij zijn allerhoogste standen 10000 a 12000 
M* per sec. af van een stroomgebied van 20 millioen HA., 
dat is 1 M* van 2000 HA. , dat is dus slechts ruim V* ge- 
deelte van den afvoer die bij polderland noodig kan wezen! 
Bij zeer hooge standen van 2,5 M. boven M.R. zou de af- 
voer van het stroomgebied van den Rijn nauw Vi van 
dien van polderland bedragen ! — 

Als de verdamping den regenval overtreft, dan kan er 
watergebrek in polders komen. Men moet dan water 
inlaten. Dit kwam o. a. in zeer sterke mate voor in 
den warmen drogen zomer van 1868. Te Utrecht waren 
toen in 5 maanden 577 m.M. meer verdamping dan regen 
en in Rijnland slechts 226 mM. (waaruit blijkt hoe deze 
verschillen kan naar de streek). Toen werden o. a. in de 
Haarlemmermeer 15,8 millioen M* water ingelaten. — 

Waterloozing. 

Hoe nu al dat water uit de polders te krijgen ? Dit 
moet bij de meeste wegens hun diepe ligging k u n s t- 
matig geschieden en daartoe moet bij vele het over- 
tollige water tot een groote hoogte worden opgebracht, 
daar immers de groote rivieren of de zee, waarin het toch 



103 



eindelijk terecht moet komen , bij gewone standen nog 5 
a 6 M. hooger liggen dan het water in vele polders (nl. 
in de meeste droogmakerijen). 

De zee of de open rivieren , waarop ten slotte alle polder- 
water wordt geloosd, noemt men in 't algemeen het 
buitenwater. 

Dit buitenwater is dus voor onsj polderland , behalve 
(lat in Friesland, Groningen en Overijsel: de groote ri- 
vieren te beginnen bij Araeide op de Lek, bij Her- 
wijnen aan de Waal en bij Mook aan de Maas , voorts 
de HoUandsche IJsel beneden de sluis in den dam even 
boven Gouda — daar de IJsel hoogerop afgesloten en 
stilstaand is (gekanaliseerd); verder de Noordzee en de 
Zuiderzee. 

AUe andere water in Zuid- en Noord-Holland en Utrecht 
t. W. van de Vecht en den Vaartschen Rijn is afge- 
sloten en stilstaand en heet het binnenwater. 

De hoogte van het buitenwater is dus te vinden in de 
tiibellen van de rivier- en zeestanden (bl. 28 en 60), waarbij wel 
acht te geven is op het verschil bij eb en vloed; wat de zee- 
standen betreft, herinneren wij dat de gewone vloedhoogte 
van den Hoek van Holland tot den Helder van + 1,10 tot + 
0,2 A. P. daalt, doch bij buitengewone stormvloeden tot 3,5 
bij Katwijk kan stijgen. Op de geheele Noordzee zijn slechts 
2 punten van waterloozing : bij Katwijk en IJmuiden. Op- 
merking verdient dat de gewone ebben hier veel lager 
dalen (—0,7 tot —0,8 A. P.) dan op de Zuiderzee bij Dur- 
gerdam (—0,3 A. P.) Wij zullen hierna bij de vermel- 
ding van de punten van loozing op het buitenwater de- 
standen van dit laatste, opgeven. Die standen kunnen 
oorzaak zijn dat een loozen van het binnenwater op het 
buitenwater niet mogelijk is : bij riatmcrlijke loozing kan 
dit nl. slechts bij eb het geval zijn ; waar stoomtuigen 
helpen , gelijk dit op alle belangrijke punten van loozing 
het geval is , is dit echter ook bij gewone vloedstanden 
mogelijk, zoodat dan alloen buitengewone vloedstanden 
de loozing kumien beletten. — 



104 



Het binnenwater, in de polders en droogmakerijen neer- 
geslagen, zakt door het land tot op de diepte alwaar de 
grond met water verzadigd is en vloeit dan zijwaarts uit 
in da gruppels, slooten en tochten die den polder door- 
snijden , en die daarin in groeten getale moeten aan 
wezig (Vio i ^/|8 van de oppervlakte der polders) om 
het water tijdelijk te bergen. In die slooten, enz. 
moet het polderwater bij weiland 30 k 50 c.M. 
onder de oppervlakte van het terrein (het maai- 
veld) en bij bouwland 50 c.M. è, 1 M. daaronder 
worden gehouden , opdat de wortels der- gewassen niet 
voortdurend in het nat komen , maar toch voldoende voch- 
tigheid viitden. Vooral tegen het voorjaar moet dus ge- 
streefd worden om dit peil te verkrijgen en daarna te be- 
houden. Dit peil heet het zomerpeil (Z. P.) der polders ; 
het is voor eiken polder verschillend, naarmate van de 
hoogte van het maaiveld en het gebruik der gi-onden 
en is voor de meeste polders officieel vastgesteld, bij 
vele door hot Dagelijksch Bestuur dat bijna elke polder 
heeft. Men kan dus uit de aangegeven zomerpeilen 
op een kaart b. v. , zooals o. a. bijna uitsluitend op de 
Waterstaatskaart voorkomen , opmaken hoe hoog het maai- 
veld ligt , als men eerst heeft onderzocht of men met 
bouwland of weiland te doen heeft. (*) 

In vele polders bestaat ook een winterpeil , dat lager 
is dan het zomerpeil, omdat 's winters binnen we.inige 
dagen groote was van water kan ontstaan (in sommige 
polders gelijk met den bodem der slooten), 

Begint het water inde slooten, enz., boven de ge wenschte 
peilen te stijgen, dan wordt, bij polders die niet natuurlijk 
kunnen loozen , het water op hierna te beschrijven wijzen 



(•) Zoowol op do schoolkaart getookcnd door Schiorboek on uitgegeven bö 
Wolters te Groningen als in do nieuwste uitgaven van do 2 meest gobruike- 
l\jke aardrtJkskundige schoolboeken-, wordt vermeld dat de bodents van den 
Zujdplaspoldor bU Gouda op -5,61 A. P., van do Nieuwkoopsche Droogmakenj 
— 5,8 A. P., enz. liggen. Men heeft hier do zomerpeilen van het polderwaU^T voor 
dobcogte van de bodems gegeven. Deze laatste liggen nHnsivtts 50 c.M. hooger. 



105 



óf in eens op het buitenwater omhoog gebracht (uitge- 
slagen) óf, wat veel meer het geval is, daar niet alle 
landen dicht bij het buiten water liggQn , voorloopig opge- 
malen in een hooger liggend, geheel afgesloten, dus 
stilstaand water. Dit bestaat uit expresselijk daartoe ge- 
gi'aven vaarten, ringvaarten om sommige polders, 
zooals meestal by droogmakerijen het geval is , en uit ge- 
gmven scheepvaartkanalen , en uit voormalige rivieren , 
zooals den Ouden Rijn, den Amstel, de Gouwe, de Vecht, 
enz. , die zooals wij reeds opmerkten juist wegens dit ge- 
bruik dat men er van maakt geen rivieren meer zijn, en 
uit meren en plassen , enz. 

Meestal brengen meer dan één, dikwijls een zeer groot 
aantal polders hun water omhoog in zoo'n samenstel — 
ora het zoo eens te noemen — van hoog gelegen wateren, 
waarin het water op hetzelfde peil staat of die , zooals 
men dat noemt, gemeen liggen. 

Het ten opzichte der polders hoog gelegen , geheel afge- 
sloten stilstaand water , waarop het polderwater wordt 
uitgeslagen en voorloopig . geborgen kan worden heet 
boezem. 

In groote boezems bestaat soms eenig verhang, als o. a. 
in den Vechtboezem, is den Gek. HollandschenIJsel,enz.; 
(Ut is voornamelijk het geval als die boezems aan het eene 
einde , uit andere boezems , stroomende wateren , enz. , 
groeten watertoevoer hebben , terwijl aan het andere einde 
veel geloosd wordt. Er wordt dan bij het openen van 
ontvang- en uitwateringsluizen stroom gemaakt. 

Alle landen die hun water op dien boezem brengen be- 
hooren tot dien boezem. Men zegt b.v, die of die 
landen behooren tot Amstellandsboezem , tot den Rotte- 
boezem, enz. en men zou die landen dus kunnen noemen 
het gd>ied van den boezem , daar zij voor dezen zijn wat 
het stroomgebied is voor eene rivier. Uit Kaart III 
blijkt , dat de polders , vooral die in Utrecht , tot een 
groot aantal verschillende boezems behooren , doch tey.eiis , 
dat vele landen geen boezems hebben doch rechtstreeks 



106 



hun water op de zee of op de rivieren uitslaan (geel ge- 
kleurd). Dit is o. a. veel het geval op de Zuid-Hollandsche 
eilanden, terwyl zulks op de Zeeuwsche eilanden uitslui- 
tend plaats heeft. Ook zien wij dat sommige boezems zeer 
groot zijn en dan ook voor een groot aantal polders dienen, 
zooals Rijnlandsboezem (groen) , die o. a. bestaat uit : het 
deel van den Ouden Rijn van de sluis te Bodegraven tot de 
Noordzee , de Vliet , de Haarlemsch-Leidsche trekvaart , 
het deel der Haarlemmertrekvaart tusschen Hajarlem en 
Halfweg, de ringvaart van den Haarlemmjermeerpolder , 
de Warmonderlee, het JSTorremeer, de Dieperpoel, de Does, 
de Zijl , het Braassemermeer , de Aar , de Gouwe en nog 
een menigte andere wateren die met de genoemde gemeen 
liggen. Door de vele vertakkingen , als het ware , van 
den boezem is het mogelijk , dat al de verschillende pol- 
ders die er toe behooren en die in 't algemeen alle ver- 
schillende peilen hebben, zelfstandig hun overtollig water 
op den boezem kunnen brengen. 

Sommige polders slaan niet rechtstreeks op den boezem 
hun water uit , maar brengen dit , dikwijls langs natuur- 
lijken weg, op het water van een anderen polder, waarmede 
het dan samen in den boezem wordt gebracht. 

Wij zeiden boven dat op boezems moet geloosd worden, 
door de vele 'landen die niet onmiddelijk aan of dicht bij 
het buitenwater liggen ; daaruit moet echter niet afgeleid 
worden dat de landen die wel aldus gelegen zijn niet door 
tusschenkomst van boezems maar rechtstreeks op het bui- 
tenwater afwateren. Bij zeer vele is dit volstrekt niet 
het geval ; zij loozen toch op boezems , evenals de meer 
binnenwacirtö gelegen polders , omdat als de ü])ben op het 
buitenwater in den regel niet betr. laag afloopen een ge- 
stadige geregelde waterafvoer hierop moc^ilijk zou zijn; 
beter geschiedt dit dan op de groote bergplaatsen van 
water , die zich bij gunstige gelegenheden met krachtiger 
middelen kunnen ontlasten. 

Het spreekt van zelf, dat de hoog gelegen boezemwateren 
steeds tusschen kaden moeten besloten zijn, boezem- 



107 



kaden geheeten. Om eenigszins begrip te verkrijgen van 
de hoogteverhoudingen diene : in Rijnland b. v. liggen het 
polderwater in droogmakerijen op —3,5 tot — 6 A. P. , in 
de andere polders — 1 tot — 2 A. P. , de boezem gemid- 
d eI4;-0,55 A. P., de boezemkaden meestal + 0,10 tot +- 0,25 
ifTT, doch sommige tot + 0,70 en + 0,96 A. P. , ter- 
wijl het buitenwater te Gouda bij ebbe —0,18, bij vloed 
+ 1,13, bij Katwijk bij ebbe -0,73, bij vloed + 0,86, 
te Spaarndam en Hallweg in den boezem van het Noord- 
zeekanaal gemiddeld —0,50 A. P. en te IJmuiden bij 
ebbe —0,82 en bij vloed + 0,83 en bij Schellingwoude bij 
ebbe ongeveer —0,2 en bij yloedO,10 A. P. staat — De boe- 
zems onzer polderlanden, liggen alle op eenigszins ver- 
schillende hoogten , doch alle beneden A. P. 

Behalve door het polderwater , . uit regen- en kwelwater 
ontstaan, komt door de hierna te noemen schutsluizen ook 
altijd eenig schut- en lekwater op de boezemfe. — 

Tusschen de boezemkaden wordt soms een min of meer 
breede strook lands ingesloten, die dus hoog genoeg ligt 
om nooit onder water te komen en natuurlijk op den 
boezem af te wateren. Zulk land heet boezemland. — 
Vl ietlan jlfigi zijn landen , welker overtollig water feeheel 
langs natuurlijken weg op den boezem afvloeit , zij kunnen 
ecïfer, als dit wegens hoogen boezemstand onmogelijk is, 
ondelr water komen. — 

Uit den boezem nu wordt het water op één of meer 
punten op het buitenwater gebracht. Zoo loost b. v. ge- 
heel Rijnland op de vier bovengenoemde punten , Spaarn- 
dam, Halfweg, Katwijk en Gouda. Wat die afvoer moet 
beteekenen kan men nagaan als men weet, dat op Rijnlands 
boezem soms meer dan 7 millioen M*. per dag door de 
poldermolens, enz. wordt gebracht. 

Meestal kan het loozen bij ebbe langs den natuurlijken weg 
geschieden, door de daartoe speciaal bestemde uitwate- 
ringsslnizen te openen. Bij vloed is dit niet mogelijk 
en evenmin somtijds bij ebbe , wanneer er hoog opperwa- 
ter is op de rivieren of bij landwaartsche stormen aan 



108 



zee. Als de uitwateringssluizen geopend zijn , zegt men 
dat er sluis gang is. Om evenwel in 't algemeen ver- 
zekerd te zijn van loozing op het buiten water , behalve in 
buitengewone gevallen , als zeer hoog opperwater , storm- 
vloed , springtij , hebben de groote boezems meestal bij de 
punten van uitwatering werktuigen, nl. stoomgemalen, 
die het water naar buiten uitslaan, als natuurlijk afloopen 
van den boezem niet mogelijk is. Zoo heeft Rijnland b.v. 
behalve de stoomgemalen te Halfweg , Spaarndam en Kat- 
wijk er een te Gouda, dat het boezemwater op den IJsel 
kan brengen, zelfs bij gewonen vloedstand (1,2 A. P.) 
dus 1,7 M. hoog. Toch kon men vóór de stichting van het 
stoomtuig te Katwijk de boezemstanden niet geheel en 
al beheerschen , - daar in enkele gevallen het buitenwa- 
ter te hoog is om daarop te kunnen uitslaan. Niet 
alleen bij hooge buitenwaterstanden , doch ook om van de 
hooge boezemstanden spoediger bevrijd te worden , dan zulks 
alleen door de uitwateringssluizen kan geschieden, werken 
de stoomtuigen, dus in dit geval dikwijls te gelijk met de 
natuurlijke loozing. Om eenig begrip te geven van de betee- 
kenis der beide wijzen van loozen diene, dat van Rijnland 
(77000 H. A. polders) vóór de stichting van het i^^ stoom- 
tuig in 1858 — 1868 gemiddeld 's jaars 190 millioenM? wa- 
ter kunstmatig en 3(X) millioen natuurlijk is afgevoerd. -De 
stoomtuigen werkten 60 è, 100 dagen 's jaars. — Soms ook 
zijn bij de punteu van uitwatering zoogenaamde boven- 
gemaleiiy dat zijn hierna te beschrijven molens of stoom- 
tuigen, die als rechtstreeksche loozing van den boezem 
op het buitenwater niet mogelijk is, het boezemwater 
in een hooger gelegen kom , hoogen boezem ge- 
naamd, opmalen, welke dan bij laag buiten water zijn 
water kan doen afvloeien , doch groot genoeg moet 
zijn om al de molens onafgebroken uit den lagen boezem 
in den hoogen doen malen , ook als de vloed de slui- 
zen van dezen laatste gesloten houdt. Zulke hooge boe- 
zems komen o. a. voor aan het einde van den boezem 
van den Overwaard en van de Nederwaard (Alblasser- 



109 



waaxd) bij den Elshout (bij de samenkomst van Lek en 
Noord) ; aan de Rotte bij Rotterdam , enz. 

Sommige boezems wateren niet reclitstreeks op liet bui- 
tenwater af, maar op een anderen boezem. Zoo watert 
b. V, de boezem van Woerden te Bodegraven op Rijnlands- 
boezem uit, en daarom moeten de landen tot Woerden 
behoorende ook mede bijdragen in de lasten van dit laatste 
waterschap , o. a. heeft Woerden zelf eene sluis te Spaarn- 
dam gesticht naast de andere uitwateringssluizen van Rijn- 
landsboezem. Ook worden boezems wel op andere boe- 
zems, evenals zulks op een hoogen boezem plaats heeft, 
door de hierna te vermelden molens afgemalen, o. a. ge- 
schiedt dit met Raaksmaatsboezem op Schermerboezem 
t. O. van Alkmaar. Zulke mojens heeten dan strijkmolens. 

Een zeer hooge boezemstand, die veroorzaakt kan wor- 
den bij boezems, die niet altijd kunnen loozen, kan voor 
aangrenzende polders gevaarlijk zijn, daar de kaden kunnen 
doorbreken , enz. Daarom bestaat voor veel boezems een 
zoogenaamd maalpeil, dat is een peil waarboven het 
polderwater niet op den boezem mag uitgeslagen worden. 
Dit bestaat o. a. voor het gedeelte van Rijnland gelegen 
ten Z. van den Ouden Rijn , zoodra Rijnlandsboezem den 
stand van — 0,275 A. P. bereikt heeft, wat tegenwoordig 
echter maar zelden gebeurt. 

Boezems met maalpeil «heeten besloten boezems, 
boezems zonder maalpeil vrije boezems. 

Een zekere grens voor de verhouding van de grootte 
des boezems en die van het land dat er op uitwatert be- 
staat gewis , doch is moeilijk aan te geven. Die verhou- 
ding is dan ook dikwyls zeer verschillend. Zoo heeft Rijn- 
land op een grootte van 77150 H. A. (polderland) een 
boezem van 3560 H. A. ; Delfland op 30,000 H. A. een 
boezem van 386 H. A. enz. Zeer veel hangt hier echter 
af van de middelen om den boezem te kunnen aftappen. 
Zoo werd door de droogmaking van de Haarlemmermeer 
Rijnlandsboezem tot op ongeveer Ve verkleind, doch men 
heeft de daaruit ontstane bezwaren geheel opgeheven door 



110 



de stichting van stoomgemalen te Spaaradam, Halfweg 
en Gouda en het vergrooten van de binnensluis te Katwijk. 

Betrekkelijk zeer groote boezems hebben het voordeel 
van ruime waterberging aan te bieden en tevens veel wa- 
ter tot inlating in de polders beschikbaar te hebben. 
Uitgestrekte boezems hebben het nadeel dat zij sterk naar 
eene zijde kunnen opwaaien , zooals o. a. vroeger toen de 
Haarlemmermeer nog tot Rijnlands boezem behoorde , in 
groote mate met dezen laatste het geval was , doch hetgeen 
aan den anderen kant de natuurlijke loozing op het Y , die 
thans veel minder is , ten goede kwam. Ook in den bijzon- 
der groeten boezem van Friesland, waartoe vele meren be- 
hooren , heeft men dikwijls veel last van opwaaing , enz. 
Om enkele punten daarbij te beveiligen, plaatst men soms 
afsluitingen in den boezem, genaamd keersluizen, o. a. 
dienen hiertoe de 2 valschutten in Schieboezem bij Delft. 

Een bijzonder middel tot waterberging zijn de zooge- 
naamde bergboezems , meestal speciaal bestemd voor 
een enkelen polder of meer nog voor een droogmakerij , 
om tijdelijk het polderwater er in te bergen , als de alge- 
meene boezem gesloten is. Zulk een bergboezem is ge- 
woonlijk een omkaad stuk land, dat 's zomers wordt 
drooggemaakt en als bouwland gebruikt. — Zij komen o. a. 
veel voor in Delfland (Schieboezem), in de Nootdorpsche 
Droogmakerij, enz. 

Bij polders die diep liggen ten opzichte van den boezem, 
kan , het polderwater niet in eens worden opgebracht , ten 
minste niet met alle soorten van werktuigen,, maar ge- 
schiedt zulks trapsgewijze: eerst in een lagen oftusschen- 
boezem, van dezen in een hoogen boezem en hieruit in 
het buitenwater. Een merkwaardig voorbeeld hiervan bood 
tot vóór korten tijd de waterloozing aan van den diepen 
Zuidplaspolder (droogmakerij) , bij den Kortenoord aan den 
IJsel , zooals in flg. 1 in situatie te zien is. Werkten de 
windmolens (a), dan maalden zij het polderwater in een lagen 
boezem , de molens (b) uit dezen in de ringvaart (tusschenboe- 
^em) , de molens (c) uit deze in den hoogen boezem , van 



111 



waaruit het water op sommige tijden door uitwaterings- 
sluizen op den IJsel geloosd werd. Werkten de stoomtui- 
gen , dan maalde No. 1 het polderwater onder de ringvaart 
door in een tusschenboezem en No. 2 maalde het uit dezen 
in den hoogen boezem, gelijk ook nog thans geschiedt. Fig. 2 
geeft een figuratieve voorstelling van deze trapsgewijze 
loozing, waarbij om de duidelijkheid de hoogteafmetingen 
in veel grootere verhouding tot de breedteafmetingen zijn 
genomen dan in werkelijkheid het geval is. Dergelijk op- 
malen in 2 é, 3 verdiepingen hoog komt veelvuldig voor 
(Krimpenerwaard , Rijnland , Beemster). 

Welk een arbeid is er dus te verrichten om die vrucht- 
bare plekken gronds, waarin de menschen wonen op 4,5 h 
0.5 M. beneden den gewonen vloed en op 8 M. beneden do 
stormvloeden op het buitenwater, van eigen water vol- 
doende bevrijd te houden ! Wat valt er al niet te doen om 
te zorgen , dat ons dierbaar plekje gronds , grond blijft. 

En nu nog — hoe komt het polderwater uit deslooten, 
enz. op den boezem? De slooten worden weer gesneden 
door broedere slooten en tochten. (Zie hierboven , bl. 96 , 
de beschrijving eener droogmakerij). Sommige van deze 
tochten , meestal broeder dan alle andere , nl. 8 è, 12 M. , 
en molentochten genaamd en die dus met al het overige 
polderwater in vrije gemeenschap staan , loopen uit op de 
aan den boezem staande bemalingswerktuigen , aldus 
genoemd , omdat zij door middel van wind of stoom als 
be weegkracht het water opmalen. Zij zijn in 't algemeen 
te onderscheiden in windwatermolens en stoomge- 
malen. 

De molens worden gewoonlijk geplaatst aan het laagste 
gedeelte, van den polder , opdat het water er gemakkelijk 
hë^ ' vloeie , doch in elk geval óf onmiddelijk aan den 
J>oezem (fig. 3), óf dicht er bij, (fig. 4 en 5), in het laatste 
geval door een kleiner zijtak met den algemeenen boezem 
verbonden. Bij uitgestrekte polders moeten echter opmeer 
dan één punt bemahngswerktuigen worden geplaatst , om- 



112 



dat als deze alle bijeen stonden al het water , ook van de 
verst afgelegen punten, daarheen zou moeten geleid wor- 
den, wat bezwaarlijk is. Als bovendien de wind sterk is, 
kan het polderwater door afwaaiing van de molens ver- 
wijderd worden gehouden en zou dus alle bemaling geheel 
moeten gestaakt worden, als de molens op één punt 
stonden. 

Bij droogmakerijen en ook bij sommige diepe veenpolders 
kunnen de molens het water niet in ééns op den boezem 
brengen. Dan staan molens op verschillende hoogte , die 
het water naar elkaar toemalen ; meestal geschiedt dit 
twee of drie hoog , op elke hoogte 1 molen , de aldus bij- 
eenbehoorende molens noemt men een gang. Twaalf 
molens , 4 aan 4 op 3 verschillende hoogten geplaatst , 
noemt men 4 gangen , enz. , ook als zij vier aan vier op 
een gemeensdiappelijken tusschenboezem uitslaan. Staan op 
de verschillende hoogten niet hetzelfde aantal molens , die 
op gemeene tusschenboezems uitslaan, dan spreekt men 
niet van gangen , omdat dan geen molens bepaald bij elkaar 
behooren. 

Vele molens hebben een zoogenaamden voorboezem, dat 
is een water dat met een uitwateringssluis van den alge- 
meene boezem kan worden afgesloten en waarin nog kor- 
ten tijd water kan worden geborgen als loozing op den 
algemeenen boezem belet is. De bemalingswerktuigen 
van rechtstreeks op zee uitslaöinde landen of van die welke 
loozen op rivieren die aan eb en vloed onderhevig zijn , 
malen nimmer in eens op de zee , welker stand zoo zeer 
veranderlijk is , maar op • een meer of min ruimen voor- 
boezem of mol en kolk, die dan bij L. W. door een sluis 
afgetapt wordt. 

De windwatermolens werden naar men beweert reeds 
toegepast in 1308 . doch minder goed ingericht dan nu ; 
eerst in 1573 zou een Vlammg o. a. uitgevonden hebben 
7^ alleen met den kap naar den wind te stellen. Dit valt 
evenwel te betwijfelen, daar reeds veel vroeger groote 
droogmakerijen in betrekkelijk korten tijd met windmolens 






ff-) \ fr€t4xrtujitf 






c= 



=^ 




F^.4-. 



kee/yluis/c oocr s/erJc vcr^ncle/^cncfc boezems 




\Pl€ta/^'ny van molens aan^ Alen boe ze/n 




' '■''--f^Vf-'^'^-"?'"- rv-'-iilini :'"•'"" 1" •• ' ^••j— iiitf I II f"' il iiiiii ïlifw 1 ^ ' mr - '"' ^ 



Rff ff^yit/m&ltn . JWtiCüJe I)Gorsneé& f / M^//\^ 




■*jPg/yf/Wff^jr/- 






My ff -//arm v 0/1 /aie fiam sn pdr f>o/</af^ .- /. ^ en J?a. 6^^f/'2^^ 




^Mmm^ 



113 



zijn tot stand gebracht. Wellicht dat zij toen , zooals nu 
nog wel met kleine molentjes geschiedt, in hun geheel op 
deu wind gesteld konden worden. 

Twee hoofdsoorten van windmolens zij in gebruik: 
yjjzelmolens en schepradmolens , de laatste nog te 
onderscheiden in molens met staande en in die met 
hellende schepraden. Dicht bij en onder den molen 
vernauwt zich de molentocjit en komt het water in die 
vernauwing, welke onder den molen met te lood gemetselde 
muren bekleed is en voor dit gedeelte achterwaterloop 
genoemd wordt (zie flg. 6» en 6^ en 7» en 7^). Van hier- 
uit brengt de vijzel of het scheprad het water op in den 
voor waterloop, in welke een klein sluisje met zooge- 
naamde wachtdeurtjes het boezemwater van het bin- 
nenwater scheidt. Deze dienen natuurlijk om, als de 
molens niet kunnen of mogen malen , het boezemwater 
niet omgekeerd door vyzel of scheprad in den polder te 
laten loopen. Als de molen werkt moet het opgevoerde 
water zooveel snelheid bezitten, dus arbeid geven, dat 
het zelf de wachtdeuren opent; houdt het opmalen op, 
dan sluit het boezemwater deze van zelf weer. 

Een vijzel is een werktuig bestaande uit planken (dui- 
gen) die schroefvormig om een spil zijn gewonden , meestal 
volgens 2 è, 3 evenwijdige schroefvlakken. De vijzel wordt 
schuinsch gesteld onder een hoek van 25 k 30^ met het 
waterpasse- vlak, met zijn ondereinde aan de spil over- 
eenkomende met het polderwater en met het boveneinde 
iets hooger dan de stand van het water in den voorwa- 
terloop. By het ronddraaien van den vijzel moet het 
water langs de schroefvlakken omhoog loopen , ten deele 
gedragen door de gemetselde kom, opleider genaamd, 
waarin de vijzel voor een gedeelte vrij nauw sluit (zie fig. 
6a en 6^). In groote watermolens zijn de vijzels 1 ,50 è, 2 M. wijd. 

Een staand scheprad is een rad van een middellijn 
van 1 tot 2,5 M ; deze hangt af van de hoogte van op- 
brengst van het water. Het bestaat uit een zware spil met 
20 ^ 25 schoepen meestal van een 50 cM. breedte , die 

8 



lU 



een 0,6 a 0,9 M. diep in het water slaan (tasting hebben) 
en aan de einden wat slepend zijn bijgewerkt om het ge- 
schepte water beter van de schoepen te doen afloopen. 
De spil van het rad ligt iets (0,5 è. 1 M.) boven het bin- 
nenwater en het rad loopt zoo nauw mogelijk langs een 
opleider, waarlangs de schoepen het polderwater op den 
voorwaterloop brengen (fig. 7»). In sommige scheprad- 
molens zijn 2 è, 3 schepraden, soms van verschillende 
breedte , om al naar den wind met meer of minder op- 
brengst te kunnen werken. 

Zoowel schepradmolens als vijzelmolens worden veel 
gebruikt; de laatste, hoewel ook in groeten getale elders, 
het meest in Noord Holland, Friesland en Groningen. 
De schepradmolens zijn de oudste soort van bemaüngs- 
werktuigen; daarmede kwamen de eerste droogmakerijen 
tot stand. Zij kunnen tot een hoogte van 1,50 M. op- 
brengen, hoogstens doch minder goed tot 2 M. Vijzel- 
molens zijn in 't algemeen tot hoogere opvoering geschikt; 
zij kunnen tot 3,5 k 4,5 M. opmalen, ja zelfs zijn er in Rijn- 
land twee die een opvoerhoogte van 5,3 en 5,4 M. geven. 
Meer en meer komen vijzelmolens in gebruik ; op vele plaat- 
sen vervangen zijde schepradmolens , zooals in den Beem- 
ster. In Friesland vindt men bijna uitsluitend vijzelmolens- 

Ook bestaan er molens met hellende schepraden , 
zijnde raden van een geheel andere constructie dan de ver- 
tikale schepraden en waarvan de as een hoek 45' met het 
horizontale vlak maakt. Deze molens, uitgevonden in 
1771 , komen veel minder algemeen voor. 

Een enkele maal wordt ook een pompmolen aange- 
troffen , waarin het water door een zuiger in een pomp- 
buis wordt opgebracht. De pompmolentjes kunnen het 
water wel hoog opbrengen, wel tot 6 M., doch worden 
betr. weinig gebruikt wegens het bezwaar dat er gelegen 
is in het overbrengen van de ronddraaiende beweging der 
molenas in een op- en neergaande der pompzuigers. 

Men weet dat van de grootere windmolens in 't algemeen 
alleen de kap met de as en de daaraan verbonden wieken 



7^Sc^f»xuimvl€rv. J^ikale Doorsneae //.S^OOj 



tmtnxjfs^Jc^ 











115 



op den windgezet wordt. De grootste dubbele 
lengte der wieken, de grootste vlucht die voorkomt, 
is ± 30 M. Voor kleine polders zijn ook zoogenaamde 
staartmolens in gebruik, die door middel. van een 
groot bord zich zelve op den wind stellen of wipmolens, 
vroeger algemeen gebezigd, waarvan de geheele romp be- 
wogen wordt. 

De gewone groote (kloeke) windmolens zijn van hout of 
steen ; de eerste kosten zoo wat /* 30,000 , de laatste iets meer. 

Het aantal molens hangt niet alleen af van de hoeveel- 
heid water die zij moeten uitslaan en de hoogte van op- 
brengst, maar natuurlijk ook van hun vermogen, d.i. van 
hun inrichting en de vlucht der wieken. Om de denk- 
beelden een weinig te bepalen diene de zeer globale opgave, 
die echter dikwijls naar weerszijden ver wordt overschre- 
den , dat bij vrije boezems een molen van 20 M. vlucht 
650 h 700 H.A. kan bemalen , b0 besloten boezems 550 k 
600 H.A. per M^ hoogte van opbrengst. (*) In Rynland 
zijn ongeveer 260 windwatermolens op 58000 H.A. (zonder 
de Haarlemmermeer die met stoomtuigen bemalen wordt); 
dit is echter een opgave die weinig beteekent , daar een 
kleine polder , al is hy nog zoo klein , zoo hij niet zijn 
water op een anderen brengt , toch minstens 1 molen dient 
te hebben. Deze heeft dan weinig vlucht , kleine , smalle 
raden, enz. — 

Tegenwoordig komen hoe langer hoe meer stoomge- 
malen in gebruik, niet alleen als boezemstoomge- 
malen om boezems af te malen, maar ook als polder- 
stoomgemalen om het polderwater op den boezem 
uit te slaan. VoomameUjk daar waar eenigszins groote 
arbeid moet verricht worden , nl. bij hooge opbrengst en 
bemaling van een groot aantal hectaren, kunnen de stoom- 
tuigen dikwijls met voordeel eenige windmolens vervangen. 
Een groot voordeel van de eerste boven de laatste is hierin 
gelegen , dat bij hun gebruik een goede bemaling niet af- 



D Storm Baysing, Handl. dor Waterbouwkuiido He Dl. bl. 874. 

8' 



116 



hankelijk is van de zeer wisselvallige sterkte van den 
wind. Volgens proeven in Schieland zouden er aldaar 
slechts 130 etmalen 'sjaars zijn met voldoende windkracht 
voor de molens. Stoom kost echter geld, wind is een 
kracht die men om niet heeft; ook is het onderhoud en 
de bediening van stoomgemalen 'duurder. Toch zijn deze 
in vele gevallen boven windmolens te verkiezen: meer dan 
eens is het gebeurd , dat de diepliggende Haarlemmermeer- 
polder , die door drie stoomtuigen wordt bemalen , volstrekt 
geen waterbezwaar had, als de hooger gelegen polders 
daarbuiten drijvende waren. Een bezwaar van stoom- 
gemalen bij besloten boezems is , dat men veel tijd en brand- 
stof noodig heeft om hen telkens aan den gang te brengen, 
terwijl de loozing van den boezem soms weer zoo spoedig 
belet wordt, dat deze dadelijk aan gemalen is (op 
maalpeil gebracht) en het stoomtuig dus weer moet stil- 
staan. Een polderstoomtuig moet in verband met den 
normalen regenval, enz, gemiddeld 50 dagen 'sjaars wer- 
ken , in ongunstige gevallen tot 60 ü. 70 dagen. Het is 
echter niet bepaald noodig, dat een buitengewone regenval 
van 1 dag juist in 1 dag wordt weggemalen. 

Vooral in de provincie Utrecht, in het Grootwaterscliap 
Woerden en in Noord-Holland in Waterland, is in de 
laatste jaren de stoombemaling sterk toegenomen. 

De wateropbrengende werktuigen in stoomtuigen zijn 
eveneens pompen — zoogenaamde cent rifügaalp om- 
pen, die zeer veel voorkomen — schepraden of \ajzels, 
meestal in grootere afmetingen dan die voor de windmo- 
lens. De stoomschepradmolens hebben meestal veel meer 
raden dan waarmede een windmolen zou kunnen werken en 
de breedte is meestal veel grooter; zoo heeft o. a. het 
stoomgemaal van Rijnland te Spaarndam 10 raden van 
gem. 2 M. breedte. 

Inlaten bij watergebrek. 

Wij hebben er reeds op gewezen , dat In sommige maan- 



117 



den van het jaar , als de verdamping den regenval ovet' 
treft , dus voornamelijk van April tot Augustus , water- 
gebrek in de polders kan ontstaan en dan groote massa's 
water moeten worden ingelaten , waartoe meestal ook de 
boezem vooraf uit het buitenwater moet worden opgezet. 

Het inlaten van water uit den boezem of uit het buiten- 
water in de polders kan bijna altijd geschieden door spe- 
ciaal daartoe bestemde duikers of door een kleine water- 
leiding die buiten langs bijna eiken molen is aange- 
bracht (zie fig. 4) en waarin zich een schuif bevindt , 
die slechts geopend behoeft te worden om het water naar 
binnen te doen stroomen. Bij schepradmolens kan men 
de wachtdeurtjes met een koevoet openwringen , dan stroomt 
altijd water in. Bij' vijzc^lmolcns zijn soms schuiven in de 
wachtdeuren ; als men die optrekt stroomt water in O , 
ni. als het boezemwater hooger dan de bovenrand van den 
opleider staat. Om het gaande werk van den molen niet 
te beschadigen , zou men de raden of vijzels kunnen uit- 
nemen. Soms heeft men afzonderlijk gelegen inlaatdxii- 
kers of inlaathevels , zooals in de Haarlemmermeer. 

Heeft de boezem zelf niet genoeg water om in de polders te 
brengen, dan laat men eerst buitenwater op den boezem 
in. Het inlaten door uitwateringssluizen kan alleen dan ge- 
schieden als deze daartoe zijn ingericht , nl. als zij deu- 
ren hebben met schuiven of wel waaierdeuren. Zoo 
hebben de wachtdeuren van het stoomgemaal van Rijn- 
land te Gouda schuiven , waardoor 's zomers in de 
groots waterbehoefte die Rijnland soms heeft kan worden 
voorzien. Van- de schoepen der schepraden worden dan 
eenige planken afgenomen, opdat die raden door het bin- 
nenstroomende water niet zouden worden rondgevoerd. 
Bij de drie punten van inlating die Rijnland bezit, nl. te 
Oouda, te Leidschendam (uit den meestal hoogeren Schie- 
boezem) en te Bodegraven , alwaar de inlating tot dit 



(•) Shijsdeuron kunnen nl. niet geopend worden naar het hoogste water toe. 
Daarom zyn schuiven noodig in die deuren. 



118 



doel echter meestal weinig beteekent, werden in 1868 
o. a. ingelaten 167 millioen M' water en gemiddeld over 
negen jaren (1860—1868) 49 millioen M' per jaar. — 

Oemeenschap toBschen boezems en bniten- 
water , tusschen boezems onderling , enz. 

Daar tusschen de standen van aan elkaar grenzende 
boezems en eveneens tusschen die van boezems en buiten- 
water en boezems en polderwater , enz., min of meer be- 
langryke verschillen bestaan , zoo moet zorg gedragen wor- 
den dat de scheepvaart hierdoor niet lijde en dat er dus 
voor vaartuigen behoorlijke gemeenschap tusschen die op 
verscliillend peil liggende wateren besta. 

Een water dat één enkelen naam draagt behoort soms 
tot verscheidene boezems. Zoo behoort o. a. de Oude Rijn 
van Utrecht tot Katwyk tot niet minder dan 5 boezems en is 
daardoor natuurlijk in 5 afdeelingen met stilstaand water 
verdeeld, elk met een ander peil, die op de grenzen der 
boezems zijn afgescheiden door sluizen. Daar de Rijn echter 
over zijn geheele lengte ook voor de scheepvaart moet 
dienen , zoo zijn die sluizen op een bijzondere wijze inge- 
richt, geschikt tot het brengen van een schip uit een 
lagere in een hoogere afdeeling en omgekeerd. Zulke sluizen 
heeten schntslnizen. 

Een schutsluis bestaat uit 2 paar puntdeuren , beide met 
de punt naar de zijde van het hoogste water gekeerd (zie 
fig. 8») , of, als dit veranderlijk is , met 2 paar naar elke 
zijde en gescheiden door een tusschenruimte die lang en 
breed genoeg is om het schip te bevatten ; die ruimte 
heet de schutkamer of schutkolk. In de sluis- 
deuren zijn schuiven of toldeuren (draaiende deuren) en door 
die te openen in een der beide paren deuren, kan men het 
water in de schutkolk op gelijke hoogte met het boven- of 
benedenwater brengen , de deur die nu geen verschil meer 
keert openen en het schip in de schutkamer laten. Wor- 



119 



den nu beide paren deuren gesloten , dan kan men, als b. v. 
het water in de schutkamer gelijk met het bovenwater 
staat, de schuiven in de benedendeuren openen , het water 
in de schutkamer zakt dan met het vaartuig tot op de 
hoogte van het benedenwater , de benedendeuren kunnen 
worden geopend en het vaartuig kan uit de schutkamer 
op het benedenwater komen. Om het uit het beneden- 
water in het bovenwater te krijgen, handelt men juist zoo 
in omgekeerde volgorde. Deze handelwijze heet schutten. 
Ook heeft men schutsluizen met waaierdeuren, wier in- 
richting wij hier evenwel met stilzwijgen voorbijgaan. 
Soms is het verschil tusschen beneden- en bovenwater zoo 
groot, dat het over meer dan ééne schutsluis verdeeld 
wordt. De schutsluizen, zoo eenvoudig doch vernuftig 
uitgedacht, zijn waarschijnlijk een Nederlandsche uitvinding; 
althans reeds vóór 1300 schijnt er in Holland reeds een 
te Spaarndam bestaan te hebben ; in het buitenland kwa- 
men zij eerst veel later voor. 

Het is duidelyk dat bij het schutten, een hoeveelheid 
schutwater uit het hoogere water in het lagere ge- 
raakt , wat bij belangrijke hoogteverschillen , b. v. bij 
schutsluizen tusschen den boezem en het buitenwater, vrij 
aanzienlijk kan zijn. Uit een hydrografisch oogpunt kan 
dit vooral bij druk gebruikte sluizen nadeehg werken op 
den boezemstand ; bovendien komt door sommige sluizen 
brak of zout water naar binnen,* wat door velen nadeelig 
wordt geacht. Om een en ander worden de schutkamers 
zoo klein mogelijk gemaakt en is voor sommige sluizen 
een schutpeil bepaald, dat is het hoogste peil van het 
Ix)venwater waarbij nog geschut mag worden. Zoo bedroeg 
dit , toen het IJ nog open was, voor Rynlands schutsluizen 
te Spaarndam + 1,20 A.P. Daar de sluisdeuren altijd 
wat lekken, zoo komt behalve schutwater ook altijd wat 
iekwater op de boezems. 

Tusschen de boezems en do belangrijke wateren in de 
polders , b. v. vaarten langs deze die met het polderwater 
gemeen Uggen, zijn hier en diuir voor de scheepvaart 



120 



eveneens schutsluizen noodig; ook bestaan deze tusschen 
het polderwater van aaneengrenzende polders. 

Voorbeelden van schutsluizen tusschen boezems zijn b. v. 
de schutsluis aan den Overtoom en aan den Leidschendam 
tusschen Rijnlands boezem en resp. het stadswater van 
Amsterdam en Schieboezem , enz. Tusschen boezems 
en buitenwater : tusschen den boezem van het Noordzec^- 
kanaal en de Noordzee en de Zuiderzee resp. te IJmuiden 
en te Schellingwoude , enz. Schutsluizen tusschen polder- 
water en boezemwater zijn b. v. Oudhuizer , Dooijer en 
Demmeriksche sluizen tusschen de polders van de Ronde 
Venen om Waverveen en Amstellands boezem , enz. 
Een schutsluis tusschen het polderwater van 2 polders 
is b. V. die tusschen het polderwater van den Zuid- en 
Noordeinderpolder te Aarlanderveen en de ringvaart van de 
Nieuwkoopsche droogmakerij , gemeen liggende met het 
polderwater van den polder Nieuwkoop en Noorden. — 

DE ADMINISTRATIEVE INDEELING VAN HET 
POLDERLAND. 

Geschiedenis. Van de eerste tijden aan waarin wij 
in ons land sporen van eenig geregeld bestuur beginnen 
te ontdekken , hetzij in den aiouden Frieschen staat , 
hetzij in de Graafschappen, enz. die later in het westelijk 
gedeelte daarvan ontstonden , o. a. in het machtige 
Graafschap Holland , zien wij alles wat den waterstaat 
van het land betreft ten nauwste verbonden aan den bur- 
gelijken en rechterlijken toestand. Ja , in het begin zijn 
deze zoo saamgeweven , dat op geen enkel punt scheiding 
bestaat. De indeeling der landstreek, de admmistratie , 
de wetgevende en de rechterlijke macht vormen oorspron- 
kelijk voor waterstaatsaangelegenhedon geene bijzondere. 

Bij het ontstaan der eerste inpolderingen , bedijkin- 
gen door zomerkaden , toen boven water bl'vjcen een eerste 
vereischte was, zien wij de burgerlijke indeeling en het 



121 

burgerlijk bestuur geheel met de waterstaatkundige ver- 
eenzelvigd. 

De HoUandsche Graven b.v., hun macht al meer en meer 
uitbreidende in het tegenwoordige Zuid-Holland en later 
in Kennemerland en Westfriesland , stelden plaatsyervan- 'jUU<.)f:rf.f^Uj 
gers aan in de deelen van hun gebied. Dezen heetten 
Baljwio en waren in hun Baljuwschap eischer en leider 
bij de criminele- en lagere civiele- , later ook bij de hoogere 
civiele Rechtbanken. Zij handhaafden de bevelen, enz. van 
,den^^^ Graaf in waterstaatszaken evenals in andere en de 
'^\Tei^6ïïaar van het Baljuwschap sprak daarin in hoogste 
instantie nevens den Graaf recht. 

De Graven , die bij polderindijking tot uitbreiding van 
hun grondgebied groot belang hadden en niet minder bij 
het ontstaan en onderhouden der groote dijken langs de 
rivieren na 1200, bemoeiden zich natuurlijk veel met alles 
wat deze zaken betrof. Terwijl zij zich zelven daarin steeds 
de hoogste macht voorbehielden, gaven zij keuren, d. z. 
bevelen en voorschriften, en privilegiën, het dijkrecht, 
waterloozing , vervening, enz. betreffende, en stelden tot 
handhaving daarvan , tot de toepassing van de daarbij be- 
dreigde straffen , enz. personen aan in de groote onder- 
döt'len vdn hun gebied. Deze waren oorspronkelijk de 
Baijuwen. 

Willem II , Graaf en Roomsch Koning, nam het eerst 
heilzame maatregelen omtrent het dijkwezen. De dijken i / / . t 
moesten onderhouden worden door de aanleggers en eige- 1 ""'^ ''*^-*-^ ' 
naars, later meer algemeen door de bewoners van daaraan- %?^,-y^/ 
grenzende hoeven . elk voor een gedeelte — van daar het c 

V er hoef slagen J der dijken. Landen die daarvan vrij 
waren door privilegiën heetten vrije landen of vronen. 
'StrafbepaUngen tegen het benadeelen der dijken bestonden 
reeds in het laatst der 13e eeuw ; zejfs de doodstra_f werd 
daarbij bedreigd. Over alles wat het dijkwezen betrof 
werden Dijkgraven aangesteld. Het eerst komen deze 
in 1303 voor; zij deden eisch in zake overtreding, enz. 
Meestal was deze betrekking met die van Baljuw ver- ^^ / . • •« 

't'- ' 
f. ^ . ' ' 



122 

eenigd, doch ook wel stond naast dezen een afzonderlijke 
'Dijkgraaf, zooals reeds spoedig na de bedijking in den 
Alblasserwaard (1287). 

De Baljuwschappen waren onderverdeeld in ambach- 
ten. Deze kwamen in den aard overeen met onze bur- 
gerlijke gemeenten ; ja , zelfs zijn de grenzen van vele 
tegenwoordige gemeenten bijna of geheel gelijk aan die der 
voormalige ambachten. Aan het hoofd der meeste ambachten 
stondeen Scho.ut; ook waren er ambachten toebehoorende 
aan ambachtsheeren, die het bedijkt hadden of er 
mede beleend waren. In Hollands Noorderkwartier komen 
de bannen met deze ambachten overeen. De Schout was 
wat wij thans zouden noemen burgemeester en rechter 
tevens. Ambachtsbewaarders, in sommige streken 
waarschappen geheeten , waren onderambtenaren voor- 
namelijk met geldelijk beheer belast: ontvangers. 

In dorpen, gehuchten, enz. werd recht gesproken door 
den Schout met buren , asinghen , later welgeborenen en 
gesworenen genaamd , nog later „s c e p e n e n" , door den 
Baljuw aangesteld op voordracht van de gemeenten. Zij 
vormden samen een Heimraad of Heimgerecht, daarom 
werden deze plaatselijke rechtsprekers genaamd Heem- 
raden. Onder de huishoudelijke civiele en Uchte crimi- 
nele zaken, door de Heemgerechten behandeld, behoorden 
ook die betreffende wegen , bruggen , wateren en dijken. 
Later begon men personen uitsluitend met het waterbeheer 
belast Heemraden te noemen en eindelijk werd dit woord 
alleen voor die betrekking gebezigd , hoewel ook nog dik- 
wijls Scl^epen daarvoor in zwang was. De Heemraden 
werden gekozen door ingelanden (landbezitters in het am- 
bacht) of door den ambachtsheer. 

De ambachten zorgden voor de aangrenzende dijken, het 
lozen van het binnenwater , enz. ; zij handelden in overleg 
met elkaar voor het uitslaan op den gemeenen boezem, 
\ maar waren geheel afyesclieiden als waterstaatkurtdig lidiaam. 
Er bestonden dus oorspronkelijk slechts ainbaditelyke 
Heemraden. 



123 



De dijken, enz. der polders moesten door de inwoners 
worden onderhouden. 

De hooge dificen^ die sinds 1200 langs het buitenwater 
ontstonden, werden in den aanvang onderhouden door de 
aangrenzende ambachten. 

Een en ander werd grootendeels bepaald en nauwkeurig 
omschreven in diplomata van Graaf Floris V. Na dezen 
is vooral Ruwaard Albrecht , later Graaf , bekend om zijn 
vele bemoeiingen met den Waterstaat , ook in Friesland. 

Langzamerhand ontstonden nu ook Aoogr^rc waterschaps- 
en dijkbesturen , d. w. z. besturen die toezicht hadden, enz. 
over groote deelen en over de lagere besturen, die voor 
de onderdeelen 'te zorgen hadden. 

In het laatst der 13e en het begin der lée eeuw beginnen 
enkele voorbeelden voor te komen van een hooger 
dijkbestuur, waaraan geldelijke bijdragen moesten 
gedaan worden , dat algemeen schouw hield (inspectie) , 
enz. (Alblasser waard, Schouwen , Zeeburg d. i. de dijk langs 
de Zuiderzee, enz.) De bestuurders heetten D ijksheem- 
raden en Hoogedijksheemraden. 

Behalve door gemeene boezems, geraakten langzamer- 
hand ook door andere gemeene belangen , in de eerste 
plaats de bescherming tegen het buitenwater, de ambach- 
telijke waterschappen en dijksbesturen door banden ver- 
bonden, die de Hoogere waterschappen met de 
hoogere waterschapsbesturen deden ontstaan. Een 
van de eerste was waarschijnlijk Woerden, waar in 1322 
volgens Diploma van Graaf Willem ïll , door den Baljuw 
5 Heemraden werden benoemd. De ontwikkeling tot 
volledig Hooger waterschap met gemeen bestuur geschiedde 
meestal niet plotseling ; voor Rijnland bestond die eerst 
zeker omstreeks 1450. Dan heette zoo'n waterschap meestal 
Hoogheemraadschap en den bestuurders of Hooge- 
heemraden werd macht opgedragen over Nederheem- 
raden , schouten en ambachtsbewaarders , het toezicht 
over zaken van algemeen belang , enz. 

Terwijl in het algemeen het oppergezag over het water- 



124 



wezen tot in de 15e eeuw in handen van den Graaf bleef 
en deze nu en dan in groote zaken besliste , was in liet 
bestuur der Hoogheemraadschappen een Dijkgraaf jsp 
plaatsbekleeder. De oorspronkelijke beteekenis van dit 
woord veranderde dus ; de dijkgraaf was hoofd van het 
waterbestuur , hij voerde mede schouw en zorgde voor de 
boeten. Ilij was wel in vele punten gehouden aiui het 
Dijkrecht en aan de besluiten der Hoogheemraden, maar 
hij was toch medelid der wetgevende macht en bovendien 
strafvorderaar en eischer. 

De Hoogheemraadschappen bezaten nl. reddstnaeht : hun 
Ijesturen gaven niet alleen wetten en bepaalden daarbij 
straffen voor overtreding , maar zij spanden tevenê^vier- 
schaar wezen vonnissen en deden die voltrekken. Even- 
als de Baljuwen voorheen , spraken zij thans recht in alle 
zaken den waterstaat betreffend ; men noemde dit Heem- 
recht , terwijl men het woord rechtsmacht meer gebruikte 
in andere civiele en criminele zaken. Die rechtsmacht der 
Hoogheemraadschappen strekte zich weldra uit niet alleen 
over zaken van algemeen belang , maar ook over die welke 
meer bij de ambachten en polders thuis l)ehoorden, ju, in 
de 16e eeuw en later , dikwijls over zaken die niets met 
den waterstaat van het Hoogheemraadschap te maken 
hadden. Hoogheemraden gaven dikwijls de meest wille- 
keurige bevelen en bepaalden daarbij zeer zware straffen , 
di# zij , als zij toegepast moesten worden , soms nog wille- 
keurig verzwaarden. Rijnland vooral had een collegie dat 
altijd een zeer hoogen toon aansloeg en op de onbillijkste 
wijze beval of anders . . . van zijn eigen beul , galg, schand- 
en geeselpaal flink gebruik maakte. (Zie o. a. hierachter 
bij Rijnland.) 

Deze te groote uitbreiding van macht werd veroorzaakt 
doordat zij besturend , wetgevend en rechterlijk tevens was. 
In de Hoogheemraadschappen zelve waren Hoofdingelanden 
d. z. door stemgerechtigden uit de grootste grondbezitters 
gekozenen, nog eenigszins een tegenwicht; daarbuiten was 
dit gering. Wel was in 1428 het Hof van Holland door 



125 

Philips van Bourgondie ingesteld, dat zelfs directe bevelen 
gaf op waterstaatsgebied en waarbij in appel kon worden 
gekomen van vonnissen ; ook had het met den Stedehouder 
invloed op de benoemingen of beno^emde zelf. Maar toen 
was de macht der nog niet geheel tot ontwikkeling ge- 
komen Heemraadschappen nog zoo groot niet. 

Deze toestand van te groote willekeur in het Heemrecht 
en van weinig eenheid , ontstaan door de groote nienigto 
handvesten en keuren der graven aan steden, ambachten, 
kloosters , kerken , enz. , die ook in de burgerlijke wet- 
geving bestond , is blijven voortduren tot deze eeuw en 
nog zijn in onze tijden die oude privilegiën , enz. te ont- 
dekken : er zijn ^Merbesturen o. a. die gekend moeten 
worden in de benoeming van predikaiüen! enz. De am- 
bachten verdwenen gedeeltelijk in sommige Hoogheemraad- 
schappen ; van lieverlede was hun rechterlijke macht opgehe- 
ven en zij bleven slechts daiir waar zij nog werken te on- 
derhouden hadden of... personen, die hiervoor zoogenaamd 
zorgden. In 1870 zijn zij o. a. in Rijnland geheel opgeheven. 

In 1795 deden de gevolgen der revolutie zich ook in de 
Hoogheemraadschappen gevoelen. De beul , galg , geesel- 
palen, enz. werden opgeruimd, de reglementen in vrijzinnigen 
geest gewijzigd. Maar de rechtsmacht werd niet vernietigd. 
Na 1803 en zelfs onder Koning Lodewijk en Napoleon was 
bepaald : Oppertoezicht aan het hoofd van den Staat , toe- 
zigt aan de Provincie (in den Franschen tijd aan het bestuur 
van den waterstaat) ; maar bestuur , wetgeving en recht- 
spraak bleven aan de Hoogheemraadschappen. 

Dit werd in de grondwet van 1815 geregeld en bevestigd 
en bleef zoo in 1840. Toch werd de rechtsmacht, waarvan 
nu natuurlijk niet meer op die vdjze gebruik gemaakt 
werd als in de vorige eeuwen, betwist, tot zij bij de wet 
van 1841 geheel werd vernietigd en daarvoor bepalingen 
in de plaats kwamen, voldoende om in onzen tijd de Hoog- 
heemraadschappen in staat te stellen genoeg klem aan 
hunne voorschriften bij te zetten en krachtig administratief 
te kunnen handelen. Geschillen worden uitgemaakt voor 



126 



de betrokken arrondissementsrechtbanken. Het bepalen van 
straffen in de keuren mocht na 1818 niet meer geschieden, 
doch is bij eene wet in 1856 weer toegestaan ; echter slechts 
in zooverre dat de bedreigde straf niet meer mag bedragen 
dan een boete van /* 25 of 1 è. 3 dagen gevangenisstraf. 

Hoofdstuk IX der Grondwet van 1848 (Van den Water- 
staat) bestaat uit 4 artikelen luidende : 

„190. De Koning heeft het oppertoezicht over alles wat 
betreft den waterstaat , de wegen en bruggen daaronder 
begrepen , zonder onderscheid of de kosten daarvan wor- 
den betaald uit 's Lands kas of op eene andere wijze ge- 
vonden. 

191. De wet regelt het algemeene en het bijzondere 
bestuur van den Waterstaat in bovengemelden omvang. 

192. De Provinciale Staten hebben binnen hunne pro- 
vincién het toezicht op alle wateren , bruggen , wegen , 
waterwerken en waterschappen ; zij zijn bevoegd , onder 
goedkeuring des Konings , in de bestaande inrichtingen en 
reglementen der waterschappen, behoudens de bepalingen 
der twee voorgaande artikelen , veranderingen te maken 
en nieuwe vast te stellen. De besturen dezer waterschap- 
pen kunnen aan de Staten daartoe voordrachten doen. 

193. De Staten hebben het toezicht over alle verveni- 
gen, ontgrondingen , indijkingen, droogmakerijen, mijn- 
werken en steengroeven, binnen hunne provincie,' behou- 
dens de bevoegdheid des Konings, om het onmiddelyk toe- 
zicht , daarover te voeren , aan anderen op te dragen." 

De algemeene wet , in Art. 191 bedoeld , bestaat nog 
niet. — 

Tegenwoordige toestand. 

Het administratief beheer van den waterstaat van ons 
geheele polderland voor zoover het locale belangen of al- 
thans die van betrekkelijk kleine deelen betreft, is ver- 
deeld over een zeer groot aantal kleinere administratieve 
lichamen , elk meestal één of een gering aantal water- 
staatkundige polders beheerende en daarom ook polders 



127 



of waterschappen genaamd. In Utrecht en Braban- 
noemt men alleen de gereglementeerde polders (de polder 
lichamen die een bij de wet erkend reglement bezitten) 
waterschappen; in de laatste provincie zyn er zeer vele 
zonder reglement. Deze noemt men , zooals zulks elders 
met aüe polders , gereglementeerd of niet , geschiedt , 
polders. 

Het gebruik van deze woorden voor ^polderUchaam" 
doet waarschijnlijk de verwarring ontstaan die dikwijls bij 
oningewijden in het begrip „polder" of „waterschap" voor- 
komt. Een polder is in concreten zin een stuk lands. 
Maar het woord polder duidt in abstracto tevens aan het 
beheer van den polder of ook wel de administratieve ver- 
eeniging van eenige waterstaatkundige polders, en die naam 
is zelfs overgedragen op dergelijke vereenigingen van landen, 
gelegen in streken waar geen polders bestaan , b. v. In 
het oosten des lands. Als Staring dus in zijn „Natuur- 
kunde en Volksvlijt van Nederland", na eerst over droog- 
makerijen en andere polders gesproken te hebben , zegt : 
j^eheel iets anders zyn de rivierpolders ; zij hebben voor 
onderhoud der dijken te zorgen , waaraan zij grenzen, enz." 
dan kan hij hier slechts bedoelen de vereenigingen van 
belanghebbenden waarop de verpUchting tot onderhoud der 
dijken , enz. rust ; want uit een hydrografisch oogpunt is 
tusschen een polder aan een grooten rivierdijk gelegen en 
een daarvan meer verwijderden polder niet het minste 
verschil. 

Die polders of waterschappen, de zoogenaamde lagere 
waterschappen vormend , zijn voor, een groot gedeelte — 
soms met daaraan grenzende hoogere gronden , duinen 
enz. — tot zoogenaamde Joo/cZwaterscbappen vereenigd, 
groote lichamen die voor alle of sommige gemeene belan- 
gen, zooals die van gemeene boezems, bescherming tegen 
het buitenwater, enz., te waken hebben. Het geheele vaste- 
land van Zuid-Holland en Noord-Holland t. Z. van het voor- 
malige IJ en een gedeelte van het Utrechtsche polder- 
land , is in zulke groote waterschappen ingedeeld ; ook 



128 



vindt men deze op de Zuid-Hollandsche eilanden , in Gel- 
derland tusschen de groote rivieren , het grootste gedeelte 
van Hollands Noorderkwartier en Groningen. In Zuid- en 
Noord-Holland en Utrecht zijn het nog de groote water- 
schappen, meestal Hoogheemraadschappen, j reeds in de 
middeleeuwen en onder Keizer Karel V ontstaan , en in 
't algemeen dragen zij al naar hun oorsprong , den titel hun- 
ner l)estuurders , hunne belangrijkheid, enz. de namen van: 
Hoogheemraadschappen, Heemraadschappen, 
Grootwaterschappen, Polderdistricten, enz. 

Een groot aantal polders in Utrecht en Noordholland, 
alle in Noordbrabant en Zeeland ", enz. zijn niet door een 
dergelijken band vereenigd en staan dus administratief 
geheel op zich zelve. 

De vereeniging der polders tot waterschappen is niet 
altijd dezelfde d. w. z. soms geschiedt die vereeniging ten 
opzichte van alle mogelijke gemeenschappelijke water- 
staatsbelangen , zoowel van waterloozing en . waterinla- 
ting, als van de bescherming door rivier- en zeedijken; 
evenzoo is dit meestal het geval ten opzichte van finan- 
cieel beheer ; het opbrengen van lasten tot aanleg en on- 
derhoud van werken van algemeen belang, enz. Soms is 
die band evenwel veel losser en terwyi dan b. v. wat hun 
waterafvoer , beschermende kaden , enz. en de bepalingen 
omtrent de nakoming van daartoe strekkende verordeningen 
betreft, de polders geheel op zich zelven staan, zenden zij 
b. V. slechts gemeenschappelijke vertegenwoordigers naar 
een jaarlijksche algemeene vergadering van verschillende 
waterschapsafgevaardigden tot bespreking van een enkele 
zaak van gemeen belang , b. v. het onderhouden van een 
dijk. Dit is de oorzaak dat sommige landen soms tot meer 
dan één administratief lichaam behooren , b. v. in Noord- 
Holland t. N. van het voormalige IJ , en dan ook ver- 
schillende lasten betalen. 

Het Hoogheemraadschap Rijnland b. v. , welks inrichting 
wij om de belangrijkheid hierna nog zullen meedeelen , is 
de vereeniging van bijna alle mogelijke gemeene belangen 



129 



van daartoe behoorende gronden. Daarentegen strekken 
zich de vereenigingen van polders genoemd „Duinkavel" 
en „Kavel Waterland" in Noord-Holland niet verder uit 
dan tot de gemeenschappelijke vertegenwoordiging m het 
Hoogheemraadschap van den Hondsbossche en Duinen tot 
Petten , een Hoogheemraadschap waarvan het bestuur is 
opgedrs^en over den Hondsbossche en aansluitende zee- 
weringen in Noord-Holland. 

Wij zullen hierna naast de topografische indeeling van 
het polderland ook de administratieve voegen en daaruit 
zal dan o. a. blijken , dat een boezem of meer vereenigde 
geheele boezems en daarop afwaterende landen niet altijd 
één waterschap vormen , al zou dit waarschijnlijk in vele 
gevallen wenschelijk zijn. Soms behoort één boezem tot 
verschillende waterschappen , dan weer bevat een water- 
schap verscheiden boezems of deelen daarvan. 

De grenzen van het Hoogheemraadschap Rijnland b. v. 
wijken niet veel af van die der landen loozende op Rijn- 
landsboezem. Toch behooren tot het Hoogheemraadschap 
0. a. alle polders aan de zuidzijde van het voormalige IJ 
gelegen buiten den Spaarndamschen dijk, die vroeger 
rechtstreeks op het buiten water (het IJ), nu op den boezem 
van het Noordzeekanaal loozen. Voorts behooren er toe 
eenige eveneens op den boezem van het Noordzeekanaal 
uitwaterende landen bij Haarlem, terwijl de Sloter Binnen- 
en Middelveldsche gecombineerde polder benevens eenige 
gronden ten westen van Amsterdam deels op het stads- 
water van Amsterdam deels op Rijnlandsboezem loozen. 

De Nieuwkoopsche Droogmakerij slaat gedeeltelijk op Am- 
stellands- gedeeltelijk op Rijnlandsboezem uit, doch behoort 
administratief tot het Hoogheemraadschap Rijnland; en de 
polder van Stein bij Gouda , eveneens daartoe behoorende, 
loost op den Gtekanaliseerden Holl. IJsel. Daarentegen 
maken de landen tusschen de ringvaart van den Zuidpias 
ter eene en de Gouwe en den Holl. IJsel ter andere zijde, 
die op Rijnlandsboezem uitslaan , administratief geen deel 

9 



180 



xiit van Rijnland maar van het Hoogheemraadscbap Schieland. 

Dit Hoogheemraadschap Schieland daarentegen heeft niet 
één enkelen algemeenen boezem , maar daartoe behooren : 
de geheele Rotteboezem, de boezem van den Zuidpias ^ 
voorts een klein deel van Rijnlandsboezem tot aan de 
Gouwe en den IJsel met de tot die boezems behoorende 
landen. Voorts van Schieboezem eenige polders en nog 
de Prins-Alexander-Polder (droogmakerij) en een paar 
andere die rechtstreeks op het buitenwater uitslaan. 

De polders van elk hoofdwaterschap en die welke op 
zich zelven staan hebben afzonderlijke besturen en meestal 
huishoudeiyke reglementen. Aan de besturen van vele 
hoofdwaterschappen — niet aan alle — is het toezicht over 
de huishoudelijke belangen van de afzonderlijke polders in het 
waterschap opgedragen ; deze blijven echter bovendien on- 
der het toezicht des Konings en van de Provinciale Staten. 
Dat toezicht is voor alle polders geregeld bij een alge- 
meen reglement, door Provinciale Staten der betrok- 
ken provincie opgemaakt. 

Behalve de genoemde soort van lichamen bestaat er nog 
een andere nl. die der DijksbeBtaren » die uüduitend 
beheer voeren over de dijken langs het buitenwater «a wat 
daarmede in verband staat. Zij zorgen voor onderhoud 
en verbetering der dijken enz., heffen daartoe lasten van 
belanghebbende waterschappen en polders, enz. Enkele 
Dijkbesturen oefenen het geheele beheer van den dijk recht- 
streeks uit , andere hebben slechts algemeen toezicht over 
de besturen van de verschillende stukken dijk , dammen en 
sluizen tot den geheelen dijk behoorende. Naar hunne 
bestuurders heeten ook deze lichamen soms Hoogheem- 
raadschap , soms Waterschap , soms Vereeniging van de 
„N" zeewering, enz. Vele dijkbesturen, hoewel het toezicht 
uitoefenende op alles betreffende de dijken, voorzien slechts 
in buitengewoon onderhoud, d. z. belangrijke herstellingen of 
verbeteringen ; het gewoon onderhoud geschiedt dan door 
van ouds dijkplichtigen , gehoefslaagden genaamd, als 



181 



zij elk een bepaald vak of hoefslag van den dijk moeten 
onderhouden; de dijk heet dan verhoe fs laag d. 

Van de besturen der waterschappen, als b. v. Rijnland, 
vormt meestal een gedeelte het Dagelijksch Bestuur , ge- 
woonlijk benoemd door den Koning , hetgeen bepaald wordt 
in het algemeen reglement van het waterschap , dat , zoo- 
als de Grondwet aangeeft, onder Kon. goedkeuring door Pro v. 
Staten kan worden vastgesteld of gewijzigd. De titels der 
leden van het Dag. Best. zijn gewoonlijk die van Dijkgraaf, 
Hoogheemraad, Waarschap, enz. Zoo bestaat 
b. v. het Dag. Best. van Rijnland uit één Dijkgraaf en zes 
Hoogheemraden voor den tijd van 6 jaar te benoemen door 
den Koning. De overige leden van het bestuur, in vele 
waterschappen hoofd ingelanden genaamd — inN.-Hol- 
land soms ook waarschappen — worden veelal gekozen 
door kiesgerechtigde ingelanden, dat zijn de grondbe- 
zitters, wier kiesbevoegdheid en aantal stemmen meestal 
afhangt van de grootte van hun grondbezit. Soms ook 
geschiedt dit door Gemeentebesturen , door Burg. en Weth. 
of door Kerken , zelfs hebben hier en daar familiën het recht 
zich door een hoofdingeland te doen vertegenwoordigen. 
Een en ander vloeit voort uit rechten door particulieren , 
kerken, enz. reeds in de middeleeuwen en later door ver- 
schillende omstandigheden verkregen. 

De besturen der afzonderlijke polders bestaan uit een 
Voorzitter of een Secretaris en eenige leden. De Voor- 
zitters heeten Voorzitter , Schout , Dijkgraaf , enz. of zijn 
Burgemeester ; de leden : Leden , Poldermeesters , Heem- 
raden , Kademeesters , enz. Enkele groote polders als 
b. V. de Haarlemmermeer hebben ook een Dag. Bestuur. 
Sommige polders worden rechtstreeks door het Algemeen 
Bestuur van het Hoofdwaterschap waartoe zij behooren 
beheerd, andere door de voornaamste grondeigenaren, an- 
dere weer behooren aan een enkele familie. Dit zijn even- 
wel uitzonderingen. 

D^ kosten van bestuur , onderhoud van werken tot 
gemeenschappelijke waterloozing , enz, of voor werken in 

9* 



182 



't b\Jaonder ten laste van het Waterschap , worden meestal 
omgeslagen over de ingelanden naar evenredigheid van de 
grootte van hun grondbezit. Die belasting wordt daarom 
in sommige waterschappen bundergeld genoemd. De 
lasten voor zeeweringen en dijken worden opgebracht door 
betr. polders of geheele waterschappen of door gemeenten, 
onder 'den naam van dijklasten, verpon dinggeerzen, 
(Geestmerambacht in N.-Holland) , enz. 

Bovendien betalen de polders voor hunne eigen bemaling, 
waterkeeringen y gemeenschapsmiddelen, enz. afzonderlijke 
en natuurlijk zeer uiteenloopende polderlasten. 

De besturen der vereenigingen voor de dijken en zee- 
weringen worden óf eveneens door den Koning benoemd 
óf wel door de betrokken waterschappen of de besturen van 
deze voeren zelven rechtstreeks het beheer. De titels van 
bestuurderen zijn ook die van Dijkgraaf, Hoogheemraad, 
Heemraad , enz. Zij benoemen meestal zelven een collegie 
van Dag. Bestuur voor spoedverelschende zaken , dikwijls 
Hoofdingelanden geheeten. 



HOOFDSTUK 6. 



Topografie. 



Wij kunnen ons polderland gevoegelijk verdeelen in: 

A. Het HoUandsch-Utrechtsche polderland. 

B. De Zuid-Hollandsch-Brabandsch-Zeeuwsche zeeklei- 
landen (bedijkingen.) 

C. De Geldersche-Brabandsche Rivierkleipolders. 

D. Het Friesch-Groningsch-Gverijselsche polderland. 

E. De Zuiderzeekusten van het Zwartewater tot Gooiland. 

F. De eilanden in de Noordzee en in de Zuiderzee. 
Deze verdeeling kan men gronden in hoofdzaak op den 
hydrografischen toestand van de meeste landen in de ge- 
noemde afdeeüngen — die evenwel gedeelteiyk met hun ge- 
ologischen toestand samenhangt — en op hunne ligging. 

A. HET HOLLANDSCH-UTRECHTSCHE POLDERLAND. 
(Kaarten III en IV.) 

§ 1. Algemeene beschrijving. 

Dit gedeelte bestaat uit geheel Noord-Holland behalve 
(Ie eüanden en een deel van Gooiland t. O. van Naarden ; 
Utrecht tot aan de hooge gronden, bepaald door de lijn 
Hilversum — Maartensdijk — Houten — Culemborg ; Zuid-Hol- 
land t. N. van Nieuwe Maas , Noord en Merwede tot de 
Linge en den Diefdijk. 

In het algemeen bevatten deze gewesten de z^eenpolders. 
I-angs de oevers van Krommen R\jn, Vaartschen Rijn, Vecht, 
Ouden Rijn en Hollandschen IJsel, benevens in deelenvan 
de Krimpener- , Lopikker- en Alblasserwaarden liggen pol- 



134 



ders met rivierklei in den bovengrond. Ten O. en t. W. 
van Delft en t. N.W. van Schiedam liggen polders met 
zeeklei aan de oppervlakte, welke tevens zooals wij weten 
den bodem van bijna alle droogmakerijen vormt. In 
het N. van Noord-Holland, in het oude Westfriesland , 
is de bodem oude zeeklei , op enkele deelen zandgrond en 
geestgrond na, vooral in het westen nl. in Geestmeram- 
bacht , terwijl het noordelijk deel van Noord-Holland eindelijk 
uit bedykingen bestaat met hun bodem van zeeklei en zand. 

Gehed Noord-Holland t. N. van het voormalige IJ met 
inbegrip van de droogmakerijen is weiland , tot boter- en 
kaasmakerij en vetweidery , behalve de Waard- en Groed- 
polder en een gedeelte van den Anna-Palownapolder , waar 
koren verbouwd wordt. Ten Z. van het voormalige IJ 
dienen olie veenpolders tot weiden , eveneens de met rivier- 
klei bedekte langs den Ouden Rijn , den HoUandschen IJsel 
en die in den Ablasserwaard , alsook de kleilanden om 
Delft; deze polders duidt men daarom in het algemeen 
wel aan met den naam van koepolders. De droog- 
makerijen dienen tot bouwland , dat gedeeltelijk nu en dan 
beweid wordt ; tarwe , haver en koolzaad worden voor- 
namelijk verbouwd ; eveneens vindt men kor^nbouw op de 
rivierklei langs Lek , Krommen Rijn , Vaartschen Rijn 
^n HoUandschen IJsel, in den Krimpenerwaard boven Schoon- 
hoven langs de Lek en boven Montfoort langs den IJsel en 
in de Vijfheerenlanden langs de Lek boven Ameide. Bo- 
vendien komen op allerlei gronden over kleine oppervlakten 
bijzondere teelten voor, als die van druiven in 't Westland, van 
bloembollen bij Haarlem, boomkweekerijen bij Boskoop enz. 

Het algemeen kenmerkende van deze afdeeling uit een 
hydrografisch oogpunt is: niet-rechtstreeksche uit- 
watering op het buitenwater en kunstmatige 
opvoering van het polderwater (bemaling.) Op de 
eei'ste eigenaardigheid maken groote deelen in Noord-Hol- 
land , in den Krimpenerwaard . en bij de Nieuwe Maas uit- 
zondering (zie de ged gekleurde landen op de kaart) ; het 
laatste kenmerk geldt slechts voor enkele kleine deelen niet. 



135 



Vooral met het oog op de bescherming tegen het buiten- 
water, die hoofdzakelyk op de administratieve indeeling 
invloed uitoefent, zou men dit polderland weer kunnen 
verdeelen in: 

Holland en Utrecht t. Z. van het voormalige IJ 
en de Zuiderzee. 

Het voormalige IJ. (Boezem van het Noordzee-kanaal.) 

Noord-Holland t. N. van het voormalige IJ. 

Door een blik op de beide kaarten III en IV zien wij 
een groot aantal boezems , die elk door een andere kleur 
zijn aangegeven , terwijl de daarbij behoorende polders een 
overeenkomstige kleur in lichter tint hebben, die voor de 
droogmakerijen wat donkerder is dan voor de overige pol- 
ders. De landen die rechtstreeks op het buitenwater 
loozen zijn geel gekleurd. De droogmakerijen vindt men 
in Noord-Holland voor het grootste gedeelte in de vele . 
drooggemaakte meren ; voorts in twee groote groepen ver- 
eenigd , n.1. één in , t. O. en t. Z.0. van de Haarlem- 
mermeer en één in en om den Rotteboezem. T. O. van de 
Vecht vindt men alleen de Tienhovensche Droogmakerij, 
en de drooggemaakte Horstermeer. In Utrecht vindt men 
betr. de kleinste en meeste boezems , in N.-HoUand t. N. 
van het voormalige IJ de minste. Voorts vallen om 
hunne uitgestrektheid dadelijk op : Amstellandsboezem , 
Rijnlandsboezem , Schieboezem en Schermerboezem. 

Omtrent de hoogteligging der polders en droogmakerijen 
betr. A.P. hebben vrij vroeger reeds een en ander gezegd. 
Wij vestigen hier slechts de aandacht op de peilen der 
binnendijksche landen dicht langs de groote rivieren tot 
aan Krimpen a./d. Lek , die hooger zijn dan die der andere 
polders, een gevolg van het ophoogen door de rivier in 
vroeger dagen , terwijl natuurlijk de buitendijksche landen, 
die nog jaarlyks overstroomd worden , nog hooger liggen. 

§ 2. Bivieren. 

De eenige rivieren die door en langs dit geheele polder- 
land loopen zijn 1®. de Lek, de Nieuwe Maas en het 



136 



Scheur met den Nieuwen waterweg én 2*. de 
HoUandsche IJsel van even boven Gk)uda tot aanzijnmond 
by Krimpen 3®. de Merwe en de Noord en 4*. de Linge. 

De HoUandsche IJsel, vroeger waarschynlijkeen belangrijke 
Rynarm, getuige de rivierklei langs zyne oevers, werd later 
aan zijn bovenmond zoowel van Yaartschen Rijn als Lek 
afgescheiden ontving alleen nog nu en dan water uit de 
Lek door een duiker bij het Klaphek. In 1854 -'62 
werd echter de rivier even boven Gouda afgedamd en in 
den dam een schutsluis gelegd en een uitwateringssluis voor 
het afgesloten verruimde en verdiepte (gekanaliseerde) 
gedeelte , dat nu een boezem werd voor een deel van de 
Lopikker- en Krimpenerwaarden t. Z. en den polder van 
Stein t. N. , waarin de gemiddelde waterstand + 0,4 A.P. 
bedraagt, de hoogste + 1>05 en de laagste — 0,27 A.P. 
Bij droogte wordt water bij het Klaphek ingelaten uit de 
Lek en ook uit de rivier den IJsel bij Gouda , niet alleen 
voor den boezem van den gekanaliseerden IJsel zelven, 
maar ook voor den boezem van Woerden die het water 
door een duiker aftapt op de Enkele Wiericke. 

Ook treedt nog voor een klein gedeelte op Zuid-Hollandsch 
gebied de Linge met het Steenenhoeksch . kanaal , reeds 
boven (bl. 38) beschreven om haar verband met de hoofd- 
rivieren en daaruit voortvloeiende belangrijkheid. Wij zullen 
er hierna nog even op terug komen, als het water waarop 
ook nog een aantal Zuid-Hollandsche polders hun water 
uitslaan. 

Wij behoeven niet meer te herhalen, dat al de andere 
wateren welke hier den naam van rivier dragen volstrekt 
niet rivieren zijn ; men ziet dit spoedig in, zoodra men het 
; egrip boezem goed verkregen heeft. Want al die zooge- 
naamde rivieren vormen immers stilstaand afgesloten boe- 
zemwater. Hier volgen nog een paar typische voorbeelden: 

Wat men den Ouden Rijn noemt zijn vijf aaneen- 
geschakelde kommen van Utrecht tot Katwijk, door sluizen 
gescheiden. (Zie kaart III). 

In de Ie, veelal Leidschen Rijn geheeten, zich uitstrek- 



137 



kende van Utrecht tot aan den Stadsdam , niim Vs uuf 
lang, staat het water gemeen met het stadswater van 
Utrecht d. i. gemiddeld + 0,50 A.P. ; zij loost met het 
stadswater door de Weerdsluis op de Vecht. De 2e 
kom , van de schutsluis aan den Stadsdam tot die aan den 
Heldam , lang ruim 1 iiur behoort tot den boezem van de 
Lange Vliet öf Heijcop , heeft dus een gemiddeld peil van 
-f 0,3 A.P. en loost alzoo haar overtollig water met dat 
van den Lange-Vlietboezem bij Breukelen en Nieuwer- 
sluis op de Vecht. De 3e kom van de schutsluis aan den 
Heldam tot die aan de Haanwijkersluis even voorbij Har- 
melen , lang ongeveer Vsr uur , behoort tot Amstellands- 
boezem , waarop ook landen t. Z. van den Ouden Rijn uit- 
slaan, heeft dus een gemiddeld peil van —0,35 A.P. ; zij 
staat door middel van de zuid-noord zich uitstrekkende 
Bijleveld in verbinding met de andere boezemwateren van 
Amstelland en loost tegelijk met deze haar overtollig water 
fe Amsterdam op hét Stadswater en door de 
Ipenslooter- en Diemerdammersluizenop 
de Zuiderzee. De volgende of 4e kom, van de Haan- 
wijkersluis by Harmeien tot de schut- en uitwateringssluis 
bij Bodegraven , behoort tot den boezem van Woerden ; zij 
heeft alzoo een gemiddeld peil van —0,47 A.P. en loost 
met al het water van Woerdens boezem op dien van 
Rijnland bij Bodegraven. Eindelijk vormt de 
laatste of 5e kom , tevens de grootste , een voornaam deel 
van Rijnlandsboezem, heeft dus een gemiddeld peil van 
-0,55 A.P. en loost met Rijnlandsboezem bij Katwijk, 
Gouda, Spaarndam en Halfweg langs natuurlij- 
ken weg of door afmaling met stoomtuigen. 

Welk een geheel andere voorstelling krijgen wij dus 
door deze beschouwing van den Ouden Rijn , dan door de 
beschrijving in vroeger jaren van hem gegeven , als een 
van de 2 takken^ waarin zich de Kromme Rijn bij Utrecht 
cenledde en die dan onder dien naam westwaarts «^roowwfe 
tot Katwijk aan zee ! Niet alleen dat van een stroomen 
en in zee vloeien bij Katwijk van den geheelen Ouden Rijn 



138 



geen sprake is, maar soms staat het water m enkele 
kommen nog hooger dan in die welke t. O. daarvan zijn 
gelegen, getuige de schutsluizen met naar weerszijden 
koerende puntdeuren. Het water by Utrecht bereikt Kat- 
wük nooit, zelfs Harmeien niet. 

Heeft men er wel eens aan gedacht dat de Oude Rijn 
gedeeltelijk by Breukelen op de Vecht en bij Amsterdam 
op de Zuiderzee afwatert! Laten wij dus maar aannemen 
dat het een opwelling was, die den dichter wat blind 
maakte, toen hü aan de oevers van den Ouden Rijn zong: 
Zijn wateren drenken de oude zoomen 
En 't landvolk spelend aan den vloed , enz. enz. 

Ik geloof dat hier de zoomen meer den „grootvorst" 
RÜn drenken dan omgekeerd , maar waar de dichter spreekt, 
zullen w\j zijn taal maar niet toetsen aan de koude we- 
tenschap. 

De andere zoogenaamde „arm van den Rijn" is de Vecht. 
Zij vormt van de Weerdsluis bij Utrecht tot de zeesluis bij 
Muiden één enkelen boezem , den boezem van de Vecht , 
met een gemiddeld peil van —0,21 A.P. en waartoe be- 
halve de Vecht zeer weinig ander water behoort. De 
Vechtboezem ontvangt het stadswater van Utrecht met 
alles wat hierin loost (den Krommen Rijn, den Vaartschen Rijn 
en de Biltsche Grift) benevens dat van verscheiden andere 
boezems. Al dat water wordt langs natuurlijken weg bij 
L. W. op de Zuiderzee door de groote zeesluis bij Muiden 
geloosd. (Zie hieronder bij de boezems.) De Vecht is 
dus evenmin een rivier , een Rijnarm , als de Oude Rijn ; 
beide gelijken, naar de gegeven beschrijving, meer op regen- 
bakken dan op rivieren en hebben evenmin iets met 
de eigenlijke rivier den Rijn te maken als met de 
Mississipi b. v. — Evenmin zijn de Amstel , de Drecht , 
het Spaame , de Zaan , de Aar , de Gtouwe , de Rotte , 
de Vlist , de Alblas . de Qiessen , enz. rivieren en toch 
hoe klinkt het nog in onze ooren : „de Zaan ont&pringt bij 
KnoUendam , loopt langs Wormerveer , Zaandijk , enz. en 
valt bij Zaandam in het IJ ! 



139 



In Utrecht vinden wy eenige wateren die in zekeren zin 
den naam van stroomend water kunnen dragen. 

In de eerste plaats behoort hiertoe de Kromme Rijn. 
Behalve door de zich daarin ontlastende stroompjes gevoed 
door een duikersluisje bij Wijk bij Duurstede uit de Lek , 
had voorheen dit water van deze plaats tot Utrecht bij 
middelbaren stand een verval van 2,656 M. op de 30,000 M. 
ongeveer, droomde dus en hortte zich in de singelgracht 
(stadswater) van Utrecht. 

Thans, na 1871 , is de Kromme Rijn gekanaliseerd , d.i. 
verruimd en uitgediept, voornamelijk met het oog op den 
aanvoer van water uit de Lek tot het stellen van de 
militaire inundatie voor de Nieuwe HoUandsche Waterlinie, 
en tusschen Wyk by Duurstede en Werkhoven verdeeld 
in 3 kommen of panden, terwyl het gedeelte beneden Werk- 
hoven vrij naar Utrecht afstroomt. Het Ie pand strekt 
zich uit van Wyk bij Duurstede tot de schutsluis even 
beneden die stad met een peil van + 2,39 tot 3,40 A.P.; 
het 2e van hier tot Cothen met een peil van + 2,39 A.P. 
met een zijtak naar de militaire inundatiesluis ; het 3e van 
hier tot Werkhoven met een peil van + 1,75 A.P. ; ter- 
wijl het laatste gedeelte in vrije verbinding is gebleven 
met het stadswater van Utrecht. Het 2e pand stroomt 
door de Cothergrift en de Langbroeker Wetering vrij af 
op het open gedeelte beneden Werkhoven , terwijl de pro- 
vinciale inlaatduiker te Wijk bij Duurstede geopend blijft 
tot de Cothergrift aan de Statenbrug het peil van + 2,36 
A.P. bereikt heeft. De panden van den Krommen Rijn 
ontvangen door verschillende stroompjes en weteringen , 
als de Amerongsche, Langbroeksche en Gooijer Weteringen, 
de Cothergrift, de Oud-Wulvensche wetering en de 
Meentstroom het water vau de streek, waardoor zij loopen 
geheel langs natuurlijken weg (slechts het poldertje de Noord- 
polder beneden Wijk bij Duurstede wordt som/i/cte door een 
enkelen molen bemalen), stroomen dus en moeten nu en 
dan op elkaar worden afgelaten , waardoor het water van 
den Krommen Rijn zich soms met vrij sterke snelheid in 



140 



Utrecht's stadwater stort.. InzooverrehezitduséeKxommB 
Ryn nog het karakter van rivier. Het vrij afstroomende 
deel beneden Werkhoven had o.a. 1873-1880 bij Odijk 
een gemiddelden stand van + 1,16 en bij Utrecht van 
ongeveer + 0,6 A.P. 

De Vaartsche Rijn ontvangt tusschen Jutfaas en 
Vreeswijk het water van de vry daarin afstroomende 
Schalkwijksche Wetering en daarmede dat van andere we- 
teringen die in deze uitkomen, als de Waalsche Wetering, enz. 
Behalve van eenige weinige polders, die langs natuurlijken 
weg loozen op den Vaartschen Rijn, wordt evenwel het 
water van de streek waardoor deze en een deel van ge- 
noemde weteringen loopen, daarin opgemalen. Toch is de 
Vaartsche R\jn als stroomend water te beschouwfin dat 
bij Utrecht aan de Tolsteegpoort steeds vrij op het stads- 
water afvloeit. Tusschen Vreeswgk en Utrecht bestaat 
dan ook altijd eenig verval. De gem. zomerstand was nl. 
van 1858—1867 te Vreeswijk + 0,56 A. P. en die van 
het stadswater te Utrecht + 0,60; de gem. winterstan- 
den resp. + 0,66 en + 0,55 A. F. ; de Vaartsche Rijn 
moet dus stroomen en in het stadswater afvloeien. De 
Vaartsche Rijn staat te Vreeswijk in verbinding met de 
Lek door de groote schutsluis en de Rijkshulpschutsluis , 
door welke laatste zoo noodig de voeding geschiedt. Thans 
worden deze sluizen met een deei van den Vaartschen Rijn 
verlegd van de oost- naar de westzijde van het dorp 
Vreeswijk , in verband met de werken ter verbetering der 
Keulsche vaart. 

Nog wateren vrig in Utrecht's stadswater af en ontvan- 
gen hun water langs natuurleken weg, zijn dus stroomende 
wateren met verhang en snelheid: 

De Biltsche of Zeister grift bestaande . uit 2 pan- 
den , waarvan het 2<^e t. W. van de Bilt op het Ie loost, 
terwijl dit, waarvan een deel — van het Fort op de Biltstraat 
tot aan het Zwarte Water bij de Vecht — nog denzelfden 
naam behoudt , vrij op het stadswater afstroomt. 

De Maartensdijksche weteringen, die zichten 



UI 



slotte even te N. van Blauwkapel in eene enkele, ge- 
naamd het Zwarte Water, vereenigen, welke zich buiten 
de Weerdpoort te Utrecht grootendeels vry en verder door 
een schut op de Vecht ontlast. 

§ 3. Boeaems en reohtstreeksophetbuitenirater 
looaende landen. (Kaart UI.) 

T. Z. VAN HET VOORMALIGE IJ. 

Tegen het buitenwater beschermen ten eerste de dijken 
langs de groote rivieren , langs de zuidzijde van de Lek , 
oostzijde van de Noord en den noordelijken oever van de 
Merwe. 

Langs den noordelijken oever van de Lek strekt 
zich tot het Klaphek uit de Lekkendijk Bovendams, 
van hier tot Schoonhoven de Lekkendijk Beneden- 
da ms en van hier tot den IJseldijk bij Krimpen de 
Lekdijk van den Kr impener waard. Langs de Nieuwe 
Maas, enz. tot de duinen aan de Noordzee loopt de Ma as- 
dijk, van Rotterdam tot VTaardingen ook Schieland- 
sche dijk genaamd en verder bovenwaarts van Rotterdam 
tot Krimpen met den N. IJseldijk van hier tot Gouda 
Schielands Hooge Zeedyk. De Maasdijk is hier en 
daar slaper geworden door het voorleggen van zware 
dijkeu van buitenpolders zoo als van den Oranjepolder. De 
Maasdijk emdigt tegen den Noordlandschen dijk van 
den polder Noordland. 

Langs de Noordzee beschermen duinen. Deze waren 
echter tusschen Loosduinen en 'sGravesande zoo afgenomen, 
men hier in het laatst der vorige eeuw het strand 
door hoofden , d. z. 180 M. ver in zee uitstekende dammen 
van rqs en steen, heeft beveiligd. Langzamerhand z\jn 
er meer bijgelegd, zoodat deze Delflandsche hoofden, 
zooals z\j heeten , zich nu van vóór den Noord- en Nieuw- 
landschen polder tot 3000 M. t. Z. van Scheveningen uit- 
strekken. Achter het smalste deel van het aldus be* 



142 



schermde strand ligt de Slaperdijk, nl. van de aansluiting 
van den Maasdijk aan den Noordlandschen dijk tot strand- 
paal No. 110. 

Langs de Zuiderzee loopt een dijk van de hooge gronden 
achter Valkeveen over Naarden en Muiden tot aan den 
oostkant van de hooge gronden by Muiderberg; voorts van 
de westzijde dezer gronden tot Amsterdam onder verschil- 
lende benamingen , die wij hierna bij de zeeweringen en 
dijkbesturen zullen opgeven. T. Z. van het voormalige IJ 
vindt men voorts de waterkeeringen van Amsterdam, van 
hier tot Spaarndam den Spaarndamschen dijk, en hieraan 
sluitende den Schenkeldijk en den Slaperdijk tot Zandpoort, 
welke laatste een binnendijk is , vroeger dienende bij door- 
braken in de westelijke dijken van het IJ (de Wijkermeer). 

Van groot belang is voorts de binnenwaterkeering , ge- 
vormd door den zuidelijken of HoogenRijndijk, den Wiericken- 
of Prinsendijk aansluitende aan Schielands Hoogen Zeedijk 
langs IJsel en Maas, die een deel van Rijnland, Schieland 
en Delfland beschennt bij event. doorbraak vau den Noor- 
der Lekdijk, waarom die waterkeering ook door deze 3 
waterschappen wordt onderhouden; wij komen er later 
nog op terug. 

Wij zuUen hieronder al de boezems opgeven van dit 
deel van ons polderland. Een nauwkeurige beschouwing 
der kaart kan reeds veel omtrent die boezems leeren en 
uitvoerige gegevens omtrent elk van hen behooren hier 
niet thuis. Daarom zullen wij iets langer stilstaan slechts 
bij die boezems die om hun uitgestrektheid en belangrijk- 
heid bijzonder de aandacht verdienen. Eenige cijfers te 
kennen als b. v. de gemiddelde boezemstanden van Rijnland, 
Delfland, Schieland en Amstelland kan nuttig zijn; de 
overige cijfers deelen wij slechts mede, opdat men na het lezen 
van het geheel zich een goed algemeen denkbeeld van de 
hoogteligging der landen en wateren vestige , terwijl zij 
tevens als gegevens kunnen dienst doen voor hen die ze 
noodig hebben en toch niet meer détails behoeven dan 
hier kunnen worden vermeld. 



U8 



De Alblasserwaard , zich uitstrekkende t. N. tot 
de Lek, t. Z. tot de Merwe, t. W. tot de Noord en t. 
0. tot de Bazel- , Zou wen- en Arkeldijken "langs de Oude 
Zederik en de Linge, bestaat behalve uit de polders van 
Nieuw-Lekkerland en Streefkerk, die afzonderlijk recht- 
streeks op de Lek, en den polder van Papendrecht, die 
rechtstreeks op de Merwe loost, uit de landen behoorende 
tot de 2 volgende boezems : 

1. Den boezem van den Overwaard (het oostelijk 
deel). De boezem wordt gevormd door de Giessen en 
eenige andere wateren en vaarten, waaronder de Schel- 
luinsche Vliet en een water, meer bijzonder boezem van 
den Overwaard geheeten, dat op een laag gelegen punt 
op de Lek loost, nl. bij den Elshout door 2 sluizen. Bij 
onvoldoende loozing langs natuurlijken weg wordt de boezem 
door 8 windmolens en een stoomgemaal van 152 paarde- 
kracht opgemalen in een hoogen boezem , die ook door 2 
sluizen aan den Elshout loost. 

De gemiddelde zomerstand van den boezem is — 0,30A.P. 
Het M.P. (maalpeil) is = A.P. , dat echter bij Hardinxveld 
tot -f 0,10 en bij Gtelkenes tot + 0,16 A.P. mag worden 
gebracht bij gunstige gelegenheid; dat van den hoogen 
boezem = 1,8B -f A.P. Het Z.P. der polders van - 1 tot 
-1,3 A.P. Het buitenwater aan den Elshout gemiddeld 
1,20 (vloed) en 0,10 (eb) + A.P. De hoogste stand aldaar 
+ 3,15, de laagste -0,8 A.P. 

Het inlaten van water geschiedt uit de Merwe door 
de sluis aan het einde van de Giessen te öiessendam. 

2. Den boezem van den Nederwaard (het westelijk 
deel) bestaat alleen uit de Alblas of den Graafstroom en 
een zijtak naar den hoogen boezem. De loozing en inla- 
ting geschieden door de sluis, tevens schutsluis, te 
Alblasserdam aan de Noord. Bij onvoldoende loozing langs 
natuurUjken weg wordt de boezem door 8 windmolens en 
1 stoomgemaal van 100 paardekracht afgemalen op een 
boegen boezem , die aan den Elshout zich door 1 sluis- op 
de Lek ontlast. 



144 



Het M.P. is -0,08 A.P. , dat van den hoogen boezem 
-h 1,58 A.P. Het Z.P. der polders van -1,15 tot - 1,80 A.P. 
Het buitenwater te Aiblasserdam heeft een middelbaren 
stand van -f 1,17 A.P. bij vloed en -0,07 A.P. bij eb. 
Hoogste st. + 3,20 A.R, laagste st. -0,20 A.P. 

Gemeenschap met andere wateren. Met het 
buitenwat^r, de Noord, door de schutsluis te Aiblasserdam. 

3. Van de Vijf heerenlanden, gelegen tüsschen den Diefdijk 
en de Bazel- en Zouwendijken en tüsschen de Lek- en 
Lingedijken, watert het noordelijk deel af op den boesem 
van de Zederik , bestaande uit de Nieuwe Zederik of 
het Zederikkanaal van Vianen tot den Arkelschen dam en de 
Oude Zederik van Ameide tot Meerkerk. Deze ontlast zich 
1^ op de Lek door een sluis te Ameide en 2o.opdeLinge 
door de schutsluis aan den Arkelschen dam. By onvol- 
doende natuurlijke loozing wordt de boezem afgemalen op 
de Linge door een stoomgemaal aan den Arkelschen dam 
van 195 paardekracht, alwaar tevens een stoomgemaal van 
115 paardekracht het polderwater van Nieuwland en Leer- 
broek rechtstreeks op de Linge brengt. De Oude Zederik 
kan door de schutsluis te Meerkerk van den boezem wor- 
den afgesloten tot het maaien der vlietlanden. 

Gemiddelde boezemstand bij Ameide + 0,93 A.P., 
hoogste stand +1,70, laagste + 0,20 A.P.; bij Vianen resp. 
+ 0,96, + 1,65 en + 0,87 A.P., aan den Arkelschen dam gem. 
boezemstand + 0,96 , hoogste + 1,66 , laagste + 0,35 A.P. 
(1871-1880). Z.P. der polders van + 1,1 tot -0,4 A.P. 
Het buitenwater (Lek) te Ameide bij M.R. + 1,95 (vloed) en 
1,80 A.P. (eb). Hoogste stand + 5,58 , laagste f 0,61 ; 
bij Vianen M.R. + 2,46, hoogste st. + 6,18, laagste + 
0,86 A.P. (1871-1880). 

I n 1 a t i n g te Vianen of aan den Arkelschen Dam. 

Gemeenschap met andere wateren. Met 
het buitenwater door de schutsluis te Vianen tüsschen 
Zederikkanaal en Lek : met de Linge door de schutsluis 
tevens U. Si. tüsschen Zederikkanaal en Linge aan den 
Arkelschen dam. 



145 



a. Alle overige polders van de Vyfheerenlanden ioozen 
op de Linge met nog vele andere landen van Gel- 
derland, waarop wy later terugkomen bij de bespreking 
van de Geldersche rivierkleipolders. 

Het Zederikkanaal bij den Arkelschen Dam en het deel 
der Linge van hier tot Gorinchem vormen met het groot 
getal watermolens langs hun boorden, vooral bij dien Dam, 
de eendekooien , enz. een der meest typische wateren van 
ons vaderland, wat men kan opmerken op de reis met 
het bootje van Utrecht over Vreeswyk naar Gorinchem. 

Ten N. van de groote rivieren hebben wy in het Westen 
te beginnen : 

L SchieboeEem» gevormd door de Schie, zijnde de 
vaart tusschen Delft en Overschie , die zich bij deze plaats 
in 3 takken verdeelt , de Schiedamsche Schie , de Rotter- 
damsche Schie (1348 gegraven) en de Delfshavensche Schie 
(1389 gegraven door Delft) , die ook tot den boezem be- 
hooren. Voorts bestaat de boezem uit de vaart van Delft 
naar de Hoornbnig , de Vüet van hier tot den Leijdschen- 
dam, de vaart van de Tolbrug naar den Haag en die van 
hier naar Scheveningen , de vaart van Delft naar Vlaar- 
dingen, de Bonenvliet en nog vele andere vaarten tusschen 
de voorname dorpen in 't Westland en de andere deelen 
van Delfland. De boezem is groot 385 H. A., de opper- 
vlakte van de polders die er op uitslaan 28200 H. A. , 
benevens 8700 H,A. boezemland, hooge gronden en duinen. 

De boezem is besloten en ontlast zich door 11 sluizen 
op. de Nieuwe Maas en het Scheur, nl. door 1 te Rotter- 
&m, 1 te Delfshaven, 1 te Schiedam, 1 aan de Vijfsluizen, 
3 te Vlaardingen , 3 in en by Maassluis (voornaamste punt 
van uitwatering) en door de Oranjesluizen (aan den Oranje- 
polder) — te Delfshaven alleen als het de scheepvaart het 
toelaat; te Schiedam is de loozing niet verplicht. Boven- 
dien is voor tgden van onvoldoende natuurlijke loozing een 
stoomgemaal van 100 paardekracht aan de Vijfsluizen, 
hetgeen echter niet belet dat het M.P. der poldermolens 
.dikwijls bereikt y^ordt en 's winters menigmaal waterbe- 

10 



U6 



zwaar voorkomt. Dit kan men gemakkelijk opmerken ak 
men bij hoogen boezem waterstand, met den trein van Leiden 
naar den Haag gaande, voorbij station Voorschoten van 
Rijnland in Delfland (Schieboezem) komt ; of wel met den 
Rijnspoorweg van Gouda naar 'sHage reizende tusschen 
de stations Zevenhuizen en Soetermeer Delfland binnen- 
komt. Terwijl dan de landen in Rijnland met zijn uit- 
stekende bemaling en in Rotteboezem zelfs de diepe droog- 
makerijen weinig of niet onder water staan , is dat in de 
polders van Schieboezem dikwijls bij groote gedeelten het 
geval. De oorzaken van dien ongunstigen toestand zijn 
ten eerste de betrekkelijk geringe grootte van den boezem; 
ten andere de omstandigheid dat de boezem door de vele 
uitwateringssluizen op de Maas, die tevens schutsluizen zijn, 
door het schutten zeer wordt bezwaard , vooral daar Delfs- 
haven een zeer hoog, Schiedam in 't geheel geen schutpeil 
heeft, de eerste stad afstrooming mag beletten om de 
scheepvaart en beide steden tevens voor hare branderijen 
mogen inlaten ; voorts dat van de eenigszins hooger gelegen 
gronden (geen polders) bij 's Hage vooral bij N. W. winden 
zeer veel water op den boezem afvloeit en eindelijk dat 
de sluisgang door de vloeden op de Maas zeer beperkt 
wordt (te Rotterdam gemiddeld slechts 65 uren per maand), 
De belangrijke quaestie der waterverversching en rioleering 
van 'sGravenhage is zeer moeilijk op te lossen doordat 
het water dezer stad tot Schieboezem behoort. 

Het inlaten op den boezem geschiedt aan de Vijf- 
sluizen en door de Oranjesluizen , soms ook te Maassluis. 

Gemiddelde boezemstand te Delft (1866-68) 
-0,18 A.P. Te Rotterdam (1858-1867) hoogste stand + 0,1, 
laagste -0,62 A.P. Maalpeil = -0,24 A.P. Hoogte der 
kaden + 0,26 A.P. 

Standen van het buitenwater. (1871-1880). Te 
Rotterdam + 1,08 (vloed) en -0,15 A.P. (eb). Hoogste 
-f 2,69 (stormvloed in 1825 = + 3,50 A.P.) en laagste 
-1,17 A.P. Te Vlaardingen M.R. + 0,94 (vl.) en -0,32 
A.P. (eb.) Aan de Vijfsluizen + 0,91 (vl.) en -0,30 A.P. 



147 



(eb). Te Maassluis + 0,88 (vl.) en -0,89 A.P. (eb). Te 
Hoek van Holland aan den noorderdam, gew. vloed 
+ 1,02, gew. eb — 0.54 A.P., hoogste stand + 2,80, laagste 
-1,90 A.P. Het Z.P. der polders is van A.P. tot -2,5 
A.P. , in 't algemeen zeer laag. De droograaker\jen hebben 
Z.P. van -4 tot -5,65 A.P. 

Onder de droogmakerijen is merkwaardig die van 
Nootdorp, omdat zy de eerste was in ons land die met 
stoom tot stand kwam (1844), nl. met 2 stoomtuigen, 
die het water in tweeën opbrachten , gelijk nog thans ter 
drooghouding geschiedt. 

Door de uitgestrektheid van den boezem heeft soms 
belangrijke opwaai ing plaats. Om dan het gevaar voor 
de stad Delft bij Z. W. en W. winden te voorkomen , zijn 
bij die plaats in de Buitenwatersloot en in de Kastanje- 
wetering keersluizen met valschutten , die meermalen van 
groeten dienst zün. Eveneens is bij Overschie in de Rot- 
terdamsche Schie een schutsluisje dienende om bij een 
boezemstand van 2 d.M. boven M.P. de stad Rotterdam 
voor het uit het N. W. opgewaaide water te beveiligen. 

(ïemeenschap met andere wateren. Met het 
buitenwater door 4 schutsluizen tevens uitwateringssluizen 
op de Maas, te Rotterdam, Delfshaven, Schiedam en 
Vlaardingen. Met Rürilandsboezem aan d«n Leidschen- 
dam door de schutsluis aldaar, die tevens dient om bij 
droogte zoo noodig water op Rijnlandsboezem, die bijna 
altijd lager staat (gem. —0.55 A.P.), af te laten. 

Met Rotteboezem door een schutsluisje te Rotterdam aan 
de Delftsche Vaart. 

5. BotteboeEem , gevormd door de Rotte, by 
Moerkapelle aanvangende en zich t. W. van Zevenhuizen 
verbreedend tot de zoogenaamde Bleiswijksche meren en door 
een zijtak bij Rotterdam. Oppervlakte boezem 126 H. A. 
Oppervlakte van de polders 1185 H. A. Deze landen 
worden bijna geheel gevormd door 5 droogmakerijen , van 
welke de grootste is de Bleiswijksche en Hillegersbergsche 
Droogmakery. Deze bestaat echter uit verschillende dee- 

10* 



U8 



len , elk met een ander zomerpeil en op elkaar loozende. 

De afwatering van den boezem, die besloten is^ geschiedt 
op de Nieuwe Maas , vroeger door 5 sluizen , nu alleen 
door de Keizerinnesluis te Rotterdam en voorts door de 
hooge-boezemsluis. Deze laatste dient tot afwatering van 
een hoogen boezem (gegraven 1776), waarin bij onvoldoende 
natuurlijke loozing van den lagen boezem het water van 
dezen door 8 schepradmolens wordt opgemalen. Deze 
kunnen echter niet altijd uitslaan wat het veel grooter 
aantal poldermolens inbrengt , zoodat de hooge boezem 
dikwüls wordt aangemalen (op M.P. gebracht.) 

Gemiddelde boezemstand (1868-1867) -0,43 
A.P. Hoogste stand -0,12, laagste -0,81 A.P. M.P. = 
-0,34 A,P. , bij oostenwind -0,24 A.P. Kaden = + 0,01. 

Het maalpeil van den hoogen boezem is + 0,91 AP., 
de hoogte der kaden hierlangs = + 1,36 AP. Het 
Rottepeil, waarnaar hier meestal gerekend wordt , 
is - 0,341 AP. 

Het inlaten van wat^r geschiedt door de Kralingsche 
sluis te Rotterdam. 

Gemeenschap met andere wateren. 

Met den boezem van de Ringvaart van den Zuidpias 
door de schutsluis aan de Bleiswijksche meren. MetSchie- 
boezem door het schutsluisje aan de Delftsche vaart te 
Rotterdam. 

6. De boesem van de Ringvaart van den Zuid- 
plas , gevormd door deze ringvaart , die de droogmakerij 
t. O. , t. Z. en t. W, doch niet ten N. b^renst en een 
zijtak langs Zevenhuizen naar de Rotte. Grootte 45 
H.A. De landen die op den boezem afwateren bestaan 
uit 2 diepe droogmakerijen, de Zuidplaspolder, groot 
4355 H.A. , en deEendrachtspolder, groot 970 
H.A. , en uit den polder Kortland en Kleinpolder. 

Het polderwater wordt t. Z. van Zuid- Waddinxveen door 
een stoomtuig van 128 paardenkracht op de ringvaart 
gebracht , terwijl de boezem zelf P. aan den Kortenoord 
oj^) den IJad wordt afgemalen door een stoomgemaal van 



U9 



128 paardekracht , 29, by Zevenhuizen door 4 windschep- 
rartmolens op de Botte. Tevens kan zoo noodig een stoom- 
öchepradmolen van 100 paardekracht het polderwater on- 
middellijk onder de ringvaart door op een afzonderlijken 
tusschenboezem brengen en een bo venstoomgemaal ook van 
100 paardekracht dezen laatste op den IJsel afmalen. (Hier- 
om is de Zuidplaspolder op Kaart III geel en rood 
gedreept.) 

Het maalpeil van den boezem van de ringvaart is 
- 1.54 AP. De ringdijk ligt met den kruin op + 0.46 AP. 
en heeft een totale lengte van 29000 M. 

Het buitenwater bij Gouda (1858-1868) by gew. vloed 
-f 1,12, gew. eb -0,26 A.P. , hoogste stand 3,07 + A.P., 
laagste -0,89 A.P. (1871-1880). 

Het zomerpeil van den Zuidplaspolder is —6,60 A.P. , 
van den Eendragtspolder —6,66 A.P. 

De droogmaking van den Zuidpias, een der belangrijkste 
dezer eeuw , kwam tot stand van 1828 , toen de bedijking 
begonnen werd, tot 1839, toen de eerste bezaaiing plaats 
had. Van 1830—1836 werd de arbeid wegens staatkun- 
dige redenen gestaakt. De droogmaking geschiedde gedeel- 
telijk voor rekening van het Rijk; zij had plaats met 27 
groote windmolens en van 1837 en 1838 af tevens met 2 
stoomvijzelmolens. De kosten van droogmaking hebben 
bedragen f 3,200,000 , terwijl 4148 H.A. gronden bij den 
verkoop in 1841 f 762,115 hebben opgebracht, echter tegen 
zeer uiteenloopende pryzen (fiO k 457) p. H.A. 

Gemeenschap met andere wateren. Met Rotte- 
boezem door de schutsluis bij de Bleiswijksche meren ; met 
den IJsel door 2 in een zijtak der ringvaart achter elkaar 
gelegen schutsluizen tusschen den Kortenoord en Moordrecht. 

7. De Vlistboezem » gevormd door de van Haastrecht 
tot Schoonhoven zich uitstrekkende Vlist en een zijtak langs 
Polsbroek. De loozing geschiedt: 1^. door afmaling opeen 
hoogen boeSsem bij Haastrecht en uit dezen aldaar op den 
boezem van den Gekanahseerden IJsel, 2". door aftnaling 
met een stoomtuig van 44 paardekracht rechtstreeks op 



150 



den IJsel. Dit stoomtuig kan ook ais bovengemaal van 
den hoogen boezem dienst doen. 

Het inlaten van water geschiedt te Haastrecht uit 
den Gekan. IJsel , M.P. —0,30 A.P, , van den hoogen 
boezem + 0,77 A.P. 

De polders hebben Z.P. van -1,1 tot -1,8 A.P. Een 
gedeelte van de op de Vlist uitslaande polders loozen tevem 
rechtstreeks op het buitenwater en op den Gek. HoU. IJ«el. 
(zie de Kaart III) ; op dezen laatste door een stoomgemaal 
van 76 paardekracht bij Haastrecht. 

8. Gekanaliseerde HoU. Usel. De boezem wordt 
gevormd door dit water van het Klaphek tot de sluis bo- 
ven Gouda , den zoogenaamden Kleinen en Engen IJsel van 
hier tot aan de Lopikkervaart t. W. van Lopikkerkapel , 
de grachten van IJselstein , en den tak van de schutsluis 
aan den Doorslag bij Jutfaas aan den Yaartschen Rijn. Loc- 
zing door de sluis boven Gouda op den HoU. IJsel. Dè 
boezem is vrij. Het inlaten geschiedt door den duiker 
aan het Klaphek uit de Lek en bij Gouda uit den IJsel. 

De stand van den boezem was in 1871 — 1880: 

Gemidd. Hoogste Laagste 
aan den Doorslag . . . . + 0,42 + 0,97 + 0,02 

te Montfoort + 0,89 f 1,00 -0,08 

aan de schutsluis bij Gouda -f 0»36 + 1,01 -0,27 

Het buitenwater (1871-1880) b\j vloed -f 1,12, by eb 
-0,26 A.P. , hoogste st. 8,07 , laagste -0,89 A.P. De 
polders hebben Z.P. van -0,15 tot -1,7 A.P. T. Z. van 
IJselstem ligt een polder met het maaiveld van + 0,7 
tot + 2,2 A.P. 

Behalve de 10,000 H.A. die direct op den boezem af- 
wateren , zijn er ook polders die tevens op Vlist en buiten- 
water rechtstreeks loozen. Van IJselstein tot Montfoort 
ligt ter weerszijden van den boezem een strook hooge 
vlietlanden van + 0,25 tot + 2,1 A.P. 

Gemeenschap met andere wateren. Met het 
buitenwater door de schutsluis in den IJseldam boven 
Gouda, Met den boezem van Woerden : P. door de schut- 



151 



duikersluis te Goejanverwellensluis in de Dubbele Wiericke, 
2®. door de schutsluis te Oudewater in de Lange Linscho- 
ten, 3*. door de schutsluis te Montfoort in de Montfoort- 
sche Vaart. Met den Vaartschen Rijn: door de schutsluis 
aan den Doorslag bij Jutfaas. Met de Lopikkervaart , ge- 
meen liggende met het polderwater van polder Lopik 
(\Tistboezem), door een schutsluis aan het uiteinde van den 
Engen IJsel. 

b. De Vaar tsche Rijn. (stroomend water: zie boven 
bladz. 140). Watert vrij af op het Stadswater van 
Utrecht. 

De hooge vlietlanden liggen tot + 2,1 A.P. De polders 
van -f 0,9 tot -0,5 A.P. 

I n 1 a t i n g van water geschiedt door de Rijks-hulp. 
schutsluis te Vreeswijk. 
De stand was in 1871-1880: 

Geraidd. Hoogste Laagste 
te Vreeswijk: + 0,62 + 0,96 + 0,38 
te Jutfaas : + 0,62 + 0,97 + 0,30 

te Utrecht: +0.54 +0,99 +0,22 

Gemeenschap met andere wateren. Met de 
Lek te Vreeswijk door de Groote Schutsluis en door de 
Hulpschutsluis. Met den Gek. IJsel door de schutsluis 
aan den Doorslag. 

e. Kromme Rijn (stroomend water: zie boven bl. 139) 
Ontvangt alle water langs natuurlijken weg van de landen 
ter weerszijden ; behalve van een enkel poldertje , de Noord- 
polder, beneden Wijk bij Duurstede aan de Wijkersloot 
gelegen. 

d. Bovenpand Biltsche of Zeister Grift. (Zie 
boven, bl. 140.) 

e. Benedenpand idem. (Zie boven, bl. 140). 

ƒ. De Weteringen in het Waterschap Maar- 
tensdijk. (Zie boven, bl. 140). 

9. Stadswater van Utrecht. Deze boezem wordt ge- 
vormd door de Singel- en andere grachten van Utrecht , den 
Ouden of Leidschen Rijn tot aan den Stadsdam, een deel van 



152 



de Biltsehe Grift , enz. Het is als het ware de lager ge- 
legen kom , waarin zich al het water , langs de boven- 
genoemde stroomende wateren (6 tot f) afvloeiende , ver- 
eenigt , om gezamenlgk door de Weerdsltds buiten Utrecht, 
door een kleinen vrijen waterloop en door 2 &bri^en, 
die door het verval gedreven worden , op den Vechtboezem 
te komen. Het stoomgemaal van de polders onder 
Heycop , bemalende alle op elkaar afvloeiende polders van 
het waterschap Heycop, gelegen tusschen den Ouden Rijn 
en den IJsel , Amstelland en den Vaartschen Rijn , mag 
op het Stadswater (Leidschen Ryn) van Utrecht uitslaan 
totdat de Vechtboezem aan de Weerdsluis + 0,30 A.P. 
toekent. 

De gemiddelde stand (1871-1880) aan de Weerd- 
sluis te Utrecht is + 0,54 A.P. ; de hoogste + 0,97 , de 
laagste - 0,20 A.P. 

Gemeenschap met andere wateren. Met den 
boezem van den Heijcop of de Lange Vliet door de schut- 
sluis aan den Stadsdam in den Leidschen Rijn. Het de 
Vleutensche Vaart (boezem van de Vleutensche weterin- 
gen) door de schutsluis bij Jaflfa. Met den Vechtboezem 
door de Weerdsluis te Utrecht. 

10. De Vechtboezem (zie boven, bl. 188), wordt 
gevormd door de Vecht , de Nieuwe Vecht (de afsnijding 
van een bocht) , de Kortenhoefsche Wetering en de uit- 
watering van de Naardeïmeer. Grootte = 240 H. A. Hij 
ontvangt rechtstreeks het water van aangrenzende polders 
ter grootte van 19550 H. A. en van 1100 H. A. boezem- 
land ; van andere boezems , behalve die van de 's Qrave- 
landsche Vaart van een oppervlakte van 11290 H. A. 
en bovendien van 24500 H. A. hooge gronden t. O. 
en t. Z. van Utrecht door de genoemde stroomende 
wateren die in Utrechts Stadswater uitloopen. De boe- 
zem loost op de Zuiderzee door de Groote Zeesluis 
te Muiden. 

Gem. boezemstand (1871 -1880). Te Utrecht - 0,13, 
te Muiden - 0,19 A.P. De hoogste standen zijn resp. 



153 



+ 0,68 en + 0,69 A.P. : de laagste - 0,60 en ~ 0,80 A.F. 
In dezen uitgestrekten boezem , die op vele plaatsen water 
ontvangt en bovendien betr. sterk kan opwaaien naar het 
N. of naar het Z. blijkt dus meestal eenig verhang te zyn. 
De kaden + 0,6 tot + 1 A.P. 

Buitenwater (Zuiderzee) té Muiden (1871 - 1880) bij vloed- 
0,11 , bij eb - 0,20 A.P. Hooogste + 2,12 (stormvloed in 
1825 = 2,67) en Laagste = - 1,12 A,P. 

Gremeënschap met andere wateren. Met het bui- 
tenwater door de Groote Schutsluis te Muiden. Met het 
Stadswater van Utrecht door de Weerdsluis. Met den 
lx)ezem der Vleutensche Weteringen door een schutsluis in 
de Proostwetering by Maarssen. Met den boezem van den 
Heycop door de schutsluis in de Kerkvaart te Breukelen. 
Met Amstellandsboezem 1°. door de schutsluis te Nieuwer- 
sluis in de Vaart van Nieuwersluis , 2®. door de schut- 
sluis te Weesp in de Weesper Trekvaart (Smal Weesp), 
3®. door de schutsluis te Muiden in de Muider Trekvaart. 
Met den boezem van de 's Gravenlandsche Vaart , enz. 
1*^. door de schutsluis te Uitermeer in de 's Gravelandsche 
Vaart, 2^. door de schutsluis te Muiden tusschen de Naar- 
der Trekvaart en de Vecht. 

De Vaartsche Rijn , de Kromme Rijn en de Vecht met de 
daarop loozende stroomende wateren en boezems zijn van 
het hoogste belang voor onze verdediging met het oog op 
het stellen der inundatiën voor de Nieuwe HoUandsche 
Waterlinie, die van Muiden over Utrecht en Honswyk langs 
Asperen naar Gorinchem loopt , en waarover wij hierachter 
een afzonderlijke bijlage (Bijlage III) hebben toegevoegd. Wij 
maken nu slechts opmerkzaam op het waterland , dat zich 
t. O. langs de Vecht van Tienhoven tot Uitermeer uit- 
strekt en dat in gewone tijden niet dan over 4 è. 5 
smalle kaden of wegen te passeeren is. Het bestaat bijna 
geheel uit uitgeveende plassen, de drooggemaakte Hor- 
stermeer en wateren (de Drecht) die nog slechts hier en 
daar van plassen zijn afgescheiden door stukken veen die zijn 
blijven staan. Na eventüeele droogmaking zijn de ontstane 



154 



cfroogmakerüen natuurlijk zoo noodig weer gemakkelijk te 
inundeeren. 

In den Vechtboezem ontlasten zich behalve het stads- 
water van Utrecht met de daarop afstroomende wateren, 
de volgende boezems en wateren van 11 tot en met 15. 

11. De boesem van de Kerkeinache Vaart , alleen 
door deze vaart en een paar zijtakken gevormd, bij Fort 
de Klop loozende door een schut. 

12. De boesem van de Ylentensohe weteringen 
gevormd door een aantal weteringen in de hooge landen 
ter weerszijden van den Rijnspoorweg tusschen Utrecht 
en station Harmeien. De 1780 H.A. die er op loozen 
zijn grootendeels boezemland. De boezem watert af op 
den Vechtboezem door de schutsluis in de Proostwetering 
bij Maarssen. 

Gemeenschap met ander water. Door ge- 
noemde schutsluis met den Vechtboezem en door die van 
Juffa met het stadswater van Utrecht. 

g. HetBovenpandvandeTienhovensche 
Vaart, stroomend water, dat loost door de schutsluis 
bij het Roodpannenhuis op het benedenpand van de vaart, 
gemeen liggende met den polder van Loosdrecht , dus met 
polderwater behoorende tot den Vechtboezem. 

13. Boesem van den Haarrijn, gevormd door een 
vaartje, de Haarrijn geheeten, dat zich tusschen Maarssen 
en Breukelen door een U. SI. op de Vecht ontlast. 
Besloten boezem met maalpeil van + 0,05 A.P. Vier 
polders met Z.P. van —1,05 tot —1,30 A.P. loozen er op. 
Al het polderwater wordt door een stoomtuig van 34 
paardekracht op den boezem gebracht. 

U. Boesem van den Heyoop of de Lange Vliet, 
gevormd door de 2e kom van den Ouden Ryn tusschen 
de schutsluis aan den Stadsdam en die aan den Heldam, 
door den Heycop , een vaart van hier tot Breukelen , het 
deel van de Aa tusschen Breukelen en Nieuwer ter Aa 
en de Stadswetering. De boezem ontlast zich door een 
schutsluis en een uitwateringssluis bij Breukelen en door 



155 



een uitwateringssluis in de Stadswetering bij Nieuwersluis. 
M.P. voor sommige polders + 0,1, voor andere + 
0,15 A.P. 

De boezem is besloten. Vroeger waterden alle polders 
van het waterschap Heycop t. Z. v. d. Rijn die nu op 
het stadswater van Utrecht uitslaan , en ten behoeve 
waarvan in 1385 door Bisschop Floris van Wevelickhoven 
het graven van den Heycop werd toegestaan, op dezen 
boezem uit. Nu dient nog slechts een enkele molen tpt 
hulpbemaling van deze landen t. Z. van den Rijn op den 
Lange-Vlietboezem. Het Z.P. der polders is —0,3 tot 
-1,35 A.P. 

Gemeenschap met andere wateren. Met het 
Stadswater van Utrecht door de schutsluis aan den Stads- 
dam. Met Amstellandsboezem : 1*. door de schutsluis aan den 
Heldam in den Ouden Rijn en 2^. door de schutsluis aan 
den Joostendam bij Spongen in de Bijleveld. Met Vecht- 
boezem door de schutsluis in de Kerkvaart te Breukelen. 

15. De boezem van de 's Oravelandsche Trek- 
vaart, de Naarder Trekvaart, ens., gevormd door 
deze beide vaarten , de Karnemelksloot , de grachten van 
Naarden , enz De boezem loost door de schutsluis in de 
's Oravelandsche Vaart te F*. Uitermeer en door die inde 
Naarder Trekvaart te Muiden op de Vecht en op de 
Buitenvecht (beneden de zeesluis) door de Oostsluis te 
Muiden en een beer ten N. van het Muiderslot. Gem. 
boezemstand —0,27 A.P. 

Zomerpeil der polders —0,4 tot —1,24 A.P, 
Oemeenschap met andere wateren. Met de 

Vecht door de schutsluizen tevens U. SI. te Uitermeer en 

te Muiden. 

16. AmsteUandsboezem wordt gevormd door den 
Amstel, de Drecht, de Kromme Mijdrecht, den Angstel, 
het Abcouder meer , de Holendrecht en de Bullewijk , den 
Ouden en Rijken Waver , den Winkel, het Gein, het Smal 
Weesp , de Gaasp , de Weesper- en Muider Trekvaarten , 



156 



de Diemen, het Nieuwe Diep , de ringslooten van de Bloei- 
en Diemermeerpolders en een deel van Amsterdam'^ Singel- 
gracht. De grootte van den boezem bedraagt 600 H.A., 
die van de polders die er op uitwateren 30,000 H.A. 

De boezem ontlast zich te Amsterdam: lo. door de 
Amstelsluis , de Weteringsluls en nog een klein sluisje op 
het Stadswater , zoolang nl. dit laatste nief\ hooger dan 
—0,20 A.P. staat. 2o. door de Ipenslootersluis aan het 
einde van het Nieuwe Diep en S^. door de Diemerdam- 
mersluis te Diemerdam op de Zuiderzee. De boezem kan 
door twee waterkeeringen in de Buitensingelgi'acht te Am- 
sterdam van het stadswater worden afgesloten. 

Gem. boezemstand (1871 — 1880 te Diemerbrug( 
-0,39 A.P.. Hoogste = + 0,04 A.P. , laagste -0,9 A.P. 
De boezemkaden van + 0,75 A.P. tot A.P. , gewoonlijk 
+ 0,15 tot + 0,3 A.P. De boezem was vóór 1872 be- 
sloten met M.P. = —0,15 A.P. , maar b\j de invoering 
van een nieuw reglement op het Hoogheemraadschap Am- 
stelland is het maalpeil afgeschaft. 

Buitenwaterstand te Zeeburg (iets t. W. van de 
Ipenslootersluis) van 1875-1877 , bij gew. vl. = 0,074 A.P., 
gew. eb —0,311 A.P. ; hoogste st. = + 2,56, laagste = 
-1,77 A.P. 

De polders t. N. van den Rijn hebben een Z.P. van 
-1,20 tot -2,04 A.P. Het betr. klein gedeelte t. Z. van 
den Ryn (waterschap Bijleveld en de Meerndijk , één water- 
staatkundige polder) heeft een Z.P. van —1 A.P. 

De polders op den boezem uitslaande behooren in het 
algemeen tot het Hoogheemraadschap Amstelland, waar- 
over hieronder meer, en zijn dus gezamenlijk door den 
algemeenen waterkeerenden ring van dit waterschap omge- 
ven , bestaande uit een aaneenschakeling van kaden en 
dijken, die verschillende namen dragen. 

In Amstelland liggen verscheidene belangrijke droog- 
makerijen o.a. de Diemermeer- of Watergraafs- 
meer- en Bijlmermeerpolders, beide door stoomtuigen 
bemalen;deBovenkerker-,Thamer-, Hom- en Stommeer, 



157 



Noorder- en Zuider Legmeerpolders samen ont- 
staan uit de Legmeerplassen ; de beide laatste , samen 
2340 H.A. groot, zijn resp. in 1877 en 1881 drooggemaakt 
en worden drooggehouden door een stoomtuig van 140 
paardekracht bij den Uithoorn uitslaande op den AmsteL 
Het polderwater van den Zuider Legmeerpolder wordt daar- 
toe eerst op dat van den Noorder overgebracht door 
een hevel. De Mydrechtsche Droogmakeryen, Ie, 
2e en 3e Bedijking, met 76 paardekracht stoombenialing. In 
de jaren 1872—1877 ontstond nog het waterschap Groot- 
Mijdrecht door de droogmaking van een deel der zooge- 
naamde Ronde Veenen, groot 1840 H.A., grenzende t. W. 
aan de 8 Mijdrechtsche droogmakerijen. De droogmakerij 
heeft een Z.P. van —6,00 A.P. , het diepste van alle 
landen behoorende tot Amstellandsboezem , en wordt be- 
maien door een stoomtuig van 201 paardekracht uitslaande 
op den Ouden Waver. 

De Zevenhovensche Droogmakerij ook gedeeltelijk 
door stoom (60 paardekracht) bemalen. Polder Nieuw- 
koop tx)t Rijnland behoorende, watert niet alleen op Am- 
stellandsboezem maai' ook op dien van Rynland af; behalve 
door windmolens wordt het polderwater door een beneden- 
stoomgemaal van 44 paardekracht eerst op de ringvaart 
en uit deze op beide boezems gebracht. 

Gemeenschap met andere wateren. Met den 
Vechtboezem 1^. door de schutsluis te Muiden in de Muider 
Trekvaart, 2o. door die te Weesp in de Weesper Trek- 
vaart en 3o. door de schutsluis te Nieuwersluis in de Vaart 
van Nieuwersluis. Met den boezem van den Heycop lo. 
door de schutsluis aan den Joostendam bij Spengen in de 
Bijleveld, 2*. door de schutsluis aan den Heldam in den 
Ouden Ryn. Met den boezem van Woerden lo. door de 
Haanwijker schutsluis bij Harmeien in den Ouden Rijn , 
2®. door de schutsluis , het Woerdensch Verlaat, tusschen 
de Kromme Mijdrecht en de Grecht. Met Rijnlandsboezem 
lo. door de Amstelsluis bij het Huis ten Drecht en 2®. aan 
den Overtoom door de schutsluis in de Overtoqmer Vaart. 



158 



Eindelijk met het Stadswater van Amsterdam door de 6 
Amstelslulzen binnen die stad, waarvan 4 schutsluizen zijn. 

17. Het StadBwater van Amsterdam wordt ge- 
vormd door de vele grachten der stad, de Binnen^Amstel , 
de Overtoomsche Vaart en de Kostverloren Wetering. 
Het Oester- en Westerdok behooren ook tot den boezem. 
De sluizen en waterkeeringen tusschen Amstellandsboezem 
en het Stadswater staan meestal open en de boezem ligt 
dan dus met dien van Amstelland gemeen. De afsluiting 
geschiedt alleen om . het stadswater uit den boezem van 
het Noordzeekanaal te kunnen ververschen zonder Amstel- 
landsboezem daarmede te bezwaren. 

Behalve de stad Amsterdam behooren tot den boezem 
eenige polders t. Z.W. van Amsterdam , waaronder ook 
een droogmakerij, de Sloterdijkermeerpolder, die tevens op 
Rijnlandsboezem uitslaat. 

Het Stadswater ontlast zich door vele sluizen te Am- 
sterdam op den boezem van het Noordzeekanaal vóór die 
stad en door de uitwateringssluis bij Zeeburg. Daardoor 
wordt tevens water ingelaten. 

Gem. boezemstand (1878-1877) -0,438, hoogste 
— 0,04, laagste —0,85 A.P. Die van het Noordzeekanaal 
over die jaren was gemiddeld —0,438, de hoogste —0,078 
en de laagste -0,827 A.P. 

Gemeenschap met andere wateren. MetAnïstel- 
landsboezem door de Amstelslulzen te Amsterdam. Met Rijn- 
landsboezem 1^. door de schutsluis aan den Overtoom in 
de Overtoomervaart en 2^. door de schutsluis bij het station 
van den Holl. Spoorweg in deEbarlemmer Trekvaart. Het 
deel der trekvaart van Amsterdam tot Halfweg heeft 
echter b\j Halfweg geen verband met het andere gedeelte 
van hier tot Haarlem en staat gewoonlijk ook niet op het 
algemeen peil van Rijnlandsboezem. Met den boezem 
van het Noordzeekanaal door vele sluizen. Met het buiten- 
water, de Zuiderzee , door de schutsluis by Zeebui^. 

18. lUjnlandBboeEem. Deze belangrijke boezem , de 
grootste van ons polderland op dien van Friesland na, 



159 



heeft eene oppervlakte van 3550 H.A. , terwyl de polders 
75600 H.A. en de boezemlanden (zonder de duingronden) 
die er op afwateren 14200 H.A. beslaan. 

De boezem wordt o.a. gevormd door de kom van den 
Ouden Rijn met het Katwijksch Kanaal tusscben de schut- 
sluis te Bodegraven en de uitwateringssluis te Katwijk, 
de Vliet van den Leidschendam tot Leiden, de Weijpoort- 
sche Vliet , de Gouwe en een deel der grachten van Gouda, 
door de Aar met de Nieuwe Vaart , de Leidsche Vaart , 
de Drecht , de Heijmanswetering', het Braassemermeer , de 
Wijde Aa, de Does, de Zijl, de grachten van Leiden, 
de Warmonder Lee, het Nieuwe Kanaal, de Dieperpoel, 
het Norremeer, het Z weiland en de Kever, de Westeinder 
Plas , de Ringvaart van de Haarlemmermeer, de Trekvaart 
van Leiden naar Haarlem en die van Haarlem naar Am- 
sterdam , het Spaarne , de Liede , het Nieuwe Meer , enz. 
enz. De boezem ontvangt door de sluis te Bodegraven 
bovendien al het water van den boezem van Woerden. 

Een gedeelte van de opgegeven oppervlakte der polders 
loost tevens op andere boezems. Zoo behooren eenige pol- 
ders ten Z.W. van Amsterdam (Zie de Kaart) ook tot het 
Stadswater van Amsterdam ; de Nieuwkoopsche droog- 
makerij watert tevens op Amstellandsboezem uit. 

De loozing van den boezem geschiedt: Op den boezem 
van het Noordzeekanaal !•. te Spaarndam door 
5 sluizen , waarvan één dient voor den voorboezem van 
een stoomgemaal, een stoomschepradmolen van 200 
paardekracht , en waarvan er [één op kosten van Woer- 
den is gelegd en wordt onderhouden , 2^. te Halfweg 
door 3 sluizen waarvan één tevens dient tot loozing 
van het door een stoomschepradmolen van 100 paarde- 
lo^cht opgebracht water ; op de Noordzee bij Katwijk 
door de uitwateringssluis aan het einde van het Kat- 
wijksch Kanaal, zoo noodig met behulp van een in 1880 
gesticht stoomtuig; op den IJsel te Gouda door 3 
sluizen , waarvan één , de Hanepraaisluis , uitsluitend dient 
tot loozing van het door een stoomgemaal van 120 paar- 



160 

dekracht opgebmcht water; de natuurlijke loozing door 
de andere sluizen alhier beteekent niet veel door de meestal 
betr. hooge buitenwaterstanden. 

De gemiddelde boezemstand in 1871-1880 te 
Oude Wetering was -0,50 A.P. , de hoogste in dien tijd 
-0,11 A.P. aan de Gouwesluis (aan den Rijn), de laagsta 
-0,98 A.P. te Katwijk. Door uitslaan en inlaten van 
water tracht men den boezem zooveel ihogelijE^op -0,50 
è —0,60 A.P. te houden. Door op- en afwaaiing kunnen 
by dezen grooten boezem de standen op verschillende pun- 
ten soms vrij aanzienlijk verschillen. 

Stem pel peil, d. i. het peil waarbij de uitwaterings- 
sluizen gestempeld worden om het water op den boezem 
te houden = -0,57* A.P. 

De buitenwaterstanden zijn te Katwijk (1871- 
1880) gem. (vloed) = + 0,86 (eb) = -0,72 A.P. , de hoog- 
ste = + 3,00, de laagste = — 2 A.P. , te Gouda gem. 
+ 1,12 en -0,26 A.P., de hoogste = + 3,07, de laagste 
= —0,89 A.P. De boezem van het Noordzeekanaal heeft 
een gem. stand (1873-77) -0,438 A.P. , hoogste +0,078 
A.P. , laagste —0,828 A.P. (officieel ingevolge de concessie 
-0,50 A.P.) 

Het inlaten van water op den boezem geschiedt zoo- 
dra deze tot —0,66 A.P. is gedaald (in den zomer) te 
Gouda door het stoomgemaal (zie bl. 117) uit den IJsel, 
te Leidschendam uit den altijd hooger Uggenden boezem 
van Delfland (Schieboezem) , te Bodegraven uit Woerdens 
boezem doch dit is van weinig beteekenis, daar als Rijnland 
watergebrek heeft, zulks meestal ook met Woerden het 
geval is en dit dan de sluis bij Bodegraven sluit en zelf 
water uit den IJsel inlaat. 

De droogmaking van de Haarlemmermeer heeft op de 
buitengewone standen van den boezem grooten invloed 
gehad ; want daarvóór gebeurde het dat de sterke op- 
waaüng hot boezemwater aan den Overtoom opjoeg 
tot + 0,77 A.P. en gelijktijdig aan de Oude Wetering deed 
afwaaien tot -^1,1 A.P. , terwijl bij een storm in tegen- 



161 

gestelde richting het eens te Warmond opwoei tot +0,92 
A.P. en gelijktijdig aan den Overtoom tot — 1,57 A.P. 
daalde. Daarentegen was door het opwaaien de loozing 
langs natuurlyken weg op het IJ soms van veel belang , 
terwijl zij tegenwoordig van veel minder beteekenis is. 
Ook werd de gelegenheid tot waterberging veel minder , 
daar door de droogmaking de boezem tot op twee dertiende 
verkleind werd. Aan beide nadeelen is echter geheel te- 
gemoetgekomen door de stichting van boezemstoomgemalen. 
De kaden langs den boezem hebben een hoogte van 
-0,22 tot + 0,70 A.P. , terwijl de zuidelijke of Ho o ge 
Rijn dijk met den Prinsendijk, die in Woerden langs 
de westzijde van de Enkele Wiericke loopt, tot + 0,96 
A.P. wordt onderhouden , om , in geval van inundatie door 
dijkbreuk in den Noorder Lekdijk , met den Noorder IJsel- 
dijk het deel van Zuid-Holland t. Z. van den Rijn wellicht 
te kunnen behouden. 

Terwijl in 't algemeen Rijnlandsboezem eene vrije is , zoo 
wordt het deel gevormd door de wateren t. Z. van den 
Rijn door sluizen in den Hoogen Rijndijk van het overige 
deel van Rijnlandsboezem afgescheiden, zoodra deze deu 
hoogen stand van —0,276 a.P. bereikt heeft. De polders 
die er toe behooren mogen dan niet meer uitslaan, die 
t. N. van den Rijn wel ; zoodat het deel t. Z. van den Rijn 
eigenlijk een besloten boezem is met een maalpeil van 
-0,27* A,P. Dat deel is door genoemde afsluiting dan in 
verscheidene boezems verdeeld die geen gemeenschap met 
elkaar hebben, nl. de Wassenaarsche, Vliet-, Hazers- 
woudsche en Gouweboezems en nog eenige kleinere 
voor afzonderlijke polders. Genoemde afsluiting geschiedt 
met het oog op de geringe hoogte der boezemkaden 
t. Z. van den Rijn , doch heeft na de droogmaking van 
den Haarlemmermeer slechts zelden meer plaats, om- 
dat nu de sterke opwaaiing grootendeels is weggenomen , 
die oorzaak was van groote verschillen in den boezem- 
stand. Het deel van den boezem bestaande uit een gedeelte 
der Haarlemmer Trekvaart (van Amsterdam tot Halfweg) 

U 



162 



wordt doorgaans van den algemeenen boezem afgescheiden 
gehouden , om daarin voor de scheepvaart een peil van 
—0,35 A.P. te onderhouden. De zomerpeilen der polders, 
die niet droogmakerijen zijn, zijn van —0,20 A.P. (tegen de 
duinstreek) tot —1,98 A.P. , gewoonlijk —1,2 a— 1,8A.R 
Eén polder bij Katwijk heeft een zomerpeil boven (+ 0,55) A.P. 
Er zijn vele belangrijke droog maker ij en behoorende tot 
Rijnlandsboezem met peilen van —3,68 tot —5,56 A.P. 
De grootste van ons geheele land is de Haarlemmer- 
meer, ook wel kortweg de Meer genaamd; zij is groot 
18060 H.A. binnen den ringdijk, waarvan 17840 H.A. 
eigenlijke droogmakerij , terwijl de overige een paar mede 
ingesloten polders vormen, die evenwel verveend worden; 
deze zijn nl. de Lisserbroek-, Vijf huizerhoek- en Huigslooter- 
polders. Ook de voormalige Spiering- en Kagenneeren 
werden door den ringdyk omsloten, die een totale lengte 
heeft van 59,500 M. Nadat reeds in vorige eeuwen 
plannen ter droogmaking waren gemaakt, werd deze einde- 
lijk in 1840 ondernomen, voornamelük zoqals reeds gezegd 
is_dporjie^«jrees die het omwaaien van de. wateren in de 
omliggende landen en steden had doen ontstaan. In de 
verkleining van Rijnlandsboezem en het byna geheel weg- 
nemen der aanwaaiing werd tegemoetgekomen door stich- 
ting van boezemstoomgemalen te Halfweg, Spaarndam en 
Gouda en het verbeteren der Katwijksche uitwatering, deels 
door het verbreeden en verdiepen van het oude Kanaal 
deels door het graven van een geheel nieuwe toeleiding 
daarheen van tegenover de Warmonderleede. De droog- 
making geschiedde door 3 stoomtuigen, de Leeghwater 
aan de Kaag , de Cruquius aan het Spaarne en de Lijnden 
aan het Lutkemeer , die gewerkt hebben het eerste van 
Juni 1848 , de beide andere van Februari 1849 tot Juli 
1852, doch gedurende welken tijd zij 210 dagen hebbeu 
moeten stilstaan wegens het op een bepaald peilaanmalen 
van Rijnlandsboezem. Zij hebben samen 800 millioen M* 
water opgebracht! Buiten langs den ringdijk loopt om 
den geheelen polder een ringvaart van 40 a 45 M. breetlto, 
door een 6 M. breedon berm van den eerste gescheiden, 



163 



met jaagpad voor de scheepvaart ; de ringvaart ligt met 
Rijülandsboezem gemeen, de hoogte van den ringdijk is 
van 2 M. tot + 1 M. ingeklonken. Het maaiveld binnen 
den polder ligt het hoogst by de Kaag —2,6 è 3, het 
diepst in het midden —4,6, gemiddeld —4,1 A.P. Het 
Z.P. is -4,9, het W.P. -5,2 A.P. De tochten en slooten 
beslaan slechts V^ der oppervlakte ; dit is weinig , doch 
hier geschiedt de afmaling met stoomtuigen en Rijnlands- 
boezem is een vrije. In eenige deelen van den polder 
ligt niet zeeklei doch zand aan de oppervlakte. Van 
de gronden zijn 16822 H.A. verkocht voor f 7,857,100 , 
terwijl de onkosten hebben bedragen /* 13,920,320, waarvan 
echter f 4,287,365 is besteed tot betalingen van renten. — 
De Polder van Nieuwkoop tevens uitslaande op Am- 
stellandsboezem met een Z.P. van —5,4 A.P. De Was- 
senaarsche en de Vierambachtspolder. De 
Soetermeersche meerpolder, de oudste droogmakerij 
van Zuid-Holland (1614). De Hazerswoudsche droog- 
makerij met Z.P. van —5,25 AP. 

Gemeenschap met andere wateren. Met 
het buitenwater door 2 schutsluizen te Gouda. Met den 
boezem van het Noordzeekanaal door 3 schutsluizen tevens 
U. SI. te Spaamdam. Met het stadswater te Amsterdam 
1^. door de schutsluis bij het station van den Holl. spoor- 
weg te Amsterdam ; 2o. door de schutsluis aan den Over- 
toom tusschen de Nieuwe Meer en de Overtoomsche Vaart. 
Met Amstellandsboezem 1^. door de Amstelsluis in de 
Drecht bij het Huis ten Drecht en 2®. door 3 kleine houten 
schutsluisjes. Met den boezem van Woerden: 1^. door het 
Woerdensch Verlaat, schutsluis tusschen de Kromme Mij- 
drecht en de Grecht , 2^. door de schutsluis tevens IJ. SI. 
te Bodegraven , die 's winters meestal openstaat. Met 
Schieboezem door de schutsluis te Leidschéndam. 

De landen tot Rijnlandsboezem behoorende met nog eenige 
polders op andere boezems uitslaande zijn gelegen binnen een 
algemeenen waterkeerenden ring, bestaande uit de duinen 
*n het westen tegen de Noordzee en verder uit een aaneen- 



164 

schakeling van dijken en kaden ; vroeger toen het IJ nog 

bestond, was o. a. van veel gewicht de Spaarndamsche dijk 

met den Schinkeldijk (bij Spaarndam) en den Slaperdijk loo- 

I pende van Amsterdam tot aan de duinen t. W. van 

■ ' \ Haarlem. 

19. Boezem van Woerden of boezem der En- 
kele en Dubbele Wiericke. Deze wordt gevormd door 
de kom van den Ouden Rijn tusschen de Haanwijkersluis 
by Harmeien en de sluis te Bodegraven , de Beide Wie 
rieken , de Lange Linschote.n , de gi'achten van Woerden 
en Oudewater, de Grecht, enz. Grootte 170 H.A., 
oppervlakte van de polders die er op uitslaan 17190 H.A. 

De boezem loost op Rijnlandsboezem door de schutsluis 
te Bodegraven en daar deze dikwijls openstaat , vormen 
beide boezems dus in den regel eigenlijk slechts een enke- 
len. Woerden heeft dus evenzeer belang bij een goede 
uitwatering van Rijnland als dit zelf en heeft daarom 
een eigen sluis gebouwd en in onderhoud te Spaarndam. 

De gemiddelde boezemstand (1871 — 1880) aan 
de sluis te Bodegraven is —0,48 A.P., de hoogste -0,12, 
de laagste —0,64 A.P. Maalpeil van den boezem, behalve 
voor de beide Wiericken, = A.P. ; kaden + 0,15 tot + 
0,62 A.P. De Enkele Wiericke wordt bij een boezem- 
stand van -0,22 A.P. en de Dubbele bij —0,17 A.P. van den 
algemeenen boezem afgesloten ; die peilen zijn dus maal- 
peilen voor de molens die er op uitslaan. 

Het inlaten van water heeft plaats door de duiker- 
sluis aan het einde van de Enkele Wiericke uit den IJsel 
Ijij —0,45 A.P. boezemstand. De polders hebben een 
Z.P. van —0,70 tot —1,85 A.P. Droogmakerijen zijn 
er niet. — 

Gemeenschap met andere wateren. Met Am- 
steUand 1°. door de Haanwijker scJmtsluis in den R\jn bij 
Harmeien; 2^. door het Woerdensch Verlaat tusschen 
Kromme Mydrecht en Grecht. Met Rijnland door de schut- 
sluis in den Rijn te Bodegraven. Met den Gekanaliseerden 
IJsel V. te Goejanverwelle door een schutduikersluis in 



165 



de Dubbele Wiericke ; 2o. door de schutsluis te Oudewater 
tusschen de Linschoten en den Gekan. IJsel en 3o. te Mont- 
foort door de schutsluis tusschen de Montfoortsche Vaart 
en den Gekan. IJsel. 

De rechtstreeks op het buitenwater loo- 
zende landen. (Zie de gekleurde landen op de kaart) 
Hiertoe behooren in de eerste plaats alle buitendijks ge- 
legen landen langs de groote rivieren. 

Voorts in den Alblasserwaard de polder van Papendrecht 
die op de Noord loost. 

Op de Lek wateren twee polders bij Jaarsveld rechtstreeks 
af, nl. de Wielpolder en Polder Vogelenzang. 

Op de Nieuwe Maas loozen direct : de polder van Cool 
bij Rotterdam en voorts de aandijkingen : de Oranjepolder, 
de Nieuwlandsche en de Noorlandsche polders , welke drie 
laatste wel buiten den groeten Maasdijk zijn gelegen, doch 
die zelven door zulke zware dijken zijn beschermd, dat 
deze eigenlijk de buitendijken zijn en de Maasd\jk slaperdijk 
is geworden. — De polder de Lange Bonnen t. W. van 
den Oranjepolder buitendijks gelegen loost op Schieboezem 
en maakt dus een uitzondering op den regel. 

Verder is op de kaart te zien , dat het grootste deel 
van den Krimpenerwaard direct op den Hollandschen IJsel 
en op de Lek loost , nl. door 2 sluizen op de Lek , doch 
grootendeels op den IJsel , alles na opmaling o. a. door 3 
stoomtuigen van 30, 102 en 120 paardekracht ; ook wate- 
ren rechtstreeks op den IJsel af de polders tusschen die 
rivier en den Prins Alexander Polder beneden den Korten- 
oord gelegen. 

Eindelijk loost de Prins Alexander polder direct op 
de Nieuwe Maas. Deze belangrijke di'oogmakerij , die de 
plassen in Schieland t. O. van Rotterdam verving, is 
drooggelegd op kosten van het Rijk en der Provinciale 
Staten. In 1865 werd het werk van algemeen nut ver- 
klaard. Het leegmalen begon in 1869. De oppervlakte 
tedraagt 2730 H.A. Het Z.P. is -6,3 A.P. , en is alzoo 
hut diepste van ons geheele polderland. Het 



polderwater wordt door 3 beuedeoötoomgemalen van 56 
paardekracht op een tusschenboezem gebracht en uitfdeze 
door een bovenstoomgemaal van 120 paardekracht te Kra- 
lingsveer op de Nieuwe Maas. 

20. Boezem van het Noordzeekanaal. Wordt 
gevormd door het Noordzeekanaal en de zijkanalen A tot 
I en door een ringsloot om het voormaUge Wykermeer. 
Oppervlakte van den boezem 1020 H.A. Oppervlakte van 
de polders geheel of gedeeltelijk op den boezem afwaterend 
= 24250 H.A. 

Gemiddelde boezemstand (1873-1877) -0,438 
A.P. ; hoogste 0,078 A.P,, laagste = -0,827 A.P. - 
Kanaalpeil —0,50 A.P. , volgens de concessie van 10 Dec. 
1861. De boezem loost door 2 sluizen: één aan de Noord- 
zee in het kanaal bij IJmuiden en één behoorende tot de 
Oranjesluizen in den afsluitdam bij Schellingwoude. Hier 
staat tevens een stoomgemaal van 225 paardekracht om 
zoo noodig af te malen. Buiten waterstanden (1871- 
1880) IJmuiden gem. st. + 0,83 (vl.) en -0,82 A.P. (eb); 
hoogste + 2,60, laagste -2,25 A.P. 

Deze boezem is ontstaan door het graven van het Noord- 
zeekanaal, enz. en het droogleggen van het IJ in 1873- 
1877 , waardoor 11 polders zijn gevormd. Die welke uit 
het voormahge Wijkermeer hebben vervangen liggen het 
hoogst en hebben Z.P. van — 2 tot — 2,6 A.P. De andere hggen 
dieper met Z.P. van —3 A.P. af, het diepst in den 
IJpolder III*>. bij Amsterdam met een Z.P. van —3,4 A.P. 

Voorts wateren op den nieuwen boezem rechtstreeks af, 
de polders voorheen buitendijks gelegen langs het IJ , nl. 
die ten Z. daarvan, die tot het Hoogheemraadschap Rijn- 
land behooren ; voorts landen t. W. van het Wijkermeer 
en de buitenpolders t. N. van het IJ. Verder loozen direct 
op den boezem de polders tusschen de Zaan on het Twisko 
t., Z. van den Wormer, terwijl die tusschen Zaan en 
Wijkermeer deds op dezen boezem deels op Schermerboezem, 
en het eigenlijke Waterland tusschen het Twiske en de 



167 



Zuiderzee en ten Z. van den Purmer deels op dezen boezem 
deels direct op de Zuiderzee uitslaan. 

Gelijk reeds gezegd is , ontvangt de boezem tevens een 
groot gedeeite van het water van Rijnlandsboezera en het 
stadswater van Amsterdam met een deel van het water 
van Amstellandsboezem. Bovendien watert Schermerboe- 
zem met 5 sluizen te Nauerna en te Zaandam op den 
boezem af. 

Gemeenschap met andere wateren. Met het 
buitenwater lo. te IJmuiden door de schutsluizen in het 
Kanaal met de Noordzee , 2e. te Schelüngwoude door de 
Oranjeschutsluis met de Zuiderzee. Met Rijnlandsboezem 
door 3 schutsluizen te Spaarndam. Met Amsterdams Stads- 
water door de sluizen aldaar. Met Schermerboezem lo. 
door de schutsluis te Nauerna in de Nauernasche Vaart, 
2o. door de groote en kleine schutsluizen te Zaandam aan 
het einde der Zaan. 

T. N. VAN HET VOORMALIGE IJ. 
(Kaart IV.) 

Gtoscliiedenis. Van ons geheele polderland is Noord- 
Holland t. N. van het voormalige IJ gewis het gedeelte , 
dat, door den ondernemingsgeest en de volharding der 
voorvaderen en van het tegenwoordig geslacht, in de 
laatste drie eeuwen de meeste verandering heeft onder- 
gaan. Welke bezwaren soms moesten overwonnen worden 
om het te maken tot wat het nu is , kan o. a. blijken uit 
de geschiedenis van de bedijking der Zijpe , die wij hierna 
zullen vermelden. 

Hollands Noorderkwartier, zooals dit schiereiland 
van weleer genoemd werd , was bedekt en doorsneden met 
een menigte grootere en kleinere plassen en breede stroo- 
men, als men ze zoo noemen wil, die tot afwatering van 
die plassen dienden en van het land , dat ongeveer zoo 
hoog lag als de zeespiegel. Die meren enz. scheidden het 
Noorderkwartier nog in de 15e en 16e eeuw in drie 



168 



hoofd deelen, die dus door de natuur bepaald en bij 
geen andere gemeenschap dan te water bezittende , afeon- 
derlijke namen droegen en vroeger zelfs door verschillende 
volkstammen werden bewoond. 

Vooreerst moeten wij opmerken, dat een groot gedeelte 
van het tegenwoordige Holland t. N. van het IJ eerst in 
de laatste eeuwen door achtereenvolgende bedijkingen 
daaraan is toegevoegd , zooals de Zijpe (1597) , voorheen 
een breede zeeboezem , die de Noordzee bij Petten met de 
Zuiderzee verbond, in de richting Z.W.—N.O. ; de Wie- 
ringerwaard (1612), het Koegras (1818), de Anna Paulowna- 
polder (1845 -'47) en de Waard- en Groetpolder (1847), 
die vroeger zee waren. Callantsoog en Huisduinen waren 
eertijds eilanden, eerst later door genoemde bedijkingen aan 
het land gevoegd. 

Van het vasteland van het voormalige Noorderkwartier 
werd het Noordelijk deel gevormd door Westfriesland , 
dat t. N. , t. O. en gedeeltelijk t. Z. door de zee begrensd 
werd en verder t. Z, door de wateren van de ineenloo- 
pende Beemster en Schermer , welke eerste slechts door 
een dam van de Zuiderzee was gescheiden; t. W. werd 
het bepaald door de Rekere , die bij Krabbendam in de 
Zijpe uitUep en verder door dezen zeeboezem. Dit zooge- 
naamde gemeeneland van Westfriesland was geheel en 
al , evenals nog heden ten dage , omgeven door een ring- 
dijk langs de genoemde wateren en verdeeld in 4 Ambach- 
ten: lo. ©rechterland , het oostelijke oudste deel be- 
staande uit zeeklei evenals 2o. de Vier No order Kog- 
gen; 30. de Schager- en Niedorper Koggen en 
40. Geestmerambacht. 

T. W. door de Noordzee , t. N. door de Zijpe en t. O. 
door den Schermer begrensd , het Alkmaarder- of Lange 
meer , de Krommenije en het Wijkermeer en in het Z. 
zich uitstrekkend tot Rijnland, lag een deel van Ke n ne- 
me rland, het deel dat later Duinkavel werd geheeten. 
Het Oude Kennemerland strekte zich n.1. tot aan Leiden 
en het Oude Rijnland uit , doch het zuidelijk deel kwam 



169 



later onder dit laatste hoofdwaterschap. De Kromme- 
nije was vroeger een zeer breed water, doch is thans nog 
alleen over in de Krommenie , die van het Alkmaarder- 
meer zich langs Krommeniedijk uitstrekt en verder thans den 
Ham wordt geheeten , die grootendeels als een smalle sloot 
tusschen de St. Agatha- en Groene dijken doorloopt over 
den polder de Nieuwe Buitendijken. Deze polder is ge- 
vormd door aanslibbing en bedijking in den mond van de 
voormaUge Krommenye , buiten den dam die in 1357 dwars 
door deze tusschen genoemde twee dijken was gelegd. 

Die dam verbond Duinkavel met het derde groote deel 
van het Noorderkwartier, de Kavel Waterland, dat dus 
t. W. door de Krommenije , het Alkmaardermeer en den 
Schermer , t. N. door Westfriesland , t. O. door de Zuider- 
zee en t. Z. door het IJ werd begrensd. 

Dit waterland was een echt waterland: Stammeer, 
Schermer , Beemster , Enge en Wijde Wormer , Purmer , 
Monnikkenmeer , de 3 Waterlandsche meren en nog een 
menigte andere breede wateren (sommige Die genaamd), 
poelen, enz. bedekten den veenbodem. 

De droogmakerijen in Hollands Noorderkwartier zijn 
op een enkele na aUe drooggemaakte meren. De Assen- 
(lelverveenpolder nl. is volgens concessie van 1804 
verveend en volgens Kon. Besl. van 1845 drooggemaakt. 
Turfstekerijen hebben in dit deel van Noord-Holland eerst 
in 1822 te Schermerhorn en later te Berkhout plaats gehad 
en eigenlijke verveeningen op grootere schaal eerst in 1849 
ia den Noorder Veenpolder bij Assendelft, welke echter in 
1860 op hoog bevel geschorst is en in 1845 in den Graft- 
meer. Dit meer is toen nl. drooggelegd en de oude door 
den ringdijk ingesloten landen zijn daarna in het droge 
verveend. 

Zeeweringen. Een zaak van groot belang in Noord- 
Holland zijn de duinen en dijken langs het buitenwater , 
die onder vei*schillende besturen staan en verschillende 
namen dragen, gelijk wij hieronder bij de administratieve 
indeeling vinden zulllen. 



170 



In het westen vormen de duinen de natuurlijke zee- 
wering van zeer verschillende breedte (Zie de Kaart) , nl. 
van 400 tot 4000 M. , terwijl de hoogte van 7 tot 20 M. 
+ A.P. bedraagt. De hoogste toppen zijn Kykduin en 
Kamperdum. Op één plaats nl. bij Petten is die duinenrij 
echter afgebroken en vervangen door een zwaren zeedijk 
met paalwerk er vóór , die , ofschoon hij één geheel uit- 
maakt , verdeeld is in tweeen wat naam , onderhoud en 
bestuur aangaat, nl. in de Pettemer Zeewering, het 
kortste noordelijk deel by Petten, lang 550 M., hoog 6,15 M. 
boven volzee en 2o. de Hondsbossche Zeewering 
van hier tot Kamperduin , lang 4556 M., hoog 5,50 M. boven 
volzee. Vóór de geheele zeewering liggen 29 steenen hoof- 
den om het geweld der golven te breken. 

De Oude Schoorlsche zeedyk, die vroeger Duinkavel 
tegen de wateren der Züpe beschermde, sluit tegen 
het noordeiyk deel van de Hondsbossche Zeewering aan 
en kan dus met den Ouden Westfrieschen Zeedijk bij een 
doorbraak t. N. van die aansluiting de wateren wellicht 
keeren. Achter het zuidelijk deel Ugt een slaperdijk 
van de duinen by Hargen tot den Ouden Schoorlschen Zee- 
dijk. — Verder loopt langs het N. en O. en langs de 
noordzijde van het voormalige IJ een aaneengeschakelde 
zeewering , die nu echter slechts buitendijk meer is tot 
aan den dam bij Schellingwoude , terwijl eerst bij een door- 
breken van dezen laatste de Noorder IJdijk in zijn geheel zou 
moeten keeren. Van Schellingwoude tot Enkhuizen is de 
hoogte van + 2,25 tot + 4,00 A.P. ; van hier tot den Wierin- 
gerwaard + 4 èt + 5 A.P. , van hier tot den Helder + 3,7 
A.P. en aan den Helder en het Nieuwediep + 2,5 a 
2,75 A.P. 

Waterstaatkundige verdeeling. Boesems. 

2 1 . Schennerboeaem. Deze boezem waarbij het grootste 
deel van Noord-Holland belang heeft, volgt van alle boezems 
des lands in grootte op dien van Rijnland, Hij wordt gevormd 



_f 



171 



door vele wateren als: de ringvaarten van de droogmake- 
rijen den Schermer, den Beemster, den Wormer, den 
Punner , enz. ; het 2e en 3e pand van het Gr. N. HoU. 
Kanaal, d. i. van Purmerend tot de Zyperschutsluis en 
van hier tot den Helder, die meestal gemeen liggen (het 
Ie pand van Amsterdam tot Purmerend ligt met Water- 
lands polderwater gemeen) , welk gedeelte voor een deel 
de ringvaart van Beemster en Schermer vormt ; de Zaan , 
de Nauemasche , Marker- en KnoUendammervaarten , het 
Alkmaardermeer , de Ursemervaart , de Beemster uitwate- 
ring , de Groote Sloot , het Oude Veer en de van Ewijcks- 
vaart in de Anna-Paulownapolder , een deel der grachten 
van de steden Alkmaar, Purmerend, Edam en die der 
fbrten bij den Helder en de havens en dokken aldaar, enz. 

Oppervlakte van den boezem = 2000 H.A. 
Grootte der polders die er op loozen 69300 H.A. Enkele 
landen die er op loozen, zooals de Anna Paulownapolder 
en gedeelte van Drechterland b\j Hoorn wateren tevens 
rechtstreeks op de zee af. Bovendien ontvangt de boezem 
in sommige omstandigheden het overtolüge water van 
Raaksmaatsboezem. 

De boezem loost door 10 sluizen z\jn overtollig water: 
door 5 op den boezem van het Noordzeekanaal , nl. de 
schutsluis en de duikersluis te Nauerna , de Groote, Kleine 
en Duikersluizen te Zaandam , en door 5 sluizen op de 
Zuiderzee nl. de Gravensluis te Monnickendam , de schut- 
sluis te Edam , 2 sluizen te Schardam en de Homsluis te 
Lutjeschardam. Bovendien kunnen vier sluizen in de haven 
van Nieuwediep en de van Ewijcksluis in den Anna-Pau- 
lownapolder (meestal) ter uitwatering dienen. 

De gemiddelde zomerstand des boezems gedu- 
rende 1868-1877 was = -0,57, de gem, winterstand 
-0,40 A.P. Het Z.P. des boezems -0,50 A.P. Het 3e 
pand van het Gr. N.-HoU. Kanaal , van de Zijperschutsluis 
tot den Helder, ligt meestal met het 2e pand , dat is met 
Schermerboezem gemeen , kan echter door sluiting van die 
sluis tot volzee bij Nieuwediep , d, i. tot + 0,21 A.P, 



172 



worden opgezet. Het maalpeil = A.P. De kaden lig- 
gen zeer verschillend , meestal + 0,10 a + 0,50 A.P. , 
die van den Beemster op + 1>75 A.P. 

De stand van het buiten water is te Schardam en te Edam 
bij buitengewoon hoogen vl. = + 2,4 A.P. Te Nieuwe- 
diep vl. + 0,21 , eb -0,9 A.P. Hoogste stand + 2,16, 
laagste - 2,02 A.P. 

De polders hebben Z.P. tot —1,96 A.P. ; de droogmake- 
rijen tot —4,35 A.P. Tot dezen boezem behooren vele 
belangrijke bedijkingen en droogmakerijen. 

De bedijking van de Zype, eerst in 1597 tot stand ge- 
komen , verbond het eiland Callantsoog met het vasteland 
en maakte den Schoorlschen Zeedijk, die Duinkavel t. N* 
begrensde en het westelyk deel van den Westfrieschen 
Zeedijk, die zoo vaak bij hooge vloeden geteisterd werden, 
tot binnendijken. Reeds in 1552 werd concessie verleend en 
na veel tegenspoeden eindelijk in 1570 de polder in cultuur 
gebracht, doch de AUerheiligenvloed verbrak in datzelfde 
jaar de dijken en de polder stroomde weer vol. Twee jaar 
later beproefde men de indijking op nieuw ; weer bezweek 
het te zwakke werk. Eindelijk werd in 1596 op nieuw 
octrooi verleend en in 1597 was de Zijpe en nu voorgoed 
in land herschapen. Dit is verdeeld in 21 polders met 
verschillende polderpeilen en nog eenige die voor particu- 
liere rekening bemalen worden , samen groot 6755 H. A. De 
Zijpe is geheel met een ringdijk omgeven, die aan de west- 
zijde gedeeltelijk door aanstuiving enz. tot duin is gewor- 
den en wordt door 21 molens afgemalen op Schermer- 
boezem. 

Het Koe gras behoort aan één eigenaar en is groot 
8967 H.A. Reeds in 1610 legde men langs de westzijde 
een dijk tusschen Callantsoog en het eiland Huisduinen, die 
tot een smalle duinstrook aanstoof; in 1818 sloot eendijk 
de oostzijde het Koegras van de zee af en herschiep het 
in een weiland. De gemiddelde hoogte hiervan is -|- 0,8 
A.P. Het Koegras wordt niet bemalen, doch watert door 
sluizen op het N.-HoU. Kanaal af. 



173 



Hadden in 1610 reeds de dijken van den Wieringerwaard, 
over de schorgronden gelegd , den Westfrieschen Zeedijk 
voor een deel slaper gemaakt en belangrijke landaanwinst 
gegeven , in 1843 werd de Waard-en Groet ter grootte van 
1525 H.A. tegen de oostzijde der zeedyken van den Wie- 
ringerwaard en van Westfriesland ingedijkt en werden die 
dijken dus voor een deel slaper. Deze bedijking behoort 
echter niet tot Schermerboezem , maar heeft een afzonder- 
lijken boezem. (Zie hierachter onder 25.) 

Eindelijk legde in 1845 — '47 de Anna-Paulouwna- 
polder zijn zeedijk, verwijderde daardoor de Zijpe ge- 
heel van de Zuiderzee en maakte de zeedijken van de 
Wieringerwaard bijna geheel slaper. De oppervlakte van 
deze bedijking is 5180 H.A. De polder is door het Oude 
Veer, een breed water dat van het Z. naar het N. zich 
uitstrekt , in twee deelen gescheiden ; het zuidelijk deel 
van het Oude Veer en zijn verlenging , de van Ewijcks- 
vaart , liggen meestal met Schermerboezem gemeen , als 
de doorvaartsluis aan den Zijper ringdijk n.1. niet gesloten 
is. De van Ewijcksvaart loost door de van Ewijcksluis , 
een schutsluis , op zee. Het westelijk deel nu loost deels 
rechtstreeks op zee door een duikersluis in den Balgdijk 
dicht bij de van Ewijcksluis , deels maalt het zijn water 
op Schermerboezem , het oostelijk deel eveneens op Scher- 
merboezem en tevens gedeeltelijk door een windvyzel- 
molen op den voorboezem van den Wieringerwaard , die 
langs den zeedijk loopt en in den Oosthoek van den Anna- 
Paulowna polder op zee loost door een duikersluis. De 
bemalmg geschiedt overigens door één stoom- envijfwind- 
vijzehnolens. Het Z.P. van den Westpolder , die in klemere 
polders verdeeld is, is van —0,8 tot —2,1 A.P.; de deelen 
van den Oostpolder hebben Z.P. van —1,8 tot —2,5 A.P. 

Onder de droogmakerijen behoorende tot Schermerboezem, 
verdienen voornamelijk de volgende de aandacht. 

De Beemster. Het voormalige meer de Beemster 
is ontstaan uit den ouden stroom Bamestra , die zich al 
meer en meer uitbreidde , in een meer veranderde , zich 



174 



met de Haver- en Scharmeeren vereenigde en door het 
toenemen van de diepte en van den omvang hoe langer hoe 
gevaarlijker werd voor de omringende landen. In 1597 
werd reeds octrooi verleend tot droogmaking , doch deze 
geschiedde niet dan nadat in 1607 op nieuw octrooi was 
verleend aan een maatschappij. Zes en twintig molens 
begonnen ip 1608 te werken en hadden in 1610 den plas 
droog. Toen brak echter de Waterlandsche Zeedijk door 
en tengevolge daarvan ook de ringdijk van den Beemster 
en deze stroomde weer vol. In 1612 was hij echter op 
nieuw drooggelegd. 

Deze droogmakerij is de grootste na de Haarlemmermeer 
en heeft een oppervlakte van 7218 H.A., in eenige polders 
verdeeld met Z.P. van —4 tot —4,85 A.P. De bemaling 
geschiedt door 49 molens , alle vijzelmolens op één na , 
die verdeeld zijn in 12 gangen , de meeste van 4 molens hoog 
en die het water op de ringvaart d. i. op Schermerboezem 
brengen. 

De Schermer is in 1635 drooggelegd. Grootte 4828 
H.A. Hij is verdeeld in 14 polders, waaruit het water eerst 
op een binnenboezem wordt uitgeslagen en hieruit op de 
ringvaart , dus op Schermerboezem. Z.P. der polders van 
-3,95 tot -4,35 A.P. 

De Wijde Wormer, in 1625 drooggemaakt , is in 
Februari 1825 met den vreeselijken stormvloed , die den 
Waterlandschen Zeedijk bij Durgerdam doorbrak, weer 
ondergeloopen , daar ook zijn ringdijk bezweek ; bijna alle 
bewoners kwamen bij die ramp om het leven. Het vol- 
gend jaar kwam zij evenwel weer droog. 

Voorts noemen wij : den Bergermeer (1564) , den 
Purmer (1622), den Enge Wormer (1638), den Stam- 
meer (1643), den Boekelermeer , den Graftsmeer 
(1845), enz. 

Gemeenschap met andere wateren. Met den 
boezem van het Noordzeekanaal door de schutsluizen te 
Nauema en te Zaandajn. Met Raaksmaatsboezem door 
de schutsluis aan de Zes Wielen (bij Alkmaar). Met het 



175 



polderwater van Waterland (Ie pand van het Gr. N. Holl. 
Kanaal) door de schutsluis tusschen het Ie en 2e pand 
te Parmerend. Met het buitenwater 1^ door de schut- 
sluis te Edain , 2«. door de van Ewijcksluis in den Anna- 
Paulownapolder en 3o. door 3 schutsluizen te Nieuwe- 
diep tusschen het Noord-HoUandsch Kanaal met de Bin- 
nenhaven en het Nieuwediep. 

22. RaAksmaatsboesem wordt gevormd door eenige 
wateren , meest ringslooten van droogmakerijen, gelegen in 
Greestmerambacht. Alle landen behoorende tot dit water- 
schap , waaronder er ook eenige zijn buiten den West- 
frieschen omringdljk, wateren op den boezem uit, en deze 
wordt daarom ook wel genoemd Geest merambacht 's 
boezem. De loozing heeft ten eerste plaats door een 
uitwateringssluis te Aartswoud, op een uitwateringskanaal, 
dat zich langs een groot gedeelte van den zeedijk des 
Waard- en Groetpolders uitstrekt en waarin het boezem- 
water komt door de Langereis, een wetering langs de oos- 
telijke grens van Geestmerambacht en de Niedorperkogge ; 
dit kanaal loost door eene uitwateringssluis by hel Kolhor- 
nerdiep op de Zuiderzee. Bovendien watert de boezem 
af op Schermerboezem door twee sluizen, nl. door de 
schutsluis aan de Zes Wielen bij Alkmaar en door de uit- 
wateringssluis te Rustenburg. Als wegens den hoogen stand 
van de Zuiderzee en van Schermerboezem natuurlijke loo- 
zing niet onmogelijk is , dan wordt Raaksmaatsboezem op 
Scheraierboezem afgemalen door 13 strijkmolens aan de 
Zes Wielen , te Rustenburg en te Ondorp. 

Het inlaten van water geschiedt zoo noodig aan de 
Zes Wielen en te Ondorp. 

Het zomerpeil van den boezem is —0,65 A.P. , 
het maalpeü —0,14 A.P. 

De buitenwaterstand aan den molen van het Kolhomer- 
diep op de Zuiderzee is bij gew. vloed + 0,7 A.P. , bij 
gew. eb —0,09 A.P.; de hoogste stand + 1,93, de laagste 
=-l,61 A.P. 

Üe zomerpeilcn der polders liggeii van — 1 , 1 8 tot - 2, 1 3 A.P. : 



170 

die der droogmakerijen van —1,58 tot —3,49 A.P. 
Geen deel van Hollands Noorderkwartier heeft zooveel 
droogmakerijen, waarvan de grootste is de Heer- 
Hugowaard, groot 3810 H.A. , die in 1625 is droo^e- 
maakt en in 8 afpolderingen is verdeeld, elk met een ander 
zomerpeil nl. van -1,87 tot —3,49 A.P. Vóór de droog- 
making behoorde de Heer-Hugowaard tot den boezem en 
tot keering van zyn wateren, diende o. a. de Ooster- 
dijk, die thans nog als binnendijk voor een eventueelen 
doorbraak in den Westfrieschen Zeedijk onderhouden wordt 
Hij loopt van de Alleraansbrug (Halvemaansbrug) in den 
Z.W. hoek van den Heer-Hugowaard langs de westzijde 
dezer droogmakerij tot Oudkarspel aan den Kalverdijk. 

Voorts zijn nog belangrijke droogmakerijen: de Berk- 
meer en de Wogmeer. 

Gemeenschap met andere wateren. Met Scher- 
merboezem door de schutsluis aan de Zes Wielen. Met 
den Mient- of Niedorperkoggeboezem door de schutsluis 
aan het Niedorperverlaat te Oude Niedorp. 

23. De Mient- of Niedorperkoggeboesem. 
Deze wordt gevormd door eenige slooten en de Kromme 
Gouw, alle smalle wateren, gelegen in de Niedorperkogge. 
De boezem wordt afgemalen op den boezem van het Kol- 
homerdiep bij Lutjewinkel. 

De zomerstand van den boezem is —0,65 A.P. 
Het maalpeil -3,40 A.P. 
Het zomerpeil der polders is van —1,42 tot — 2,51A.P. 
Bü doorbraak van den Westfrieschen Zeedyk wordt de 
Niedorperkogge beschermd door een binnendijk , genaamd 
de Langereisdijk, loopende langs de Langereis, van de 
zuidpunt van den Waard- en Groetpolder (voormaligen West- 
frieschen Zeedijk) langs de oostelijke grens der kogge en 
van Geestmerambacht en aansluitende aan den ringdijk 
van den Berkmeer, die weer sluit aan den oostelijken dijk 
van den Heer-Hugowaard. 

Gemeenschap met andere wateren. Met Raaks- 
maatsboezem door de schutsluis aan het Niedorper Verlaat, 



177 



Met den Schagerkoggeboezem door een schutsluis in de 
Kromme Gouw bij Kolhorn. 

24. De Schagerkoggeboesem wordt gevormd door 
tanige slooten en vaarten. Deloozing geschiedt door de Scha- 
gei*sluis bij Kolhorn op den boezem van het Kolhornerdiep. 

Het Z. P. van den boezem is —0,6 A.P. Het 
M. F. -0,33 A.P. 

Het Z. P. der polders is -0,75 tot -1,9 A.P. 

In het N. W. tegen den Ouden Westfrieschen Zeedijk 
ligt de bedykiiig B u r g h o r n, die niet bemalen wordt. 

Gemeenschap met andere wateren. Met 
den Niedorperkoggeboezem door de schutsluis in de 
Kromme Gouw bij Kolhorn. 

25. De boezem van het Kolhornerdiep, gevormd 
door het Kolhornerdiep, het Boerensluis-kanaal en een afwate- 
ringskanaal langs den zeedijk van den Waardpolder, loost 
door een schutsluis aan den mond van het Kolhornerdiep. 

De boezem ontvangt het water van de Niedorper- en 
Schagerkoggeboezems en dient verder alleen tot waterber- 
ging voor den Waard-enGroetpolder, een bedijking 
die in 1843 tegen den oostelijken zeedijk van den Wie- 
ringwaard werd ingedijkt, ter grootte van 1526 H.A. 

Het M.P. van den boezem is + 0.7 A.P., de hoogte der 
kaden + 1 A.P. 

Het Z.P. van den Waard en Groet is — 1,65 A.P. 

Gemeenschap met andere wateren. Met 
het buitenwater door de schutsluis aan den mond van 
het Kolhornerdiep. 

Het overige gedeelte van Hollands Noorderkwartier 
watert rechtstreeks op de Zuiderzee af, door vele 
sluizen van aan den zeedijk gelegen voorboezems , waarin 
molens het polderwater opbrengen (molenkolken.) 

Ic. Drechterland, waarvan evenwel een gedeelte 
t: W. van Hoorn (Zie de Klaart IV) tevens op Schermer- 
boezem uitslaat. 

2® De vier Noorder Koggen, welker polders op 

12 



178 



eenige weinige na een gemeenschappelijk Z. P. (-2,10 
A.P.) en een gemeenschappelyk gemaal hebben , dus eigen- 
lijk slechts één waterstaatkundigen polder vormen, slaan 
uit op 4 voorboezems of molenkolken aan den zeedijk. 

In deze beide Ambachten van Westfriesland liggen ver- 
scheidene kleine drooggemaakte meren met Z. P. van -2.7 
tot —3,10 A.P.; die in de Vier Noorden Koggen slaan uit 
op het gemeene polderwater, 

8^. Het oostelijk deel van den Kavel Wa- 
terland, nl. t. O. van het Twiske en t. Z. van Wor- 
mer en Purmer , een Hoogheemraadschap vormend , meer 
in 't bijzonder Waterland genoemd. Het loost echter 
tevens op den boezem van het Noordzeekanaal, door een 
stoomgemaal by Kadoelen onder Buiksloot. (•) Het vormt 
slechts één waterstaatkundigen polder , het gebied van 5 
gemeenten omvattende , met een Z. P. van — 1,30 A.P. 
Met het polderwater bestaande uit een menigte tochten, 
slooten, plassen en breede wateren, hier meestal Die ge- 
naamd, ligt het Ie pand van het Groot Noord-HolL Kanaal 
gemeen , hetgeen steeds ten gevolge heeft gehad dat Wa- 
terland door het schutten door de groote zeesluizen tegen- 
over Amsterdam zeer met water , en wel met zout of 
brak water bezwaard werd. 

Al dat polderwater wordt ook wel eens — geheel onjuist 
evenwel — Waterlandsboezem genoemd. De loozing op de 
Zuiderzee geschiedt op 2 plaatsen door de uitwaterings- 
sluizen van molenkolken (Rijper- en Poelkolk) , waarin thans 
het polderwater tiitsluitend door 2 stoomgemalen wordt 
opgebracht. De 3 genoemde stoomtuigen zijn in de laatste 
8 jaar gebouwd en hebben den ongelukkigen toestand 
waarin Waterland sedert den aanleg van het N.-Hollandsch 
Kanaal verkeerde zeer verbeterd. Het Z.P. o. a. heeft 
men met 25 cM. kmmen verlagen. In dit deel van Wa- 
terland hggen verscheiden drooggemaakte meren als de 
Monnikenmeer (1863), de 3 Waterlandsche mereni 



o Vroeger sloeg dit deel van Waterland ook op Schermerboeiem uit, nl. 
door 3 mdens by Monnickendam op de Purmerrlngsloot. 



179 



Buikslooter-, Broeker- en Belmermeer (1623), enz., 
die op een enkele na alle hun water op Waterlands polder- 
water loozen , dat hun dus tot boezem dient. De in 1880 
drooggemaakte Blijkmeer watert direct op de zee af. 

4^ De Wieringerwaard. Dit is de eenige bedyking 
van het Noorderkwartier , die uitsluitend rechtstreeks op 
zee afwatert. Reeds in 1597 werd tot de indijking oc- 
trooi verleend, in 1608 werd het werk voortgeziet en in 
1610 was het voltooid , waardoor 1860 H.A. kleigronden 
werden gewonnen. De afsluitdijk, voor | zeedijk, legde 
zware lasten op den polder , doch door de indijking; van 
den Anna-Paulownapolder in 1845 bleef hij slechts over 
een klein deel (890 M.) zeedijk. De polder heeft een Z.P. 
van —2,14 A.P. en maalt zijn water op in tweeen: eerst 
in een kanaal langs den noordelyken en noordwcötelijken 
dijk en hieruit in een voorboezem , die langs den oosteiy- 
ken zeedijk van den Anna-Paulownapolder zich uitstrekt 
en in den Oosthoek door een duiker op zee afwatert. 

§ 4. Administratieve indeeling. 

T. Z. VAN HET VOORMALIGE IJ. 

Oeschiedenis. 

Wat wij tegenwoordig Zuid-Holland noemen , met Noord- 
Holland en een deel van Utrecht t. Z. van het IJ , droeg 
in de oudere tijden die namen niet. Het kap goed zijn 
daarop hier in 't kort te wijzen , om verwarring te voor- 
komen bij het lezen van geschriften over die gewesten, enz. 

Eenmaal noemde men alle landen langs de Noordzee tot 
aan de grenzen van Vlaanderen Friesland, t. O. van 
het VUe Oost-Friesland. T. N. van de Maas , waar reeds 
in de 9e en 10e eeuw de Graafschappen Masalant, Kinhem 
(van Leiden tot de Rekere , een water langs het Z. W. 
van Westfriesland bij het tegenwoordige Krabbendam) en 
Texlem voorkwamen, werd het verdeeld in Texel, Fries- 
land, Kennemerland en Holland, later in Texel, West- 

12* 



180 

friesland, Kennemerland, Waterland, Zeevanc, Amstelland. 
Rijnland . Woerden , Delfland en Schieland. 

Het geheele land t. N. van de Maas en IJsel tot aan 
Westfriesland en Texel heette men Noord-Holland, be- 
halve Amstelland, Naerdincland, enz. dat zijn eigen naam 
droeg. Schiedam en Delft waren hoofdplaatsen van Noord- 
Holland, zooals deze gewesten nog in het middm derlie 
eeuw worden genoemd - nl. zetelplaatsen van autoritei- 
ten, als de Baljuws, enz. 

Wattoen Zuid-Holland heette, omvatte den Krimpener- 
waard, de Rieder- en Zwijndrechtsche Waarden, denHoek- 
schen Waard, den Alblasserwaard, het Land van Altena, de 
Langstraat, over den Donge en St. Geertruidenberg en reikt* 
dus voor een deel tot in het tegenwoordige Noord-Brabant. 
Deze landstreken vormden eigeniyk het oorspronkelijke Hol- 
land, dat in de oudste stukken niet Holland maar flottfaw/ 
genoemd wordt. Daarbinnen lag ook de Groote Waard, 
die in 1421 grootendeels verdronk , t. N. grenzend aan de 
Zwijndrechtsche en Alblasserwaarden , t. W. aan Nieuw 
Bonaventura en het Land van Strijen en omvattende het 
tegenwoordig Eiland van Dordt, den Biesbosch, het Land 
van Altena en van Geertruidenberg tot aan Zevenber- 

^^ Hoewel de eerste bezittingen der HoUandsche Graven, 
oorspronkelijk Friesche hoofden, verspreid lagen in het 
westen langs en in de kuststreek van de Noordzee , zoo 
voegden die graven daaraan spoedig het Graafschap Vlaar- 
dingen toe dat het tegenwoordige IJseUnonde tot aan den 
Zwijndrechtschen Waard omvatte, veroverden op den 
Utrechtschen Bisschop landen bij Bodegraven (Bodekenlo) 
en langs de Oude Maas en Merwe en deze laatste waren 
het die weldra de kern van hun gebied vormden en van 
waaruit zij hun macht uitbreidden , zelfs tot aan West- 
friesland. „ ,. . 

Het land werd verdeeld in Baljuwschappen, waann 
's Graven plaatsvervangers, de Baljuws, bewind voerden, als: 
de Baljuwschappen van Holland, van Delfland en Schieland, 



181 

eerst na 1417 gescheiden, van Rynland, dat het zuidwestelijk 
deel van het tegenwoordige Rijnlanden een deel van Delfland 
bevatte en in het noorden reeds bü Hillegom aan het Bal- 
juwschap Kennemerland paalde , enz. , van Woerden , van 
Amstelland, Waterland, Friesland. 

Dijksbestuur en Zeewering. 

De Zuider Lekdijk van den Diefdyk tot Ameide is in 
onderhoud bij het Hoogheemraadschap van de 
Vijfheerenlanden. 

De Zuider Lekdijk van Ameide tot den Elshout, van 
hier langs den rechteroever van de Noord en vervolgens 
langs den rechteroever der Merwede tot Gorinchem, wordt 
beheerd door het Hoogheemraadschap van den 
Alblasserwaard met Arkel beneden de Zouwe, 
als uitmakende het grootste deel van den waterkeerenden 
ring van dit waterschap. Het oudste handvest van dijk- 
recht in den Alblasserwaard , dat bekend is , is van 1277. 
Door achtereenvolgende indijkingen is de tegenwoordige 
Imndijk in het midden der 14e eeuw tot stand gekomen. 

Het beheer der groote dijken vormt slechts een deel 
van de taak van genoemde waterschappen. Wij komen 
daarom later op deze terug. 

De Noorder Lekdijk van Amerongen tot aan het Klaphek 
wordt geheel en al beheerd door het Hoogheeemraad- 
schap van den Lekdijk Bovendams. Dit is een 
Dijkscollegie, reeds in 1323 door Bisschop Jan van 
Diest ingesteld , welks werkkring alleen bestaat in het be- 
heer van dezen dijk. De voornaamste sluizen daarin zijn 
niet bij het Hoogheemraadschap in onderhoud : de militaire 
inundatiesluizen te Wijk bij Duurstede en Honswijk wor- 
den onderhouden door de militaire genie en de schutsluizen 
te Vreeswijk behooren aan het Rijk. Het Reglement 
is van 1856. 

Van het Klaphek tot Schoonhoven wordt de Noorder 
Lekdijk beheerd door het Hoogheemraadschap van 
den Lekdijk Benedendams en den Useldam. Het 
Dijkscollegie is ingesteld bij dijkbrief van Bisschop Rudolf 



182 



van Diepholt in 1454. Reeds in 1328 werd de dijk ge- 
deeltelijk aangelegd of verzwaard , blijkens dijkbrief van 
Bisschop Jan van Diest. Ook dit Hoogheemraadschap 
heeft uitsluitend een waterkeerend karakter. Het zorgt 
bovendien voor eenige oeverwerken en voor de duikersluis 
in den IJsel bij het Klaphek. Het Reglement is van 1857. 

De Hoogheemraadschappen van den Lekdijk Boven- en 
Benedendams heffen lasten over een groote uitgestrektheid 
van binnendijks gelegen landen, het eerste tot aan de 
Tienhovensche Vaart, Maarsseveen en Kockengen t. N. en 
de waterschappen Woerdenen Bijleveld en den IJsel tW.; 
het laatste tot den linker IJseldijk en den Krimpener- 
waard , dus over den Lopikkerwaard. 

Niet aüe landen binnen die grenzen zijn dijkplichtig. 
Voor beide laatstgenoemde DijkscoUegieén bestaat het Re- 
glement, houdende bepalingen omtrent de 
dykslasten en de verdediging desdijksin 
de Hoogheemraadschappen van den Lek- 
dijk Bovendams envan den LekdljkBenedendams 
en den IJsel dam. Van Schoonhoven tot de aansluiting 
aan den IJseldijk bij Krimpen aan den IJsel is de 
Noorder Lekdijk in beheer b\j het Hoogheemraad- 
schap vandenKrimpenerwaard, dat niet een 
Dykscollegie , doch een waterschap is , hetwelk tevens het 
toezicht heeft over vele andere waterstaatsaangelegenheden 
van daartoe behoorende polders. Zie hier onder bl. 192. 

De M a a s d ij k , van zijn begin in het westen aan den 
Noordlandschen dijk tot aan Schiedam, is in onderhoud bij 
het daaraangrenzende Hoogheemraadschap Delf- 
land. Van Schiedam tot Krimpen aan den IJsel vormt hij 
een deel van Schielands Hoogen Zeedyk^die 
zich verder uitstrekt langs den rechter IJseloever tot Gouda 
en hier aansluit aan het gedeelte van den IJseldijk (tot 
den Wierickendijk) dat door Rijnland beheerd wordt. Schie- 
lands Hooge Zeedijk wordt beheerd en onderhouden 
door het Hoogheemraadschap Schieland. 
Tevens onderhouden beide Hoogheemraadscliappen , dio 



188 



groote waterschappen zijn en waarop wij hieronder terugko- 
men , alle in den Maasdy*k gelegen sluizen. 

De duinen langs de Noordzee worden langs de buiten- 
zijde door helmbeplanting, enz. onderhouden door Delfland 
en Schieland, terwijl Delfland bovendien onderhoudt de 
Delflandsche hoofden en den daarachter gelegen Slaperdijk. 

De zeeweringen langs de zuidzijde van het 
voormalige IJ en de Zuiderzee zijn thans t. W. van den 
afsluitdam bij Schellingwoude binnendijk geworden en be- 
staan in het westen te beginnen van de duinen bij Zand- 
poort tot Amsterdam uit de Spaarndamsche Zeedijk, in 
onderhoud bij het Hoogheemraadschap Rijnland. 
Het westelijk deel, van Zandpoort tot den Schinkeldijk 
(een klein gedeelte bij Spaamdam) , is een binnendijk , de 
Slaperdijk geheeten , in 1612 aangelegd om Rijnland 
bij doorbreken van den dijk van het Velzerbroek, langs 
de westzijde van het Wijkermeer , te beschermen. Hij 
tnocht echter niet boven zeker peil worden opgetrokken , 
omdat zijn overloopen de noorder dyken van het weste- 
lijk IJ , de Waterlandsche dijken , Amsterdam en de Mui- 
der- en Diemerdijken ontzette. Van 1701 tot 1749 hebben 
49 hooge vlooden , 36 maal den Slaperdijk doen overloopen. 
Een en ander gaf aanleiding tot langdurige twisten, vooral 
tusschen Rijnland en Amsterdam. 

De dijken, sluizen, enz. die de waterkeering van de 
stad Amsterdam vormen , worden beheerd door het ge- 
meentebestuur dier stad. 

Van den Oosterdoksdijk te Amsterdam tot de groote 
zeesluis in de Vecht te Muiden wordt de dijk met alle 
daarin gelegen sluizen beheerd door : 

Het Hoogheemraadschap Zeeburg en Diemerdijk. 
Dit heft daartoe lasten van 23000 H.A. polders , enz., ge- 
legen in Noord-Holland en Utrecht, t. O. zich uitstrek- 
kende tot Gooiland, t. Z. tot de landen, die schuldplich- 
tig zijn aan het Hoogheemraadschap van den Lekkendijk 
Bovendams, d. i. tot de Tienhovensche vaart. De landen 
t. N. van du Weesper Trekvaart moeten bovendien bij ge- 



184 



vaar manschappen leveren voor een zoogenaamd dijkl^er, 
om persoonlijke diensten te verrichten aan den dijk. Het 
bestuur bestaat uit een Dijkgraaf en 4 Hoogheemraden 
als Dag. Best , benoemd door den Koning , en uit 9 
Waarslieden. Het Reglement is van 1864. 

De Ipenslooter- en Diemerdammersluizen (uitwateringsslui- 
zen van Amstellandsboezem), vroeger onderhouden door bij- 
dragen van schuldplichtige districten, en onder toezicht 
staande van het Hoogheemraadschap Zeeburg- en Diemer- 
dijk , zijn in 1872 geheel in onderhoud overgegaan bij het 
Hoogheemraadschap Amstelland. 

De Mniderzeesltiis wordt afzonderlijk beheerd , doch 
dit beheer wordt gevoerd en het onderhoud geschiedt door 
Dijkgraaf en Hoogheemraden van den „Zeedijk beoosten 
Muiden." 

De zeewaterkeering van het Slot te Muiden is in beheer 
en onderhoud bij de Mil. Genie , onder toezicht van Dijk- 
graaf en Hoogheemraden van laatstgenoemd Dijkbestuur. 

Hoogheemraadschap Zeedijk beoosten Muiden, 
van het Slot te Muiden tot de hooge gronden van Miii- 
derberg en van hier tot den Provincialen zeedijk. Het 
onderhoud is ten laste van eenige polders om Muiden en 
Weesp. Het bestuur bestaat uit een Dijkgraaf en 7 Hoog- 
heemraden benoemd door Z. M.. Het Reglement is van 
1844. 

Van hier tot bij Naarden strekt zich uit De Provin- 
ciale Zeedijk tusschen Mtdden en Naarden, die 
onderhouden wordt door de Provincie. 

Dijk van de Gooier Meent, van den Provincialen 
Zeedijk tot de vestingwerken van Naarden , wordt onder- 
houden door de „Vergadering van Stad en Lande van 
Gooiland." 

De Vestingrwerken van Naarden in onderhoud bij 
de Mil. Genie. 

De Oostdijk of Zeedijk beoosten Naarden , van 
Naarden tot de hooge gronden onder Valkeveen is iii on- 
derhoud bij de Provincie. 



185 



Al deze dijken en «luizen van de Muiderzeesluis af staan 
onder toezicht van Dijkgraaf en Hoogheemraden van den 
Zeedijk beoosten Muiden. 

Waterschappen. 

Dit polderland t. Z. van het voormalige IJ en de 
Zuiderzee is verdeeld in een zeer groot aantal (admi- 
nistratieve) polders of waterschappen (in Utrecht al- 
dus genoemd , uit één of een klein getal waterstaatkun. 
(lige polders bestaiinde. Die kleinere lichamen zijn voor 
het grootste gedeelte vereenigd tot de volgende Hoofdwa- 
terschappen en grootere administratieve lichamen. 

Hoogheemraadschap van den Alblasserwaard 
met Arkel beneden de Zouwe. Dit hoofdwaterschap 
omvat alle landen tusschen Lek, Noord en Merwe t. W. 
van de Zouwe- en Bazeldijken en den rechter Lingedijk van 
den Arkelschen Dam tot Gorinchem. Het is een der oudste 
omdijkingen , erkend bij giftbrief van Floris V in 1277. 
Oorspronkelijk was het niet verdeeld in waterstaatkundige 
polders , maar slechts administratief in ambachtsheerlijk- 
heden , die ook thans nog bestaan , elk een dorp en een 
kerk bevattende. Later werden de landen bij gedeelten 
door kaden ingepolderd. Het strekt zich uit over : 

1^ De rechtstreeks op het buitenwater loozende polders, 
d. z. de polders Nieuw-Lekkerland , Streefkerk en de Kor- 
tenbroeksche polder , die op de Lek en de Papendrechtsche 
polder die op de Noord loost ; benevens twee buitenpolders 
aan de Noord. De drie eerstgenoemde polders vormen 
met den Langebroekschen polder , die tot het Waterschap 
van den Nederwaard behoort en op den boezem hiervan 
loost, één waterschap. 

2^. Het Waterschap van den Nederwaard 
(22 polders of 13 ambachten). Hiertoe behooren alle wa- 
terstaatkundige polders die uitslaan op den boezem van den 
X<Mlerwaard. Deze vormeii weer of alleen of bij. 2 of meer 
vereenigd administratief ])olders met eigen besturen. 
Het Waterschap onderhoudt de boezemwatei'en met kaden. 



18(3 



"bruggen en sluizen en de bemaling van den boezem. Het 
ziet toe op alle waterleidingen die water op den boezem 
brengen. Het Reglement is van 1859 , het laatst gewij- 
zigd in 1871. 

3\ Het Waterschap van den Overwaard (30 
polders of 15 ambachten , waarvan 4 "tot Arkel beneden 
de Zouwe). Hiertoe behooren alle polders , loozende op 
den boezem van de Overwaard , die ook weer óf alleen 
óf bij eenige vereenigd waterschappen met eigen be- 
sturen vormen. Bovendien behooren tot dit waterschap 
de buitenpolders tusschen de Lingedijken van den Arkelschen 
Dam tot Gorinchem en de polder het Wijdschild t. O. van 
deze plaats (vroeger ook binnen Lingedijken gelegen). Het 
oostelijk deel er van is Arkel beneden de Zouwe, dat 
geheel door een waterkeerenden ring is omsloten. 

Dit waterschap onderhoudt de boezemwateren met slui- 
zen en bruggen en de bemaling van den boezem. Het 
heeft het toezicht op alle waterleidingen waardoor water 
op den boezem kan worden gebracht. Het Reglement is 
van 1859 , het laatste gewijzigd in 1881. 

Het Hoogheemraadschap van den Alblasserwaard, enz. 
heeft in onderhoud de rivierwaterkeerende dijken en ziet 
toe op alle werken hehoorende tot den algemeenen water- 
staat van het Hoogheemraadschap waarbij meer dan één 
onderdeel belang heeft. De zorg voor den waterkeerenden 
ring behoort tot de voornaamste van het Hoogheemraad- 
schap , welks laag gelegen landen aan 8 zijden door groote 
rivieren worden bespoeld. Bij Alblasserdam en Papendrecht 
zijn zoogenaamde h u 1 p g a t e n , d. z. zeer spoedig weg 
te ruimen gedeelten , in den dijk langs de Noord , tot af- 
tapping van het water bij eventueele inundatie. Het 
beheert met de Vijfheerenlanden ook den Diefdijk, Meem- 
dijk en Zuider Lingedijk , waarom deze Hoogheemraadschap- 
pen elk een dijkhuis aan eerstgenoemden dijk hebben, dat 
bij zekere omstandigheden wordt betrokken. Tevens heeft 
het Hoogheemnuidschap het toezicht op alle wegen met 
kunstwerken , o[) de ontgrondiugen en in zekere mate op 



187 



(Ie huishoudelijke belangen vau alle er in gelegen polders. 
Het Reglement is van 1856, het laatst gewijzigd in 1880. 

Afzonderlijke reglementen beheerschen bovendien de vol- 
gende 2 vereenigingen van polders in den Alblasserwaard: 

Het Groot Gemeenelandvan Arkel, omvat- 
tende 7 adm. polders t. N. van Gorinchem en t. W. van 
den Arkeldijk. 

Het Land der Zes Molens, omvattende 5 van de 
polders die samen het Groot Gemeeneland van Arkel 
vonnon. 

Het Hoogheemraadschap van de Vijfheeren- 
landen. Dit hoofdwaterschap strekt zich uit over de 
landen die geografisch onder den naam van Vijfheerenlan- 
den bekend zijn , tusschen de Lek- en Lingedijken en tus- 
schen den Diefdijk en de Bazel- en Zouwedijken, alsmede 
over de landen tusschen de Lingedijken. 

De omdijking is waarschijniyk nog vroeger geschied dan 
die van den Alblasserwaard. Even als dit Hoogheem- 
niadschap zijn de Vijfheerenlanden verdeeld in ambachts- 
heeriykheden of dorpen ten getale van 9. 

Het Hooghemraadschap omvat dus : 

P. De polders behoorende tot den boezem van de Ze- 
derik (Zederikvelden), alleen of bij eenige vereenigd polders 
vormend onder eigen bestuur. 

2^. De polders binnen genoemde grenzen , loozende op 
de Linge en de buitenpolders van de Linge, gelegen van 
Asperen tot den Arkelschen Dam tusschen den Noorder 
Lingedyk ter eene en den Nieuwen Zuider Lingedijk en den 
Zuider Lingedijk ter andere zijde, eveneens op zich zelven of 
l)ij eenige samen waterschappen met eigen bestuur vormend. 

Het Hoogheemraadschap, dat op eenigszins anderen voet 
ingericht, reeds in 1284 schijnt bestaan te hebben, on- 
derhoudt de rivierdijken , den Zederikboezem , behalve het 
Zederikkanaal, en de sluis te Ameide, 

Het ziet voorts toe op alle werken behoorende tot den 
algemeenen waterstaat van het Hoogheemraadschap 
die aan twee of moer polders gemeen zijn, zorgt dat 



188 



het maalpeil niet overschreden wordt, enz. Het heeft wk 
eenigermate het toezicht op de huishoudelijke belangen der 
polders van het Hoogheemraadschap. Het Reglement is 
van 1856, het laatst gewijzigd in 1880. 

Uit de besturen van de Hoogheemraadschappen der Vijf. 
heerenlanden en den Alblasserwaard met Arkel beneden de 
Zouwe is een commissie voor gemeene belangen samenge- 
steld tot beheer en onderhoud van den Diefdijk , den Meern- 
dijk en den Zuider Lingedijk. 

Het Hoogheemraadschap de Vijf heerenlanden, wordt met 
de polderdistricten Culemborg, Buren, Tielerwaard (behalve 
polder Herwijnen) , een deel der Neder-Betuwe en de in 
Zuid-Holland en Gelderland gelegen polders die op zich 
zelf staan en op de Linge uitwateren omvat door : Het 
Waterschap de Linge-nitwatering , waarvoor het 
reglement is vastgesteld in 1880 , ten doel hebbende de 
bevordering van de waterontlasting der Linge en beheerende 
en onderhoudende het Kanaal van Steenenhoek , met de 
sluizen , bruggen , stoomgemaal , enz. 

De bodem van de Vijf heerenlanden bestaat bijna geheel 
uit rivierklei , rustende op oud laagveen ; hij levert vooral 
veel hennep op en het elzen- , wilgenhout , enz. dat ge- 
bruikt wordt als rijshout voor de verdediging onzer dijken, 
oevers , stranden , enz. 

Ten N. der groote rivieren hebben wij, in het westen 
te beginnen : 

Het Hoogheemraadschap van Delfland. Dit Hoofd- 
waterschap strekt zich uit over de landen behoorende tot 
Schieboezem (daarom ook wel eens Delflandsboezem 
genaamd), die t. N. van den Maasdijk liggen, uitgenomen 
eenige polders in het Z. O. die tot het Hoogheemraadschap 
Schieland behooren en hierbij zullen worden opgegeven. 
Dit is oorzaak dat van de 11 uitwateringssluizen van 
Schieboezem slechts 8 (behalve die van Schiedam , Delfs- 
haven en Rotterdam) tot Delfland behooren en hierdoor 
onderhouden worden. 

Voorts behooren er toe de aangrenzende duinen en Imx?- 



189 



zemlanden. Het bestaat uit 3 kwartieren, wederom 
verdeeld in a m b a c h t e n , elk één of meer waterstaat- 
kundige polders bevattende ; het Ie en 2e kwartier bevat 
de zoogenaamde West-Ambachten, het 3e de Oost- 
Ambachten. 

De voornaamste werken ten laste van het Hoogheem- 
raadschap zyn : de zeewering (Delflandsche hoofden met 
Slaperdljk en de buitenkant der duinen) , de Maasdyk met 
daarin gelegen sluizen , alle boezemwateren en nagenoeg 
alle daarover gelegen bruggen. De landen van het Hoog- 
heemraadschap betalen evenals die van Schieland en een 
deel van Rijnland Wierickendijkslasten , daar zij ook achter 
den Wierickendijk liggen, die met de Hooge (zuidelijke) Rijn- 
en IJseldijken een binnenwaterkeering vormt bij doorbraak 
van den Lekkendijk Bovendams. Het Waterschap heeft boven- 
dien het toezicht op alle werken behoorende tot den alge- 
meenen waterstaat van Delfland, nl. de waterkeerendc 
werken alsook die tot waterloozing , waarbij sommige van 
Delflands onderdeelen een gemeen belang hebben. Het 
ziet tevens toe op verveningen en ontgrondingen en eeni- 
germate op de huishoudelijke belangen van eiken in het 
Hoogheemraadschap gelegen polder , die meestal uit één , 
soms ook uit de vereeniging van meer dan een waterstaat, 
kundigen polder bestaat. 

Men zegt dat de oprichting van het waterschap dagtee- 
kent van vóór 1273. Het is echter hiermede gesteld als 
met den ouderdom van Rijnland. Zeker was er in 1276 reeds 
een Baijuwachap Delfland, dat vereenigd was met Schie- 
land (het Land tusschen de Schie en de Goude). Na 1417 
hadden elk een afzonderlijken Baljuw. Het Hoogfieem- 
rmdschap is uit het Baljuwschap ontstaan. Het noordelijk deel 
van het tegenwoordige Delfland behoorde vroeger tot Rijnland, 
doch is langzamerhand bij gedeelten bij Delfland gevoegd, 
het laatst nog in 1807. Het tegenwoordige Reglement 
van bestuur is van 1852. 

Groot bezwaar heeft de stad 'sQravenhage van hare 
ligging in Delfland, begrensd door de duinen, zoodat zij 



190 



geen voldoende waterververscliing en rioolafvoer kan beko- 
men , zonder in allerlei bijzonderheden afhankelijk te zijn 
van het waterschap. 

Hoogheemraadschap Schieland. Dit Hoogheem- 
raadschap heeft geen eigen boezem, doch strekt zich uit over • 

lo. Eenige polders behoorende tot Schieboezem : Polder 
Oud Mathenesse , den Bergpolder, Hoog Zestienhovenschen 
en Hoog Oudendükschen polder, Kleinen polder, polder van 
Blijdorp en Spangenschen polder; 2°. Alle polders uitslaande 
op Rotteboezem ; 3^. Eenige rechtstreeks op het buiten- 
water loozende polders binnen langs de Maas- en IJseldijken 
tot aan den Kortenoord , waaronder den Coolschen polder 
t. W. van Rotterdam , de oostelijke en westelijke polder- 
stad Rotterdam en de polders tusschen den Prins Alexander- 
Polderen den Schielandschen Hoogen Zeedijk van Kralingsveer 
tot aan den Kortenoord, de droogmakerij den Prins Alexander- 
polder. 40. De polders loozende op den boezem van de 
Ringvaart van den Zuidpias, nl. den Zuidpias polder, 
den Eendrachtspolder en den polder Kortland en Kleinen 
polder bij den Kortenoord. i^. De smalle strook bevattende 
eenige polders tusschen de ringvaart van den Zuidpias 
ter eene zijde en den IJsel en de Gouwe ter andere, 
die op de Gouwe dus op Rijnlandsboezem loozen. 

De stad Schiedam behoorde vroeger noch tot Delfland noch 
tot Schieland en beriep zich daartoe op in de gravelijke 
tijden verkregen privilegiën , enz. Dit heeft meermalen tot 
hevige twisten gevoerd b.v. als Hoogheemraden, enz. den 
zeedijk binnen die stad wilden schouwen , enz. De stad heeft 
echter door vertegenwoordiging in de besturen steeds in- 
vloed uitgeoefend in de beide Hoogheemraadschappen; bij 
het laatste reglement van Schieland van 1851 is de stad 
echter onder dit Hoogheemraadschap gebracht. 

Al deze landen liggen binnen den waterkeerenden ring, 
gevormd door Schielands Hoogen Zeedijk van Schiedam 
tot Gouda , reeds in het midden der 13e eeuw aangelegd 
en thans onderhouden op + 3,90 Rottepeil (—0,841 A.P.) 
en voorts door een aaneenschakeling van kaden. Buiten 



191 



den Zeedijk liggen gedeelten van de steden Delfshaven en 
Rotterdam (t. Z. van de Hoogstraat, die op den kruin 
des dijks ligt), die door aanslibbing en kunstmatige ophoo- 
ging zijn gewonnen en voorts nog de buitenpolders Nieuw- 
Mathenesse tusschen Schiedam en Delfshaven , de Muizen- 
I)older binnen de gemeente Rotterdam , de Snellepolder on- 
der Moordrecht en oningedijkte gorzen. De hooge buiten- 
dijk van den Nieuw- Mathenessepolder heeft hier den zee- 
dijk slaper gemaakt. Al deze gronden buiten den dijk 
behooren niet tot het Hoogheemraadschap , hoewel dit in 
sommige opzichten toezicht op hen heeft. Het Hoogheem- 
raadschap is verdeeld in 18 ambachten, U)t 1812 met de 
gemeenten overeenkomende , wat nu niet juist meer het 
geval is , of in 39 polders , bevat in 26 bemaUngen. 

De voornaamste werken in Schieland ten laste van het 
Hoogheemraadschap zijn Schielands Hooge Zeedijk en de 
daarin gelegen sluizen , benevens de hooge boezem van de 
Rotte met de b^nalingswerktuigen. In Schielands Hoogen 
Zeedijk Uggen 3 sluizen van Schieboezem (te Schiedam , 
Delfshaven en Rotterdam). Het zoogenaamd klein on- 
derhoud van den dijk geschiedt door gehoefslaagden , het 
buitengewoon uit het dykfonds van het Hoogheemraadschap. 
De landen betalen voorts alle , evenals in Delfland en Rijn- 
land, Wierickendijkslasten. Zeven dijkplichtige ambachts- 
besturen moeten elk 40 man voor het dijkleger leveren, die 
in tijd van nood persoonlijk diensten moeten verrichten. 

Het Hoogheemraadschap heeft toezicht op de Schie , de 
Rotte en de Gouwe met de boezemkaden en daarin gelegen 
sluizen. Het zorgt dat zoowel in de landen van Schieland liggen- 
de buiten den Hoogen Zeedijk langs de Maas als daarbinnen niets 
worde verricht ten nadeele van het Hoogheemraadschap of van 
de waterschappen daarin gelegen. Het heeft het toezicht 
op verveningen en ontgrondingen en in zekere mate ook 
op de huishoudelyke belangen van eiken in het Hoogheem- 
raadschap gelegen polder. De oprichting is in 1273 
door Floris V , Graaf van Holland , bevestigd geiworden. 



1V)2 



Het Reglement van bestuur is van 1351 , met wijzigin- 
gen van 1852 , 1856 , 1862 , 1866 , 1874 en 1879. 
Hoogheemraadsohap van den Kriinpenerwaard. 

Hiertoe behooren : P. Alle landen van den Krimpenerwaard 
rechtstreeks loozende op het buitenwater, den IJsel, 2"*. 
de polders (twee) loozende op buitenwater, Vlistboezem 
en IJselboezem tegelijk ; 3^. de polders Beneden Haastrecht, 
de Kleine en Groote Keulenvaartsche en Hoonaartsche 
polders en Polder Roozendaal loozende op den boezem van 
den Gekanaliseerden IJsel; 4^. de polders langs de Vlist; 
Achterpoort , Vlist West- en Oostzijde , Bonrepas en Ze- 
vender , uitslaande op den Vlistboezem. Deze laatste on- 
der 5o. genoemde polders zijn met andere op den Vlistboe- 
zem loozende tevens tot een hierna te vermelden water- 
schap vereenigd. 

Het Hoogheemraadschap heeft te onderhouden de rivier- 
dijken en de grintwegen. Het heeft toezicht op alle wer- 
ken behoorende tot den algemeenen waterstaat van 
het Hoogheemraadschap , nl. den waterkeerenden ring , 
de kaden, enz. en de werken ter waterloozing waar- 
bij sommige onderdeelen van het Hoogh^mraadschap 
gemeen belang hebben. Het ziet toe op de verveningen 
en ontgrondingen en eenigermate op de huishoudelijke be- 
langen van tot zijn gebied behoorende polders. 

Verveningen , in de 15e eeuw begonnen doch in de 
17e verboden, zijn op nieuw toegestaan en begonnen bij 
octrooi van 1797. Zij liggen omstreeks Stol wijk, Beijersche, 
Achterbroek en Berkenwoude en moeten in 1902 zijn 
drooggemaakt. 

Het Hoogheemraadschap is ontstaan door een handvest 
van Philips van Bourgondië en Jacoba van Beieren van 
1430. Het tegenwoordig Reglement is van 1858. 

Waterschap van den hoogen boezem achter 
Haastrecht. Dit waterschap wordt gevormd door alle 
uitsluitend op den Vlistboezem uitslaande polders , behalve 
den polder Vijf Hoeven aan de Lek. 



193 



Het Waterschap ziet toe op den waterkeerenden ring 
van het waterschap , op den Vlistboezem , voor welks 
onderhoud het uitsluitend zorgt ; waakt dat het maalpeil 
niet overschreden wordt en regelt het peil van den hoo- 
gen en lagen boezem. 

Het tegenwoordig Reglement is van 1861. 

De overige polders van den Lopikkerwaard vormen admi- 
nistratief op zich zelf staande waterschappen , uitgenomen 
de vier die behooren tot : 

Het Bestanr der Vijf polders onder IJselstein. 
Gevormd door 4 polders loozende op den boezem van den 
Gekanaliseerden IJsel (Broek en Lage Biezen, Neder- 
Oudland , Over-Oudland en Hooge Biezen) en de hooge gron- 
den tegenover IJselstein genaamd IJselveld , eveneens op 
dien boezem loozende doch tevens behoorende tot het Wa- 
terschap Heijcop genaamd de Lange Vliet. Het bestuur 
waaronder zij vereenigd zijn is ingesteld in 1868. 

In Utrecht vindt men voorts nog : 

Het Waterschap Houten, omvattende eenige hoog- 
gelegen landen onder Houten , Oud-Walien en Schonauwen 
en uit de administratiên van dien naam ontstaan. Het 
voert schouwen over de verschillende weteringen , kaden , 
wegen, enz. Het Reglement is van 1863. 

Het Waterschap Rijn en Dijk, omvattende hoog- 
gelegen landen, geen eigenlijke waterstaatkundige polders, 
onder Bunnik , Odijk en Werkhoven en uit voormalige pol- 
derbesturen ontstaan. Het voert schouw over de ver- 
schillende weteringen, kaden, wegen, enz. Het Regle- 
ment is van 1863. 

Het Waterschap Heijcop genaamd de Lange 
Vliet Dit waterschap strekt zich uit 1®. over de polders 
begrensd t. Z. door den IJseldijk, t. N. door den Ouden 
Rijn, t. W. door het waterschap Byleveld en de Meern- 
dijk, t. O. door den Vaartschen Rijn, alle op het Stadswa- 
ter van Utrecht uitslaande met een stoomtuig. 

Het bestaat uit 4 waterschappen waarvan 2 ook polders 
bevatten buiten het waterschap gelegen. De naam van 

13 



194 



het Waterschap is afgeleid van de vooFmalige loozing vande 
meeste dezer landen op den boezem van den Heycop, waarop 
thans nog slechts een molen tot hulpbemaling uitslaat. De 
landen t. N. van den Ouden Rijn die hierop wèl uitslaan, 
behooren 7iiet tot het Waterschap. 

Het Waterschap is evenwel nog belast met het onder- 
houd en beheer van de Vliet of den Heycop en zijn uitwate- 
rende sluizen (zie bl. 154 ) behalve de schutsluis te Breu- 
kelen ; voorts van de bij Breukelen met den boezem gemeen 
liggende Kerkgracht , Aa en Stadswetering , van enkele 
bruggen, waterkeeringen van gemeen belang , molenvlieten 
en den Heycopper hulpmolen t. Z. van den Rijn en het 
stoomgemaal. Het zorgt tevens , dat de niet tot het Wa- 
terschap behoorende waterschappen, die ook op den boe- 
zem uitslaan, het vastgestelde maalpeil niet overschrijden. 
Met het mwendig beheer van deze laatste heeft het Wa- 
terschap overigens niets te maken. 

Het waterschap ontleent zijn oorsprong aan een vergun- 
ning aan eenige landen ten zuiden van den Rijn tot het 
graven van een watergang naar de Vecht, geschonken in 
1385 bij open brief van Floris van Wevelickhoven. 

Het tegenwoordig Reglement is van 1868. 

Vergadering van Stad en Lande van Gtooiland. 
Gooiland of het Gooi bestaat in 't algemeen uit hooge 
gronden en bevat, behalve de eveneens slechts 
bekade Gooische Meent t. O. van Hulzen (Zie Hoofd- 
stuk VI E. § 3), slechts 2 polders, de Hilversmnsche 
Meent door stoom bemalen op de Naarder Trekvaart en 
den polder van 's Graveland , welke laatste in de water- 
staatkundige beteekenis eigeniyk geen polder is. De groote 
uitgestrekte heide- en weidegronden (de 8 Meenten) in 
gemeen bezit zijn in beheer bij genoemde vergadering, die 
eigenlijk niet een waterschapsbestuur is , doch welker voor- 
naamste taak voorts is het onderhouden van den Zeedijk 
van de Meent bij Naarden en de kade van de (Jooische 
Meent. 

Het gebied is verdeeld in de Naardensche, Hilversumsche 



195 



en Oooische Meent , elk met eigen huishouding voor be- 
kading en afwatering, enz. 

De overige waterschappen van Utrecht dus o. a. alle, 
die rechtstreeks op den Vechtboezem loozen , ook die in 
Noord-Holland , staan op zich zelve behalve die behoo- 
rende tot: 

Het Hoogheemraadschap Amstelland. Dit hoofd- 
waterschap omvat in liet algemeen de landen die op Am- 
stellandsboezem loozen , strekt zich nl. uit van Rijnland en 
Woerden tot de landen behoorende tot den Vechtboezem en 
van de Zuiderzee tot aan Woerden , het Waterschap 
Spangen en de polders behoorende tot den Heycopboezem 
uit. Dus de polders Spengen , Kockengen , de Harmeier- 
waard en Bijleveld (t. Z. v. d. Rijn) , die wel op Amstel- 
landsboezem loozen, behooren niet tot het Hoogheemraad- 
schap. De genoemde grenzen zijn vastgesteld in het jong- 
ste Reglement op het Hoogheemraadschap van 1872. Daarin 
is nu voor goed uitgemaakt dat Amstelland zich toi aun 
Amsterdam uitstrekt , dat dus die stad niet tot het Hoog- 
heemraadschap behoort, een quaestie waarover tot op 
dien tijd (1872) veel getwist is. Daarentegen behoort het 
kleine Westpoldertje bij Nieuwveen, dat op Rijnlandsboe- 
zem loost doch buiten den waterkeerenden ring van Rijn- 
land Ugt , mede tot Amstelland en evenzoo eenige landen 
gelegen tusschen den Amstelveenschen weg en de kade 
van den Overtoom tot den Koenemolen. 

Tot 1872 werd het bestuur gevoerd krachtens het hand- 
vest van Keizer Karel V van 1525; het Hoogheemraad- 
schap had toen geen werken ten zijnen laste , had alleen 
toezicht op den waterkeerenden ring en zorgde voor de 
handhaving van het maalpeil des boezems ; het had even- 
wel niets met het inwendig beheer der polders te maken. 

In 1872 werd echter een nieuw reglement vastgesteld 
en daarin bepaald dat de taak van het Bestuur bestaat in : 
het toezicht op alle wateren welke deel uitmaken van Am- 
stellandsboezem , het toezicht op den waterkeerenden ring 
en alle daarin gelegen werken , het onderhoud van de slui- 



19fi 



zen in den Zeeburg en Diemerdijk : de Ipenslooter en Die- 
merdammer uitwateringssluizen, die tot nu onder afzonder- 
lijke besturen stonden onder toezicht van het Hoogheem- 
raadschap Zeeburg- en Diemerdljkland gingen dus aan Amstel- 
land over — ; de zorg voor de ontlasting van den boezem, om 
aan de polders vrije, onbeperkte uitmaling te verzekeren - 
het maalpeil van den boezem werd dus opgeheven. 

Hoewel volgens de nieuwe grensregeling Amsterdam 
buiten de grens is gekomen en eveneens de waterschappen 
Spongen, Kockengen en Bijleveld daarbuiten zijn gebracht, 
zoo staan deze alle tocli in zeker verband met het Hoog- 
heemraadschap. Dit laatste regelt nl. met Amsterdam in 
gemeen overleg de inrichting, het gebruik en zoo noodig 
het onderhoud der uitwateringssluizen te Amsterdam op 
den boezem van het Noordzeekanaal, daar Amsterdam iw- 
plicht is het water van Amstellandsboezem over te nemen, 
zoolang het Stadswater beneden —0,20 A.P. staat of als 
niet buitengewone gevallen als doorbraak, enz. voorkomen- 
Amstelland is voorts verplicht het water van de drie ge- 
noemde waterschappen op zijn boezem over te nemen, 
waartegenover deze zich verbinden hunne waterkeerende 
ringen die vreemd boezemwater keeren goed te onderhouden: 
Amstelland mag daarover schouw voeren. 

Het bestuur van het Hoogheemraadschap is opgedragen 
aan een Dijkgraaf en 4 Hoogheemraden, allen door den Ko- 
ning te benoemen , als Dagelijksch bestuur ; voorts uit 10 
Hoofdingelanden gekozen door stemgerechtigde ingelanden 
grondbezitters). Hiertoe is Amstelland in 5 districten 
verd'^^eld, elk twee Hoofdingelanden kiezende voor het Be- 
stuiJ ; deze inrichting komt in hoofdzaak met die van 
het Hoogheemraadschap Rijnland overeen. Door alle per- 
ceelen te water en te land, behalve door de openbare 
wegen , den boezem , enz. wordt omslag betaald aan het 
Hoogheemraadschap naar verhouding van hunne werkelijke 
grootte in hectaren. Bijleveld betaalt voor de Ipenslooter- 
sluis. 
Het tegenwoordige Reglement is van 22 Januari 1872. 



197 

De landen behoorende tot het Hoogheemraadschap zijn 
omgeven door een gemeenschappelijken waterkeerenden 
ring, gevormd door een aaneenschakeUng van polderkaden 
boezemkaden , ringdijken , sluizen , enz. 

De waterstaatkundige polders binnen Amstelland hebben 
of alleen of bij eenige vereenigd afzonderUjke besturen; 
van de aldus gevormde waterschappen zijn er weer eenige 
tot de volgende waterschappen vereenigd. 

Het Heemraadschap van den Amstel en Nieu- 
we r-Ams tel, bestaande uit de Binnendijksche Buiten vel- 
dersche, de Amstelveensche en de Bo venkerker polders. 
Het is opgericht door Karel V in 1520 ter bescherming 
tegen water dat uitgeslagen werd door de polders in het 
Sticht. Tegenwoordig is zijn taak : toezicht over een deel 
van den gemeenschappelijken ring en andere afscheidingen 
der polders. 

Met het inwendig beheer van deze laat het Heemraad- 
schap zich niet in , doch het is belast met het onderhoud 
en het bevaarbaar houden van den geheelen Amstel en 
deelen van de Drecht en de Aar en de wegen daarlangs 
en bruggen daarover, benevens de Amstelsluis by het 
Huis ten Drecht en dit huis zelf, enz. Alle kosten wor- 
den bestreden door de opbrengst van 14 tollen binnen 
het Heemraadschap. 

Grootwaterschap van de Ronde Veenen. 
Bevat in de eerste plaats de zoogenaamde Ronde Venen , 
voor zooverre zij nog niet verveend zijn één waterstaat- 
kundigen polder vormend , rondom de dorpen Vinkeveen , 
Oudhuizen en Wilnis. Voorts de groote droogmakerijen 
die reeds uit die venen zijn ontstaan, nl. de Mijdrechtsche 
Droogmakerij Ie , 2e en 3e bedijking, en het waterschap 
Groot Mijdrecht (1872-1877). Eindelijk behooren er nog 
toe 13 aangrenzende polders van Amstelland , waaronder 
de waterschappen Spongen en Kockengen. 

Het Grootwaterschap onderhoudt de ringkaden op een 
gedeelte na dat tot Groot Mijdrecht en Botshol behoort , 
den zoogenaamden binnenboezem (gemeen polderwater) van 



11)8 

den waterstaatkundigen polder de Ronde Venen en wat 
hiertoe behoort , als : de molens die hem afmalen en de 
sluizen daarin gelegen. Het ziet toe op alle waterkeerende 
en waterloozende werken , in verband staande of behoo- 
rende tot zijn algemeenen waterstaat. Het vormt behalve 
voor polder Botshol met de betrokken gemeentebesturen 
het bestuur van de veenderijen in het Grootwaterscha|). 
Het tegenwoordig Reglement van bestuur is van 1868, het 
laatst gewijzigd in 1880. 

Waterschap Bijleveld en de Meerndijk 
omvat drie waterschappen , nl. het boezemland den Har- 
meierwaard en dat deel van de landen uitslaande op Ara- 
stellandsboezem , gelegen t. Z. van den Rijn en bestaande 
uit één waterstaatkundigen polder, verdeeld in twee wa- 
terschappen. 

Het is belast met het beheer en de zorg over alle wer- 
ken en eigendommen van het waterschap , in het bijzon- 
der de Bijleveld en wat er toe behoort. Bovendien heeft: 
het eenigermate toezicht op de huishoudelijke belangen 
van eiken polder. 

Het Waterschap is opgericht door Graaf Willem IV bij 
handvest van 1413 , waarbij vergunning werd gegeven tot 
uitwatering op den Amstel , en werd bij schouwbrief van 
Karel V van 1525 bij Amstelland gebracht, waar\'an 
het bij de invoering van het nieuwe reglement van dit 
Hoogheemraadschap wederom is gescheiden. Het staat 
er door zijn afwatering echter in nauw verband mede , 
gelijk wij boven zagen, en betaalt 'sjaars f60 als bijdrage 
voor het onderhoud der Ipenslootersluis. De Meerndijk is 
er eerst later aan toegevoegd. Het^ tegenwoordig Regle- 
ment van bestum- is van 1867 , gewijzigd in 1843. 

Hoogheemraadschap Rijnland. Dit belangrijke 
hoofdwaterschap strekt zich in het algemeen uit over de 
landen loozende op Rijnlandsboezem ; ook behoort er toe 
de Sloter Binnen- en Middelveldsche gecombineerde polder , 
die gedeeltelijk op Rijnlands gedeeltelijk op Amsterdams 
boezem loost ; voorts de Nieuwkoopsche droogmakerij, die 



IÖ9 



tevens op Amstellandsboezem en de polder van Stein, 
die geheel op den boezem van den Gekanaliseerden IJsel 
uitslaat. Ook behooren 3 polders, uitslaande op den boe- 
zem van Woerden , t. W. van de Enkele Wiericke (de 
Zuidzijder-, Boezem- en Oukoop en Negenviertelpolders) 
administratief tot Rijnland. 

Het gebied van Rijnland is geheel omsloten door een 
waterkeerenden ring, bestaande uit de duinen langs de 
Noordzee en een aaneenschakeling van dijken en kaden, die 
in goeden staat zijn. Buiten dien ring liggen bij Haarlem 
eenige landen tot Rijnland behoorende ; voorts behooren 
de voormalige buitenpolders buiten den Spaarndamschen dijk, 
welke hier den algemeenen ring vormt, uitslaande op den 
boezem van het Noordzeekanaal, tot Rijnland. Daarente- 
gen behooren het Westpoldertje (Oude) bij Nieuwveen , dat 
buiten den algemeenen ring ligt doch op Rijnlandsboezem 
loost en evenzoo eenige landen gelegen tusschen den Am- 
stelveenschen weg en de kade van den Overtoom tot 
den Koenemolen tot Amstelland; terwijl de 3 genoemde 
polders op Woerdens boezem uitslaande , als liggende bin- 
nen den algemeenen ring — hier den Wiericken- of Prinsen- 
dijk — administratief onder Rijnland staan. 

Het Hoogheemraadschap is binnen zijne grenzen groot 
105,722 H.A., waarvan 77237 H.A. polders en droogmakerijen. 
Het Hoogheemraadschap onderhoudt voor het grootste 
gedeelte de zee- en rivierwaterkeerende werken aan zijn 
omtrek , waartoe o. a. behooren , de Spaamdamsche dijk 
met de meeste sluizen (behalve de Haarlemmer- en Woer- 
densche sluizen te Spaarndam); een gedeelte van den 
IJseldyk (tegen betaling door gehoefslaagden) met 2 sluizen 
daarin gelegen en de Wierickendijk (samen met Delfland 
en Schieland) met den Zuider Rijndijk als binnendijk tegen 
eventueelen doorbraak van den Lekkendijk Bovendams ; den 
buitenkant der zeeduinen met de sluis te Katwijk ; enkele 
sluizen die het water van aangrenzende waterschappen 
keeren. Van het betr. groot deel van Rijnlands waterkee- 
renden ring dat niet door Rijnland wordt onderhouden 



200 

komt het onderhoud ten laste van aangrenzende polders 
van Rijnland of van andere waterschappen; voorts van 
gehoefslaagden , d, 2. de van^ ouds dijkplichtigen , die er 
onmiddelijk aan grenzen en die verplichting nog niet hebben 
afgekocht ; eindelijk van de steden Amsterdam, Haarlem on 
Gouda. Het Hoogheemraadschap onderhoudt voorts eenige 
vaarten , bruggen , wegen en andere werken van algemeen 
waterstaatsbelang. Het houdt het toezicht op den ge- 
meenen boezem en de 4 stoomgemalen ter afmaUng; het 
waakt voor het niet overschrijden van het maalpeil op de 
deelen met besloten boezem en houdt bovendien toezicht 
op alle waterstaatsaangelegenheden waarbij twee of_meer 
polders gemeen belang hebben. De afzonderlijke besturen 
der polders — van welke sommige niet een reglement be- 
zitten — zijn aan het toezicht van het Algemeen Bestuur 
onderworpen; dit bemoeit zich in zekere mate met het 
inwendig beheer der polders. Aan het Hoogheemraad- 
schap is opgedragen het toezicht op verveningen en ont- 
grondingen (o nt kleiing in de rivierkleipolders voor pot- 
tebakkersklei) binnen zijn gebied. 

De kosten van bestuur en onderhoud der werken worden 
jaarlijks over de belastbare gronden per H.A. omgeslagen 
en heeten daarom bunder- of hectarengeld. Het aan- 
tal belastbare H.A. is ongeveer 85000 , waaronder ongeveer 
20,000 slechts half bundergeld betalen, o. a. de gronden 
gelegen buiten den Spaarndamschen dijk. Na 1844 en vóór 
1867 was het bundergeld op het hoogst f 1,75 (1858- 
1862). 

De poldergelden , .hoewel zeer verschillende , beliepen 
dooreengenomen f h è, 6 per H.A. ; de vele zoogenaamde 
koepolders , veen- en rivierkleipolders waarin geweid wordt 
en die dus betrekkeiyk geringe opmaling behoeven, betalen 
evenwel slechts /* 1 è. 2 , terwyl de diepliggende droog- 
makerijen en andere diepe polders met bemaling in gangen, 
tot f 24 moeten opbrengen (1871). De gemiddelde polder- 
lasten gevoegd bij het bundergeld voor Rijnland zijn met 
liet oog op de waarde der gronden niet hoog te noemen. 



201 



Het Hoogheemraadschap Rijnland beweejt het oudste 
hoofdwaterschap te zijn , daar het zijn ontstaan rekent van 
1253 af , toen . Willem H beloofde het maken van een 
spui te Sparendam noch andere veranderingen aan Rijn- 
lands grens te zullen dulden, zonder de „gemeenlants- 
raedtsluiden , die geheeteh zyn Heemraden" daarin te zul- 
len kennen. Waarschijnlijk is dat beweren evenwel geheel 
onjuist en was hier slechts sprake van de ambachtelijke 
Heemraden. Alle ambachten van Rijnland hadden nl. be- 
lang bij een belangrijke gemeem waterkeering ; zoodat zij 
dan ook zich zooveel mogelijk deden gelden by alles wat 
geschiedde aan den Spaarndamschen Zeedyk, welke eerst on- 
derhouden en beheerd werd door de aangrenzende XéJnn^/n^r 
ambachten en waarover later een Hoogedük-Heemraadschaj) 
het algemeen beheer voerde. Zelfs kwamen de Heemraden 
der ambachten sa-men om zaken den dijk betreffende en 
drogen nu en dan alle landen van Rijnland bij tot be- 
strijding van kosten van groote werken daaraan uitge- 
voerd. Doch eerst in 1427 is in een stuk van Philips 
van Bourgondië sprake van een Hoogheemraadschap in den 
eigenlijken zin des woords, van een opperbestuur dat macht 
werd opgedragen over de Neder-Heemraden , Schouten en 
Ambachtsbewaarders, dat toezicht had op de duinen en 
uitgeveende gronden in geheel Rynland, dat rechtsmacht 
kon uitoefenen door zijn Hoogheemraden en Dijkgraaf, die 
tevens dyken en sluizen van gemeen belang schouwden, enz. 

Sedert 1450 werden geregeld Hoogheemraden benoemd. 
Door het waterstaatkundig verband had zich het Hooge- 
dijk-Heemraadschap van Sparendam over Rynland uitge- 
strekt en had later dezen naam gekregen, of, als men wil, 
het was omgekeerd in Rynland opgegaan. 

Na den Graventyd hadden de Baljuwschappen niet meer 
hun oude beteekenis. De Baljuwen bleven evenwel als 
hoofdambtenaren in de Hoogheemraadschappen, zy waren 
de handhavers der politie. Dé Dijkgraaf was handhaver 
Jer keuren en aanklager bij het Hoogheemraadschap van 
alle overtredingen ; meestal was hij tevens Baljuw van 



202 



Rijnland, tot deze betrekking in 1795 tegelijk met dien van 
den beul, enz. werd opgeheven. 

Tengevolge van de groote machtsuitbreiding van Dijkgraaf 
en Hoogheemraden en hunne dikwijls zeer willekeurige en 
onbillijke bevelen en handelingen werden in 1560 en 1595 
resp. met een aantal klagers en met de stad Leiden over- 
eenkomsten gesloten, met deze laatste voornamelijk, om- 
dat het Hoogheemraadschap zich niet alleen met eigen 
zaken en die het Heemrecht betreffende bemoeide, maar ook 
in andere quaestién recht sprak en uitoefende, behoorende tot 
de jurisdictie der machtige stad. Die overeenkomsten wa- 
ren een soort van reglementen in vele artikelen , die , in 
den loop der tyden gewyzigd en uitgebreid, den grondslag 
vormden der latere reglementen van het Hoogheemraadschap. 

Ten einde eenig tegenwicht te geven aan de groote 
macht van het Bestuur werden in 1591 13 Hoofdin- 
gelanden ingesteld , benoemd voor de Staten van Hol* 
land , de Abdy van Rijnsburg , voor de 5 Edelen , voor 
de steden Leiden en Haarlem en voor de goederen van 
St. Jan te Haarlem (door den Commandeur). Een macht 
boven het Hoogheemraadschap vormde in de eerste plaats 
het Hof van Holland , waarbij appel van vonnissen kon 
worden aangeteekend ; het deed ook soms onderzoek in 
Rijnlands zaken. De Staten van Holland beslisten dikwijls 
in administratieve aangelegenheden en benoemden tot de 
hoogere betrekkingen in het Bestuur evenals de Stad- 
houders. 

Rijnland had reeds spoedig gezag , niet alleen in alge- 
meene zaken, maar ook over de afzonderlijke polders, 
(die zooals wij weten niet onder de ambachten stonden); 
het gaf keuren over benoemingen van poldermeesters, 
Omtrent schouwen , slooten , kaden , enz. — zelfs omtrent 
vogelen en visschen. Het maakte in het algemeen van 
zijn wetgevende macht een ruim gebruik en — misbruik 
Dijkgraaf en Heemraden lieten niet alleen keuren óp am- 
bachten maar ook op andere zaken maken. Zij bemoeiden 
zich met alles. Zoo verhaalt ons Mr. Gevei's van Ende- 



203 



geest in zijn bekend werk, uit authentieke bronnen geput, 
dat keuren werden gemaakt omtrent het smelten van pek 
en teer binnenshuis ; te Spaarndam mocht niet gebakken 
worden tenzij de Hoogheemraden de ovens gekeurd had- 
den; ook mochten daar geen rieten daken gemaakt en 
zelfs niet hersteld worden zonder hun consent. Bij de 
keuren werden boeten bepaald , maar ook zwaardere straf- 
fen : verbanning en geesehng , zelfs op visschen ! 

Door de rechtsmacht konden Dijkgraaf en Heem- 
raden beslissen in geschillen van lagere besturen, 
enz. Dikwijls werden zwaardere straffen opgelegd dan 
in de keuren was bepaald en de rechtspraak breid- 
de zich uit tot in civiele en crimineele zaken van 
allerlei aard: o. a. werd een poorter van Leiden veroor- 
deeld die aldaar een paard had gestolen (1650) en een 
ander ter dood gebracht (1587) die den sluiswachter van 
iSpaarndam vermoord had. — Leiden had binnen haar ge- 
bied afzonderlijke rechtsmacht en heemrecht. 

In 1673 Uet Rijnland de ambachten opbrengen voor hooi 
voor het leger en in 1787 voor exercitie van manschappen. 
Doch de Staten schenen in die bemoeiingen van een Wa- 
terschap niets vreemds te zien, want zij zelven gelastten 
het o. a. in 1672 order te stellen op het wapenen der 
huislieden. 

Zoo ging het gelasten en bevelen van het trotsche Rijnland 
voort tot 1795, toen de revolutie een meer vrijzinnig bestuur 
bracht en er nieuwe instructiën kwamen zonder dat men 
evenwel de oude costumen op zijde durfde zetten. Het 
Departementaal bestuur gaf in 1803 een nieuw reglement, 
minder vrijzinnig, en ook nog gegrond op de oude ge- 
woonten. Rijnland gevoelde vervolgens alle gevolgen 
van de grondwetten en bijzondere wetten tot op onzen 
tijd gegeven , die wij reeds vroeger hebben vermeld. De 
rfrhtsniacht bij de Grondwet van 1815 niet opgeheven , 
•loch in deze eeuw natuurlijk niet zoo aangewend als voor- 
heen, werd in 1841 vernietigd. 

De ambachten , waarvan er in 1862 nog 44 bestonden , 



204 



zijn in 1870 geheel opgeheven. Hunne werken, die slecht 
werden onderhouden , waarover dikwijls niet geschouwd 
werd , enz. kwamen daarmede aan het Hoogheemraad- 
schap en de afzonderlijke lasten voor de ambachten ver- 
dwenen. 

In 1857 kreeg het Hoogheemraadschap zijn tegenwoordig 
Reglement, goedgekeurd bij Kon. Besl. van 3 Juli (gewij- 
zigd 10 April 1859 , 30 Dec, 1863 en 18 Aug. 1875.) 

Het Bestuur bestaat thans uit een Dijkgraaf en 6 Hoogheem- 
raden als Dag. Bestuur en uit 16 Hoofdingelanden en evenveel 
plaatsvervangers. De leden van het Dag. Bestuur worden 
benoemd door Z. M. op voordracht van hoofdingelanden; 
deze laatste en hun plaatsvervangers door stemgerechtigde 
ingelanden (grondbezitters) , waartoe Rijnland in 16 kies- 
districten is verdeeld , die elk hun hoofdingeland en plaats- 
vervanger leveren. Dijkgraaf en Hoogheemraden moeten 
minstens 25 H.A. bezitten , hoofdingelanden 20 H.A. : 
stemgerechtigde ingelanden hebben een aantal stemmen ai 
naar het aantal H.A. in het district in hun bezit. 

De zetel van het bestuur is gevestigd te Leiden. 

De polders van Rijnland , behalve eenige kleinere die 
door het Alg. best. worden beheerd , of die aan éen enkele 
famihe behooren , hebben bovendien afzonderlijke reglemen- 
ten. In de gemeente Sloten zijn 9 polders tot een wa- 
terschap vereenigd , genaamd : 

Algemeen bestuur der vereenigde polders on- 
der Sloten. Het houdt toezicht over de afzonderlijke en 
huishoudelijke belangen der polders. Het bestuur bestaat 
uit een Dijkgraaf, te benoemen door den Koning en 9 Heem- 
raden , één uit eiken polder. Het Reglement is van 1840. 

Onder de besturen van afzonderlijke polders komt in de 
eerste plaats dat van den Haarlemmermeerpolder 
in aanmerking. Het bestuur bastaat uit een Dijkgraaf en 
6 Heemraden als Dag. Best. en 15 Hoofdingelanden als 
CoUegie van toezicht. Het Reglement is van 1864. 

Grootwaterschap van Woerden. Dit strekt zich 
uit over alle polders uitmalende op den boezem van Woer- 



205 

den, behalve over de 3 reeds genoemde t. W. van den 
Wierickendijk. 

Het Grootwaterschap is belast met het onderhoud van 
de Woerdersluis te Spaarndam , de duikerschutsluis te 
Goejanverwelle , de inlaatsluis voor de Enkele Wrericke , 
de Haanwijkersluis , de sluis te Oudewater en die te Bode- 
graven; de bruggen over de Enkele en Dubbele Wiericke, 
de Groevebrug en die te Bodegraven over den Rijn. Het 
Bestuur heeft voorts toezicht op alle werken behoorende 
tot den algemeenen waterstaat van Woerden, waarbij som- 
mige onderdeelen een gemeen belang hebben. Het heeft 
toezicht op verveningen en ontgrondingen , voor zoover 
dit niet bij Prov. reglement is geregeld en eenigermate tot 
de huishoudelijke belangen van elk waterschap tot Woer- 
den behoorende. 

Het Grootwaterschap is opgericht bij handvest van Graaf 
Willem in van Holland en Henegouwen in 1322. — Het 
tegenwoordig Reglement is van 1857 , gewijzigd 6 Jan. en 
13 Aug. 1873. 

Reglement voor het Waterschap de gemeene boe- 
zem van Rapijnen en IJselveld, Cattenbroek en 
Haan wijk. Drie adm. waterschappen van dezen naam, 2 
waterstaatkundigs polders vormend, grootendeels gelegen in 
de provincie Utrecht en behoorende tot het Grootwaterschap 
van Woerden zijn door den band van genoemd reglement 
vereenigd (1874). 

T. N. VAN HET VOORMALIGE IJ. 

(HOLLANDS NOORDERKWARTIER). 

De vereenigingen tot instandhouding der zeeweringen 
spelen in Hollands Noorderkwartier een groeten rol. 

Van het zuiden langs de Zuiderzee beginnende heb- ^^^'' 
ben wij : 

De Noorder IJ- en Zeedijk is de vereeniging die- 
nende tot verzekering van behoorlijk onderhoud , enz. van 



206 



alle onder vei'schillende besturen staande gedeelten van den 
Noorder IJdijk (behalve den St. Aagtendijk) en van den 
Zuideraeedijk tot Lutje Schardam , opdat niet een enkel 
slecht gedeelte den geheelen dijk nutteloos make. Die taak 
en die der afzonderlijke besturen hebben tot nog toe geen 
wyziging ondergaan, hoewel de dijk thans nog slechts van 
Schellingwoude af zeedyk is. Dit zal wel plaats hebben , 
zoodra ijien den goeden toestand van den dam te Schel- 
lingwoude genoegzaam verzekerd acht. 

De kosten van gewoon onderhoud worden geheven van 
de onmiddeiyk aangelegen polders (van ouds dijkplich- 
ti gen),. die tevens met dat onderhoud rechtstreeks ziju 
belast; de lasten voor buitengewoon onderhoud van alle 
landen t. Z. van de Zijpe en Westfriesland binnen de sluis 
bij Schoorl, met toestemming nl. van Gedeputeerde Sta- 
ten. Het toezicht op het onderhoud is opgedragen aan 
een Collegie van 15 Hoofdingelanden , gekozen door de van 
ouds dijkplichtige landen , nl. 4 door de oude (niet droog- 
gemaakte) landen in Waterland en Duinkavel en 4 door 
de groote droogmakeryen Beemster , Schermer en Purmer. 
Dit collegie geeft voorschriften omtrent het gewoon onder- 
houd aan betrokken dijksbesturen en de besturen der slui- 
zen; het ziet op dat onderhoud toe, mag ten allen tijde 
schouw uitoefenen, enz. Het Reglement is van 1857 
en 1859. De zetel van het Collegie is Monnicken- 
dam. Het Dag. Best. bestaat uit den voorzitter en 4 
leden. 

De dijken langs de zee van Lutje Schardam tot aan den 
Waard- en Groetpolder, dragen, zooals wij reeds vroeger 
opmerkten, den algemeenen naam van Westfrieschen 
zeedijk. Deze staat niet onder een algemeen bestuur. De 
beide hoofddoelen waaruit hij bestaat, de Drechter- 
landsche zeedijk en de zeedijk van de Vier Noor 
der Koggen, aldus genoemd naar de ambachten van 
Westfriesland die zij onmiddelijk beschermen, worden resp. 
door genoemde ambachten onderhouden, terwijl de kosten 
daarvan voor geheel Westfriesland komen. De vele uit- 



207 



waterings- of molensluizen in dezen dijk staan onder be- 
trokken polderbesturen. 

De hierop volgende dijk van Waard- en Groet wordt 
onderhouden door het polderbestuur dezer bedijking, met de 
daarin gelegen uitwateringssluizen van Geestmerambacht 
en de schutsluis aan het Kolhornerdiep. Het kleine stuk 
zeedijk van den Wieringerwaard en de zeedijk 
van den Anna-Paulowna-Polder wordendoor deze polders 
onderhouden. In den laatste liggen tevens ten laste van den 
Anna-Paulowna-Polder de 3 vroeger genoemde uitwate- 
ringssluizen tot afwatering van den voorboezem van den 
Wieringerwaard, van Schermerboezem (van Ewijcksluis) 
en de duikersluis des polders. 

De aansluitende zeedijk van het Koegras be- 
hoort tot de werken van het Noord-HoUandsch Kanaal en 
is alzoo voor rekening van het Rijk. 

De Havendyk van hetNieuwediep van den 
Koegraszeedijk tot den havenmond, vier groote schutslui- 
zen bevattende, is m onderhoud bij het Rijk, evenals de 
oostelijk daarvan er aan evenwijdig loopende leidijk op de 
zandplaat de Harsens: de tusschengelegen ruimte wordt 
door schuring van de Zuiderzee diep gehouden en geeft een 
veilige ligplaats voor schepen. 

De Heldersche zeewering van het Nieuwediep 
tot oostwaarts van K^kduin, waarvóór 12 steenen hoof- 
den liggen , is in beheer bij de Provincie. 

De duinen langs de Noordzee, waaronder de 
Grafelijkheidsduinen en de Zanddijk van het Koegras z\jn in 
beheer en genot bij de Provincie. Tot aan de aansluiting 
van Rijnland zorgt de Provincie voor helmbeplanting van 
30-60 M. breedte. 

De Pettemerzeewering van de duinen t. W. van 
Petten tot den Hondsbosschen Wakerdijk , met hoofden , 
paalscherm , enz. is in beheer by het Provinciaal Bestuur. 

Het bestuur over de Hondsbossche zeewering is opge- 
dragen aan het Hoogheemraadschap van den Honds- 
bossche en Duinen tot Petten , opgericht waarschijn- 



208 



lijk kort na U66, welk coUegie bovendien t-e onderhouden 
heeft den Drom er dijk, den Slap er dijk en den 
Ouden Schoorlschen zeedijk alsmede een paar 
sluizen, waaronder de groote schutsluis te Zaandam, 
die in 1544 krachtens octrooi van Karel V werd aange- 
legd tot aanvoer van materialen naar den Hondsbossche. 
Bijna geheel Noord-Holland heeft belang bij de Honds- 
bossche zeewering : daaraan betalen ook alle landen , be- 
halve eea aantal polders in Waterland , de in Duinkavel 
gelegen drooggemaakte meren en eenige droogmakerijen 
in öeestmerambacht , zoogenaamd Hondsboschgeld. 
Niet alle schuldpUchtige landen betalen evenveel; Duin- 
kavel het meest, de Vier Koggen en Drechterland het 
minst. De omslag bedraagt tegenwoordig van 1,20-0,60 
Gld. p. H.A. 

Het Reglement is van 1840 en bepaalt dat het be- 
stuur bestaat uit een Dijkgraaf, 12 Hoofdingelanden 
en 10 Hoogheemraden. De 12 Hoofdingelanden zitten 
voor 6 steden en 6 kavels, nl. 4 voor Westfriey- 
land, één voor Duinkavel en één voor Waterland. Dijk- 
graaf en Hoogheenuuden worden door den Koning benoemd 
Hoofdingelanden door de steden en kavels , van welke o 
het Dagelijksch Bestuur vormen. 

Rechtstreeks in verband met den Hondsbossche staan 
de Vereenigingen Duinkavel en Waterland (niet te 
verwarren met den waterstaatkundigen polder vormend 
het Hoogheemraadschap Waterland). Deze kunnen eigenlijk 
niet waterschappen genoemd worden , daar de polders in 
de districten van dien naam gelegen door geen anderen 
gemeenschappelijken band vereenigd zijn dan dat de 16 
dorpen van Duinkavel en de 10 gemeenten of bannen 
van Waterland een hoofdingeland kiezen of een hoogheem- 
raad op de voordracht aan den Koning plaatsen voor de 
gemeenschappelijke vertegenwoordiging in het Hoogheem- 
raadschap van Hondsbossche en Duinen tot Petten en één 
voor het Collegie van spoedvereischende zaken. In Wa- 



209 

terland is het recht daartoe geregeld bij overeenkomsten 
van 1756 en 1841. In Duinkavel bestaat in 't geheel 
geen reglement. Ook heeft voor elk dezer vereenigingen 
een door den Koning te benoemen Hoogheemraad zitting 
in het hierna te vermelden Hoogheemraadschap van de 
Uitwaterende Sluizen van Kennemerland en Westfriesland. 

Wateraohappen. 

Het voormalige Noorderkwartier is in een groot aantal 
polders verdeeld, meestal slechts uit een enkelen water, 
staatkundigen polder bestaande. 

Een andere eigenaardige indeeling van het grootste ge- 
deelte van dit polderland is die in bannen, welke in 
Waterland en Westfriesland bestaat. Deze indeeling is 
echter volstrekt niet gegrond op afscheiding van water- 
staatsbelangen : zij is eene zuiver territoriale, zoodat 
een polder soms eenige bannen of deelen er van bevat; in 
het algemeen komen de grenzen der bannen ongeveer met 
die der vroegere gemeenten overeen. De bannen zorgen 
dan ook slechts voor onderhoud van wegen en bruggen en 
voor het schoonhouden van gouwen en slooten en hefifen daar- 
voor afzonderlijk bansomslagen. De waterafvoer en water- 
keering , bemaling , enz. en de dijkage gaan dus den polders, 
niet den bannen aan, welke eerste echter daarvoor bovendien 
polderlasten heffen. In Westfriesland zyn de bansbesturen 
met de inning van alle mogelijke omslagen belast , die zij 
daartoe bijeenvoegen en over alle H.A. in de bannen gelijk 
verdeelen ; de afgevaardigden der bannen vertegenwoordigen 
samen het ambacht en besturen het met Dykgraaf en 
Heemraden. 

In Duinkavel bestaat eene indeeling in 16 dorpen, 
die elk een gedeputeerde zenden naar de vergadering, 
welke hoofdingelanden kiest en een hoogheemraad voor- 
draagt voor het bestuur van het Hoogheemraadschap van 
den Hondsbossche en Duinen tot Petten. Dit is de eenige 
beteekenis dezer indeeling. 

Een boezem waarby het grootste deel van Hollands 

U 



210 



Noorderkwartier belang heeft is Schermerboezem, Daarom 
werd reeds 19 December 1544 door Keizer Karel V op- 
gericht het Hoogheemraadschap van de Uitwate- 
rende Sluizen van Eennemerland en Westfries- 
land , belast met het bestuur over genoemden boezem. 

Het had toen meer bepaald de taak om te zorgen, dat 
de zeesluizen behoorlijk gesloten bleven als zulks niet tot 
uitwatering noodig was, en dat dus geen zeewater op den 
boezem gebracht werd. 

Het zorgt thans voor het onderhoud van 7 sluizen tot 
ontlasting van Schermerboezem , voorts van de hoofden , 
havens en schoeimgen te Edam , Schardam , enz. enz. 

Schuldplichtig aan het Hoogheemraadschap zijn : geheel 
Duinkavel, behalve Wijkerbroek; geheel Waterland behalve 
eenige polders (Oostzaan . Katwoude , Zuidpolder en een 
deel van Zeevang) ; geheel Westfriesland behalve dat ge- 
deelte van de Vier Noorder Koggen dat niet op Raaks- 
maatsboezem uitwatert (Raaksmaatsboezem of Geestmer- 
ambacht loost op Schermerboezem; zie boven, blz. 175). Dat 
geheel Drechterland., hoewel slechts voor een klein deel 
op Schermerboezem loozende , mede schuldplichtig is aan 
het Hoogheemraadschap , komt daar van daan , dat het 
door de oprichting van dit Hoogheemraadschap veel minder 
te onderhouden heeft aan een deel van den Westfrieschen 
omringdijk , den Waligsdijk, als gevolg van het dichten der 
zeegaten. 

Het Hoogheemraadschap strekt zich dus niet verder uit 
dan tot den Ouden Schoorlschen Zeedijk en het zuidelijk 
gedeelte van den Zijper ringdijk, hoewel tot aan den Hel- 
der de landen liggen, afwaterend op Schermerboezem. 

Bij den aanleg van het Gr. N.-Holl. Kanaal werd de 
Zijper ringdijk aan de zuid- en aan de noordzijde doorge- 
sneden. In deze laatste opening kwam de Zijper schutsluis, 
die het 2« en 3® pand , welke meestal gemeen liggen , kan 
scheiden; in de zuidelijke doorsnijding de Jacob Klaassen- 
sluis. Deze kon echter niet dienen tot sluiting van den 
verbroken ring van het Hoogheemraadschap , waarom hier- 



211 



in nu op andere wijze kan worden voorzien: door het stellen 
van schotplaten in de bruggen over het Kanaal en de daarop 
uitkomende egalementslooten van de Zijpe. 

De contributiën worden betaald naar 4 klassen waarin 
de landen gerangschikt zijn en worden per H.A. berekend, 
maar het aantal H.A, waarvoor betaald moet worden is 
veel minder dan het aantal H.A. dat de polder werkelijk 
beslaat (1855-1859 - f 0,bO , 0,37^ 0,25 en 0,126). 

Het bestuur bestaat uit een Dijkgraaf, 4 Hoogheemraden 
en 11 Hoofdingelanden — de 4 Hoogheemraden hebben 
zitting voor Alkmaar , Duinkavel , Waterland en Geestmer- 
ambacht. Dijkgraaf en Hoogheemraden worden benoemd 
door den Koning, Hoofdingelanden door gemeentebesturen, 
1 door B. en W. van Haarlem, 1 voor den Schermer en 
1 voor den Beemster. Voorzitter is de ontvanger der 
registratie en domeinen te Alkmaar. 

Het Reglement op de omslagen is van 1846. 

De inrichting van het bestuur naar de Ordonnantie van 
den Secreten Raad des Konings is van 21 Febr. 1578, 
Het Reglement is gewijzigd bij Kon. Besl. van 26 Sept. 
1881. 

Westfriesland is verdeeld in de reeds genoemde 
4 Ambachten: Drechterland , Vier Noorder Koggen, Geest- 
merambacht en de Schager- en Niedorper Koggen. Elk dezer 
ambachten vormt een administratieve vereeniging van ban- 
nen, welker afgevaardigden met de collegiën van Dijk- 
graven en Heemraden der Ambachten het bestuur over 
deze in handen hebben, bestaande in het beheeren van en de 
zorg voor het onderhoud van wegen en dijken, terwijl eindelijk 
een coUegie van Hoofdingelanden toezicht houdt over het 
behoorlijk onderhouden van den geheelen Westfrieschen 
omringdijk. 

Deze onaringdijk (zie Kaart IV) wordt gevormd door den 
Drechterlandschen Zeedijk van Lutjeschardam tot de aan- 
sluiting aan den BuUendijk, den Zeedijk van de Vier Noor- 
der Koggen , den Ouden Westfrieschen Zeedijk (thans bin- 
nendijk), den Noorder- en Zuider Rekerdijk, den Omloopdyk, 

14* 



212 



en in het zuiden door de Huigen- , Waligs- , Slim- en Ou- 
dendijken , welke laatste bij Lutjeschardam aan den Zee- 
dijk aansluit. De deelen worden onderhouden door de aan- 
grenzende ambachten. 

Elk der Ambachten heeft een op eigen wijze ingericht 
bestuur , terwijl Geestmerambacht en de Schager en Nie- 
dorper Koggen samen slechts één Dijkgraaf en coUegie van 
Heemraden hebben. Die ambachtsbesturen zijn eigenlijk 
in hoofdzaak dijksbeduren , want de bemaling en afwate- 
ring is bijna overal daarvan gescheiden ; terwijl de landen 
zich al naar hunne behoefte in bemalingen hebbeu ge- 
splitst , zich noch aan de grenzen der bannen , noch zelfs 
aan die der ambachten storende. Geestmerambacht heeft 
een gemeenen boezem (Raaksmaatsboezem) en maakt daar- 
om in zooverre uitzondering, dat het ambachtsbestuur ook 
eenigermate met het bestuur van Raaksmaatsboezem ver- 
eenigd is. 

De Vier Noorder Koggen wateren direct op 
zee af, op het Z. W. deal na, dat op Raaksmaatsboezem 
uitslaat, en hebben voor het grootste deel een gemeen- 
schappelijk gemaal , d. w. z. de meeste (administratieve) 
polders vormen samen eigenlijk slechts één waterstaatkun- 
digen polder met een enkel polderpeil (—2,1 A.P.), die 
bemalen wordt op 4 molenkolken , direct op zee afwa- 
terend; de drooggemaakte plassen slaan op dat gemeene 
polderwater uit. Zeven andere polders slaan elk op zich 
zei ven uit, op zee, op Raaksmaatsboezem of op Drechter- 
land. Het bestuur over het gemeenschappelijk gemaal 
wordt door het ambachtsbestuur gevoerd. 

De afzonderlijke binnen- of koggeboezems van de Scha- 
ger- en Niedorperkoggen worden elk afzonderlijk bestuurd, 
geheel afgescheiden van het ambachtsbestuur en van de 
bansbesturen. 

. In Westfriesland kunnen landen alzoo tegelijk onder- 
worpen zijn aan de volgende lasten : P. Hondsboschgeld , 
2*. Uitwaterende-Sluizengeld , 3^. de onkosten voor den 
Westfrieschen Zeedijk (verpondinggeerzen) , 4o. lasten voor 



213 



het Ambacht , 5^. molenkosten (molen- of poldergeerzen) ,* 
60. omslagen voor de banne. 

Ambacht Drechterland. Dit strekt zich uit over 
het oostelijk deel van Westfriesland ; de westelijke 
grens loopt van de aansluiting van den Bullendijk aan 
den Westfrieschen Zeedijk in het noorden, langs den 
Bullendijk , enz. , om de Baarsdorpermeer en ongeveer 
de op Kaart IV aangegeven dijken volgend tot waar deze 
bij Avenhorn aan den Waligsdijk aansluiten. 

Het bestuur bestaat uit 2 Dijkgraven, 4 Heemraden en 
21 Waarschappen. De dijkgraven en heemraden worden 
door den Koning benoemd op voordracht van de Waar- 
schappij , de waarschappen eveneens op voordracht van 
bannen of van gemeentebesturen. Het Best. bestaat uit 
de dijkgraven en 4 leden der Waarschappij. Het Regle- 
ment is van 7 Juli 1864. Verdeeling in 23 bannen of 
15 polders. 

Ambacht der Vier Noorder-Eoggen. Dit ambacht 
is t. N. begrensd door den Westfrieschen Zeedijk, ten 
W. door den Langereisdijk en den ringdijk van den Berk- 
meer , t. Z. door den Lutkedijk , Spierdijk , Bobeldljk , 
enz. (zie Kuart IV) , t. O. door de Zwaag- , Schinkel- en 
BuUendijkeu. Buiten dezen omringdijk, waarvan alleen de 
beide laatstgenoemde deelen door Drechterland worden 
onderhouden , liggen de polders Hensbroek en Obdam (tus. 
sollen Heer-Hugo waard en Wogmeer) , die , als uitslaande 
op Raaksmaatsboezem , slechts in zooverre met het am- 
bacht te maken hebben dat zij mede betalen in de zee- 
dijkskosten. 

Het bestuur bestaat uit 16 Waarschappen als wetge- 
vende macht en uit een Dijkgraaf, 4 Heemraden , 4 Oud- 
waarsmannen , 4 Dijkshoofdlieden , 4 Koggemeesteren en 
4 Molenmeesteren, die elk een aandeel hebben in het Dag. 
Best. Dijkgraaf, Heemraden en Oudwaarsmannen worden door 
dnii Koning benoemd op voordracht der Waarscliappij , deze 
door de banbosturen. Dijkgraaf on Heemraden vormen het 
Dag. Best. Oudwaarsmannen hebben het geldelijk beheer • 



2U 



dükshoofdlieden beheeren de dykswerken , enz. , kogge- 
meesteren de bruggen , sluizen en wegen , molenmeesteren 
de molens , slooten , enz. 

Het Reglement is van 1864. 

Verdeeling in 24 bannen, die betalen: 1© dijks- en kog- 
gelasten en 2° koggemolenlasten. De polders Obdam en 
Hensbroek , die op Raaksmaatsboezem uitslaan , zijn alleen 
dijkplichtig en betalen voorts Raaksmaatslasten. 

Elk der beide laatstgenoemde ambachten onderhoudt 
het aangrenzende deel van den Westfrieschen Zeedijk. 

Gtoestmerambacht , overeenkomende met het gebied 
van Raaksmaatsboezem, op het gedeelte na dat tot de Vier 
Noorder Koggen behoort, bevat behalve het oude ambacht 
van dien naam ook eenige polders buiten den Westfrie- 
schen omringdijk. 

Een belangrijk deel der lasten die deze landen betalen 
komen voor den Oosterdijk en den Langereisdijk , de bin- 
nendijken, waarvan wij spraken op bladz. 176, die 
Geestmerambacht en de Schager- en Nierdorper Ko^en 
beschermen moeten bij eventueelen doorbraak van den 
Westfrieschen Zeedijk ; eveneens wordt betaald voor Raaks- 
maatsboezem (Raaksmaatslasten). 

Het Bestuur bestaat uit een Dijkgraaf, die tevens ge- 
steld is over de Schager- en Niedorper Koggen en be- 
noemd wordt door den Koning , 4 Heemraden , waarvan 
2 uit Geestmerambacht , 1 uit de Schager- en 1 uit de 
Niedorper Koggen , benoemd door den Burgemeester van 
Aartswoud , de Kerk van Warmenhuizen , enz.; voorts uit 
6 Waarschappen , door polders benoemd volgens ordonnantie 
van Graaf PhiUps van 1439 , terwijl zij vroeger door alle 
dorpen gezonden werden , en uit 19 volgers ten platte lande 
of gecommitteerden der stemhebbende polderdistrictsbestu- 
ren. Het Dagelijksch Bestuur bestaat uit den Dijkgraaf en 
de Waarschappen. Het Reglement is van 1874. 

Verdeeling in 19 bannen , hier samenvallende met de 
polders. 

Ambacht der Schager- en Niedorper Koggen. 



215 



De Heeraraad van de Schagerkogge wordt benoemd door 
den Koning, die van de Niedorperkogge door Kerkmeeste- 
ren van Winkel. In elk der koggen zijn 5 Waarschap- 
pen. Het Reglement is van 1864. 

In de Schagerkogge zijn 4 bannen of 7 polders , in de 
Niedorperkogge 8 bannen of 13 polders. Dit ambacht 
betaalt ook aanzienlijke lasten voor den Langereisdijk. 

Tusschen de vier genoemde ambachten bestaat nog bo- 
vendien den band van gemeene vertegenwoordiging, keuze 
van hoofdingelanden , enz. in het Hoogheemsraadschap van 
den Hondsbossche en Duinen tot Petten en het zenden van 
gecommitteerden voor de Westfriesche rekening in de 
vergadering van 

Hoofdingelanden van Westfriesland. Bij sen- 
tentie van den Hoogen RiUid werd 30 Juli 1650 een col- 
legie van Hoofdingelanden van Westfriesland ingesteld, 
door de waarschappen te kiezen uit de voornaamste inge- 
landen. Dit coUegie moest dienen om , onverminderd de 
bevoegdheden , privilegiën , enz. , der afzonderlijke ambach- 
ten , toezicht te houden op zaken van algemeen belang , 
voornamelijk . op den algemeenen omringdijk van West- 
friesland. De taak van het coUegie is thans nog : -zaken 
te beramen , voor te stellen , te doen uitvoeren en er op 
toe te zien , welke geheel Westfriesland betreflFen , in het 
bijzonder die welke op den omringdijk betrekking heb- 
ben. 

De benoeming der 1) Hoofdingelanden (3 in Drechterland, 
2 in de Noorder Koggen , 2 in Geestmerambacht, 1 in de 
Hdiagerkogge en 1 in de Niedorperkogge) geschiedt thans 
door den Koning op voordracht van de vergadering der 
WcUirschapi)en of volgers in de ambachten. 

De reeds beschreven bedijkmgen staan onder afzonder- 
lijke besturen: 

Zijpe en Hazepolder. Bestuur : een dijkgraaf en 5 
Heemraden; in elk der bemalingen molenmeesters. Re- 
glement van 1854. 
* Wieringerwaard* Bestuur: een Dijkgraaf en 5 Heem- 



2ie 

raden, benoemd door den Koning evenals de 8 Hoofdinge- 
landen. Reglement 1845. 

Waard en Oroet. Bestuur: een Dijkgraaf, 5 Heemra- 
den en 8 Hoofdingelanden, door den Koning benoemd. Re- 
glement van 1847. 

Anna-Panlownapolder. Bestuur: een Dijkgraaf, 4 
Heenuaden en 10 Hoofdingelanden. Reglement van 1850. 

Behalve het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende 
Sluizen , enz. en de vier Ambachten van Westfriesland , 
welke laatste evenwel hoofdzakelyk dijksbesturen zijn, 
bestaan in Hollands Noorderkwartier geen groote vereeni- 
gingen van gronden tot behartiging van gemeene water- 
staatsbelangen ; de waterstaatkundige polders vormen ad- 
ministratief meestal elk op zich zelf een waterschap of 
z\)n bij eenige weinige of met eenige oningepolderde landen 
vereenigd tot een waterschap. Zoo vindt men in het Hoog- 
heemraadschap der Uitw. SI. van Kennemerland en West- 
friesland (Schermerboezem): de Vereeniging van 
polders en oningepolderde landen onder 
Schoorl en de Vereeniging van polders en 
oningepolderde landen onder Bergen. 

De groote en kleine droogmakerijen hebben alle afeon- 
derlijke besturen. 

In Waterland vormen één waterschap: de Drie Wa- 
terlandsche Meren. (Buikslooter- , Broeker- en Bel- 
menneer) , met één bestuur dus. 

Voorts vindt men in Waterland o. a. de groote water- 
schappen : 

Polder Oostzaan tusschen Zaan en Twiske, 
Wormer en NoordzeekanaaL 

Het Hoogheemraadschap Waterland, 
vormende slechts één waterstaatkundigen polder, doch 
het grondgebied van 5 gemeenten omvattende en op 
welks polderwater, ook wel onjuist Waterlandsboezem 
genoemd, ook de 3 Waterlandsche meren loozen. Het 
bestuur bestaat uit een Dijkgraaf en 8 Hoogheem- 
raden, door den Koning benoemd, en 12 Hoofdin- 



217 



gelanden. Bij de topografische beschrijving van het 
Noorderkwartier hebhen wij reeds naedegedeeld hoeveel 
Waterland sinds 1819 te lijden heeft gehad door de omstan- 
digheid , dat het eerste pand van het Groot Noord-Hollandsch 
Kanaal met zijn polderwater gelijk ligt , omdat het schut- 
ten zooveel water , en wel zoiU water in den polder brengt. 
Alle requesten en vertoogen aan de Regeering om verbe- 
tering hielpen niet, totdat eindelijk Waterland zelf, door 
de stichting van 3 groote stoomgemalen, uitsluitend stoom- 
bemaling ging toepassen en zoo zijn toestand zeer verbe- 
terde. Het heeft daarvoor van 1875 tot 1879 f 845.000 
geleend , waarvan reeds f 27.000 in 1881 was afgelost. 

De verzoeken aan Gedeputeerde Staten om het Regle- 
ment op den Noorder IJ- en Zeedijk te willen herzien , 
nu deze door de afsluiting bij ScheUingwoude gedeeltelijk 
binnendijk is geworden , waardoor b. v. alleen Waterland, 
dat ƒ 21.600 's jaars aan dien dijk bijdraagt, een f 6000 
minder zou kunnen betalen, zijn tot nu afgewezen. 

Wij deelden een en ander slechts mede, om te bewijzen 
wat eensgezindheid en energie vermogen in deze produc- 
tieve landen. 

Het Heemraadschap Wormer, Jisp en Nek, 
drie bannen , vormende één waterstaatkundigen polder en 
het Oude land tusschen Stammeer , Beemster , Wijde en 
Enge Wormer en de Zaan. Hoofdingelanden benoemen 
zelven een Dijkgraaf en 2 Heemraden. 



B. De Geldersch-Noordbrabantsche 
Rivierkleipolders. 



Hiertoe rekenen wij: 1® de polders, grootendeels buiten- 
gronden , gelegen onmiddelijk langs den Boven-Rijn , di- 
Waal tot Nijmegen , het Pannerdensch Kanaal en den Neder- 
Rijn tot Arnhem en den IJsel tot boven Hattem ; 2® de 
landen t. O. van den Diefdijk en de Linge , gelegen tiis- 
schen Lek en Rijn t. N. en de Maas t. Z.; benevens 3* 
de polders in Noordbrabant , rechtstreeks of door tusschen- 
komst van boezems loozende op de Maas en de landen van 
Heusden en Altena tot aan den Bakkerskil en den Bleekkil. 

P. DE POLDERS LANGS BOVEN-RIJN , ENZ. EN 
DE IJSELOEVERS TOT BOVEN HATTEM. 

Deze landen onmiddelijk langs de rivieren tot op betrek- 
kelijk geringen afstand gelegen , bestaan uit een groot 
aantal uiterwaarden en polders met een bodem van rivier- 
klei , behalve hier en daar aan de grenzen der hooge gronden. 

Zij hebben bijna alle de eigenschappen gemeen : 1^ dat 
zij rechtstreeks en meestal natuurlijk afwate- 
ren op het aangrenzende buitenwater en 2^ dat zij ])ij 
hooge rivierstanden door het overstroomingsAvater 
worden bel o open, hetzij doordat hun beschermemle 
kaden en dijken dan overloopen , hetzij zij door werking 
van overlaten, enz. van de binnenzijde worden geïnnundeerd, 
hetzij door het inloopen van het buitenwater in de vrij 
afstroomende beken , of wel doordat de loozing van deze 
belet wordt. 

Langs Boyen-Bijn en Waal. De bedijking op deu 



219 



linkeroever van den Rijn vangt aan in Pruisen bij Calcar, 
zij komt op Nederlandsch gebied bij Bimmen , is van hier 
af tot beneden Leuth in onderhoud en beheer bij het Rijk, 
loopt dan voor een klein gedeelte langs de Pruisische 
grens , welk gedeelte onderhouden wordt door een aangren- 
zenden Pruisischen polder , en gaat eindelijk om de zooge- 
genaamde Ooij heen om aan te sluiten aan de hooge gronden 
bij Nijmegen. De Ooische dijk , die beheerd en onderhouden 
wordt door het aangrenzende polderdistrict Circul van de 
Ooij , is betrekkelijk zeer laag ; bij Nijmegen heeft hij bo- 
vendien een overlaat, die bij een stand van de Waal van 
+ 12,5 A.P. te Nijmegen werkt, om den achtergelegen 
polder te doen inloopen en later omgekeerd het inundatie- 
water van hoogerop gelegen polders spoedig te loozen. 
Hierom ligt op Pruisisch gebied tusschen de hooge gronden 
ter eene en den bandijk bij het begin van den Ooischen dijk 
ter andere zijde de zoogenaamde Querdamm, dienend om 
het inundatiewater te keeren by het inloopen van de Oo\j. 
Buiten den beschreven dijk liggen de Millingsche en Leuth- 
sche waarden en de polder van Erlekom van Leuth tot 
Ooij. Deze laatste , die rechtstreeks op het buitenwater 
loost , heeft een buitenkade die bijna tot een zwaren ban- 
dijk is opgewerkt; aan het benedeneinde is evenwel een 
overlaat. 

Binnen den Ooischen dijk tot aan den voet der hoogten, 
van Nijmegen langs Beek en Ubbergen loopend , strekken 
zich polders uit, die dus in zekeren zin als buitenpolders 
te beschouwen zijn , daar zij bij hoog water moeten onder, 
komen; negen daarvan t. N. van den Persingenschen weg 
vormen samen het Polderdistrict Circul van de Ooij en 
wateren rechtstreeks door uitwateringssluizen op het bui- 
tenwater af en tevens , evenals de overige polders , op den 
boezem van het Wijlermeer, een water zich uit- 
strekkend langs den voet der hoogten, dat bovendien het 
water ontvangt van eenige polders en hooge gronden in 
Pruisen. 

Buiten den Ooischen dijk liggen de Buiten-üoij en op den 



220 



rechter Waaloever de buitenwaarden : de Gentsche waarden 
en de Gentsche, Bemmelsche en Ooijrijksche Polders. 

Langs den rechteroever van den Boyen-Bijn, 
het Pannerdensoh E[anaal en den Neder-Rijn. Op 

den rechter Rijnoever beginnen de dijken bij Wesel en 
loopen onafgebroken door tot aan den overlaat iu den 
Ouden Rijnmond (zie Kaartje I). Deze, die een 3 M. lager 
is dan de aangrenzende bandijken (+ 13,91 A.P.), sluit aan 
de andere zijde aan den zoogenaamden Boterdijk , die met 
den daaraan grenz^den Ossenwaardschen Dam dus rechter 
Rijndijk en tevens linker leidyk van den Ouden Rijn is. 
Bij den Ossenwaardschen Dam begint de bedijking van den 
polder der 3 dorpen Herwen , Aerdt en Pannerden. Deze 
worden dus ingesloten door den rechter bandijk van het 
Bijlandsche en Pannerdensche Kanaal , die van deze oj) 
groeten afstand van verwijderd is en verschillende namen 
draagt , en door den linker Oude-Rijndijk. Deze laatste is 
bij het Polderdistrict Herwen, Aerdt en Panner- 
den, alle andere genoemde zijn bij het Rijk in onderhoud. 
Bijwerking van den Oude-Rijnmond wordt de overstrooming 
rechts door de hooge gronden in Pruisen en, te be^nnen 
bij Babberich op de grenzen , door den rechter dijk van 
den Ouden Rijn begrensd , welke laatste bij Candia aan de 
bedijking langs den Neder-Rijn aansluit. Bij dit punt komt 
zooals wij weten het water van den Ouden Rijn weer oi» 
de hoofdrivier. 

Het riviertje de Wildt dat langs de grens loopt , valt in 
den Ouden Rijn , doch bij werking van dezen laatste looi)t 
het Rijnwater omgekeerd er in op en vloeit bij 'sHeeren- 
berg over zijn oevers noordwaarts naar Deutinchem. 

Alleen op het eiland tusschen Rijn en Ouden Rijn, vindt 
men dus binnendijksche gronden en wel den Polder van de 
3 Dorpen. Alle andere landen tusschen Oude-Rijn- en Rijn- 
dijken worden gevormd door buitonpolders of uiterwaarden, 
die dus bij hooge standen alle onderkomen. 

Alle genoemde lauden loozen rechtstreeks op het 



221 



buitenwater. Langs den linkeroever van den Rijn ligt 
de bandijic, die in beheer en onderhoud is bij het Polder- 
district Over-Betuwe, ver van het zomerbed der rivier, 
vooral tegenover Arnhem , daar hij van Huissen over Elden 
gaat. Lage bekade waarden of buitenpolders liggen daar- 
voor 0. a. tegenover Arnhem de Malburgsche Polder en de 
Stadswaarden. 

De rdchter Useloever. Langs den rechteroever van 
Jen Neder-Rijn van den Ouden Rijndijk af bij Candia loopt 
tot Westervoort de Lijmersche band ij k, die vervolgens 
onder dienzelfden naam langs den rechteroever van den 
IJsel doorgaat tot ongeveer 1 uur boven Doesborgh en in 
onderhoud is bij het Polderdistrict Lijmers. De dijk loopt 
verder door tot Doesborgh als Baarbroeksche Dijk en An- 
gerlosche Zomerdijken, in beheer en onderhoud bij hetPoi- 
(Ustrict van dien naam ; hij sluit bij Doesborgh aan den 
linker dijk van het Broekhuizerwater. 

Binnen dit gedeelte IJseldijk Uggen van beneden Wes- 
tervoort tot Doesborgh polders. Die tot de Lathumsche 
sluis één uur boven Doesborgh , zich in het zuiden uitstrek- 
kend tot bij Duiven en Zevenaar, vormen het Polder- 
district de Lijmers. Deze polders laten op elkaar af 
of loozen rechtstreeks op den IJsel door de Lathum- 
sche sluis en nog een sluis naast dezen, die tevens dient voor het 
stoomgemaal van 270 paardekracht dat alle polders bemaalt. 
Aan de Lijmers grenst t. O. het Polderdistrict Baar- 
broeksche en Angelosche Zomerdijken bestaande 
uit 3 waterstaatkundige polders ; 2 dezer polders loozen 
rechtstreeks op het buitenwater : de zuidelyke watert af 
op de Didamsche Wetermg , die bovendien het water van 
vele hooge gronden ontvangt en op het Broekhuizer water 
door een uitwateringssluis loost. 

Bij zeer hooge buitenwaterstanden komt al dit polder- 
land, ook zonder doorbraak der Rijn- of IJseldijken, meestal 
geheel onder water, zelfs met nog eenige hoogere gronden 
t. Z. er van. De Oude Rijn doet dan nl. zfln water in 



222 



het riviertje de Wildt oploopen, dat bij 's Heerenberg door 
het dal van het Waalsche water en den Ouden IJsel zijn 
overtollig water noordwaarts naar Doetinchem voert en 
vervolgens langs het Oude-IJseldal naar het westen. 
Deze inundatie wordt dan ten noorden begrensd door den 
Drempterdijk (straatweg van Doesborgh naar Doetinchem) , 
die echter bij buitengewoon hooge waterstanden kan over- 
loopen (1883). 

Van Doesborgh tot Olburgen tegenover Dieren loopt nog 
een aaneengeschakelde dijk , achtereenvolgens genaamd 
Dremptsche-, Oldenhaafsche-, Hoogluren- 
scheen Olburgsche d ij ken, in beheer en onder- 
houd bij het Polderdistrict van dien naam , terwijl van 
hier tot Gorsel geen dijken meer worden gevonden. T. N. 
van dezen dijk onder Steenderen en Bronkhorst liggen pol- 
ders , die bij zeer hooge waterstanden onder komen door 
het oploopen van het IJselwater in de Hummelosche en 
Hackfortsche beken. -Ook de hooge gronden meer oost- 
waarts tot Wichmond en 1 uur t. O. van Zutfen en noord- 
waarts tot Gorsel , worden dan beloopen door de uitge- 
strekte inundatie die veroorzaakt wordt, doordat de IJsel 
loopt over den weg van Zutfen naai Doetinchem (Baakschen 
overlaat) landwaarts in, welk water weer door de Berkel, 
enz. t. N. van Zutfen op den IJsel komt. 

Even ten zuiden van het dorp Gorsel begint weer 
de bedijking, telkens door hooge gronden afgebroken, zoo- 
dat t. N. van de stad Zutfen de polder de Marsch en de 
gronden buiten genoemden dijk onder water kunnen komen. 

Van Deventer loopt oostwaarts langs den rechteroever 
van de Schipbeek een dijk, gedeeltelijk Snippelingsdijk ge- 
heeten ; t. Z. daarvan komen de gronden onder water. 

Beneden Deventer liggen eerst eenige gedeelten dijk, tel- 
kens in hooge gronden te niet loopend, terwijl van Diepen- 
veen te beginnen de bedijking langs den rechteroever onaf- 
gebroken doorgaat alsSallandsche dijk, alle in be- 
heer en onderhoud bij het 7e D ij k s d i s t r i c t van 
O ver ijs el (Salland). 



223 



Linker Useloever. Van Arnhem tot de buitenplaats 
Biljoen bij Velp loopt om den polder het Arnhemmer- en 
Velperbroek een dijk, in beheer en onderhoud bij het Pol- 
derdistrict Arnhemmer- en Velperbroek. 
Die polder loost op den IJsel door een uitwateringssluis 
aan het benedeneinde en kan daar tevens bemalen worden 
door een stoomgemaal van 10 paardekracht. 's Winters 
bij hoog buitenwater wordt de polder ondergezet. Buiten- 
dijks tot Rheden liggen uiterwaarden , o. a. de Pley aan 
den kop van den IJsel. 

Van hier tot Brummen wordt de waterkeering gevormd 
door de hooge gronden, terwijl daarbuiten tusschen IJsel 
en den straatweg van Arnhem naar Zutfen uiterwaarden 
liggen, vooral uitgestrekt tegenover Doesborgh. Even 
t. Z. van Brummen begint de waterkeering weer , die voor 
een klein deel door den spoorweg gevormd word , door de 
hooge gronden bij het dorp wordt afgebroken , dau weer 
doorgaat tot de hooge gronden bij Cortenoever, om iets 
verder weer te voorschijn te komen en eindelijk aan te 
sluiten aan * den zoogenaamden Kanonsdijk , een deel van 
den straatweg tot Zutfen , die beheerd en onderhouden 
wordt door het Rijk , terwijl de andere hoogerop gelegen 
dijkvakken in beheer en onderhoud zijn bij het Pol- 
derdistrict van den Brummenschen Ban- 
d ij k. Dit omvat eenige polders tusschen den dyk , den 
straatweg en den spoorweg, die loozen door 4 uitwate- 
ringssluizen op den IJsel 

Aan den Kanonsdijk sluit bij Zutfen aan de Hoender- 
npsterdijk, in beheer en onderhoud bij de stad , waarachter 
3 polders , de Over-Marsch , liggen , natuurlijk uitwaterend 
op den IJseL Aan dien dijk sluit die van de Voorsterklei, 
een polder gelegen binnen dien dijk tot aan den straatweg 
van Zutfen over Voorst naar Deventer. Deze straatweg 
kan ook water keeren als de Voorsterklei inloopt, wat 
dilpvijls gebeurt , daar de dijk hier en daar niet veel meer 
is dan een zomerkade. 

Een uur ongeveer t. W. van den IJsel begint in de hooge 



224 



gronden van Klarenbeek eerst westwaarts dau noordwaarts 
gaande een doorloopende dijk, deVeluwsche ban- 
dijk, tot aan de hooge gronden 1 uur t. Z. van Hattera. 
Daarbuiten liggen vele uiterwaarden , o. a. de Wilpsche 
Klei even boven Deventer. 

Het Polderdistriot Velnwe. 

Even als in Salland t. O. van den IJsel eenige weterin- 
gen vloeien in algemeen evenwijdige strekking met die 
rivier , zoo wordt de IJsel ook aan de Veluwsche zijde ge- 
volgd door een aantal weteringen , welks water ten slotte 
in één van deze, de Grift, bij Hattem samenvloeit, om 
zich bij die plaats in den IJsel te storten. 

Het Apeldoornsch Kanaal , dat van Dieren over Apel- 
doorn naar Hattem loopt, volgt onmiddelijk de Grift, die 
te Apeldoorn uit eenige sprengen en beekjes ontstaat, en 
is voor zoover de beide benedenste panden betreft, d. l 
van beneden de Bonenbergersluis b\j Heerde , de gekanali- 
seerde rivier de Grift (Oude Grift). 

Op die weteringen nu en op dat Kanaal wateren een 
aantal polders en hooge gronden af, samen vormend het 
Polderdistrict Veluwe. Dit strekt zich uit van 
de hooge gronden bij Klarenbeek en de Beekbergsche beek 
in het zuiden tot aan de grens van het Polderdistrict Hat- 
tem in het noorden , tot waar de Veluwsche bandijk aan 
de hooge gronden t. O. van het Kanaal aansluit. Die dijk 
vormt de oostelijke grens en het Apeldoomsche Kanaal de 
westelijke. 

Die betrekkelijk smalle strook, gelegen voor zooverre 
de polders betreft tusschen + 4 A.P. in het zuiden k 
+ 1,75 A.P. in het noorden, terwijl de hooge gronden -(- 3 Ji 5, 
hoogstens + 7 A.P. liggen , ligt voor een groot deel , nl. 
t. O. van de meest westelijke of Nieuwe Wetering, in polders. 

De weteringen zijn te beginnen bij de meest oostelijke : 

De Terwoldsche Wetering, welke boven Ter- 
wolde door een U. SI. het water van de Blinde Beek 
ontvangt en zich bij Veessen vrij ontlast op 



325 



De Groote Wetering. Deze is de belangrijkste; 
zij ontvangt bij Nijbroek de Kromme Beek door een 
U. SI. , welke laatste weer de Leigraaf opneemt, en neemt 
even boven het punt waar zij de Terwoldsche Wetering 
ontvangt de Nijbroeker Wetering op ; stroomt dan noord- 
waarts tot zij den Veluwschen bandijk bij zijn noordelijk uit- 
einde snijdt. In dezen dijk ligt een U. SI. , zoodat de 
Groote Wetering slechts nu en dan op het open beneden- 
gedeelte wordt afgelaten ; dit laatste gedeelte buiten den 
dijk gaat dus met den IJsel op en neer, het neemt nog 
het eveneens open gedeelte van de hierna te vermelden 
Nieuwe Wetering op en vereenigt zich dan met het open 
benedenpand van het Apeldoornsch kanaal tot Grift, 
welke bij Hattem in den IJsel valt. 

De Nieuwe Wetering (Evergunne Wetering) loopt 
t. W. van de Groote Wetering ongeveer evenwijdig aan het 
Apeldoomsche Kanaal. Door een U. SI. in den Veluwschen 
bandijk is het bovendeel gescheiden van het open beneden- 
gedeelte , dat niet ver voorbij die sluis in de Groote We- 
tering valt. 

Het Apeldoornsch Kanaal van Dieren aan den 
IJsel tot Hattem is ongeveer 10 uur lang en wordt door 
schutsluizen in 6 panden verdeeld , waarvan het bovenste , 
van Dieren tot Apeldoorn , een peil heeft van + 13,42 A.P. 
en het benedenpand , van de Hezenbergersluis 1/2 u. t. Z. 
van Hattem tot aan den IJsel , waarmede zich de Groote 
Wetering vereenigt, open is en dus met den IJsel op en 
neer gaat (M. R. = + 0,88 A.P.). Het bovenpand wordt door 
vele beken en sprengen van de Veluwe gevoed , de bene- 
denpanden daaruit en uit de Grift, die zelve de 2 laagste 
panden vormt. 

De afwatering van het district hangt dus af van de 
IJselstanden bij Hattem. Als bij zeer hoog buitenwater 
de afwatering der weteringen gedm*ende langen tijd wordt 
beiet , de regenval sterk is en de dijken doorkwellen , dan 
komt een groot gedeelte van het district langs de wete- 
ringen zelfs tot boven Nijbroek onder water , door het be- 

ló 



226 



zwijken van de kaden, enz. (hoog opperwater in Maart 1876). 

Op de Groote Wetering, welks stroomgebied zich in het 
zuiden tot de Beekbergsche beek uitstrekt en waartoe dus 
ook dat van de Terwoldsche beek behoort, wateren af— in 
het N. te beginnen — de t. O. daarvan tot aan den bandijk 
gelegen dorpspolders Vorchten, Marie en Wijnvoorden, 
welke ook direct op het buitenwater, d, i. op het open 
buitendijksche deel van de Groote Wetering afwateren ; 
voorts die van Veessen en Nijbroek , samen uit verschil- 
lende waterstaatkundige deelen bestaande. Tusschen de 
Groote Wetering en het Apeldoomsche Kanaal, dus ter 
weerszyden van de Nieuwe Wetering, üggen van het N. naar 
het Z. de dorpspolders Heerde, Oene, Epe en Ernst, Vaas- 
sen en Apeldoorn. Deze laatste dorpspolders zijn echter 
slechts vereenigingen van gronden in administratieven zin; 
slechts in die van Epe en Ernst en van Vaassen liggen 
eenige waterstaatkundige polders, het overige is alles hooge 
grond. De dorpspolder van Terwolde watert af op de 
Kromme Beek, die zooals wij weten een afzonderlijk stroom- 
gebied heeft , daar hij door een U. SI. van de Groote We- 
tering gescheiden is. 

Het Polderdistrict Veluwe onderhoudt denlJsel- 
dijk met de sluizen , terwijl het bestuur o. a. toeziet 
op de waterleidingen, die door de dorpspolders worden 
onderhouden. 

Op het buitendijksche gedeelte van de Groote Wetering 
wateren ook nog eenige polders en buitenwaarden van het 
Polderdistrict Hattem af, waarvan één zelfs bemalen 
wordt. 

Buiten het Polderdistrict van de Veluwe liggen t. W. 
tegen de Grift ook nog een paar hooggelegen poldertjes, 
waarvan één bemalen wordt. 

2«. DE GELDERSCH-NOORDBRABANTSCHE 
RIVIERKLEI T. Z. VAN DEN RÜN. 

§ 1. Algemeene beschrijving. 

Deze landen liggen in tegenstelling met het HoUandsch- 



227 



ütrechtsche polderland in het algemeen bovm AJP.; deelen 
van enkele polders bij Gorinchem en in de V\jf boerenlanden 
alleen maken hierop eene uitzondering. Het riviereiland 
omsloten door Rijn, Lek, Noord, MerweenWaal, evenals 
de andere deelen van deze afdeeling gevormd door bezinking 
van rivierklei op den ouden diluviaalbodem of op het veen 
in het westen, vormt van het O. naar het W. een hellend 
vlak, bij het separatiepunt van Rijn en Waal ongeveer op 
+ 11 A.P. liggende en tot — 1 A.P. aan de westzijde van 
den Alblasserwaard afdalende. Aan den Diefdijk hggen de 
binnendijksche polders nog ongeveer + 0,75 è + 1 A.P., 
aan de Linge by Gorinchem is het Z. P. der polders — 0,26 
A.P. Zooals bekend is dragen de deelen van dit groote 
eiland tot aan den Diefdijk en de Linge, te beginnen in 
het oosten, achtereenvolgens de namen van: Over-Be- 
tuwe, Neder-Betuwe, Land van Culemborg, Land 
van Buren en Tielerwaard. 

Tusschen de Waal en de Maas t. O. van St. Andries , 
waar deze rivieren elkaar zeer dicht naderen, strekken zich 
het Rijk van Nijmegen en het Land van Maas en 
Waal uit. In den westelyken hoek tusschen Dreumel en 
Alphen ügt het terrein op ongeveer + 5,5 AP. 

Beneden St* Andries tot aan hare vereeniging bij Loe- 
vestein, sluiten Waal en Maas het eiland den Bommeler- 
waard in, van het oosten naar het westen van + 4 tot 
+ 1 A.P. afdalende. 

T. Z. van de Maas zullen wy slechts het terrein be- 
schouwen tot aan de hooge gronden, d. i. dus, voor zoo- 
verre het door de Beersche Maas beloopen wordt; de tra- 
verse van deze volgende, daalt het van + 8,5 bij Grave tot 
+ 2,75 A.P. bij 's Bosch. Voorts de landen t. W. van de 
Dieze en t. N. van den zuidelijken bandijk van het Oude 
Maasje , grootendeels gevormd door de Landen van 
Heusden en van Altena, van de Dieze tot den Uppel- 
schen dijk in het Land van Altena, afdalende van -f 3,5 
tot -0,5 A.P. 

De buitendijksche landen , be kade buitenpolders of onbe- 

15 ♦ 



22S 



kade uiterwaarden liggen dooreengenomen een 1 i 1,5 
M. hooger dan de aangrenzende binnendijksche terreinen. 

Hoewel een groot deel van deze afdeeling, nl. de Betuwe 
t. O. van de lijn Wijk bij Duurstede (Lek)-Ochten (Waal), 
het Rijk van Nijmegen en het Land van Maas en Waal , 
benevens Noord-Brabant t. O. van den Polder van het 
Hoog Hemaal, hooger ligt dan de middelbare rivierstanden 
en dus hoog genoeg om bij lage of middelbare standen 
langs natuurlijken weg op de hoofdrivieren af te wateren, 
zoo zou het bij hooge rivierstanden geheel door deze over- 
stroomd worden, gelijk ook reeds uit de vorming dier lan- 
den — bezinking van klei uit rivierwater — is op te 
maken ; daarom is het geheel door zware dijken langs de 
rivieren tegen deze beschermd. 

In 't algemeen spelen de groote rivierdijken en de daar- 
uit voortgekomen dijks- en waterschapsbesturen in de hy- 
drografische gesteldheid dezer landen een zeer groote rol. 

Bovendien hebben de meeste landen , voor zooverre zij 
niet tegen hoogere gronden aansluiten , zich bij kleinere 
deelen met dijken en kaden omgeven tot bescherming te- 
gen het inundatiewater en tot regeling van hun wateraf- 
voer: zij zijn dus polders. 

De eigenlijke polders, die welke met kaden omringd zijn 
en welker polderwater niet gemeen ligt met dat van de 
stroomende wateren of boezems waarop zij loozen , begin- 
nen tusschen Rijn en Waal in de lijn Rijswijk (tegenover 
Wijk bij Duurstede)-Doodewaard ; tusschen Waal en Maas 
in de lijn Ewijk-Leur-Heumen. T. Z. van de Maas begin- 
nen de polders reeds met de sluispolders van Cuijck en 
van Groot Linden. 

Het kenmerkende van een groot deel van dit pol- 
derland in het algemeen is: natuurlijke waterloozing 
op stroomende wateren, d. w. z. afvoer zonder op- 
maling door sluizen, zoodra de stand van het buitenwater 
of van de stroomende wateren of boezems waarop geloosd 
wordt het toelaten. In Noord-Brabant t. W. van Oss on- 
geveer en in den Bommelerwaard wordt bijna uitsluitend 



229 



op boezems geloosd, een betrekkelijk klein deel slechts 
watert daar rechtstreeks op de groote rivieren af. Aüe 
andere landen op eenige weinige polders na — die van 
Herwenen, die rechtstreeks bij Vuren op de Waal loost, 
en eenige in het westelijk deel van Maas en Waal , recht- 
streeks op de Maas loozende — wateren af op stroomende 
icaieren^ in de eerste plaats op de Linge en voorts op 
weteringen die hun water door sluizen op de Maas stor- 
ten als de buitenwaterstand het toelaat. Linge en Maas 
ontvangen dus op een kleine uitzondering na ten slotte al 
het water van deze streken t. N. van de Maas. 

Afmaling van polderwater rechtstreeks op 
het buitenwater of van boezems heeft reeds plaats 
tegenover Oijen op de Maas , en tusschen Deil en Enspijk 
op de Lmge. Polder bemaling begint in de Betuwe by 
Buurmalsen , in den Tielerwaard in de polders van Wa- 
denoijen en Waardenburg, in den Bommelerwaard in den 
Zalt-Bommelschen polder t. Z. van Bommel , terwijl in 
Noord-Brabant de polder van den Eijgen , die reeds bij Nu- 
land begint, en ook het Bossche veld en de Polderstad 
's Hertogenbosch hun water door stoombemaling op den 
Diezeboezem brengen. 

§ 2. De dijken. De zuider Rijn(Lek)dijken, onafgebroken 
voortloopende van het separatiepunt bij Doomenbm-g tot aan 
den Diefdijk, worden beheerd en onderhouden doordeaan- 
gi'enzende waterschappen, nl. door het Polderdistrict 
van de Over-Betuwe tot polder Lakemond (tegenover Wa- 
geningen); het Polderdistrict Neder-Betuwe, van hier 
tot V4 u. beneden Ravenswaaij, boven Beusichem, met uitzon- 
dering van eenige deelen die in onderhoud zijn bij de onmidde- 
lijk aangrenzende polders Kesteren , Rijswijk en Ravenswaaij; 
het Polderdistrict Buren van laatstgenoemd punt 
over eene lengte van ongeveer V4 u. tot boven Culemborg 
(^n eindelijk het Polderdistrict Culemborg van hier 
tot de stad Culemborg ook over eene lengte van ongeveer 
V* u. De wallen van de forten 't Spoel en Everdingen, de 



230 



militaire inundatiesluis vóór het eerste en de beer vóór 
het tweede werk zijn in onderhoud by het Rijk, 

De rechter Waaldijk is eveneens in onderhoud bij de 
aangrenzende polderdistricten: Over-Betuwe tot tusschen 
Herveld en Hien, Neder-Betuwe van hier tot Tiel, Ti el er- 
waard van Tiel tot de grens van Gelderland en Zuid-Hol- 
land, ©e Dalemsche overlaten en de waterkeerende 
vestingwerken van Gorinchem zijn voor rekening van 
het Rijk. 

De linker Waaldijk van Nijmegen tot Winssen wordt 
beheerd en onderhouden door het Polderdistrict het 
Rijk van Nymegen, van Winssen tot de aansluiting aan 
den rechter Maasdijk bij Alphen door het Polderdistrict 
Maas en Waal. De Heerenwaardensche buitenlanden tus- 
schen het Voornsche Gat en St. Andries, door eene zomer- 
kade omringd , hebben een afeonderlijk bestuur. De linker 
Waaldijk, voor zoover hij ringdijk is van den Bommelerwaard, 
wordt beheerd en onderhouden door de aangrenzende Pol- 
derdistricten Bommelerwaard boven den Meidijk 
en Bommelerwaard beneden den Meidijk. 

De rechter Maasdijk van de hooge gronden bij Mook tot 
uitwateringssluis beneden Niftrik staat onder het Polderdis- 
trict Rijk van Nijmegen ; van hier tot de aansluiting aan den 
Waaldijk onder het Polderdistrict Maas en Waal. Voor 
zoover de rechter Maasdijk ringdijk is van den Bommeler- 
waard , wordt hij beheerd en onderhouden door de aangren- 
zende Polderdistricten Bommelerwaard boven- en Bomme- 
lerwaard beneden den Meidijk. 

Volgens het Reglement op het beheer der 
rivierpolders in Gelderland wordt in het ge- 
woon onderhoud der dijken voorzien door dijkplichti- 
gen , voor zooverre het onderhoud in natura niet door een 
uitkeering in geld is vervangen. 

De Unker Maasdijk boven de Dieze (Crèvecoeur) is in 
onderhoud en beheer bij de aangrenzende waterschappen 
(polders en deelen van polders). 

De Hooge Maasdijk van de grens tusschen Viymen en 



231 



Nieuwkuijk langs Vlijmen, Hedikhuizen, Heusden, enz. tot 
tusschen Veen en Andel behoort in beheer en onderhoud 
onder het Hoogheemraadschap: de Hooge Maasdijk van 
Stad en Lande van Heusden, vereenigd met den 
Oud-Heusdenschen, Drongelenschen enDoeveren- 
schen Zeedijk. 

De dijk langs Maas en Merwede van hier tot Werken- 
dam wordt beheerd en onderhouden door het Waterschap 
liet Oudland van Altena. 

Voorts strekt zich langs de oostelijke oevers van de 
Bakkerskil en de Bleeke Kil en t. Z. van den Zuid-HoUand- 
schen polder ter bescherming van het zoogenaamde Nieuw- 
land van Altena een buitendijk uit , aansluitende aan den 
Noorder Bandijk van het Oude Maasje bij Dussen. 

Het noordelijk gedeelte van dezen dijk is thans slaper, 
doordat in 1552 daarvóór de dijk van den Vervoornepolder 
werd gelegd. 

Van Werkendam tot Dussen strekt zich nog een zware 
bandijk uit , die het Nieuwland van het Oudland van Al- 
tena scheidt en gelegd werd in U66 volgens consent van 
Philips van Bourgondie tot wederindijking van een deel 
van den in 1421 verdronken HoUandschen waard , welke dijk 
onderhouden wordt door de 3 aangrenzende waterschappen. 
De dijk, die vóór 1465 buitendijk was en het zoogenaamde 
Oudland van Altena beschermde, is dus later binnen- of sla- 
perdijk geworden en draagt van Werkendam af achter- 
eenvolgens de namen van Werkenschen , Uppelschen, Em- 
mikhovenschen en Kornschen Dijk. 

De Noorder Bandijk van het Oude Maasje loopt van Dussen 
af langs Hagoort, Drongelen, Doeveren, Drunen en Nieuw- 
kuijk en wordt onderhouden door het Dijkscollegie van 
den Oud-Dussenschen Zeedijk, het Waterschap: 
den Eethenschen en Meeuwenschen Zeedijk en 
door het Hoogheemraadschap van den Hoogen 
Maasdijk, alle drie zuivere dijkscollegiën , en door de lan- 
den van Drunen en Nieuwkuijk en sluit alzoo met de reeds 
genoemde dijken de Landen van Heusden en Altena geheel 



232 

in. Over dezen geheelen omringd ijk voert een waterschap 
het beheer, genaamd Waterschap de Hulpgaten in 
de Landen van Heusden en Altena, doch alleen 
voor zooverre betreft het aanbrengen en voorbereiden van 
hulpgaten , het doen van opruimingen , enz. tot het doel- 
matig en spoedig afvoeren van inundatiewater bij eventueele 
overstrooming. (Voorbereide hulpgaten, zooals o.a. 
ook in den ringdijk van den Alblasserwaard langs de Noord 
voorkomen , zijn gedeelten dijk alleen van zand gemaakt en 
slechts met een dunne laag klei bekleed om verstuiving te- 
gen te gaan ; zulke stukken zijn zeer spoedig weg te ruimen). 
De afvoer van overstroomingswater in deze deelen des 
lands bij eventueele doorbraken hebben wij reeds bij de 
hoofdrivieren besproken (zie bl. 44, enz. en Kaart II). Men 
houde steeds in het oog dat het inundatiewater natuurlijk 
op de laagste punten weer op het buitenwater moet ko- 
men ; dus voor de landen tusschen Rijn , Lek en Waal : 
bij Gorinchem ; in den Bommelerwaard : in het laagste 
deel beneden den Meidijk ; voor doorbraken in Noord-Bra- 
bant boven Heusden , zooals bekend is , langs het gebied 
der Beersche Maas bij Bokhoven over de zomerkade op 
de Maas of anders over den Baardwijkschen overlaat en tus- 
schen de bandijken van het Oude Maasje door bij Geertrui- 
denberg op den Amer; eindelijk bij doorbraken in den 
omringdijk van de Landen van Heusden en Altena , door 
de sluizen en gaten in den binnendijk van het Oudland 
en den buitendijk van het Nieuwland van Altena op de 
Bakkerskil en de Bleeke Kil. 

§ 8. Hydrografische en administratieye 
indeeling. 

De landen tusschen Hijn (Lek) en Waal (Over- 
Betuwe , Neder-Betuwe , Tielerwaard , Land van Buren en 
Land van Culemborg.) 

Deze loozen , zooals wij reeds opmerkten , in 't algemeen 
op de Linge. 



233 



Deze daarom zoo hoogst belangrijke rivier, die boven- 
dien het water van de Vyf boerenlanden , deels door tus. 
schenkorast van den Zederikboezem (bij den Arkelischen 
Dam) ontvangt, stroomde vroeger te Gorinchem vrij af, 
doch loost thans bijna uitsluitend door het Steenenhoek- 
sche Kanaal, dat zoo noodig door een stoomtuig van 128 
paardekracht bij Steenenhoek op de Merwe wordt afgeraa- 
len en in vrije gemeenschap met de Linge mag blijven , 
zoolang het peil van deze rivjer te Gorinchem niet 
hooger is dan + 2,52 A.P. Ook weten wij welk een 
belangrijk aandeel de Linge heeft in den afvoer van ovei:- 
stroomingswater (zie hierover bl. 48). Bovendien voert 
de rivier soms eenig kwelwater af van Lek en Waal. 
In verband met het afleiden van het overstroomingswater 
kan de Linge bij Asperen worden afgesloten door een 
waaiersluis en een andere sluis ; het verval tusschen deze 
sluizen en den Arkelschen Dam is meestal zeer gering of 
soms is de stand aan het laatste punt , door de loozing van 
den Zederikboezem , nog hooger dan te Asperen. Van de 
brug in den spoorweg Arnhem— Nijmegen tot de Asperensche 
sluizen bedraagt het verval bij lagen stand (+ 0,60 A.P. 
te Asperen) ongeveer 6,15 M. , hetwelk echter bij hoogere 
standen vooral over het benedengedeelte afneemt. De 
standen waren over het tijdvak 1871 — 1880: 

Gemidd. Laagste Hoogste 
Asperen (boven de sluizen) + 1,26 + 0,36 + 4,14 
Arkelschen Dam + 1,29 + 0,34 + 4,20 

Gorinchem + 1,23 + 0,32 + 3,61 

Ongeveer bij Tiel te beginnen is de Linge ter weerszijden 
geregeld bedijkt ; gelijk wij reeds weten , liggen in beide dij- 
ken een groot aantal overlaten, ten getale van 18 en bij 
Asperen ook sluizen, die dienen om zoo noodig het over- 
stroomingswater van Rijn of Lek over de Linge heen in 
den Tielerwaard en dan door de Dalemsche overlaten op de 
Waal te brengen. 

Daar de middelbare stand te Asperen + 1,26 A.P. is , 
het Z. P. der polders aldaar echter + 0,10 k + 0,20 A.P., 



234 

is het duidelijk, dat hier kunstmatige loozing mod 
plaats hebben. De polderbemaling strekt zich onafgebro- 
ken op de beide oevers van de Linge uit tot aan de pol- 
ders van Tricht en Geldermalsen met Z. P. van -f 0,95 
en -f 0,5 A.P. ; hooger op wordt nog alleen de polder van 
Wadenoijen bemalen met Z. P. van +1,8 A.P. 

Alle andere polders , die zooals wij reeds opmerkten zich 
bovenwaarts uitstrekken tot de lijn Rijswijk— Doodewaard, 
loozen langs natuurlijken weg door uitwateringssluizen op 
de Linge of zystroompjes van deze , waarvan de Kame 
(langs Buren) en de Mauriksche Wetering de voornaamste 
zijn. T. O. van de genoemde lijn liggen geen eigenlijke 
polders, al dragen ook sommige velden dien naam. Deze 
zijn nl. wel is waar meestal door kaden of hooge wegen 
omringd , doch hun water , bestaande uit een groot aantal 
tochtslooten , kleine weteringen , enz. , ligt gemeen met 
dat der Linge , waarop zij afstroomen , terwijl het water 
dat er op neerslaat geheel langs natuurlijke wüze op al 
die kleine wateren afvloeit. Zij zijn dus niet polders maar 
vlietlanden. 

Twee betr. kleine groepen polders loozen m^ rechtstreeks 
op de Linge of zyn nevenstroompjes , maar door tusschen- 
komst van boezems. Deze zijn: 

L De boesem van de Bissohopsgraaf , die ge- 
vormd wordt door een wetering van dien naam , welke zich 
van den Lekdijk boven Culemborg langs deze stad uitstrekt 
en vervolgens zuidwaarts tot aan de Linge beneden Tricht, 
alwaar z\j door de sluis aan de Nust óf langs natuurlijken 
weg op de Linge loost óf bij hooger stand der rivier 
wordt afgemalen door een stoomschepradmolen van 
56 paardekracht. De gemiddelde stand is + 1,6 tot 
2,1 + A.P. Er loozen 10 polders en poldertjes op, ge- 
legen aan de Lek tusschen Culemborg en Beusichem , sa- 
men groot 1600 H.A., en wel alle langs natuurlijken 
weg, dus door sluizen en duikers. 

2. De boezem van de Mark, tegenover Bommel 
in den Tielerwaard, gevormd door een water, de Maik, 



2S5 



dat van den Waaldyk bij Heesselt eerst noordwaarts tot 
Est, dan evenwydig met de Waal over een li/^ ft 2 uur 
zich uitstrekt en eindelijk noordwaartfi ombuigt tot tus- 
schen Rumpt en Enspijk aan de Linge , atwaar de boezem 
door de Boutensteinsche sluis natuurlek loost. Voorts be- 
staat de boezem uit eenige vlieten en weteringen die in 
de Hark uitkomen. De gemiddelde stand is 
+ 1,6 A.P. De boezem ontvangt van een 2700 H.A. pol- 
ders , grootendeels gelegen tusschen de Mark en den Waal- 
dijk en van eenige hooge gronden bij Opynen en Heesselt 
het water. De 4 laagste polders met Z. P. van + 0,80 
tot + 1,45 A. P. worden bemalen. 

De buitend ij ksche polders wateren alle door 
sluizen en duikertjes in hun zomerkaden op het buiten- 
water af. Buiten den groeten Rijnbandijk vóór Kesteren 
en Lienden ligt een groote polder , de Marsch , Lede en 
Oudewaard geheeten , ingedijkt door den Marschdijk , die 
even hoog is ongeveer als de bandijk en die dezen dus hier 
slaper maakt. Die polder , die bij den buitengewoon hoo- 
gen stand van Jan. 1883 is ingeloopen, en die ongeveer 
1 M. hooger ligt dan het binnendijksch terrein , loost öfvrij 
door 2 sluizen aan het benedeneinde öf na opmaling door 
een dezer sluizen (tegenover Remmerden). 

Binnen tegen den Waaldijk ligt bij Herwijnen de Polder 
van Herwijnen, de eenige 1115 H.A. Nederlandsch binnen- 
dijksch grondgebied die op de Waal loozen (met den Ooipol- 
der bij Nijmegen). Het Z. P. is -f 1,05 A.P.; het polder- 
water wordt gebracht op de Herwijnensche Wetering, die 
een uur lager bij het verdedigingswerk Vuren op de Waal 
wordt alfeemalen door een stoomgemaal van 45 paardekracht. 

AdministratieTe indeeling. De verschillende hoofd- 
waterschappen m Gelderland worden daar polderdistric- 
ten genoemd. Zij worden met de buitenpolder/j langs de 
rivieren beheerscht door het Reglement op het be- 
heer der rivierpolders in de provincie Gel- 
derland, vastgesteld 17 Mei 1879 , goedgekeurd bij Kon, 
Besl. van 24 Aug. 1880. De polders waaruit de polder* 



236 



districten bestaan worden in het Reglement dorpspolders 
genoemd. Het dagelijksch bestuur van een polderdistrict 
wordt uitgeoefend door een d ij k s t o e 1 , bestaande uit 
Dijkgraaf en Heemraden , belast met de zorg voor dijken , 
kwelkaden en andere waterwerken van het district. Dijk- 
stoel en hoofdgeêrfden (hoofdingelanden) vormen het 
gecombineerd collegie (het bestuur). Het da- 
gelijksch bestuur der dorpspolders wordt uitgeoefend door 
poldermeesters; zij vormen met geërfden (inge- 
landen) van den polder het bestuur er van , dat den naam 
draagt van geërfden dag. 

Dit gedeelte is ingedeeld in een groot aantal polders, 
meestal bestaande uit een enkelen waterstaatkundigen pol- 
der of uit een vereeniging van deze of van de vrij afwa- 
terende velden of vlietlanden. Op eenige weinige na, die 
op zich zelven staan , worden zij alle omvat door de vol- 
gende hoofdwaterschappen : 

Het Polderdistrict Over-Betuwe strekt zich west- 
waarts uit tot en met polder Lakemond tegenover Wage- 
ningen aan de Lek en tot en met dien van Andelst aan 
de Waal. Het bevat geen eigenlijke waterstaatkundige 
polders. 

Het Polderdistrict Neder-Betuwe , van de grens 
dor Over-Betuwe zich uitstrekkend tot en met polder Rii- 
venswaay aan de Lek en de polders t. O. van Buren en 
t-en N. van de Linge gelegen (uitgenomen polder Grasbrot^k) 
en t. O. van de Doode Lmge aansluitend aan de Waal 
bij Tiel. 

Het Polderdistrict Buren , omvattende een aantal 
polders tusschen de Lek en de Linge , t. O. grenzend aan 
de Neder-Betuwe , t. W. aan de Bisschopsgiaaf ; het om- 
vat dus ook een deel der polders uitwaterend op den boe- 
zem van de Bisschopsgraaf. 

Het Polderdistrict Culemborg bestaat uit de ove 
rige polders uitwaterende op den boezem van de Bis- 
schopsgraaf en voorts uit die tot aan den Diefdijk, welke 
op de Linge loozen , met uitzondering van de polders van 



2.^7 



Rhenoij , Acquoij , Beesd en Mariënwaard , die op zich zel^ 
ven staan. 

Het Folderdistrict Tielerwaard omvat de polders 
tusschen de Linge en de Waal van Tiel af, met uitzon- 
dering van drie beneden Asperen gelegen, hoewel gedeelte- 
lijk binnen de algemeene beringing. Deze drie polders : 
Asp eren, Heukelqm enSpijk gedeeltelijk in Gel- 
derland , gedeeltelijk in Zuid-Holland gelegen , worden door 
afzonderlijke reglementen beheerd en staan onder toezicht 
van Gedeputeerde Staten van beide provinciën. 

Het Folderdistrict Marsch, LedeenOndewaard, 
bestaande uit den buitendijkschen polder van dien naam , 
gelegen aan de Lek. 

Alle genoemde polderdistricten hebben in de eerste plaats 
het toezicht op het gewoon onderhoud — door onderhouds- 
plichtigen — van de hun begrenzende groote dijksvakken 
en ten hunnen laste het buitengewoon onderhoud en de 
dijksmagazijnen ; voorts ondei'houden zij de binnen hunne 
grenzen gelegen weteringen, middelen van loozing en be- 
maling , in 't bijzonder , voor zoover Over-Betuwe , Neder- 
Betuwe , Buren en Tielerwaard betreft , het in het district 
gelegen blok Lingewater (Linge met gemeen liggende 
wateren). Neder-Betuwe en Buren hebben bovendien eeni- 
germate het toezicht op de huishoudelijke belangen van do 
daartoe behoorende polders. 

Een deel van het polderdistrict Neder-Betuwe , benevens 
de districten Buren , Culemborg en Tielerwaard (behalve 
polder Hervrijnen) , het Hoogheemraadschap der Vijf heeren- 
liinden en de op zich zelven staande polders in Gelderland 
en Zuid-Holland die op de Linge afwateren worden omvat 
door: 

Het Waterschap de Linge-xiitwatering , waarvan 
liet reglement is vastgesteld in 1880 , ten doel hebbende 
de bevordering der waterontlasting van de Linge en onder- 
houdende en beheerende het Kanaal van Steenenhoek met 
de sluizen aan boven- en benedenmond , de bruggen , het 
stoomgemaal, enz. 



238 



Bovendien moeten genoemde waterschappen zich houden aaii 
algemeene voorschriften , gegeven in : het Reglement 
op het beheer der rivierpolders in de pro- 
vincie Gelderland. 

Rijk Tan Nijmegen en Haas en Waal. 

De eigenlüke polders in deze landstreek beginnen, zoo- 
als reeds gezegd in de lyn Ewijk—Leur-Heumen. In de 
richting Z. O.— N. W. loopt een heuvehrug van Heumen 
aan de Maas langs Herven en Bergharen tot Puiflijk aan 
de Waal , hoog 4- 16 tot + 6 A.P. 

Afwatering. 

Boezems komen in dit gedeelte niet voor ; de loozing 
geschiedt grootendeels op stroomende wateren nl. op: 

De Nieuwe Wetering. Deze neemt haar oorsprong 
aan het Teersche Broek, loopt in de richting O.— W. en 
loost door de Appeltemsche sluis b\j Appeltem op dé ifaa«. 
Eenige polders t. N. er van gelegen en eenige t. Z. om- 
streeks Batenburg wateren er op af. 

De Oude Wetering, beginnende by Beuningen en 
dan in de richtmg O.— W. het geheele Land van Maas en 
Waal doorsnijdende. Z\j splitst zich t. Z. van Puiflijk in 
2 takken , waarvan de linksche onder den naam van Oude 
Wetering zuidwaarts loopt en door de Blauwe Sluis bij 
Altforst op de Maas loost: de andere, de Rijksche 
Wetering, loost lager nl. tegenover Oijen door de Rijksche 
gluis op de Maas. Een aantal polders t. N. en t. Z. er 
van loozen er op door uitwateringssluizen, in eens of op 
andere er op afvloeiende kleine weteringen. 

De Leeuwensche Wetering volgt geheel en al 
de genoemde Rijksche Wetering gedurende het laatste uur 
van haar loop , slechts door een kade er van gescheiden, en 
loost eveneens teg^over Oyen door de Leeuwensche Sluis 
f^p de Maas. Eenige polders , bij Leeuwen en Puijflijk aan 
den Waaldyk t. N. en t. O. er van gelegen , wateren er 
pp af • 

Behalve de buitendijksche landen loozen recht* 



239 



streeks op de Maas: de aan de Maas gelegen pol- 
ders van Asselt tot Niftrik. 

Het benedendeel van Maas en Waal bestaande uit 1^. den 
polder van Maasbommel, die door de Maasbommelsche 
sluis (naast de Rijksche sluis) op de Maas loost , zoo noo- 
dig door afmaling met een stoomgemaal van 60 paarden- 
kracht; 29. de groote polders van Wamel en vanDreumel 
en Alphen , van welke de eerste zijn water op dat van 
den laatste brengt , dat vervolgens door een stoomgemaal 
van 30 paardekracht wordt afgemalen op een voorboezem, 
loozende door de Dreumelsche sluis op de Maas (Voomsche 
Gfat). Is aftnaling niet noodig, dan wordt langs na- 
tuurlijken weg geloosd door de uitwateringssluis te Al- 
phen. 

Wij merken hier nogmaals op , dat dus aUe loozing op de 
Maas geschiedt ; de oorzaak hiervan is dat de buitenwater- 
standen op de Maas in 't algemeen lager zijn dan die op 
de Waal. 

AdministratieTe indeeling. De polders (administra- 
tieve indeeling) , uit één of meestal uit meer waterstaat- 
kundige deelen bestaande , zijn in 2 groote administratieve 
lichamen vereenigd : 

Het Polderdistriot Rijk van Nijmegen, zich west- 
waarts uitstrekkende tot Ewijk aan de Waal en tot Wij- 
chen aan de Maas. 

Het Polderdistrict Maas en Waal beneden de 
lijn Ewijk— Wijchen. Eén gecombineerde, commissie uit de 
dijkstoelen (dagelijksche besturen van Dijkgraaf en Heem- 
raden) der beide districten heeft toezicht en beheer over 
de waterkeering langs de groote rivieren en op het geioone 
onderhoud er van door dijkpüchtigen. De dijkstoelen van 
de beide districten hebben het toezicht over de Oude en 
de Nieuwe Wetering en wat daartoe behoort onder den 
naam van „Gecombineerde waterlossing der polderdistricten 
van Rijk vaii Nijmegen en Maas en Waal." 

Het „Gecombineerde Collegie" (Bestuur van Dijkgraaf, 
Heemraad en Hoofdgeërfden) van elk district heeft toe* 



240 



zicht op de huishoudelijke belangen van de in het district 
gelegen poldnrs. 

De polders en lage landen langs den linker 
oever der Maas tot aan het Land van Hensden. 

De landen tot aan den rechter Diezedijk worden zooak 
wij weten bij een Maasstand van + 10,25 A.P. aan het 
peil te Grave , door de werking van den Beerschen Overlaat 
tusschen de polders Groot Linden en Katwijk en dien van 
Gassel en Esscharen , door het Beersche Maaswater over- 
stroomd. 

De zuidelijke grens van de zoogenaamde traverse der 
Beersche Maas, voor zooverre deze langs de hoogere 
gronden loopt , regelt zich natuurlijk naar den stand van 
het overstroomingswater ; de grens op Kaart II door de 
roode stippellijn aangegeven is die van de werking in 
Maart 1876. Voor het overige wordt de zuidelijke grens 
gevormd door den Achterdijk van het Hollander broek, 
den grintweg van Grave naar Zeeland , den dijk van den 
Velperbinnenpolder (+ 9,8), den Erfdijk en den Wetering- 
wal (om Herpen) , den dijk van den binnenpolder van Gef- 
fen (+ 6,0) , den Koppeldyk , den Zomerdijk van Rosmalen 
en Nuland en de dijken van de polders de Vliert 
en het Ertveld. De noordelijke grenzen beneden den over- 
laat — als geene der hierna te vermelden kaden endijken 
doorbreken of overloopen (zie de Kaart II) — zijn : de dij- 
ken van de polders van Gassel (+ 11.7), Vogelshoek en 
Esscharen (+ 10,40) , de wallen van Grave , de Maasdijk tot 
de Langelsche sluis , de Huisselingsche (+ 8,40) en Deur?- 
sensche kaden , de Dennenburgsche dijk , de binnenkade van 
den polder van Haren, de Maasdijk tot den Oijenschen 
Zeedijk , de Oijensche Zeedijk (+ 5,33) , de Maasdijk tot 
Luttereind, de Achterdichting van de polders Lith en 
Lithoijen (+ 4,78) en het Laag Hemaal en de Maasdijk 
langs de polders van Empel en Meerwijk. Bij den buiten- 
gewoon hoogen stand van Januari 1888 , bij een werking 
van den Beerschen overlaat van 65 c.M. , van de Heeren- 



241 



waardensche overlaten met 23 tot 147 c.M. , bij een stand 
te 's Bosch van 6,40 + A.P. en een werking van den Bok- 
hovenschen overlaat naar binnen met 177 en van den Baard- 
wijkschen met 75 c.M., liep de polder van Groot Linden en 
Katwijk onder, door doorbraak van den dijk; bleven de 
polders van Gassel en Velp behouden , liep het water over 
de Huisselingsche kade en kwam Herpen onder door de kioel. 
De polder van Oijen liep onder door overloopen van den 
Zeedijk — iets wat ook met de polders van Lith , Lithoijen 
en het Laag Hemaal kan gebeuren. In de traverse lig- 
geu de volgende waterkeeringen : de Hamelspoelsche dam , 
de Groene dyk , de Ossche Meerkade , de Noordkade , de 
Ossche kade, de Schutlakensche dam en de Kepkendonk- 
sche dijk , welker hoogte door Gedeputeerde Staten is vast- 
gesteld , doch welker werkelijke^ hoogte ais daarvan ver- 
schillend op Kaart II is aangegeven. 

De loozing van het Beersche-Maaswater geschiedt zoo- 
als wij weten door 3 sluizen in den rechter Diezedijk op 
de Dieze of bij hevige of langdurige werking door de over- 
laten in den dijk. Kan de Dieze zelve niet loozen door 
hooge Maasstanden (bij werking der Heerenwaardensche 
overlaten), dan vloeit het Beersche-Maaswater met dat van 
Dommel en Aa t. Z. van den Bosch om en met dat van 
den dan ook naar binnen werkenden Bokhovenschen over- 
laat westwaarts tot tegen den Hoogen Maasdijk en den 
zuidelijken bandyk van het Land van Heusden, stroomt naar 
den Baardwijkschen overlaat en komt zoo op het Oude Maasje 
en in den Amer. Het water van den naar binnen wer- 
kenden Bokhovenschen overlaat vloeit over een overlaat 
in den Aardappeldyk bij Vlijmen (zie Kaart II) zuidwaarts 
en verder westwaarts naar den Baardw^kschen overlaat. 
Daalt daarna de Maas by Bokhoven, dan vloeit de overlaat 
in den Aardappeldyk in tegengestelde richting over en 
werken de Beersche en Bokhovensche overlaten samen om 
af te voeren. 

Afwatering. Boven Teffelen loozen alle polders recht- 
dreeks op de Maas, behalve eenige bij ent. Z. O. vanGrave, 

16 



242 



de Marspolder , de polders van Esscharen , de Vogelshoc^k 
en het Hollanderbroek, die uitwateren op het riviertje: 

De Raam. Deze, in de Peel ontspringende, ontvangt 
door eenige beken het water van uitgestrekte hooge gron- 
den en van sommige deelen van de Peel. Zij loost door 
eene sluis op een afgesloten deel van de vestinggracht van 
Grave , hetwelk weer door een duiker op de Maas kan af- 
vloeien. De polder van Gassel watert af rechtstreeks op 
de Maas en op die van Esscharen , dus op de Raam. 

Eveneens loost rechtstreeks op de Maas de groote polder 
van het Laag Hemaal (zie Kaart II) , welks polderwater 
door de Roode Sluis op die rivier wordt gebracht , zoo 
noodig door afmaling met een stoomtuig van 84 paardekracht. 

De daarboven gelegen polder van het Hoog Hemaal, 
bestaande uit eenige waterstaatkundige deelen , de polder 
van Tefifelen , de Buiten- en Binnenpolders van Geflfen en 
de polder van Oss (boezemland) wateren af op : 

Den boezem van de Hertogs wetering, behalve uit 
een aantal tochten , bestaande uit de wetering van dien 
naam , die de zuidelijke grens vormt van de polders van 
het Hoog- en het Laag Hemaal en door de Blauwe Sluis 
(t. Z. naast de Roode Sluis) op de Maas loost. De gem. 
stand van het buitenwater alhier in 1871 — 80 was+ 2,53, 
de hoogste + 7,64, de laagste + 1,53 A.P. Het Z.P. der 
polders is + 2,84 A.P. , dat van den Binnenpolder van 
Geflfen + 3,85 A.P. 

De boezem van de Dieze. De Dieze , vroeger een 
vrij afstroomende rivier , uit de samenvloeiing van Dom- 
mel en Aa te 's Hertogenbosch ontstaande , Is sedert 1860 
door sluizen afgesloten in het belang van uitwatering en 
scheepvaart, nl. binnen 's Bosch door sluis O van het 
benedenste pand der Zuid- Willemsvaart en bij Crèvecoeur 
door een schutsluis en door een uitwateringssluis van de 
Maas. 

Zij vormt dus nu een boezem van de uitgestrekte landen 
die er op afwateren , hetzij rechtstreeks of door een ande- 
ren boezem of door de rivieren Dommel , Aa en Bossche 



248 



Sloot en hunne nevenstroompjes , die er bij den Bosch hun 
water op brengen. De gezamenlijke grootte van het ge- 
bied van den boezem is 243300 H.A. waarvan ongeveer 
7000 H.A. in polders. 

Ten eerste loozen op den Diezeboezem rechtstreeks de 
polders van Empel , van den Eygen , enz. , zich uitstrek- 
kend t. O. van de Dieze en 's Bosch , tusschen den Maas* 
dijk en de Hertogsweteripgt.N. en den straatweg 's Bosch— 
Grave t. Z., tot aan de polders van Gefifen. Ook het zoo- 
genaamde Bossche Veld en Maij t. W. van den Bosch 
loost er rechtstreeks op , zoo noodig door stoombemaling 
(40 paardekracht). 

Vooi-ts ontvangt de Dieze te 's Bosch resp. door 3 en 6 
sluizen het water van het geheele gebied der rivieren de 
Dommel en de Aa, waartoe t. Z. en t. O. van den Bosch 
ook eenige polders behooren , geheel of grootendeels met 
dijken omgeven, met Z. P. van + 3 tot 3,60 A.P. De 
rivier de Aa ontvangt behalve rechtstreeks ook water door 
de boezems van de Wambergsche Beek en van de 
Kleine en Oroote Wetering, die door sluizen er op 
loozen en tot afwatering dienen van eenige poldertjes en 
grootendeels van hooge gronden t. Z. van den straatweg 
*s Bosch— Grave. 

T. Z. van Engelen brengt de boezem van de Bossche 
Sloot — een afleidingskanaal dat het water van eenige ri- 
viertjes ontvangt welke de afwatering vormen van uitge- 
strekte hooge gronden onder Tilburg en Oisterwijk — zyn 
water door een sluis op de Dieze. Het geheele gebied is 
15170 H.A. 

Eindelijk loost iets zuidelijker dan de Bossche Sloot door 
door een uitwateringssluis op de Dieze de boezem van 
den Nieuwen Bak , dienende tot waterberging voor een 
paar polders en hooge gronden tusschen Cromvoirt en Vlij- 
men. De boezem kan ook afgemalen worden door het 
stoomgemaal van den polder Bossche Veld en Maij. 

De boezem van de Hedikhnizensche Maas , een 
in 1474 afgesneden tak der Maas, loost door een uitwaterings- 

16 • 



244 



sluis tevens schutsluis, genaamd de Hedikhuizensche Sai>' 
sluis op de Maas en ontvangt het water van de slechts om- 
kade landen t. W. van de Dieze tusschen Engelen, Bokhoven 
en Hedikhuizen , t. N. van den Hoogen Maasdijk en de 
Bossche Sloot. Z.P. 1,80 tot 3 + A.P. Aan dezen boezem 
komt voor het eerst een tcindtcatermcden (scheprad) voor, 
die de Vlijmensche en Engelensche buitenpolders bemaalt. 

AdministratieTe indeeling. 

Het nu beschouwde deel van Noord-Brabant is ingedeeld 
in een groot aantal administratieve polders , voor zoover 
zij gereglementeerd zyn evenals üi Utrecht waterschap- 
pen geheeten. Zij zijn niet tot hoofd waterschappen ver- 
eenigd, doch staan onder algemeene voorschriften als: 
Het Algemeen Reglement op de Waterschap- 
pen in Noord-Brabant, het Reglement van Politie 
op de zee- en rivierwaterkeerende dijken en ka- 
den en de daarin gelegen sluizen en werken in 
de Provincie Noord-Brabant en het Reglement op 
de Waterlossing in de Provincie Noord-Brabant. 

Landen van Hensden en Altena. 

Deze geheele landstreek, zooals wij weten binnen een 
algemeenen omringdijk begrepen , vertoont een algemeene 
helling naar het westen , d. i. naar de Bakkers- en Bleeke 
Killen toe , de beide oostelijke killen van den Biesbosch. 

Het buitenwater waarop geloosd wordt is : l^. De rivier 
het Oude Maasje, van Doeveren tot haar mond beneden 
Keizersveer aan den Amer ; de middelbare stand bij Kei- 
zersveer over 1871-1880 was + 1,82 en -0,5 A.P., de 
hoogste -f 2,63, de laagste -1,13 A.P.; 2o. De Bakkerskil 
en de Bleeke Kil. Op de Maas wordt natuurlijk niet geloosd, 
daar de standen op deze rivier veel hooger zijn dan op 
het genoemde buitenwater met zijn lage ebben (middelbare 
eb te Woudrichem over 1871-1880 + 1,70 A.P.) 

Hydrografische indeeling. 

Het oostelijk deel van het Land van Heusden tot aan 
Aalburg , Öenderen en Doeveren , behalve de polders ^'an 



245 



Oud-Heusden en Elshout en van Drunen, watert af op den 
boesem Tan het Oude Maaaje» die gevormd wordt 
door het afgesloten gedeelte van het Oude Maasje tusschen 
den Maasdijk bij Hedikhuizen en de Gemeenelandssluis bij 
Doeveren in den noordelijken bandijk van de vrij afstroo- 
mende rivier het Oude kaasje, waarop de boezem door 
genoemde sluis loost. T. O. van Heusden bestaat het ge- 
bied voor een groot gedeelte uit boezemland , dat op een 
groot aantal met den boezem gemeen liggende, slooten, enz. 
afwatert ; overigens uit eenige polders met een laagste Z. P» 
van + 0,56 A.P. Geen polderbemaling , doch loozing door 
sluisjes. 

T. W. van dezen boezem tusschen Doeveren en Dussen 
li^n t. N. van den bandijk polders om Genderen, Eethen, 
Meeuwen en Dussen, die alle rechtstreeks op de 
rivier het Oude Maasje, dus op het buitenwater 
loozen , hetzü door natuurlijke afvloeiing door sluizen, hetzü 
zoo noodig met opmaling door windmolens op voorboezems. 
Buitendyks brengen zijtakken het water van de uitwate- 
ringssluizen op het eigenlijke Oude Maasje , in welke tak- 
ken dus ook getij loopt. De Z. P. dalen van + 0,30 by 
Genderen tot —0,29 A.P. bij Dussen. 

De buitenpolders tusschen de noordelijke en zuidelijke bandij- 
ken van het Oude Maasje zijn omkade waarden en aanwassen 
van zeeklei , die het bekende Langstraatsche hooi opleve- 
ren. Zij vloeien natuurl\jk ook alle op het Oude Maasje af, voor 
zooverre zij zelve niet overstroomd worden door de werking 
van den Baardwykschen Overlaat. De landen liggen op 
1 a 1.5 + A.P. met Z. P. van 0,50 tot 0,95 + A.P. 

Tusschen Aalburg en Giessen hggen langs en tot op 
eenigen afstand van de Maas polders , loozende op den boe- 
aem de Alm , een voormaUg riviertje , thans binnenge- 
dijkt, dat door de Almsluis uitwatert op de Bleeke Kil. 
De polders worden alle bemalen en slaan uit op de Vliet , 
een water gemeen liggende met den boezem, dat bij Uit- 
wijk op den Alm uitkomt. De Z. P. zijn van + 0,26 tot 
- 0,47 A.P. De boezem is besloten met M.P. van + 0,78 A.P. 



246 



De Vierbansche boezem , gevormd door den zoo- 
genaamden Vierbanschen Gantel , watert door de Vierban- 
sche sluis uit op de Bleeke Kil. Hij dient tot waterber- 
ging van polders , gelegen t. Z. van den Alm , tot aan 
den Kornschen dijk , welke alle bemalen worden. Eén polder 
die er op uitslaat loost tevens op den Almboezem. M. P. 
van den boezem + 0,67 A.P."; Z. P. -0,40 tot -0,85 A.P. 

Tusschen den Kornschen binnendijk en den groeten bui- 
tendijk langs de Bleeke Kil , t. Z. van den Alm , li^en 2 
groote polders, de Emmikhovensche (Z. P. —0,56 A.P.)en 
de Zuid-Hollandsche of Nieuw-Dussensche polder (Z. P. 
—0,20 A.P.) : zij vormen alzoo het grootste zuidelijke deel 
van het Nieuwland van Altena. Zij loozen na opmaling 
van het polderwater in voorboezems door de Hillegatsche 
sluizen rechtstreeks op het buitenwater, de 
Bleeke Kil. De Zuid-Hollandsche polder kan ook langs na- 
tuurlijken weg afwateren door de Pereboomsluis op het 
Oude Maasje. 

T. N. van deze polders liggen de Uppelsche polder 
(Z. P. —0,35 A.P.), (Nieuwland van Altena), de in 1552 we- 
der ingedijkte Vervoomepolder (Z. P. = A.P.) en binnen 
den Werkenschen dijk de Werkensche polder, Z. P. =-[-0,75 
A.P. Deze 3 polders slaan hun water door molens uit op den 
Werkenschen boezem , een gegraven water , groo- 
tendeels langs den buitendijk loopende en loozende door 
een sluis op de Bakkerskil en door de Werkensche sluis 
op de Bleeke Kil. 

Eindelijk liggen tusschen deze polders, den Alm, den 
Maasdijk en den Nieuwen dijk, dus het noordelijk deel van 
het Land van Altena vormend , een aantal polders die af- 
gemalen worden op den Zevenbanschen boezem. Deze 
wordt gevormd door een smal water , de Oostkil, en eenige 
tochten en loost door de Zevenbansche sluis tusschen en 
naast de Alm- en Werkensche sluizen bij het gehucht Drie 
sluizen op de Bleeke Kil. Het M. P. is + 0,90 A.P. 
De Z. P. der polders zijn van —0,44 tot —0,65 A.P. 

Administratieve indeeling. De vele waterschap- 



247 



pen in de Landen van Heusden en Altena zyn grooten- 
deels meer of minder nauw vereenigd door den band der 
volgende grootere lichamen : 

Waterschap het Oudland van Altena. Dit water- 
schap, de landen van dien naam omvattende, heeft het 
beheer over de rivierdijken van de grens tusschen Veen 
en Andel aan de Maas tot Werkendam. Het onderhoudt 
tevens die dijken , den binnendijk die het Nieuwland van 
Altena van het Oudland van Altena scheidt met de 
daarin gelegen sluizen en ook de andere werken binnen 
zijn waterkeerenden ring, doch heeft niets te maken met 
het inwendig beheer der polders. 

Waterschap de Zevenbannen, 

Hoogwaardschap de Alm, en 

Waterschap de Vierbannen. Deze laatste diïe om- 
vatten de landen op de gelijknamige boezems uitslaande en 
onderhouden de boezems en de daarin gelegen sluizen. 

Waterschap Separatiedam, de Bleeke- en Oostkil. 
^Vo^dt gevonnd door alle waterschappen belang hebbende bij 
de uitwatering op de Bleeke kil, dus door het geheele Nieuwland 
van Altena , den Vorvoornepolder, het Oudland van Altena , 
het Waterschap van Wijk en den polder van Veen , die op 
den Almboezem uitslaan. Het onderhoudt de Bleek Kil van de 
Drie Sluizen tot aan het Spijkerboor. 

Bommelerwaard. 

Dit eiland , van het O. naar het W. van + 4 tot + 1 
A.P. afdalende , is voor zoover het binnendijksch gedeelte 
betreft in 2 deelen verdeeld door den Meidijk , een bin- 
nendijk die de Maas- en Waaldijken verbindt, daar waar 
deze elkaar dicht naderen even beneden Zuilichem (tot op 
20 minuten). Wij hebben reeds vroeger gezien dat de Meidijk 
echter het gedeelte daarbeneden niet beschermt bij eventueele 
inundatie in het veel grootere deel daarboven gelegen, daar hij 
dan volgens bestaande bepalingen moet doorgestoken worden. 
De Bommelerwaard boven den Meidijk echter kan door dezen 
beveiligd worden bij doorbraken in het deel beneden dien dijk ; 



248 



doch meestal breekt de Meidijk dan ook door. Inun- 
datiën zijn in dit geheel en al laa^ gelegen eiland dikwijls 
zeer noodlottig. De westelijke hoek van het eiland wordt 
gevormd door een slechts omkaad gedeelte , het Mmmik- 
keland, zich uitstrekkend van den groeten westelijken 
bandijk (Brakelschen dwarsdijk of Nieuwedyk) tot Loevestein. 

Afwatering. Deze geschiedt natuurlijk op punten die 
zoo laag mogelijk gelegen zijn. 

De Bommelerwaard boven den Meidijk loost 
het overtollig water van het grootste deel door tusschen- 
komst van 2 boezems en van een klein deel , dat tegen 
den Meidijk ligt, rechtstreeks op de Maas. 

De boezem van de Bommelsche Wetering , ge- 
vormd door de wetering van dien naam, die bij Bommel begint, 
tot een uur beneden die stad polderwater is , dan boezem 
wordt en even boven den Meidijk op de Maas loost, bijlage 
buitenwaterstanden door een uitwateringssluis langs na- 
tuurlijken weg of anders door afmaling met een stoomtuig 
van 100 paardekracht. Een 3000 H.A. polders gelegen van 
Bruchem tot Zuilichem tusschen den Waaldijk t. N. en de 
Drielsche Wetering t. Z. brengen er , op een enkelen na , 
alle door bemaüng hun water op. Gemiddelde boezem- 
stand aan den rijksweg 's Bosch— Utrecht over 1874- 
1876 = + 1,87 A.R 

De boezem van de Drielsche wetering. In het 
oosten bij Driel beginnende is het water van dezen naam 
polderwater tot even voorbij den spoorweg den Bosch - 
Bommel en wordt dan boezem , gemeen liggende met nog 
eenig ander water t. Z. van Bruchem en eenige tochten 
en weteringen in het zoogenaamde Hemertsche veld (boe- 
zemland). De boezem wordt afgemalen: 1®. even beneden 
Aalst door een stoomgemaal van 100 paardekracht, dat 
het water door de Drielsche sluis op de Maas brengt ; 2«. 
door een stoomtuig van 160 paardekracht beneden Neder- 
Hemert, dat het water door de Neder-Hemertsche uitwa- 
teringssluis op de Maas voert. Het geheele oostelijk en 
zuideiyk deel van den Bommelerwaard boven den Meidijk, 



2^0 



ter grootte van 4820 H.A. , brengt er langs natuurlijken 
weg door uitwateringssluizen zyn water op. Gemiddelde 
boezemstand aan den rijksweg over 1874 — 1876 = 
+ 1,99 A.P. 

De rechtstreeks op de Maas afwaterende pol- 
ders tusschen de Waal-, Mei- en Maasdyken van Zui- 
iichem tot Aalst , loozen voor het deel t. W. van de Bom- 
melsche Wetering natuurlijk door een uitwateringssluis of 
worden bemalen door een stoomgemaal van 20 paardekracht; 
het overige deel , tusschen de Bommelsche en Drielsche 
Weteringen , de Molenpolder van Aalst , loost of langs na- 
tuurlijken weg of na bemaling door een windmolen op de Maas. 

De Bommelerwaard b.eneden den Meidijk, uit 3 
polders bestaande, loost geheel rechtstreeks op de 
Maas. De afwatering geschiedt door 3 sluizen in den 
benedenhoek, na opmaüng van het polderwater in een 
voorboezem door een stoomgemaal van 50 paardekracht 
en 2 windmolens. 

Administratieve indeeling. De hoofdwaterschappen 
in den Bommelerwaard zijn : 

Polderdistrict de Bommelerwaard boven den 
Meidijk. Het district heeft het beheer over de rivier 
waterkeerende dijken; deze worden onderhouden door ge' 
dijkslaagden. De verdediging der dijken (kribben, paalwerken, 
enz.) komt voor het district. Een bijzonder reglement 
regelt het beheer van alles wat op de gemeenschappeUjke 
waterloozing betrekking heeft ; hiervoor is de zorg geheel 
aan het Polderdistrict opgedragen. Bovendien is het 
district belast met het beheer der stoomgemalen en daar- 
mede verbonden werken , geregeld bij afzonderlijk regle- 
ment. 

Polderdistrict de Bommelerwaard benedenden 
Heidijk. Het district zorgt voor het onderhoud der rivier- 
waterkeerende dijken met alles wat daartoe behoort. Het 
ziet toe op de kunstwerken daarin en ook eenigermate op 
de huishoudelijke belangen van eiken in het district ge- 
legen polder. 



C. De Zuid-HoUandsche en Zeeuwsche 
eilanden en de zeeklei van Noord- 
Brabant en Zeeuwsch Vlaanderen. 

§ 1. Geschiedenis en algemeene beschrijYing. 

Dit vruchtbaarste deel des lands is zooals wij wet^n 
bezonken uit de zeeklei , welke de in zeeboezems en rivier- 
monden oploopende vloed er langzamerhand achterliet. De 
eilanden daardoor ontstaan en door achtereenvolgend be- 
dijken der deelen geheel aan de wateren ontrukt, hebben 
in den loop der tijden groote veranderingen ondergaan, 
vooral de Zuid-Hollandsche. 

De Waal , vroeger tusschen de eilanden IJselmonde en 
den Zwijndrechtschen Waard (thans één eiland vormend) door- 
stroomende , en de Maas , door den Hoekschen Waard en 
het tegenwoordige eiland Beierland haar loop nemende, 
vereenigden zich bij Brielle om hare vereenigde wateren 
door één broeden mond, in zee te storten. De Elizabeths- 
vloed van 18 November 1421 bracht een belangrijke wijzi- 
ging in den loop dier hoofdrivieren te weeg. De gronden 
van den Groeten (Zuid-IIoUandschen) Waard , grootendeels 
uit veen bestaande, werden voor een groot deel weggeslagen 
en evenals het grootste gedeelte der landen van Dordrecht 
en Strijen en den Hoekschen Waard in een uitgestrekten plaü 
veranderd ; de Klundert en Fijnaart en ook de stad Dor- 
drecht waren eilandjes in dien plas. Dat de weggeslagen 
gronden uit veen bestonden, blijkt mede uit de specie welke 
thans bij het maken der rivier de Nieuwe Merwede wordt 
omhooggebracht. Deze bestaat, behalve uit klei , uit veen ; 
tevens werden een groote menigte boomstammen en kien- 



>ol 



houi gevonden en naar boven gehaald, C) In den tegen- 
woordigen Biesbosch, die weer evenals de andere verdron- 
ken landen langzamerhand aanslikte door zeekleibezinking, 
ontstonden een menigte killen of geulen , waardoor zich 
de Beneden-Merwede zijdelings uitstortte , zeer tot nadeel 
van het vermogen dezer rivier. Het deels verdronken, 
deels open liggend Land van Altena werd weer vrij spoe- 
dig ingedijkt (1465), waartegen later het nog geheel onbe- 
schermde Nieuwland van Altena — rivierklei, die niet tvegge- 
slagm doch slechts overstroomd was — werd aangedijkt. 
Eveneens had betr. kort na den St. Elizabethsvloed hier 
en daar de herdijking plaats van de aan de randen van 
den plas gelegen deelen. Eerst nu , vier en een halve eeuw 
later, zullen wellicht weldra de laatste nog niet herdijkte 
deelen (de Biesbosch) van de door dien verschrikkelijken 
watervloed verdronken landen weer op de wateren worden 
heroverd, al worden de sporen van dien ramp, die te 
vinden zijn in den veranderden loop der rivieren, zeker 
nooit geheel uitgewLscht. 

In de eerste helft der 16e eeuw was de grootte en ge- 
daante der eilanden nog een geheel andere dan de tegen- 
woordige. In 't algemeen waren zij veel kleiner, door 
breede zeearmen gescheiden. Ook zijn sommige eerst later 
tot de tegenwoordige bijeengevoegd of aan het vaste land 
getrokken ; andere bestonden nog in 't geheel niet. 

Zoo was Rozenburg toen nog slechts een zeer kleine 
onbedijkte plaat. De plaats van het tegenwoordige Voorne 
en Putten werd toen ingenomen door twee kleinere eilan- 
den , door de open kreek de Bernisse gescheiden ; het wes- 
telijke van de twee heette Oost- Voorne. Van het 
eiland Goeree en Overflakkee van onze dagen bestond toen 
een klein westelijk deel met de stad Goedereede, genaamd 
West-Voorn en een grooter oostelijk, genaamd Zuid- 
Voorn, dat in de 15e eeuw nog uit 2 eilanden, Dirks- 
land en de beide Tongen bestond; eerst in 1751 werd een 

(*) Vermeld in het „Vervolg op hot tienjarig overzicht der waargenomen 
waterhoogten, langs do Ncd. Hoofdrivicron , enz. over 1881", Bijlage E. 



252 



dam tusschen beide eilanden gelegd, die in 1781 door de 
indijking van eenige schorren daarlangs tot één geheel wer- 
den vereenigd. Het eiland van Dordrecht was vóór 
1582 niet veel meer dan de tegenwoordige stad met de 
onmiddelijk daaraan gelegen Stadspolder , samen ongeveer 
tweemaal soo groot als de stad. Ook de andere eilan- 
den en oeverlanden waren toen nog niet door achtereen- 
volgend bedijken van daartegen aangroeiende schorren tot 
hunne tegenwoordige grootte aangewassen. Dit geschiedde 
in den loop der tijden o. a. met de N.-Brabantsche bedij- 
kingen , waardoor deze tot een 1 è 2 uur breede strook 
aangroeiden , die zich nu van Geertmidenberg langs het 
Hollandsch Diep en Volkerak en langs de Eendracht tot 
Bergen op Zoom uitstrekt , de voormaUge eilanden de Klun- 
dert en Fijnaart insluitende. In het begin der 16e eeuw 
lag Steenbergen nog aan het buitenwater. 

In Zeeland en westelijk Noord-Brabant is daarentegen 
sinds de 16e eeuw veel land verloren gegaan , hoewel el- 
ders weer veel is aangewonnen en ook van de verdronken 
landen weer groote deelen zijn /«erdykt. 

Van de open kreeken die Schouwen van Duiveland en het 
tegenwoordige Tholen in tweeën scheidden, is de eerste ge- 
deeltelyk en de laatste geheel ingedgkt. Noord-Beveland was 
toenmaals veel kleiner dan thans en bestond uit twee deelen, 
waarvan het noordelijk Orisant heette. Van Walcheren is 
het Z. O. deel langs het Sloe later aangedikt, want Ame- 
muiden was toen een zeestad. Zuid-Beveland werd door 
aandijken langs Sloe en Schengen in het W. en het N.W. 
vergroot , zoodat het voormalige eiland Wolphaartsdijk er 
aangetrokken werd. Het oostelijk deel van Zuid-Beveland 
ging echter voor een groot gededte verloren. Waar nog in 
1570 de bloeiende stad Reimerswaal lag (slag bij Reimers- 
waal), heerschen thans de wateren der Oosterschelde ; de 
stad verdween met ongeveer 8000 H.A. of bijna y^ Haar- 
lenmiermeer in zee. Van dat oostelijk deel, waarvan door 
groote vloeden bijna niets was overgebleven , is nu even- 
wel weer langzamerhand , zoowel langs Oester- als We^- 



253 



terschelde , vooral langs de eerste , veel herdykt ; want 
die verdronken kleigronden mogen hier en daar wat 
afgenomen zijn en met geulen doorsneden : in 't algemeen 
liggen zij er nog , droogvallend bij eb, doch zijn slechts niet 
ingedijkt en worden bij eiken vloed dus overstroomd. Het 
voormalige Marquisaat van Bergen-op-Zoom ligt nog voor 
een groot gedeelte in de Oosterschelde verdronken ; de 
bedijkingen t. Z. van Bergen op Zoom tot Antwerpen zijn 
eerst na 1661 herwonnen. 

Van Zeeuwsch Vlaanderen bestond in den aanvang der 
16e eeuw slechts het eiland Cadzand in het W. t. N, 
van Sluis en hiervan door het Zwin , een zijtak waar- 
aan ook Aardenburg lag , gescheiden ; verder Biervliet op 
een klein eilandje en het deel te O. van Neuzen , dat zich 
zelfs verder dan thans naar het noorden uitstrekte. Van 
dit laatste gedeelte is later echter in 1570 een groot deel 
verdronken en het overige bijna geheel open komen lig- 
gen, zoodat slechts eenige hoogere gronden by Hulst over- 
blev«i. Sas van Gent lag aan zee, nl. aan den toen zeer 
diep indringenden Braakman ; aan een oostelijke voortzet- 
ting daarvan lagen ook Axel en Hulst. In en na den 16e 
eeuw is dus bijna geheel het tegenwoordige Zeeuwsch 
Vlaanderen bedijkt of herdijkt , terwijl nog een gedeelte 
dat vroeger land was, het verdronken land van Saaftingen, 
waarschijnlijk een 6000 H.A. ongeveer, een prooi is geble- 
ven van de Westerschelde. 

Wat de hoogte van deze op de zee veroverde landen 
betreft , deze kan men in 't algemeen van — 1 tot + 1 A.P. 
stellen. De hoogte hangt af van het tydstip van bedyking 
en van de hoogte waartoe men de schorren het aangroeien 
alvorens hen in te dijken. Deze laatste hangt ook weer 
samen met de hoogte der vloeden op de plaats waar de 
polder ligt. 

De oudere bedijkingen liggen meestal het laagst, daar 
zij zijn ingeklonken; de jongere , die minder of niet 
zijn gezakt en soms uit langdurig bezinken ontstaan , het 
hoogst. Het eiland van Dordrecht b.v. binnen den Krommen 



254 



(lijk (1603) en den Wieldrechtschen Zeedijk (1659) ligt van 
"0,25 tot —0,65 A.P. , maar de daarbuiten gelegen be- 
dijkingen liggen van + 0,02 tot -f 0,98 (Nieuwe Noordpolder 
1829). Het laagst Iggen de oude kèmen van Voorne en 
Putten (Z.P. tot -1,95 A.P.), van IJselmonde (Z.P. tot 
-2,6 A.P.), van Beierland (Z.P. tot -1,82 A.P.), van 
Schouwen (Z.P. tot -1,7 A.P.), van Walcheren (Z.P. tot 
— 1,30 A.P.); het hoogst de bedijkingen van St. Philipsland, 
van + 0,5 tot + 1,9 A.P. (1847). De Noordbrabantsche 
bedijkingen liggen van + 0,6 bij Geertruidenberg tot —0,5 
A.P. bij Lage Zwaluwe , gemiddeld op A.P. , terwijl zij 
tegen de hooge gronden t. Z. van Mark en Dintel tot 
A.P. k + 0,5 A.P. te niet loopen. De thans nog onbe- 
dijkte , slechts omkade eilandjes van den Biesbosch ea de 
buitendijksche poldertjes langs het HoUandsch Diep liggen 
van + 1 tot + 1,8 A.P. Zeeuwsch Vlaanderen ligt van 
A.P. tot + 2,5 A.P. 

De afwatering. Het algemeen kenmerkende van 
deze landen is: natuurlijke en rechtstreeksche 
afwatering. 

Echter maken belangrijke deelen hierop eene uitzondering. 
Het polderwater van een groot deel van Voorne en Put- 
ten o. a. wordt op boezems gebracht ; ook is dit het 
geval met den geheelen Zwijndrechtschen Waard en betr. 
kleinere deelen van IJselmonde , Beierland, Goeree en Over- 
flakkee en Schouwen (een zeer klein deel bij Zierikzee). 
De Noord-Brabantsche bedijkingen loozen eveneens grooten- 
deels op boezems en stroomende wateren (de Donge en de 
Mark en Dintel); terwijl ook een groot gedeelte van 
Zeeuwsch Vlaanderen op boezems afwatert. Aüe andere 
landen, dus van de Zuid-Hollandsche eilanden de grootste 
oppervlakte en de Zeeuwsche eilanden geheel (behalve een 
polder bij Zierikzee) , loozen rechtstreeks op zee. 

Polderbemaling heeft plaats in het algemeen déAr, 
waar de Z. P. der polders lager zijn dan de gewone ebben 
en dus zeker in de reeds genoemde landen die op boe- 
zems of stroomende wateren loozen ; behalve in Noord- 



25 



Bi-abant, is dit dus in de oudere, het diepst liggende deelon 
der Zuid-Hollandsche eilanden het geval en in een deel 
van Schouwen. Van de rechtstreeks afwaterende landen 
wordt o. a. een groote oppervlakte van het eiland van 
Dordrecht door stoom bemalen en eenige andere polders, 
zoomede het oostelijk gedeelte van den Hoekschen Waard 
en geheel IJselmonde met stoom- of windwatermolens op 
voorboezems aan het buitenwater. 

AUe andere landen, dus het grootste deel van Beierland, 
Goeree en Overflakkee op 2 polders na en geheel Zeeland , 
wateren op natuurlijke wijze — door uitwateringsslui- 
zen — op het buitenwater af bij ebbe. 

In weerwil van de betr. lage Z.P. der meeste polders — 
welke peilen zoo laag genomen zijn om enkele van de 
laagst gelegen punten in deze tot bouwland gebezigde gron- 
den nog hoog genoeg boven het polderwater te houden 
(0,75 i 1 M.) — is rechtstreeksche afwatering langa natuur- 
lijken weg op het buitenwater meestal toch mogelijk door 
de laag afloopende ebben. Gaat men aandachtig na 
waar men daarentegen tijdelijk water in boezems bergt , 
b.v. op Voome en Putten , enz. of waar direct op het 
buitenwater wordt uitgeslagen, b.v. op het Eiland van Dordt, 
het oostelijk deel van den Hoekschen Waard, IJselmonde, 
enz. , dan ziet men , dat juist dtór de ebben minder laag 
afloopen , of dat de polders zeer laag liggen , of wel dat 
beide plaats heeft, dus dat er minder sluisgang mo- 
gelijk is, b.v.: 

Eiland van Dordrecht — Z.P. der polders —0,45 tot 
-1,50 A.P. - gem. eb te Dordt 0,02, te Willemsdorp 
-0,61 A.P. (aftnaling). 

Hoeksche Waard - Z.P. polders tot -1,82 A.P. - 
gem. eb te Oud-Beierland —0,36 A.P. (afmaling en boezems). 

Zwijndr. Waard — Z.P. polders tot -2,6 A.P. -gem. 
eb te Heerjansdam ongeveer = A.P. (aftnaling en boezems). 

Voome en Putten — Z.P. polders tot -2,15 A.P. — 
gem. eb te Brielle -0,46, te Hellevoet -0,74 A.P. (af- 
maling en boezems). 



256 



Noord-Brabant — Z.P. polders tx)t - 1,7 A.P. — gem. eb 
te Moerdijk -0,65, te Dintelsas -1,10 A.P. (1865-70) 
(afmaling en boezems). 

Schouwen — Z.P. polders tot —1,7 A.P. — gem. eb 
te Zierikzee —1,51 A.P. (afmaling). 

Het spreekt van zelven , dat waar polders ver van het 
buitenwater verwijderd liggen , zooals o.a. de polders langs 
de Mark in Noord-Brabant, van een dkecte loozing op het 
buitenwater geen sprake kan zijn , tenzü zij op elkaar af- 
wateren, zooals hier en daar met enkele binnenpolders het 
geval is. 

§ 2. Dijken. 

De groote buitendijken , zee- en rivierweringen , zijn in 
't algemeen ontstaan — zooals ook nog heden ten dage 
geschiedt — uit een aaneenschakeling der dijken die dwars 
over de rijpe schorren of kwelders gelegd worden , zoodra 
men deze op de zee of rivier wil veroveren. De kapitale 
dijk langs het Hollandsch Diep en den Amer van den 
Moerdijk tot Geertruidenberg is in zijn geheel gelegd in 1650. 

De dijken zijn in het algemeen in onderhoud en be- 
heer bij de aangrenzende polders en, waar deze 
tot grootere waterschappen vereenigd zijn, door de Heem- 
raadschappen , enz. die zij begrenzen of tot welker water- 
keerenden ring zij behooren (Hoogheemraadschappen Voome 
en Putten, de Bernisse, de Zwijndrechtsche Waard, enz). 
Enkele kleine deelen op Voome en Goeree zijn in onder- 
houd en beheer bij de Provincie. Slechts één enkel lichaam 
komt voor dat uüaluüend dijkscoUegie is, nl. in Noord- 
Brabant: „Het Waterschap de Vier Polders," be- 
staande uit 4 polders die samen het gedeelte dijk langs 
het Hollandsch Diep van de Roode Vaart tot den Tonnen- 
dyk onderhouden. De bandijk langs den linker oever der 
Nieuwe Merwede, van Werkendam tot Deeneplaat, wordt 
onderhouden door het Rijk, evenals enkele kleinere stuk- 
ken der waterkeeringen (sluizen, enz.) in de vestingen 
Willemstad , Hellevoetsluis , de Quarantaineplaats op de 
Tien Gemeten, enz. 



\oi 



Calamitense polders. In Zeeland vinden wij een 
eigenaardige soort van waterschappen , zooals zij nergens 
elders in ons polderland voorkomen , welker ontstaan in 
rechtstreeksch verband staat met hunne waterkeeringen 
langs het buitenwater. Terwyi n.1. in Holland en Utrecht 
b.v. de groote rivierwaterkeeringen wel is waar uit de aan- 
eenschakeling van de kleinere dijken ontstonden waarmede 
de buitenste polders zich beschermden, zoo werden zij 
daarna bij groote lengten in eens verhoogd en verzwaard ^ 
zoodat zij tot de tegenwoordige aftnetingen aangroeiden en 
alzoo een groot aantal polders met hunne betrekkelQk zwakke 
kaden, ja zelfs aanzieniyke deelen van verscheidene pro- 
vinciën beschermden. Het was dus billijk dat alle binnen- 
dijks gelegen landen die bij die dijken belang hadden, al 
waren zij er ver van verwijderd , tot hun onderhoud bij- 
droegen , zooals ook thans nog geschiedt op enkele kleine 
uitzonderingen na, b.v.: voor den Hondsbosschen Zeedijk 
in bijna het geheele Noorderkwartier van Noord-Holland , 
voor de Zeeburg en Diemerdyk in gedeelten van Noord- 
Holland en Urecht , voor den Lekkendijk Bovendams in een 
gedeelte van Utrecht tot zelfs aan de Tienhovensche vaart, 
enz. en ook voor de buitendyken op de eilanden Voome 
en Putten en in den Zwijndrechtschen waard door de Hoog- 
heemraadschappen van die namen. 

In Zeeland echter gold steeds het beginsel , dat elk stuk 
dijk langs het buitenwater onderhouden wordt alleen door 
den onmiddelyk daaraan grenzenden polder, gelyk zulks op 
Beierland , Goeree en Overflakkee ook het geval is , ter- 
wijl het beheer er van ook door dien polder plaats heeft 
onder toezicht van het landsbestuur. Dit is in zooverre 
te verklaren • dat de onmiddelijk aan de buitendüken ge- 
legen polders zelve by hun ontstaan (bedyking) , tot hun 
eigen belang aUeen , die dijken gelegd hebben ; terwyi daar- 
door andere gedeelten buitendijk slaper werden , doch nu 
voorzeker veel minder kosten tot hvm onderhoud gingen 
vorderen. 

Nu is het in Zeeland sinds oude tijden steeds gebruik 

17 



258 



geweest, om die polders -welke niet 'in artaat waren de dyk- 
lasten voor hunne zeeweringen te betalen van overheids- 
wege te ondersteunen; zulk een zeewering heette dan 
„calamiteuse dijkagie" en de daardoor beschermde 
polders heetten: calamiteuse polders. 

Een dergelijke ondersteuning wordt ook thans nog ver- 
leend op de wijze als bepaald is in de Wet van 19 Juli 
1870 (Staatsblad N®. 119) en verder geregeld door het 
^Reglement op de calamiteuse waterschappen en polders 
in Zeeland." In beide komt in hoofdzaak het volgende voor: 

De polder die wegens te zware lasten voor zeewering 
en oeververdediging calamiteus verklaard wil worden, richt 
daartoe het verzoek aan Provinciale Staten van Zeeland, 
die daarop beslissen en het aan de Koninklyke goedkeuring 
onderwerpen. De calamiteus verklaarde polder betaalt 
gedurende 5 jaren na de calamiteusverklaring een dijkge- 
schot , bestaande uit de .geheele onzuivere opbrengst der 
landerijen en daarna uit de helft daarvan. De onderhouds- 
pUchtigen van de onmiddelyk aan den polder grenzende 
bmwandyken kunnen worden verplicht tot een bijdrage af- 
hankelijk van de lengte dier dijken en van het beschermde 
aantal hectaren. Het overige wordt voor \ door de pro- 
vincie Zeeland en voor % door het Ryk betaald. 

Uit den calamiteusen polder en alle die tot bijdragen 
verpücht worden, wordt voorts een afzondelyk calami- 
teus waterschap opgericht. Het bestuur daarvan wordt 
opgedragen aan een afzonderUjk dijksbestuur, benoemd 
door den Koning op voordracht van den dijksraad, een 
lichaam bestaande uit vertegenwoordigers der calamiteuse 
en bedragende polders , dat hoofdzakelijk bdslissing neemt 
in zake onderhoud , vernieuwing en aanleg van dijken , 
jaarlljksche begrooting van het dijksgeschot , enz. Het 
dyksbestuur ziet toe op de onmiddelijke dageüjksche be- 
langen van het waterschap , de daarmee in verband staande 
werken, het nemen van voorzorgen b\j gevaar, enz. 
Wenscht een calamiteuse polder weer vrij verklaard te 
worden , dan verzoekt hij dit aan Prov. Staten , die hunne 



259 



beslissing .daarop kunnen voordragen ter goedkeuring aan, 
den Koning. 

Duinen. 

Langs de noordwest- en zuidwestzijde van Voome vormt 
een duinenrij de zeewaterkeering , in onderhoud bij het 
Hoogheemraadschap Voorne. 

De duinen langs de noord- en westzijde van het eiland 
Goeree en Overflakkee beginnen bij de haven van Goeree; 
bij den Eendrachtspolder te beginnen liggen langs de kust 
25 rijzen dammen met steen bezet en wat verder op ligt 
het zoogenaamde Flauwe Werk, zijnde een steenglooiing 
met 8 voorgelegen dammen, alles tot verdediging van het 
strand en de duinen. De duinen en de genoemde verde- 
digingswerken worden onderhouden door de provincie Zuid- 
HoUand. 

Schouwen is langs de noordkust, te beginnen bij West* 
Repart, 2 uur t. W. van Brouwershaven, en langs de 
westkust tot Westerschouweh door duinen beschermd ; 
tot verdediging van het strand liggen langs de noordzQde 
van West-Repart tot den Vuurtoren 22 rijzen dammen en 
meer westelijk nog 18. De eerste worden gedeeltelijk en 
de andere alle met een stuk achterliggend duin door het 
Rijk onderhouden. De overige, alsmede de achtergelegen 
duinen, zijn in onderhoud by het aangrenzende Water- 
schap Schouwen. Alle overige duinen zijn op dit 
oogenblik zonder beheer. 

Walcheren is langs de noordwestzijde gedekt door een dui- 
nenrij, beginnende bij het dorp Vrouwepolder in het poerden 
en aansluitende aan den Westkapelschen Zeedijk t. N. van 
Westkapelle ; langs de zuidwestzijde eveneens door een zeer 
smalle duinenrij aanvangende aan het zuideinde van genoem- 
den zeedijk en emdigende bij het oude fort deNoUebij Vlissin- 
gen. Aan den westelijken hoek van het eiland wordt de duinenrij 
dus afgebroken door den beroemden Westkapelschen 
Z e e d y k ter lengte van 3800 M. ; deze is gevormd door 
het afvlakken van een smal duin en voor het grootste ge- 
deelte opgewerkt tot een hoogte van 5 k 5,25 M. boven 

17 ♦ 



260 



H. W.; de buitenglooiing Is zeer flauw , bekleed met klei 
en verdedigd door rijsbeslag, steenglooiing , enz. en door 
zware staketwerken tegen den golfslag. De dijk schijnt 
reeds voor vele eeuwen aangelegd te zijn: Keizer KarelV 
gaf in 1540 vergunning tot het plaatsen der staketwer- 
ken. Tot verdediging van het strand liggen vóór deN.W. 
en Z. W. duinen en den Westkapelschen Zeedijk een 
groot aantal besteende ryzen hoofden. Al deze werken, 
duinen en dijk met verdediging, zijn in onderhoud bij den 
polder Walcheren. 

Langs de Noordzeekust van het westelijk deel van 
Zeeuwsch Vlaanderen ter hoogte van Cadzand, strekt zich 
een smalle duinenrij uit ter lengte van ongeveer ^4 uur, 
rechts en links tegen buitendyken aansluitende en verde- 
digd door een aantal voorgelegen hoofden. Die duinen zijn 
evenals de aansluitende dijken in onderhoud bij de onmid- 
dèlijk aangelegen polders en waterschappen. 

§ 3. Het buitenwater. 

Het zal misschien niet ondienstig zijn , hier met een 
enkel woord iets te zeggen van de breede wateren, groo- 
tendeels eigenlijk zeearmen , welke de Zuid-HoUandsche en 
Zeeuwsche eilanden vaneen scheiden. Ik vond onlangs nog 
in een bekend aardrijkskundig werk, dat Volkerak, Hariiig- 
vliet , enz. breede takken waren van de Maas ! 

Als men zich die wyde wateren eenvoudig voorstelt als 
de zeer breede benedeneinden der groote rivieren, dan 
vormt men zich een geheel verjceerd denkbeeld, 't Is waar 
dat door de meeste dier monden rivierwater afvloeit; zoo 
ontvangt het Hollandsch Diep door de Nieuwe Merwede 
en de Dordtsche Kil een groot gedeelte van het Merwede- 
water en dus Maas- en Waalwater en brengt dit vervolgens 
op het Haringvliet t. N. en op het Volkerak t. Z. van Over- 
flakkee om ; de Westerschelde voert al het water van het 
geheele stroomgebied der Schelde naar zee. Ook ontvan- 
gen al die breede zeearmen het water van westelijk Noord- 
Brabant , dat van de Zuid-HoUandsche eilanden en van 
geheel Zeeland. Toch is die groote hoeveelheid rivierwater 



261 



slechts een betr. gering deel van de ontzettende water^ 
massa die tengevolge van eb en vloed 2 maal per etmaal 
door die zeearmen heen en weer wordt bewogen, een 
massa die in de Westerschelde b.v. by het zeewaarts stroo- 
men afloopt tot gemiddeld 4 M. beneden het peil waartoe 
zij eenige uren geleden bij den vloed steeg en welk ver- 
schil nog aanmerkelyk stijgen kan. Deze verschillen wor- 
den zooals men weet minder voor de meer noordelijk ge- 
legen wateren. 

Ten andere moet men zich die waters niet voorstellen 
als hebbende over hunne geheele breedte van dijk tot dijk, 
of althans binnen door normaliseering verkregen grenzen, 
regelmatige dwarsprofielen zooals de eigenlijke rivieren. 
Dit is volstrekt niet het geval. Breede en smalle geulen, die 
trouwens bij een water als de Westerschelde b. v. nog 
2 en meermalen de breedte van de machtigste hoofdrivieren 
hebben, loopen door de slikken van zeeklei, die de eb er 
zelf achterliet en die bij ebbe droogloopen. Die sükken zijn 
tegen de buitendijken aangegroeid of bij de breede wateren 
ook op de zandplaten midden in , welke platen echter 
meestal nog niet of slechts ten deele met klei bedekt zyn. 

Beschrijving. Gelijk wij weten verdeelt zich de Bene- 
den M e r w e d e bij Dordt in Noord en Oude Maas. 

De Noord vereenigf zijn water met dat van de Lek bij 
Krimpen, hetwelk gezamenlijk als Nieuwe Maas 
westwaarts vloeit. 

De Oude Maas geeft even beneden Dordt zijn meeste 
water aan de Dordtsche Kil door2bovenmonden: het 
M allegat en de Krabbe en voert zelve verder wei- 
nig water van de bovenrivièr' af: het imier dat door de 
Oude Maas by eb zeetcaarts vloeit is , behalve dat wat er 
door de aanliggende eilanden op gebracht wordt, grootendeels 
getifwater. Even boven Oud-Beierland geeft de Oude Maas 
links een zijtak af , het Öp ui, dat tusschen de eilanden 
Beierland ter eene en Putten ter andere zyde doorloopt 
tot aan het Haringvliet. Het water van de Oude Maas 
btroomt eindelijk , met een deel van dat der Nieuwe Maas 



262 



'vereenigd, door de Botlek en de Brielsche Nieuwe 
Maas naar zee, terwijl het grootste deel van het Nieuwe- 
Maaswater door Scheur en Nieuwen Waterweg 
zijn weg vindt naar zee bij den Hoek van Holland. 

Het HoUandsch Diep, even boven Moerdijk aan- 
vangend , ontvangt daaromstreeks het water van Amer 
Nieuwe Merwede en Dordtsche Kil. De breedte , die aan 
den Moerdijk een 1500 M. bedraagt , neemt langzamerhand 
toe tot 2500 M. bij Willemstad; even beneden deze plaats 
heeft de splitsing plaats in hetbreede Haringvliet, datt- 
N. van Overflakkee omloopt en het V o 1 k e r a k , dat t 
Z. van het eiland omgaat ; hi^ is een getyverschil van 
2 M. Op dit punt van splitsing liggen een aantal kleine pla- 
ten , by L. W. gedeeltelijk droogvallend , zoodat dan het 
Volkerak twee bovenmonden heeft. 

In het Haringvliet Ugt een •/« u. beneden de split- 
sing het eiland Tien-Gemeten ; dit eiland wordt door het 
diepe 600 h 800 M. breede Vuile Gat van Beierland 
gescheiden , terwijl het Haringvliet t. Z. daarvan er langs 
loopt ter breedte van 1500 è, 1500 M. Evenals langs den 
-oever van Beierland van Strijensche Sas tot Tien-Gemeten 
een smalle strook schorren liggen, zoo hggen deze ook 
langs de Z. en W. zijde der Tien-Gemeten en t. Z. 
langs Beierland en Putten ter weerszijden van het 
Spui. Van den nu steeds broeder wordenden zee- 
arm buigt zich het groote vaarwater, het Haringvliet 
noordwaarts langs de Hoomsche Hoofden (zuidhoek van 
den polder Oudenhoom) en onmiddelyk langs Hellévoetsluis, 
om door het Nieuwe of No order gat in zee te komen. 
Een andere diepe geul, van de reeds genoemde door zand- 
platen en deels droogvallende slikken gescheiden, loopt 
van de Haven van Sommelsdijk door het Aardappelen- 
gaatje, vervolgens als Zuid er diep en daarna als 
W e s t g a t langs den noordeiyken oever van Goeroe in Zee. 

Het Volkerak, aanvankelijk slechts een 1500 M. 
breed, neemt spoedig in breedte toe. De dijken van de 
N. W. punt van Noord-Brabant en het eiland St. Philipjs- 



268 



land ter eene en van Overflakkee ter andere zijde zijn een 
uur van elkaar verwijderd: op die hoogte neemt de zeearm 
den naam van Krammer aan tot aan dé Zijpe , die St. 
Philipsland van Duiveland scheidt; langs de N. en Z. oevers 
echter li^en zeer breede droogvallende slikken en ook in 
't midden als eilandjes, zoodat bij eb het eigenlijke water 
slechts 7i der breedte heeft van dat bij vloed. Van de 
Zijpe af loopt een zuidelyke geul vrij dicht langs de noord- 
kust van Duiveland en Schouwen als Grevelingén 
tot Brouwershaven, heet vervolgens Reede van Brou- 
wershaven en komt als Brouwershavensche 
Gat in zee. De stad Brouwershaven en de kust daar* 
omtrent is echter door de plaat Dwars in den Weg van 
de Reede gescheiden , zoodat slechts een smalle geul t. Z. 
daarlangs naar deze plaats voert. Langs de zuidkust 
van Overflakkee Uggen zeer breede slikken , de slikken 
van Flakkee (1500 k 4000 M. breed); daarlangs loopt de 
Hals en het Springersdie p, als noordeiyk vaar* 
water , door platen die bij eb droogvallen van de Grevelin- 
gén en de Reede gescheiden. Tusschen deze platen door 
verbindt de V 1 i e g e r het noordelijfe^ en zuidelyk vaar- 
water, de Hals met de Reede. 

De Oosterschelde is thans door den 3600 M. langen 
spoorwegdam b\j Woensdrecht geheel van de Westerschelde 
afgesloten , waarmede zy trouwens reeds lang alleen by 
vloed gemeenschap had over de uitgestrekte slikken van 
Hinkelenoord , Bath eü de verdronken landen van het Mar- 
quisaat van Bergen op Zoom en van Zuid-Beveland. ZQ 
is dus nog slechts als een groeten zeeboezem te beschouwen. 

Tegen de Noord-Brabantsche kust , tusschen Bergen op 
Zoom en den zuidoostelijken uithoek van Tholen, liggen 
ook breede slikken, grootendeels bij eb droogloopend ; daarin 
vangt bij Bergen op Zoom een diepe, smalle kreek aan, 
het Bergsche Diep, die weldra rechts de Eendracht 
afgeeft, welke zich noordwaarts wendt tusschen Tholen 
en Noord-Brabant door ; de verlengde geul van het Bergsche 
Diep zelf wordt langzamerhand breeder en vormt een vaat- 



264 



geul , onimddeiyk langs den zuideiyken oever van Tholen 
loopend tot Gorishodc. Hier vereenigt de vaargeul zich 
met eene andere , die van het zuiden komt en aanvangt 
midden in de slikken van het verdronken gedeelte van 
Zuid-Beveland , ongeveer 1 uur t. N. van Eruiningen. Ter 
breedte van 1000 k 2000 M. steekt het vaarwater van 
hier naar den zuidelijken oever over, om, dicht langs Zuid- 
Beveland (Wemeldinge en Kattendyke), Noord-Beveland 
(Kats en Colijnsplaat) en Walcheren (Vrouwepolder) voort- 
gaande , zich daarna met de Noordzee te verbinden. 

Van Gorishoek tot Stavenisse liggen langs den Tholen- 
schen oever en midden in de Oosterschelde bij eb droog- 
vallende platen en slikken; van Stavenisse gaat oostwaarts 
de breede Keeten, die Tholen van Duiveland scheidt en 
westwaarts een breed vaarwater langs de zuidkust van 
Duiveland en Schouwen, ter hoogte van de Haven van 
Zierikzee de Ree de geheeten, en van hier tot de west- 
punt van Schouwen: de Hammen. Deze wordt van het 
straks genoemde ^U u. breede zuidelyke vaarwater geschei- 
den door een groote plaat, die bij eb droog loopt. 

De overige wateren, kreeken en sUkken, welke de 
Zeeuwsche eilanden van elkaar scheiden en met de Ooster- 
schelde samenhangen , zullen wy hierachter bij de bespre- 
king van de ligging dier eilanden aangeven. 

Westerschelde. Zoodra de Schelde even beneden 
het Belgische gehucht Ouden Doel (linker oever), onze 
grenzen overschrydt, gaat de betr. smalle vaargeul tot 
onmiddelijk aan de zuidoostpunt van Zuid-Beveland bij 
Bath , tusschen de breede slikken van Hinkelenoord ter 
rechter- en die van het verdronken land van Saaftingen 
ter linkerzijde door, welke by ebbe droogvallen. Het vaar- 
water gaat dan betr. smal als Nauw van Bath zuid- 
westwaarts tusschen de slikken van Saaftingen t. Z. en 
die van Zuid-Beveland t. N. door , om zich bij den zooge- 
naamden Hoek van Valkenisse (de zuidpunt der Z.-Beve- 
landsche slikken) in twee takken te splitsen: de linker, Honte 
of Westerschelde genaamd, zich naar de zuidkust bij 



2J65 



Walsoorden richtend, de rechter of Schaar van Waarde, 
langs den noordelijken oever loopend om zich weldra weer 
met de eerste over de geheele breedte tusschen de oevers 
te vereenigen. Vóór de noordeiyk uitstekende punt van 
Zeeuwsch Vlaanderen by Ossenisse liggen vele groote platen 
en nu gaat het breede vaarwater t. N. van deze om als 
Middelgat en Bocht van Kapelle, tusschen Hans- 
weert en Hoedekenskerke diep naar het noorden dringend. 
Voorbij de laatste plaats is de Westerschelde door een 
groote plaat in het midden in tweeën gescheiden ; langs 
dea N. oevar, langs Ellewoutsdyk loopt de Everingen 
en t. Z. van de plaat, onmiddelijk langs den Vlaamschen wal 
met de stad Neuzen, de Pas van Neuzen. Deze laatste 
geeft even voorbij Neuzen een betr. smal vaarwater naar 
ünks af, het Vaarwater van Sas van Gent, dat dicht 
langs den Vlaamschen oever loopt , langs Hoofdplaat tot 
beneden Breskens ; de Pas van Neuzen zelf gaat , zich 
weer met de Everingen vereenigend tot Honte, verder 
westwaarts totVlissingen, waar zij vóór de stad de Ree de 
heet. Tusschen dit breede vaarwater en het Vaarwater van 
Sas van Gent t. O. van Breskens liggen een aantal groote 
en kleine platen. Tusschen Vlissingen en Breskens vormt 
nu de Schelde één enkel breed vaarwater van 4000 è. 5000 
M. breedte, dat zich vervolgens door 2 breede monden 
met de Noordzee vereenigt : 

De noordelijke of Deur lp o, dicht langs de Walcheren- 
sche kust loopend, en de nog veel broedere zuidelijke, 
de Wielingen, gaande langs Cadzand, door een aantal 
platen van de Deurloo gescheiden. 

§ 4. Hydrografische en administratieve in- 
deeling. 

A. De Znid-HoUandsche eilanden. 

Bozenbnrg. 

Dit eiland bestond voor 1586 nog niet, tenzij men een 
kleine plaat ter dier plaatse zoo wil noemen, die bij een 
vloed, iets hooger dan den gemiddelden, onderliep. Eerst 
omstreeks dien tijd werden 4 polders in het midden en 



266 



Z.0. van het tegenwoordige eiland Inged^ (de Generale 
Dijkagie der polders Nieuw- en Oud-Rozenburg, enz.). Lang- 
zamerhand werden daaromheen nog eenige polders bedijkt 
of slechts als buitenpolders omkaad. Eerst in het begin 
dezer eeuw ontstond het gedeelte ten N.W. van genoemde 
omdijking. De noordelijke uithoek is een plaat met 8 
kleine slechts omkade polders. 

De binnendyksche polders liggen 0,55 èl 1 M. + A.P. 
De afwatering heeft rechtstreeks plaats op het buitentoater : 
op het Scheur (middelbare eb te Maassluis —0,39 A.P.), op 
de Botlek en op de Nieuwe Maas (M. E. te Brielle -0,46 A.P.). 

De vier eerst ingedijkte polders vormen met eenige bui- 
tenpolders een adm. polder. Die ten N. daarvan ook één« 

Voome en Putten. 

Dit eiland bestond vroeger uit 2 deelen: Oostvoom, 
zijnde het grootste deel t. W. van de Bemisse , toenmaals 
een open kreek , en het eiland gelegen tusschen de Bemisse 
en het Spui ; echter werd eerst in de 15e eeuw door in- 
dijking het W. en Z. deel gevormd (polders Quack, Nieu- 
wenhoorn , Oudenhoorn , Nieuw-Zuidlandsche polder , enz.). 
Thans is de Bernisse een binnengedijkt smal watertje, 
tot boezem dienende , terwijl het geheele eiland in tweeen 
is gescheiden door het Voornsche Kanaal van Hellevoet- 
sluis tot Nieuwesluis. 

Het westelijk deel , dat aan de duinen grenst , en de 
later aangedijkte polders Uggen het hoogst, met Z.P. van 
—0,45 tot —1,2 A.P. , de oudere landen het laagst: polder 
van Heenvliet met Z.P. van — 1,95 A.P. , de polder t. Z. 
van het Spui met Z.P. van —2,16 A.P. 

De noordwesthoek t. W. van Brielle , grootendeels be- 
staande uit den polder Oostvoorne en de daarop afwate- 
rende , loost rechtstreeks op de Brielsche Nieuwe Maas, 
na opmaling door een windmolen, door een molensluis 
beneden den Briel en vry door een sluis in deze stad* 
Ook t. O. van Brielle tot Zwartewaal liggen rechtstreeks 
loozende polders : de zoogenaamde Vier Polders , die op 



207 



elkaar afvloeien en bij Zwartewaal na opmaling in een 
voorboezem loözen en de polder Zwartewaal, eveneens na 
opmaling in een voorboezem door een uitwateringssluis op 
de Brielsche Nieuwe Maas loozende. Het westelijk en 
oostelijk deel van Putten langs het Spui en het Haring- 
vliet wordt eveneens afgemalen op voorboezems uitwate- 
rend op het Haringvliet , het Spui en de Oude Maas (Z.P. 
-0,8 tot -2,15 A.P.) 

Voorts heeft de loozing plaats op de volgende boezems: 

Sptiiboezem van de Haven van Brielle , gevormd 
door het Spui en een deel der vestinggrachten van Brielle; 
loost in deze plaats op de Brielsche Maas. Laagste Z.P. 
'0,55. Natuurlijke loozing. M. E. te Brielle -0,46 A.P. 

Boezem van de polders van Nieuw Hellevoet, 
enz. , gevormd door de N. en O. grachten van de vesting 
Hellevoetsluis ; dient voor i polders t. N.W. van Helle- 
voetsluis en loost alhier door 2 sluizen. Natuuriyke 
polder- en boezemloozing. M. E. te Hellevoetsluis —0,74 A.P. 

Kanaal door Voome. Dit uit een enkel pand be- 
staancl kanaal, gegraven in 1827 — 29, vormt een boezem 
voor eenige onmiddelijk aangelegen polders, die alle be- 
malen worden op een enkelen na. De Z. P. zijn van 
-1,55 tot -1,95 A.P. Het kanaalpeil is -0,88 A.P. 
en kan voor groote schepen verhoogd worden door inlating 
van water te Nieuwesluis. Ontlasting voornamelijk te 
Hellevoetsluis op het Haringvüet. 

Boezem de Bemisse. Gevormd doot de Bemisse , 
een smal water, ontstaan door het binnendijken van de 
voormalige breede open kreek van dien naam , strekkend 
van het Spui tot Heenvliet. De boezem loost aan beide 
einden , dus op Spui en Maas. Eenige polders met Z. P. 
van —1,75 tot —1,9 A.P. worden er op afgemalen en 
eenige andere onmiddelijk er langs gelegen , die als voor- 
malige buitenpolders langs de Kreek hoog liggen , meestal 
langs natuurlijken weg. 

Yier-Ambachtenboezem , gevormd door een water 
loozend te Spijkenisse op de Oude Maas. M. P. + 0,05 A.P. 



268 



Vijf polders met Z. P. van -1,15 tot -1,75 A.P. slaan 
er op uit door windmolens of stoomtuigen. Buitenwater- 
stand te Spljkenisse, M. E. -0,29 A.P. 

Voor het gemeen waterstaatsbelang van 
het eiland bestaat een reglement van 186 8. Daarin 
is voorgeschreven welke duinen en zee- en rivierwaterkee- 
rende dijken als algemeenen ring moeten worden onderhou- 
den. De buitendijken van enkele aan de buitemifde daar- 
tegen gedijkte polders worden door deze zelve onderhouden, 
de genoemde algemeene ring door de volgende lichamen: 

Hoogheemraadschap van Voome , gevormd door 
de rechtstreeks afwaterende polders t. O. en t. W. van 
Brielle behalve polder Zwartewaal, door die welke op 
den Spuiboezem van de Haven van Brielle en op den boe- 
zem van Nieuw Hellevoet loozen , door de op het Voom- 
sche kanaal afwaterende, uitgezonderd polder Nieuwenhooni 
die op zich zelven staat, en door polder Oudenhoorn. 

Hoogheemraadschap de Bemisse , gevormd door 
een smalle strook polders , ter weerszijden langs de Ber- 
nisse gelegen — de vroegere buitenpolders toen deze nog 
een open kreek was — en welke deels afwateren op den 
boezem deels op het buitenwater. 

Hoogheemraadschap van Patten, omvattend de 
5 polders uitslaande op den Vier- Ambachtenboezem , bene- 
vens den polder Oud-Schuddebeurs langs het Spui gelegen 
en hierop afwaterend. 

Deze Hoogheemraadschappen onderhouden hunne water- 
keerende ringen , die behalve door de zee- en rivierwa- 
terkeerende dyken door de binnendijken langs hunne gren- 
zen gevormd worden. Zij hebben eenigermate toezicht 
op de huishoudeüjke belangen van de in hun gebied gele- 
gen polders. Het Hoogheenu^adschap Putten onderhoudt 
bovendien den Vier- Ambachtenboezem en daarlangs gelegen 
kaden en verdere werken tot den boezem behoorende. 

Weiplaat. 

Dit kleine eiland t. N. van Putten gelegen , daarvan ge- 
scheiden door het Haartelsche gat en verder bespoeld door 



209 



de Oude Maas en de Botlek , bevat 4 binnendijksche en 3 
buitendljksche polders met Z. P. van A.P. tot — 0,35A.P., 
allé rechtstreeks op het buitenwater natuurlijk loozend. 

Uselmonde en de Zwijndrechtsche Waard. 

Dit eiland bestond vroeger uit 2 deelen, Uselmonde en 
de Zwijndrechtsche Waard, door de Waal gescheiden; 
door dat deel nl. van den vroegeren loop der rivier de 
Waal . dat thans in een binnengedijkten boezem veranderd 
is, zich uitstrekkend van Oostendam aan de Noord tot 
Heerjansdam aan de Oude Maas. Beide eilanden hangen 
dus nog slechts op die plaatsen door een dam , tevens 
buitendijk, samen. Van Uselmonde werd het eerst 
in zijn geheel ingedijkt de Reiderwaard, het N. O. deel 
van het tegeöwoordig eiland t. N. van de Waal (met het 
dorp Ridderkerk , oorspronkelijk Rieder- of Rijderkerk) en 
zich westwaarts uitstrekkend tot Charlois; een reglement 
van dijkagie van 1287 bestaat daarvan. Die waard liep 
echter in 1373 in en werd vervolgens bij gedeelten her- 
dijkt, zoodat zij bij den St. EUzabethsvloed in 1421 nog 
gedeeltelijk open lag. Natuurlijk is het , dat deze landen 
als de oudste het diepst hggen , het grootste deel heeft 
Z.P. van —2,6 tot —1,9 A.P. , het oosteiyk van -1,5 en 
-1,65 A.P; van het laatst herdijkte gedeelte hggen de Z.P. 
slechts —0,75 tot —1,25 A.P. Het westelijk deel des 
eilands werd bij gedeelten ingedijkt; de kern daarvan ligt 
om Rhoon : die in 1199 bedijkt werd. Het heeft polders 
met Z.P. van —1,9 en —1,8 A.P.; in 't algemeen tus- 
schen —0,55 en —1,9 A.P. De Zwijndrechtsche 
Waard werd /eardykt in 1825 en 1374. Het eilandje 
Fijenoord tegenover Rotterdam is eerst in 1495 ingedijkt. 

Me polders van het binnendijksche eiland, op een hoog- 
gelegen poldertje in de N. W. hoek na , worden benuUen. 

Het polderwater van den Zwijndrechtschen Waard wordt 
uitgeslagen op twee boezems: 

De Waal , gevormd door den reeds genoemden binnen- 
gedijkten tak der voormaüge rivier , loost door de sluis te 



270 



Heerjansdam op de Oude Maas , by onvoldoende natuur- 
lijke loozing wordt de boezem aldaar afgemalen door een 
stoomgemaal van 38 paardekracht. Het Z.P. van den 
boezem is —0,55 A.P. ; de middelbare eb van de Oude 
Maas zal te Heerjamsdam ongeveer A.P. z\jn. By droogte 
wordt water ingelaten door de schutsluis te Oostendam 
uit de Noord. Vier polders t. Z. van den boezem met 
Z.P. van —1,8 tot —1,9 A.P. slaan op den boezem uit, 
één, de Hendrik-Ido- Ambachtpolder , met een stoomge- 
maal van 25 paardekracht. 

De Achterdevel bestaat uit een breed water, dat 
met den Voordevel waarschynlyk een binnengedljkte oude 
riviertak is. De boezem heeft een M.P. van —0,21 A.P. 
en wordt op een hoogen boezem, de Voordevel, met M.P. 
van -|- 0,67 A.P. , afgemalen door een schepradmolen of 
loost er in enkele gevallen vry op door eene uitwaterings- 
sluis; de hooge boezem loost door de Develsluis t. Z. van 
Heerjansdam op de Oude Maas. 

De polders van IJselmonde worden rechtstreeks op het 
buitenwater afgemalen of vloeien op andere af, op een 
zevental na in het midden des eilands (zie Kaart III), uit- 
slaande op den : 

Boezem van den Ouden Koedood. Deze wordt 
gevormd door het water van dien naam en een paar zij- 
takken en loost tusschen Charlois en Pernis door de Ba- 
rendrechtsche en Heijsche uitwateringssluizen op de Nieuwe 
Maas, Door de laatste heeft voomameUjk inlating plaats. 
De boezem is vry. Het Z.P. der polders die er op loozen 
is —1 tot —1,55 A.P. Buiten waterstand aan de Vijfeluizen 
(tegenover de Heijsche sluis) gem. —0,31 by eb en +0,91 
A.P, by vloed. 

Administratieve indeeling. 

Het Hoogheemraadschap van den Zwijndrecht 
schen waard omvat alle polders loozende op de boezems 
de Waal en de Achterdevel, dus den geheelen Zwijndrecht- 
schen waard op een tweetal aangedykte polders na i|i het 
zuiden (Buitenland en Hooge Nespolder). Het onder- 



271 



houdt den waterkeerenden ring met daarin gelegen sluizen, 
dus ook de groote rivierdijken langs zijn omtrek ; de hooge 
zeedijken van daarbuiten gelegen polders worden door deze 
zelve onderhouden. Het heeft toezicht op alle werken be- 
hoorende tot den algemeenen waterstaat van het Hoog- 
heemraadschap , dus op waterkeerende en waterafleidende 
werken , waarby sommige onderdeelen gemeen belang heb- 
ben. Het heeft ook eenigermate toezicht op de huishou- 
delijke belangen van eiken in het Hoogheemraadschap ge- 
legen polder. Het is opgericht in 1822 bij ordonnantie 
van Graaf Willem HL 

Van IJsehnonde is slechts een betr. klein aantal adm. 
polders tot de twee volgende üchamen vereenigd: 

Hoogheemraadschap Oud- en Nieuw Beijer- 
waardf omvattende de beide groote polders van die namen 
gelegen t. N. v. d. Waal langs Noord en Nieuwe Maas , 
loozende rechtstreeks op het buitenwater. Polder Oud- 
Reijerwaard loost nl. op Pr. Nieuw-Reyerwaard, die na op- 
maling met één gang van 8 molens uitwatert door de sluis 
te Bolnes op de Nieuwe Maas. 

Waterschap het Gemeeneland van Poortngaal 
omvat 4 adm. en i waterstaatkundige polders, gelegen in 
het westen des eilands tusschen Pernis, Hoogvliet, Poor- 
tngaal en Rhoon, aUe uitwaterend rechtstreeks op het 
buitenwater. Een klein deel (Zwaardyk bij Rhoon) van 
den adm. polder Welhoek en het Ambacht van Poortugaal, 
dat op het Binnenland van Rhoon en daarmede op den 
boezem van den Koedood loost , behoort niet tot het water- 
schap. Het waterschap onderhoudt de 3 molens en de 
uitwateringssluis gelegen in het Ambacht van Hoogvliet, 
Polder Welhoek en het Ambacht van Poortugaal. Het 
ziet toe op den omringdijk, sluizen, wegen en bruggen. 
Het Reglement van beheer is van 18 Aug. 1862. Alle 
overige adm. polders van het eiland staan op zich zelven. 

Beierland of de Hoeksche waard. 

R^s in het begin der 14e eeuw bestonden hier bedy- 



Q7f> 



kingen. Het oostelijk deel, t. W. grenzend aan Nieuw Bon- 
aventura en het land van Strijen , behoorde vóór 1421 tot 
de bedijking van den Qrooten Waard, die verder den 
geheelen Biesbosch en het eiland van Dordrecht bevatte, 
t. N. grensde aan de Maas en de Merwede , t. O. aan Gorin- 
chem en het land van Altena, t. Z. aan de t^enwoordig 
tot Noord-Brabant behoorende bedijkingen tot aan Zevenber- 
gen en in het westen tegen het land van Putten (zuide- 
lijk deel van het tegenwoordig Overflakkee) aansloot. De 
twee steden van den Groeten Waard waren Dordrecht en 
Geertruidenberg. Het eiland was toen nog in tweeen ge- 
scheiden door de rivier de Maas die langs Maasdam en 
Westmaas liep t. N. van den Groeten (HoUandschen) waanl 
en het land van Strijen om, om verder ter hoogte van 
het tegenwoordige dorp Oud-Beierland ongeveer den loop 
van de tegenwoordige Oude Maas te volgen. De St. EUza- 
bethsvloed verzwolg wederom een groot gedeelte des eilands, 
nl. in de eerste plaats het geheele oostelyk deel, gelegen 
binnen de bedijking van den Groeten Waard ; de hooger 
gelegen westelijke helft liep eveneens in en lag, hoewel 
niet blijvend overstroomd, open voor de wateren der groote 
rivieren en zeearmen. Spoedig na die groote ramp begon 
men evenwel te hordijken. De kern der herdijkingen ligt 
om het thans nog bestaande binnengedijkte stuk der oude 
rivier de Maas — welker loop zooals bekend is bij ge- 
noemde gebeurtenis geheel gewijzigd werd ~ de zooge- 
naamde Binnengedijkte Maas , van Maasdam in het oosten 
zich uitstrekkend langs St. Anthomepolder en Mijnshee- 
renland tot Westmaas in het westen. Het eerst , kort. 
na 1421 , werd herdijkt de St. Anthoniepolder (bed. 1357) 
t. Z., daarna de polder Oudeland van Strijen t. Z. (1436), 
het Oudeland van Mijnsheerenland t. N., het Munnikeland 
van Westmaas (1438) t. Z., Oud Bonaventura tusschen 
Strijen, Cillaarshoek en Maasdam t. Z. van de Binnenge- 
dijkte Maas , enz. , enz. De polder Westmaas Nieuwland 
van Klaaswaal en Westmaas in het Z. tot Oud-Beierland 
in het noorden , aangeslibt in en langs het bed van de 



273 



vroegere Maas, werd in 1139 bedijkt. Intusschen was men 
ook reeds vóór en in de 16e eeuw begonnen met langs 
het Spui bij Piershil , enz. te herdijken ; tot in deze eeuw 
volgde langzamerhand het andere groote gedeelte des eilands 
tot aan en t. Z. van Zuid-Beierland , Numansdorp en Stryen- 
sche Sas. De polders van de oudste kern, tusschen 
Strijen en Heinenoord, Uggen aanzienlijk lager dan de ove- 
rige deelen des eilands met de Z. P. meerendeels beneden 
-1,4 A.P. (tot -1,82 A.P.). De andere bedijkingen heb- 
ben hooger Z. P., meest omstreeks — 0,75A.P. De jongste 
aandykingen t. Z. van Numansdorp liggen het hoogst, + 0,5 
a + 1,1 A.P. met Z. P. + tot 0,25 A.P. 

De afwatering geschiedt deels natuurlijk en rechtstreeks 
op het buitenwater , deels door bemaling op het buiten- 
water of op een der volgende 8 boezems, gelegen in het 
oostelijk gedeelte : 

De boezem van de Binnengedijkte Maas , alleen 
gevormd door het reeds genoemde stuk van de voormalige 
Maas en een uitwateringskanaal van Maasdam naar Putters- 
hoek, waar de loozing plaats heeft op de Oude Maas, zoo 
noodig na afmahng met een stoomgemaal van 65 paarde- 
kracht. Waterinlaten geschiedt door de sluis te Puttershoek. 
De zomerstand van den boezem is —0,68 A.P. , het M.P. 
+ 0,02 A.P. Buitenwaterstand te Puttershoek (1871 -1880) 
M. VI. + 1,21 , M. E. -0,31 A.P. Vier polders brengen 
er hun water op met Z. P. van —1,17 tot -1,75 A.P. 

De boezem van de Keen , gevormd door een water 
dat bij Strijen door een uitwateringssluis loost op den boe- 
zem van de Strijensche Haven. De boezem kan door een 
sluis gesplitst worden in een hoogen en een lagen boezem. 
Zes waterstaatkundige polders , Oudeland van Strijen , enz. 
met Z. P. van —1,25 tot —1,75 A.P. slaan er op uit. 

De boezem van de Strijensche Haven , gevormd 
door een water van dien naam met 2 zijtakken van Strijen 
tot het Strijensche Sas , alwaar de boezem loost op het 
Hollandsch Diep. Gem. zomerstand —0,68 A.P. Buiten water- 
stand te Moerdiik (1871 - 1880) vloed + 1,38 , eb -0,65 A.P. 

18 



274 



Een achttal polders in het Z.0. des eilands , met Z.P. tot 
— 1,1 A.P. en waarvan er eenige ^öi;e/w rechtstreeks op het 
buitenwater loozen , brengen er hun water op , benevens 
de laaggelegen polder Bonaventura tusschen Maasdam en 
Strijen met Z.P. van -1,88 A.P. 

Alle overige polders des eilands wateren rechtstreeks af 
op Dordtsche Kil , Oude Maas , Spui en Hollandsch Diep. 
Één polder slaat zijn water met een stoomtuig op de 
Dordsche Kil uit, een andere, de Strijensche polder, op het 
Hollandsch Diep , terwijl de polders die op de Oude Maas 
loozen alle hun water eerst in groote voorboezems opmalen. 
Alle andere polders laten hun overtollig water langs na- 
tuurlijken weg op het buitenwater afvloeien. (Grooter 
verschil der getijen op het Haringvliet dan op de Oude Maas.) 

Administratieve indeeling. 

Er bestaat op Beierland slechts één administratieve ver- 
eeniging van polders: 

Bestuur van de gemeene uitwatering der pol- 
ders Nieuw Bonaventura, enz. Hiertoe behooren 
alle polders afwaterend op den boezem van de Keen en de 
Strijensche Haven, op een paar polders na. De vereeniging 
dient slechts tot bevordering van de belangen der gemeene 
afwatering en tot het onderhouden van wat daartoe noo- 
dig is. Het reglement is van 1858. 

Alle andere adm. polders van het eiland staan op zich 
zelven. 

Tien (ïemeten. 

Dit eiland is eerst in deze eeuw bedijkt. Het eerst had 
de indijking van een groot gedeelte plaats in 1804, later 
o. a. nog in 1854 (het westelijk deel, de van Brienens- 
waard) en het laatst nog in 1860. De polders liggen van 
+ 1 tot + 1,4 A.P. en wateren langs natuurleken wegen 
rechtstreeks op het Hollandsch Diep af. 

Administratief bevat het eiland 7 polders, elk 
op zich zelven staande en samen de 11 waterstaatkundige 
(Joelen des eilands omvattende. 



:io 



Eiland van Dordrecht. 

Van dit eiland was vóór 1589 niet veel meel* over dan 
de stad Dordrecht; het overige van de tegenwoordige op- 
pervlakte lag sedert den St. Elizabethsvloed geheel ver- 
dronken of kwam onder bij eiken gewonen vloed. In dat 
jaar echter werd de polder van Dubbeldam t. Z.0. der 
stad ingedijkt, in het begin der 17de eeuw volgden andere 
en eindelijk legde men in 1659 den Wieldrechtschen Zee- 
dijk van de oostpunt tot V, uur t. Z. van Wieldrecht aan 
de Noord, waardoor het grootste deel van het tegen- 
woordige eiland was ingedijkt. Deze dijk werd later door 
aandijking van groote polders grootendeels slaper. De 
zuidpunt van het tegenwoordige eiland t. N. van Willems- 
dorp is slechts omkaad. 

Binnen den Wieldrechtschen Zeedijk liggen de polders 
\2Ln -0,65 tot -f- 0,55 A.P. met Z.P. van -1,50 tot 
-0,45 A.P. , daarbuiten van + 0,2 tot + 1,3 A.P. met 
Z.P. = A.P. 

De afwatering geschiedt rechtstreeks op het 
buitenwater, binnen den Wieldrechtschen Zeedijk op 
de Dordtsche Kil (Wieldrechtsche polder) en op deMerwe. 
Hierop maakt echter een uitzondering het binnendijksche 
gedeelte der stad Dordrecht : P. de Binnenstad tusschen 
den dijk en de Spuihaven en 2^. de Polderstad; deze loo- 
zen op den zoogenaamden. 

Boezem van het Stadswater van Dordrecht, 
gevormd door een water dat aan de Mijl , even beneden 
Dordrecht , op de Oude Maas wordt afgemalen met een 
stoomgemaal van 44 paardekracht. Soms als de Spuiha- 
ven , die tot waterverversching van Binnenstad en Polder- 
stad dient , hoog is opgezet , wordt deze mede afgemalen. 
De Binnenstad is in 4 waterstaatkundige deelen verdeeld 
en loost tevens rechtstreeks op het buitenwater. Het Z. P 
der Binnenstad is + 0,45 A.P. Het buitendijksche gedeelte der 
stad Ugt door aanhoudende ophooging , evenals de buitenste - 
den van Rotterdam , Delfshaven , enz. zóó hoog , dat het 
niet tegen het buiten water is beschermd en vrij daarop afvloeit. 

18 • 



27(> 



De polders t. Z. van den Wieldrechtschen Zeedijk wate- 
ren rechtstreeks op het bui ten water af zon- 
der bemaling. 

Buitenwaterstanden zijn : te Dordrecht (1871- 
1880) M.V1. + 1,33 , M.E. + 0,02 A.P. ; te Wülemsdorp 
(1871-1880) M.VL + 1,32, M.E. -0,61 A.P. 

Administratief is het eiland in polders ingedeeld, 
die één of eenige weinige waterstaatkundige deelen bevat- 
ten , doch niet tot grootere lichamen zijn vereenigd. Daar- 
onder behoort ook het Waterschap Stad Dordrecht, 
omvattende de op den boezem van het Stadswater loo- 
zende Binnenstad en Polderstad en de t. Z. daarvan gelegen 
rechtstreeks op het buitenwater loozende polders : De Pol- 
der en de Mijl. 

De Biesbosoh of het Bergsche Veld. Ten Z. 

van de Merwede en t. O. van het eiland van Dordt tot 
aan het vasteland van Noord-Brabant (Land van Altena) 
in het oosten strekt zich de Biesbosch uit, bestaande uit 
een groote menigte meerendeels omkade eilandjes of platen, 
die nog door een doolhof van killen en gaten gescheiden , 
reeds tot een aanzienlijke hoogte zijn aangeslibt, gemid- 
deld tot + 1 A.P. , zelfs tot + 2,3 A.P. Door het 
tot stand komen der Nieuwe Merwede is de Biesbosch in 
3 deelen gescheiden nl. : 

10. Het gedeelte t. Z. van de Beneden-Merwede , t. N. 
van het eiland van Dordt en de Nieuwe Merwe van Wer- 
kendam tot de Ottersluis , geheel uit omkade eilandjes be- 
staande. De westelijke liggen lager dan de oostelijke, 
deze + 1 i + 2,3 A.P. , gene + 0,5 ^ + 1 A.P. De ka- 
den der polders mogen geen grooter hoogte hebben dan 
+ 2,64 A.P. , opdat de Merwe zich by hooge standen daar- 
over kimne ontlasten tot ontzetting der dijken van den 
Alblasserwaard. Hoogste stand bij Sliedrechtin 1871 — 1880 
+ 3,28 A.P. 

2®. Het gedeelte tusschen het eiland van Dordrecht en 
de Nieuwe Merwe van de Ottersluis tot tegenover de 



277 



Deeneplaat, bestaande uit kleine meestal omkade eilan(^es 
en een grootere plaat nl. de zuidelijkste , de Tongplaat. 
Dit gedeelte ligt het laagst; peilen van + 0,4 tot 
+ 0,8 A.P. 

3«. Het grootste deel, gelegen t. Z. van de Nieuwe Merwe 
en in het oosten van het Nieuwland van Altena geschei- 
den door de Bakkers- en Bleeke Killen , t. Z. grenzende 
aan het Oude Maasje en den Amer. 

Het is reeds door een doorloopenden bandijk langs den 
linkeroever der Nieuwe Merwede tegen deze rivier beschermd; 
deze dijk van Werkendam tot Deeneplaat ligt met den 
kruin van + 3,85 tot + 5 A.P. en daarom worden in dit 
gedeelte reeds bekadingen toegestaan van + 3 A.P. De 
voornaamste kil , die ook door den bandijk is afgedamd , 
het Steurgat, loopt van het N. naar het Z. , van even 
beneden Werkendam aan de Nieuwe Merwe tot tegenover 
den mond van de Donge aan den Amer, zij heet hier 
S p ij k e r b o o r. T. O. van die kil tot aan de Bakkers- , 
Bleeke- en Oostkillen , die zooals wij weten van zooveel 
belang zijn voor de afwatering van het Land van Altena 
en welke laatste in het Spijkerboor uitkomt, Uggen de 
gi'ootste bekadingen van vruchtbare vette zeeklei, als: de 
Kamemelkspolder , de Prikwaard , het Boerenverdriet , het 
Jannezand , enz. , reeds in de vorige eeuw bekaad met 
Z. P. van -0,2 tot + 0,4 A.P. Het N. O. deel ligt het 
hoogst tot + 1,8 A.P. , het W. boven + 0,7 A.P. , gemid- 
deld + 1.2 A.P. De i millioen M' grond die in 
1871—80 uit de Nieuwe Merwede werden gebaggerd wer- 
den in de killen gestort en waarschijnlijk zal het tot stand 
komen van een nieuwen Maasmond (zie bl. 22) ook een 
doorloopenden bandijk langs den noordelijken oever van den 
Amer medebrengen, waardoor alzoo de Biesbosch, maar 
raet betere quaUteit van gronden ~ zeeklei in plaats van 
veen — op de wateren heroverd zal zijn. 

In het oostelijk gedeelte vormen de bekadingen bij eenige 
vereenigd waterschappen of behooren tot die van het 
Nitaiwland van Altena ; hot noordelijk gedeelte t. Z. van 



278 



den bandyk behoort grootendeels (19 waterstaatkundige 
polders) aan het Kroondomein. 

Gtoeree en Overflakkee. Dit eiland bestond in den 
aanvang der 16e eeuw nog uit 2 deelen: Groedereede, 
het oude West Voorn, en Overflakkee, het oude Zuid 
Voorn. 

Overflakkee bestond in de He eeuw nog uit 3 
eilanden : Dirksland , de Beide Tongen en Ooltgensplaat ; 
de beide laatste werden in de volgende eeuw vereenigd. 
Die drie voormalige eilanden vormen dus de kernen 
waaromheen de andere bedijkingen zijn aangesloten. De 
polder van Dirksland t. W. van dit dorp en t. Z. van 
Melissant en die van Herkingen t. Z. daarvan zijn het 
oudst (octrooi H15). Verder ligt het oudste gedeelte t.0. 
daarvan (het Oudeland van Sommelsdijk en Middelhamis, 
welke groote dorpen nog in het begin dezer, eeuw aan het 
Haringvliet lagen, doch nu door aandijking wel ^'ï uur 
daarvan verwijderd zijn (belangrijke aandijkingen t N. van 
die dorpen in 1808). Ook het oostelijk deel t. Z. van den 
Bommel tot Ooltgensplaat werd in de 15e en 16e eeuw 
ingedijkt. 

G o e r e e. De oudste kern , van waar de vorming 
van dit eiland is uitgegaan, bestaat uit de polders 
Oud-Nieuwland (Oude Oord „de Groede") (octr. 1357) en 
Nieuwen Oord (Nieuwen Oord „den Oirt) (octr. 1357), in 
het N. W., onmiddelijk aan de zeer smalle duinstrook en 
hoog gelegen ; er komen peilen in voor van + 2,1 en + 
2,3 A.P. ; de bedykingen die hiertegen langzamerhand aan- 
sloten strekten zich omstreeks 1711 nog niet verder oost- 
waarts uit dan de Haven van Goeree. In het jaar 1751 
eerst werd de dam gelegd die Goeree met Overflakkee 
verbond , ter hoogte van het smalle gedeelte bij het tegen- 
woordige dorp Stellendam; dit geschiedde door de Provincie 
Holland. Daartegen werd in 1780 de Eendrachtspolder en in 
1804 de Halspolder aangedijkt, waardoor de twee eilanden 
tot één geheel samengroeiden. 



279 



Goeree eu Overflakkee ligt in 't algemeen hooger dan 
alle andere eilanden. De oude kernen van Dirksland , Som» 
melsdljk, Middelharnis en Oude Tonge hebben Z. P. van 
-0,45 tot -1 A.P. , bij den Bommel van -0,8 A.P. De 
buitenste, nieuwere polders liggentotop + l,8A.P. op Over- 
flakkee ; bij Goeree gemiddeld + 1 A.P., maar ook + 1,55 
en bij de duinen + 2.1 en + 2,3 A.P. De verbinding bij 
Steilendam ligt -0,15 A.P. 

De afwatering geschiedt voor een groot gedeelte 
op de volgende 4 boezems : 

Boezem van de Haven van Dirksland, gevormd 
door die haven , die van het dorp Dirksland ongeveer een 
uur noordwaarts loopt en door een schutsluis op het Ha- 
ringvliet loost tegenover Hellevoetsluis ; de haven heeft een 
zijtak bij Dirksland. Buitenwaterstand te Helle- 
voetsluis (1871-1880) M. VI. + 1,01 M.E. - 0,81 A.P. Er 
loozen 11 waterstaatkundige polders op , waarvan de oude 
polders Dirksland en Oude Plaat Z.P. hebben van —0,6 en 
- 0,8 A.P. ; de andere hggen + 0,8 tot + 1,1 A.P. De 
groote Polder van Dirksland is de eenige op het geheele 
eiland die bemalen wordt. 

Boezem van de Haven van Middelharnis , ge- 
vormd door die haven ( * u. lang) en een zijtak van Som- 
melsdijk, loost op het Haringvliet door een schutsluis. 

Er loozen 6 waterstaatkundige polders op, waaronder 
het Oudeland van Sommelsdijk (Z.P. —0,75); de andere 
polders hggen van + 0,4 tot + 1,8 A.P. 

Boezem de Spnikom van de Haven van Gk>e- 
dereede , door die spuikom t. W. van de stad gevormd 
loost te Goedereede op de Haven. Buitenwaterstand 
in de haven bij de spuikom (1861-1870) M. VI. + 1,11, 
M. E. -0,35 A.P., aan het einde resp. + 1,05 en -0,78 A.P. 
Er loozen drie polders op t. W. van Goedereede, van welke 
de Oudelandsche polder zich uitstrekt tot aan den zeedijk 
langs het Springersdiep (zuidkust van het eiland) , gelegen 
van -1,25 tot + 1,65 A.P. 

De boezem van den Galatheschen Polder, enz. , 



280 



gevormd door een klein water , waarop de Galathesche 
polder afwatert , dat door de Galathesche sluis op het Vol- 
kerak loost. Er loozen 4 waterstaatkundige poldOTS op 
met Z.P. van —0,24 tot —0,50 A.P. , gelegen in den zuid- 
oostelijken uithoek des eilands. 

Alle andere landen wateren rechtstreeks en vry (zonder 
bemaling) op het buitenwater af. De watermolen van 
Dirksland is alzoo de eenige op het geheele eiland. 

Administratieve indeeling. De uit één tot 
drie waterstaatkundige polders samedgestelde administra- 
tieve polderlichamen staan geheel op zich zelven. Alleen de 
polders rondom Dirksland en Melissant, welke op de Haven 
van Dirksland loozen, uitgenomen de Kraaijenisse- en 
Kraaijensteinpolders in het noorden , zijn vereenigd door 
den band van : 

Het bestuur van de gemeene uitwatermg van 
Dirksland. Deze vereeniging bepaalt zich echter slechts tot 
het beheer en de regeling van de gemeenschappelijke be- 
langen der uitwaterlng en tot het onderhoud van eenige 
werken daartoe 'betrekkelijk. Reglemant van Jan. 1868. 

B. Noord-Brabant. 

De Noord-Brabantsche zeeklei neemt een aanvang 
tusschen de Vs è 1 uur van elkaar verwijderde ban- 
dijken van het Oude Maasje. T. Z. van den zuide- 
lijken bandijk strekken de polders zich uit t. W. van 
den linker leidijk van den Baardwijkschen Overlaat en 
t. N. van den Moerdijk over Sprong tot de 's Gravenmoer- 
sche Vaart , voorts over 's Gravenmoer t. N. van Ooster- 
hout om langs den Hout tot Terheijden aan de Mark , ora 
zich daarna ook t. Z. doch niet ver van deze rivier uit te 
strekken tot de hoogere gronden in de lijn Oudenbosch — 
Oud Gastel — Halsteren — Bergen op Zoom. Het genoemde 
gedeelte werd als deel uitmakende van den Grooten (Zuid- 
HoUandschen) Waard door den St. Elizabethsvloed grooten- 
deels overstroomd en lag daarna deels open , deels voort- 
durend onder het water bedolven, totdat het bij gedeelten 



2<S1 



herdijkt werd. Dit begon reeds in de 15e eeuw met eenige 
polders t. Z. van Mark en Dintel ; in de 16e eeuw werden 
de meeste polders t. N. van die rivier tot aan het Hol- 
landsch Diep tusschen den Moerdijk en Willemstad inge- 
dijkt en ook die tusschen den Roozendaalschen Vliet en Ber- 
gen op Zoom. Eerst in de 17e eeuw en later geschiedde 
dit met de polders t. W. van Willemstad en den Oud- 
Heijningschen dijk tot aan Mark en Dintel en tusschen 
deze rivier en den Roozendaalschen Vliet , zooals de Oude 
Prinselandsche polder (2080 H.A.) in 1605 , enz. 

In 1650 werd de doorloopende dijk aangelegd van Moer- 
dijk tot Geertruidenberg en daarmede werd een groote op- 
pervlakte polders daarbinnen ingedijkt. De smalle strook 
polders langs de Schelde t. Z. van Bergen op Zoom bij 
Woensdrecht en Ossendrecht is eerst na het midden der 
17e eeuw ingedijkt. De in de 16e eeuw verdronken lan- 
den van het Marquisaat van Bergen op Zoom , thans een 
prooi der Ooster-Schelde, komen droog bij eb. 

De hoogte dezer N.-Br. zeekleipolders is van Geer- 
truidenberg tot Moerdijk van + 0,6 tot —0,4 A.P., onge- 
veer met Z.P. van —0,3 tot — 1 A.P. Van Moerdijk tot 
Willemstad en den Oud-Heijningschen dijk zijn de Z.P. van 
-0,5 tot —1,7, gemiddeld —1 A.P. Ook de andere pol- 
ders t. Z. van den Roozendaalschen Vliet Uggen met Z.P. 
van —0,45 tot — 1,15A.P., doch de latereeerst vande 17e 
eeuw dagteekenende bedijkingen tusschen den Oud-Heijning- 
schen dijk en den Rozendaalschen Vliet liggen hooger met 
Z.P. van + 0,1 tot + 0,75 A.P. T. Z, van Bergen op Zoom 
liggen eerst hooge gronden op een enkelen polder na met 
Z. P. van + 0,95 A.P. tot aan den Prins Karelpolder t. N. 
van Woensdrecht : de dan volgende polders liggen hoog , 
tot 2,1 A.P. met Z.P. van + 0,15 tot + 0,6 A.P. 

Do afwatering dezer bedijkingen geschiedt grooten- 
deels op boezems en op de rivieren de Donge en de 
Mark en Dintel; enkele deelen t. O. van Geertruidenberg, 
tusschen deze plaats en Moerdijk , bij Willemstad , bij Nieuw 
Vosmeer en t. Z. van Bergen op Zoom, loozen rechtstreeks 



282 



op het buiteiiwater. Tot deze laatste behooren dus ook 
de landen rechtstreeks afvloeiend op het Oude Maasje , dat 
open is en waarin getij oploopt en dat dus buitenwater is. 

Sommige bedykingen van Geertruidenberg tot Steen- 
bergen, in 't algemeen die welke het laagst li^en, 
worden bemalen. 

Op het Oude Maasje wateren af de slechts omkade 
buitenpolders , aanwassen of waarden tusschen de bandij- 
ken, zich uitstrekkend van de zomerkade boven den Baard- 
wükschen Overlaat tot Geertruidenberg en bekend om hun 
uitmuntend hooi. Wij hebben van deze landen reeds mel- 
ding gemaakt bij de behandeling van het Land van Heus- 
den en Altena (zie bl. 244) , waarvan gedeelten mede op 
die rivier afwateren. Zij hebben Z.P. van + 0,05 tot 
+ 0,50 A.P. en doen hun overtoUig water afloopen door 
uitwateringssluisjes in hun kaden , óf direct op het Oude 
Maasje óf op de vrij daarin uitkomende vaarten en ha- 
vens van de binnendijksche Langstraatsche en Heus- 
densche dorpen. T. Z. van den zuidelijken bandijk 
t. W. van den linker leidijk van den Baardwijkschen 
Overlaat, en t. N. van den Moerdijk, die aan dien 
leidijk ter hoogte van de zomerkade aansluit , tot aan de 
's Gravenmoersche Vaart en de Donge in het westen lig- 
gen de zoogenaamde Binnenpolders met Z.P. van + 0,2 A.P., 
natuurlijk afwaterend op de binnendijksche gedeelten van 
genoemde vaarten en havens ; tusschen Waspik en Raams- 
donk liggen een paar polders die bemalen worden. Bui- 
tenwaterstanden te Keizersveer M. VI. 1,31, M. E. - 0,41 
A.P., te Geertruidenberg (1874-1880) M. VI. + 1,26, M.E. 
-0,46 A.P. 

De Donge. Deze rivier op de hooge heide bij Baarle-Nassau 
ontspringend , stroomt boven Geertruidenberg vry op het 
Oude Maasje af en is door den watermolen bij Dongen in 
2 panden verdeeld ; in het geheel wateren er 28500 H.A. 
polders en hooge gronden en op het benedendeel alleen 
14000 H.A. op af. Er loopt tij in tot 's Gravennioer. 
Buitenwaterstanden zijn te Geertruidenberg: M. VI. + 1,11, 



283 



M.E. —0.70 A.P. , te Willemsveer onder Raambdonck in 
den weg Breda— Gorinchem + 1,10 en —0,48 A.P. 

Er loozen op : de Nieuwe Buitendijksche Hooipolder, tus- 
schen de dijken van het Oude Maasje gelegen, die tevens 
hierop afwatert ; de groote Emiliapolder t. W. van Geer- 
truidenberg, zich in het zuiden tot aan den Steelhoven- 
schen dijk en t. Z. van Hooge Zwaluwe uitstrekkend en 
tevens rechtstreeks op den Amer loozend door de schut- 
sluis bij Drimmelen: Z.P. —0,30 A.P. Voorts eenige 
polders t. Z. van Geertruidenberg tot aan de lijn 's Gra- 
venmoer— den Hout. Alle natuurlijk af waterend. 

T, W. van den Emiliapolder, van Hooge Zwaluwe tot even 
t. O. van de brug over het HoUandsch Diep en tusschen 
deze brug en den Moerdijk liggen langs het buitenwater 
polders met Z.P. van —0,5 tot —1 A.P. , met wind- 
molens opmalend in voorboezems, die recht- 
streeks op het HoUandsch Diep loozen. Ook 
de groote Zonzeelsche polder tusschen Hooge Zwaluwe en 
Zevenbergschen Hoek, zich uitstrekkend tot den noorde- 
lijken dyk van de Mark en gelegen op —0,4 k —0,7 A.P. , 
maalt zijn water op in een groeten voorboezem , welke bij 
Hooge Zwaluwe door een uitwateringssluis op de Zwaluw- 
sche Haven afwatert. 

De boezem vanhetHeerenhnisscheVlielgewordt 
gevormd door een kleine vaart, een aanvang nemend aan 
de Blauwe Sluis en loozend op het HoUandsch Diep door 
de Heerenhuissche sluis t. O. van de brug , waardoor ook 
zoo noodig wordt ingelaten. Er wateren eenige polders 
met laagste Z.P. van —0,8 A.P. vrij op af. 

De boezem van het Poldervlietje , gevormd door 
dit vlietje en een zijtak en loozend door de sluis van het 
Waterschap den Royalen Polder op de Haven van den 
Moerdijk, dient tot waterberging van 700 H.A. polders 
t. Z. en t. O. van dit dorp met laagste Z.P. van —0,8 A.P. , 
die er door uitwateringssluizen op loozen. 

Buitenwaterstand aan den Moerdijk. M.Vl. 
+ 1,38, M.E. -0,65 A.P. 



284 



De boesem van de Boode Vaart of Haven van 
Zevenbergen wordt gevormd door het kanaal van dien 
naam, strekkend van de schutsluis aan het Langgatsche Veer 
aan de Mark tot het gehucht Roode Vaart aan het Hollandsch 
Diep. De boezem loost door de schutsluis op het Hollandsch 
Diep , soms gedeeltelijk op de Mark , als deze watei^brek 
heeft. Ook neemt hij wel aan het Langgatsche Veer water 
van de Mark over , als het geen schade doet en deze rivier 
sterk bezwaard is. Zooveel het met de waterloozing der 
polders is overeen te brengen wordt het Kanaal in het 
belang der scheepvaart op A.P, gehouden. 

Er slaan een aantal polders op den boezem uit, ter weers- 
zijden daarvan gelegen, waaronder de groote polder het 
Oudeland van Zevenbergen , t. Z. begrensd door den rech- 
ter Markdijk. Z. P. van —1,05 A.P. af. De polders wor- 
den met windmolens bemalen. 

BoeBem van den Orooten Polder, enz, T. W. van 
de polders loozend op de Roode Vaart liggen er eenigeom 
de Klundert welke hun water op elkaar aflaten tot het uit 2 
polders , (\e Groote Polder t. O. en t. W. van Klundert 
uitgeslagen wordt in een kleinen boezem , aan den mond 
van den Aalkreek t. N. van Klundert aan het Hollandsch 
Diep gelegen ; er liggen twee bergboezems bij ; de loozing 
geschiedt door een uitwateringssluis op het Hollandsch 
Diep. De polders hebben Z. P. van —0,9 tot —1,4 A.P. 
De oostelijke Groote Polder loost tevens rechtstreeks op 
het buitenwater ; terwijl de Keensche Gorzen , een lange 
smalle polder t. O. van Klundert en vroeger buitendijks 
gelegen langs de thans binnengedijkte Keenehaven , natuur, 
lijk hooger ligt (Z.P. —0,1 A.P.) en tevens op den boezem 
van de Roode Vaart loost. 

T. Z. en t. Z.0. van de Willemstad liggen de twee groote 
polders Ruigenhü en Oud-Heijningen resp. ingedijkt in 1564 
en 1584, met Z.P. van —1,06 en —0,65 A.P., welke even- 
als de stad Willemstad en de Beaumontspolder (1789) recht- 
streeks op het buitenwater loozen — de Ruigen- 
hilsche polder (deels na opmaling) en Willemstad op het 



2Sr, 



Hollandsch Diep en de polders Oud-Heijningen en Beaumont 
op de Oud-Heüningsche Haven , die vrij in het Volkerak 
uitloopt tegenover Ooltgensplaat. Buitenwaterstand te 
Willemstad (1871-1880) M.V1. + 1,80, M.E. -0.77 A.P. 

T. Z. van laatstgenoemde polders en van die malend 
op den boezem van den Groeten Polder, t. N. van de 
Mark en Dintel en t. Z. van deze rivier tot aan den 
Steenbergschen en Rozendaalschen Vliet, loozen een groot 
aantal polders op de rivier: 

De Mark en Dintel. Deze rivier , ontspringend op 
de hooge heidegronden in het Antwerpsche , komt bij Strij- 
beek in Noord-Brabant en ontvangt boven Breda het water 
van 6 kleinere riviertjes. Zij verdeelde zich vroeger bij 
Standdaarbuiten in 2 takken, waarvan de rechter, de 
Keen , langs Klundert loopend , in het laatst der vorige 
eeuw echter een eind beneden zijn bovenmond werd afge- 
sloten; beneden dit deelpunt heet de rivier gewoonlijk 
Mark en Dintel. De rivier werd in het begin dezer eeuw 
van Breda af gekanaliseerd (op bepaalde diepte en breedte 
gebracht) en aan den mond tot keering der zeevloeden en 
om de scheepvaart door een schut- en uitwateringssluis 
aan het Dintelsas afgesloten. Daar wordt ten slotte het 
water van het geheele stroomgebied, 200000 H.A. hooge 
gronden en polders, op het Volkerak geloosd, doch de wa- 
terstand zoo geregeld, dat deze aldaar nooit lager is dan 
-0,50 A.P. Het gemiddeld verval van Breda tot Din- 
telsas is 0,61 , de M. R. te Breda + 0,41 en te Dintelsas 
-0,19 A.P. (1865-1870), de hoogste stand + 2 en + 0,55 en 
de laagste —0,20 en —1,65 A.P. Bij groote droogte wordt 
water ingelaten uit de Zevenbergsche Haven (Roo(^e Vaart) 
aan het Langgatsche Veer. De polders die op de Mark 
loozen beginnen t. N. daarvan bij den spoorweg Breda— 
Moerdijk en hggen tot aan den mond , in een strook die 
afgebroken wordt door die polders welke op de boezems van 
de Roode Vaart en van den Groeten Polder uitwateren. Die 
t. Z. van de rivier wateren óf rechtstreeks daarop af óf 
op de Leussche Haven , de Laaksche Vaart , de Havens 



286 



van Oudenbosch en Dinteloord , die er op uitkomen , de 
eerste door een schutsluis. De zomerpeilen der polders 
die er op afwateren zijn van — 0;05 (aan den mond) tot 

— 0,75 A.P. ; enkele worden bemalen (aan de Keenehaven 
en het Langgatsche Veer). 

Buitenwaterstand aan het Dintelsas (1865—1878) 
M. VI. + 1,38 M. E. - 1,40; hoogste + 8,4 en laagste 

- 8,5 A.P. 

De boeBems (Ie en 2e pand) van den Boozen- 
daalschen en Zevenbergschen Vliet. Uit de vereeni- 
ging van 3 beken bij Rozendaal ontstaan , stroomde vroe- 
ger de Roozendaalsche Vliet beneden het dorp de Heen aan 
den noordwesthoek van Noord-Brabant ?t^* op het Volke- 
rak af. In 1823 gekanaliseerd , werd zij in 2 panden ver- 
deeld ; één bovenpand van Rozendaal tot het bovensas 
( I* u. boven Steenbergen) met kanaalpeil van —0,68 A.P. 
en één benedenpand van het bovensas tot het Steenbei^- 
sche Sas aan den mond van het Volkerak met kanaalpeil 
van —1,39 A.P. , welke peilen echter dikwijls ter wille van 
de scheepvaart verhoogd worden. Het benedenpand kan 
's zomers water uit het bovenpand inlaten. Buitenwa- 
ter stand Steenbergsche Sas M. VI. + 1,34 en M. E. 
-1,26 A.P. (1874-1880.) 

Op het benedenpand loozen de polders t. N. van den 
Vliet en t. W. van Dinteloord op 3 na, die rechtstreeks op 
het Volkerak afwateren ; voorts een groot aantal polders 
t. Z. van den boezem , van den mond langs en t. Z. van 
Steenbergen tot tusschen Kruisland en Roozendaal; de 
polderstreek loopt tegen de hooge gronden te niet, vanhier 
aan den Vliet tot Halsteren t. N. van Bergen op Zoom. 
De Z.P. zijn van -0,3 en -0,6 t. N. tot -0,4 en -1,15 
A.P. t. Z. van den Roozendaalschen Vliet ; de polders wate- 
ren alle natuurlijk af ; onmiddelijk langs den Vliet ligt veel 
boezemland. Tot het gebied van het bovenpand behoo- 
ren slechts een paar zeer kleine poldertjes even boven het 
l)ovensas omniddelijk aan den Vliet gelegen. 

Een kwartier t. W. van den mond van den Roozendaal- 



287 



schen en Steenbergschen Vliet aan den noordwestelijken 
uithoek van Noord-Brabant vangen een aantal bedijkingen 
aan, zich uitstrekkend langs de Eendracht van Nieuw 
Vosmeer tot Bergen op Zoom , alle rechtstreeks op 
het b u i t e n w a t e r 1 o o z e n d. Zij vormen een strook 
van Vi a i^i u. breedte, t. O. grenzend aan de^bedijkingen , 
die op den Roozendaalschen-Vlietboezem afwateren en in het 
Z. aan de hooge gronden bij Halsteren en Bergen op Zoom; 
het grootste gedeelte is ontstaan in de 2de helft der 17e 
eeuw. De westelijke zeedijk die hen beschermt grenst 
grootendeels niet onmiddelijk aan de eigenlijke geul van 
de Eendracht , maar aan de bij eb droogvallende slikken 
langs haar oostelijken oever. De Z.P. dezer bedijkingen 
zijn —0,20 tot —0,45 A.P. , een enkele aan de noordwest- 
punt heeft een Z.P. van + 0,25 A.P. 

Buitenwaterstanden. Tholen (1867-1872) M. VI. 
+ 1,8, M. E. -1,81 A.P.; te Bergen op Zoom (1871-1880) 
M. VI. + 1,91 , M. E. -1,78 A.P. 

Onmiddellijk t. Z. van Bergen op Zoom ligt de kleine 
Geertruidapolder , eerst in 1860 ingedijkt, dan volgen hooge 
gronden, afgebroken door den kleinen Augustapolder (1787) 
en iets t. N. van de Halte Woensdrecht van den Staats- 
spoorweg beginnen weer rechtstreeks op het buitenwater 
loozende bedijkingen ter breedte van V4 èt 1 uur , een kwar- 
tier t. Z. van Ossendrecht overgaande op Belgisch gebied 
en van welke laatste de buitenste eerst in deze eeuw zijn 
ingedijkt. Zij grenzen met den zwaren zeedijk aan de bij 
eb droogvallende slikken van het verdronken Marquisaat 
van Bergen op Zoom en t. Z. daarvan (t. Z. van den spoor- 
wegdam) aan de slikken van Hinkelenoord. De Z. P. 
zijn van —0,05 tot + 0,95 ; gemiddelde ligging op + 1 
^ + 2 A.P. 

Administratieve indeeling. De waterstaatkundige 
polders in Noord-Brabant, administratief op zich zelven 
staande en met eenige tot administratieve lichamen ver- 
eenigd zijn niet alle gereglementeerd. Alleen de 
gereglementeerde noemt men er waterschappen; deze 



2S8 



staan onder het „Algemeen Reglement voor de water- 
schappen in de Provincie Noord-Brabant/* 

Groote vereenigingen van polders zooals op het vaste- 
land van Holland komen hier niet voor. Belangrijke wa- 
terschappen zijn echter : 

De Oroote Emiliapolder , de bedijking van dien 
naam t. W. van Geertruidenberg omvattend , met 5 wa- 
terstaatkundige deelen. 

Het Waterschap de Royale polder bestaat uit 11 
watei-staatkundige polders, om en bij den Moerdijk gelegen, 
loozende rechtstreeks op het buitenwater , op het Heeren- 
huissche vlietje en op het PoldervUetje. 

Nog komen de volgende administratieve üchamen voor: 

Het Bestuur van de Haven en Sassen van Zeven- 
bergen (Roode Vaart). Het zie toe op de Roode Vaart en 
de waterleidingen van op den boezem afwaterende polders 
en onderhoudt de sluizen aan het HoUandsch Diep en aan 
het Langgatsche Veer. 

Het Waterschap de Vier Polders, een zuiver di;A-s- 
collegie, omvattende 2 waterstaatkundige polders (Groote 
polder en Nieuw Fijnaart) , behartigende de belangen van 
de gemeene waterkeering ; het heeft toezicht en beheer 
over de buitenwaterkeering langs het HoUandsch Diep 
van de Roode Vaart tot den Tonnendijk. 

Het Heemraadschap van de Mark en Dintel om- 
vat alle landen, verdeeld in 13 districten, belanghebbende 
bij den toestand der rivier , beginnende aan de Belgische 
grenzen bij Baarle-Nassau tot onder Dmteloord aan het 
Volkerak. Het heeft beheer en toezicht over alle werkea 
de rivier betreffende , als het diephouden , de sluizen aan 
het Dintelsas , enz. Reglement van Nov. 1858. 

Het Heemraadschap van den Rozendaalschen 
en Steenbergschen Vliet omvat bijdragende landerijen 
aanvangende onder Rucphen, Wouw en Rozendaal tot 
onder Nieuw- Vosmeer aan den mond. Het houdt toezicht 
op dijken , kaden , waterloozingen , sluizen, enz., die op de 



289 



afsluiting en scheepvaartbelangen betrekking hebben. Re- 
glement van Nov. 1862. 

De rechtstreeks op het buitenwater loozende bedijkingen 
langs Eendracht en Schelde zijn voor een deel gereglemen- 
teerd (waterschappen). Onder de polderUchamen die hier 
voorkomen is o. a. 

Het Waterschap de polder van Nieuw Vosmeer, 
bestaande uit 5 polders oni en t. Z. van Nieuw Vosmeer, 
welker polderwater gemeen ligt. 

C. De Zeeuwsche Eilanden. 
Schouwen en Duiveland. 

Voorheen waren Schouwen en Duiveland twee eilanden, 
van elkaar gescheiden door het Dijkwater, een breed 
water dat de Oosterschelde bij Zierikzee (Reede) met de 
Greveüngen verbond. Van 1614 tot in deze eeuw is dit 
echter door aandijking bijna geheel in land veranderd ; 
alleen het noordelijk deel is als een open smalle kreek 
overgebleven, loopende tusschen de buitenschorren door 
van den polder Dreischor op Schouwen en den Vierbannen- 
polder en polder Sir Jansland op Duiveland. Een ander 
overblijfsel, tusschen het genoemde deel en de Haven van 
Zierikzee, zeer smal, is binnengedijkt en doet als boezem 
dienst. Het vruchtbare eiland is zooals reeds boven ge- 
zegd van West Repart aan de noordkust t. O. van Re- 
nesse tot de zuidwestpunt bij Westerschouwen door duinen 
en overigens door dijken tegen het buitenwater beschermd. 

De kernen van Schouwen en Duiveland zijn zeer oud. 
Het oudste deel van Schouwen is de pr. Schouwen t. W. 
van Brouwershaven , Noordgouwe en Zierikzee , met de 
duinstreek. De polders Zonnemaire en Noordgouwe werden 
omstreeks 1400 ingedykt, terwijl Pr. Dreischor, de N.0. 
uithoek, die eerst met pr. Sir Jansland een afzonderlijk 
eiland vormde doch in 1288 daarvan werd gescheiden, 
onder Karel den Stoute tegen Zonnemaire en Noordgouwe 
werd aangedijkt. 

Later is aan Schouwen betr. weinig meer aangedijkt : be- 

19 



290 



halve eenige polders t. O. van Brouwershaven en langs het 
Dijkwater is niet veel aangewonnen ; bij Zierikzee is voor- 
heen het zoogenaamde Nieuwland verdronken, dat echter in 
1831 ten deele herdijkt is. Van Duiveland is het westelijk 
deel, de polder Vierbannen van Duiveland, het oudste; 
langs de oostzijde zijn daartegen reeds in 1305 en 1345 
respectievelyk bedijkt de polders Oosterland en Sir Jans- 
land , thans één waterstaatkundigen polder vormend , en 
later in 1467 tegen de oostzijde van deze de Bruinissepol- 
der , waarbij nog later de Stoofpolder is gevoegd. 

Behalve de jongere bedykingen t. O. van Brouwershaven, 
die op + 0,5 AP. i + 1,4 AP. liggen, ligt Schouwen zeer 
laag. Het bestaat voor het grootste gedeelte uit één wa- 
terstaatkundigen polder Schouwen, groot 9030 H.A. , 
waarop in het O. de polders Noordgouwe , Zonnemaire , 
Bommenede en eenige kleinere en in het W. de Oosteren- en 
Westerenban der duinen afvloeien. Die groote polder, gem. 
—0,75 k —1,2, zelfs tot —1,6 A.R gelegen, heeft een 
Z.P. van —1,87 A.P. en wordt sedert 1876 bemalen door 
een stoomgemaal met 2 scheprad-machmes , elk van 60 F. K. 
werkelijk vermogen. Dit gemaal staat in het Z. dicht bij 
den inlaagdyk van Flauwers juist t. Z. van het gehucht 
Moriaanshoofd. Het slaat uit op een groeten voorboezem, 
gevormd door de 1« , 2® en 3® inlaag van Flauwers , een 
lange smalle wateroppervlakte langs de binnenzijde van 
den zeedijk , die door 3 sluizen op de Oosterschelde kan 
aftappen. Ook maalt aldaar de Groote Windwatermolen 
soms nog in den boezem op , als geen sterke bemaling 
noodig is en om brak ktodwoXer te verwijderen. De polder 
kan voorts in gunstige omstandigheden nog natuurlijk 
afwateren door de Westhavensluis te Zierikzee. Eenige 
zeer laag gelegen landen t. Z.0. van Serooskerke zijn 
afgescheiden en slaan door den Ouden Molen op het pol- 
derwater van Pr. Schouwen uit. 

Hoogste boezemstand + 1,50 A.P. ; hoogste opbrengst 
die kaden en stoomtuigen toelaten -f 1,75 A.P. 

Polder Dreischor slaat met een centrifugaalpomp-stooni- 



291 



gemaal aan het Haventje van Beider t. Z. van Dreischor 
uit op het Dijkwater (buitengedeelte). 

Buitenwaterstanden (1872—1880). Brouwershaven 
M. VI. + 1,21 , M.E. -1,07 A.P., Zierikzee M. VI. +1,38, 
M.E. -1,41 A.P. (♦) 

De reeds genoemde uit het Dijkwater ontstane polders 
t. W. van de Vierbannen van Duiveland wateren , op een 
paar kleine polders na, uit op den Boee^n Tan het 
Dijkwater , bestaande uit het binnengedijkte stuk der voor- 
malige kreek, van den afsluitdam aan het noordelijk 
opeu deel tot de sluis aan de Haven van Zierikzee, door 
welke sluis de boezem op die open haven loost. De 
polders wateren alle natuurlijk op den boezem af. 

Duiveland bestaat uit drie groote waterstaatkundige 
polders en één kleineren : den Vierbannenpolder (gem. 
-0,8 AP.) , die door een stoomgemaal met 2 pompen , 
staande in het N. binnen de Stevensluis, zijn water uitslaat 
op het Dijkwater (open deel); den polder Sir Jansland en 
Oosterland met een Z.P. van —1,34 A.P. , met een stoom- 
tuig van 40 P. K. (werkelijk vermogen) uitslaande in den Z.W. 
hoek op een spuiboezem, die het water door een sluis bij Via- 
nen aftapt op hetKeeten; denOost-DuivelandschenofBrui- 
nissepolder, gelegen op + 0,05 tot + 0,68 A.P. en den 
Kleinen Stoofpolder. 

Administratieve indeeling. 

Het Waterschap Schouwen omvat den polder 
Schouwen, benevens een vijftal kleinere polders bij 
Brouwershaven. Het Waterschap is belast met het 
maken en onderhouden van alle werken van waterkeering 
en oeververdediging (op enkele doelen na, waar zulks 
door onderhoudspUchtigen geschiedt) en van waterafleiding, 
als uitwateringssluizen , gemalen , enz. Het Bestuur be* 
staat uit één Voorzitter, 4 Heemraden en 18 Hoofdinge- 
landen; Voorzitter en heemraden vormen het CoUegie van 
Dagehjksch Bestuur. Reglement van 10 Nov. 1871. 

[*] Deze opgaven en de volgende z^n die der gem. e<nnersta.nden en ver- 
schillen daardoor iets van de gem. jaarlifksché standen In de Tabel op bl. 60, enz. 

19 • 



292 



De andere polders van Schouwen staan adm. op zich zelven. 

In het W. tegen de duinen vindt men den Oosteren- 
en Westerenban van Schouwen, elk met eeneigen 
bestuur van 1 Dijkgraaf, 2 Gezworenen en 1 Ontvanger; 
het laatste is o. a. belast met de duinbeplanting, terwijl 
deze langs den Oosterenban evenals de oeververdediging 
sinds 1872 aan het Rijk behoort. 

Op Duiveland vormen de 2 waterstaatkundige polders 
Vierbannen en Sir Jansland met Oosterland elk op zich 
zelven een adm. polder. De polders Bruinisse en Stoofpol- 
der zijn vereenlgd tot het Calamiteus Waterschap Bruinisse. 

St. Philipsland. 

Dit eiland wordt met zeer breede buitenschorren in het 
W. door de Zijpe van Oost-Duiveland gescheiden ; t. 0. 
grenst het aan de meer dan Va u. breede sUkken van de 
Heene, die het van Noord-Brabant scheiden en waardoor 
de takken van de Eendracht, de kreek het Slaak (on- 
middelijk langs het eiland) en de Schelpkreek, loopen ; t. Z. 
aan de ^k u. breede slikken die het van Tholen scheiden, 
waardoor zich de Eendracht , de Mossel- en Krabbekreken 
kronkelen. 

St. Philipsland is nog niet lang aan de golven ontwoe- 
kerd. Het zuidelijk deel van het eiland, de Oude Polder, 
werd eerst in 1645 bedijkt , in 1776 volgde de kleinere 
Henriettepolder in het oosten ; terwijl de grootste noorde- 
lijke helft: de Aima Jacoba- en Kramerspolders — één 
waterstaatkundige polder met 2 adm. deelen — eerst in 
1847 werd bedijkt ; in 1856 werd daaraan nog de kleine 
"Willemspolder toegevoegd. 

De Oude Polder ligt -f 0,8 è, + 2,4 A.P. (Z.P. -0.7) en 
loost in den Z.O. hoek bij het dorp St. Philipsland op de 
Mosselkreek; de Jacobapolder op —0,2 k + 1,9 A.P. 
(Z.P. —1,3) loost door eene uitwateringssluis op de Zijpe. 

Buitenwaterstand. Zijpe M.V1. + 1,36, M.E. 
-1,56 A.P. 

Pe adm. polders staan op zich zelven. 



293 



Tholen. 

Tholen is van Duiveland gescheiden door de breedeKee- 
ten en het Mastgat en de slikken langs die wateren, sa- 
men ter breedte van V2 uur, en van Noord-Brabant door de 
Eendracht. Het bestond weleer uit 2 eilanden: Ma-artens- 
dijk het westelijke en Tholen het oostelijke, gescheiden door 
een water , de Pluimpot genaamd , hetwelk thans nog als 
open kreek van Scherpenisse langs Maartensdijk naar Go- 
rishoek loopt aan de Oosterschelde , doch t. N. van Scher- 
penisse , geheel als Pluimpotpolder , enz. is binnengedykt , 
terwijl nog een smalle sloot van dien naam er door loopt. 

Het grootste gedeelte des eilands is bedijkt sinds zeer 
oude tijden ; de nieuwere bedijkingen liggen voornamelijk 
in het noorden langs de slikken van Eendracht , Mossel- en 
Krabbekreek; drie bedijkingen langs deze laatste zijn van 
1843, 1850 en 1860. 

Deze liggen -f 0,8 a + 1,6 A.P. De andere deelen hg- 
gen lager ; in het algemeen Uggen de landen A.P. è. -f 0.5 A.P. 
De laagste peilen komen in de oude landen in het zuiden 
voor, nl. tot -0,6 A.P. De Z.P. dalen tot -1,15, -1,8 en 
voor den polder Scherpenisse in het zuiden tot —1,95 A.P. 

De afwatering heeft langs natuurlijken weg 
plaats, nl. door uitwateringssluizen en rechtstreeksop 
het buitenwater; de Oudelandsche polder t. N. van 
Maartensdijk kan echter ook door een molen bemalen wor- 
den. Om zonder boezenis tot voorloopige waterberging te 
kunnen loozen , moeten de binnenste polders van het eiland 
en zelfs enkele der buitenste , d. i. verreweg het grootste 
gedeelte van het eiland, hun polderwater op elkaar en op 
de aan het buitenwater gelegen polders doen afvloeien. 

Buitenwaterstanden. Oosterschelde te Gorishoek 
(1882-1880) M. VI. 1,63, M. E. -1,55 A.P. ; Eendracht 
te Tholen (1871-1880) M. VI. 1,82 en M. E. -1,66. A.P. 

Admistratieve indeeling. 

De waterstaatkundige polders of deelen er van vormen 
admistratieve polderlichamen , die bij eenige , meestal een 
vrij groot aantal , tot waterschappen vereenigd zijn , als 



294 

o. a. Waterschap Stavenisse (calamiteus) en Wftterectep 
Scherpenisse (ook calamiteus), voorts de Waterscbappen 
Maartensdijk (9 polders), St. Annaland (6 polders), Poort- 
vliet (8 polders), Oud Vosmeer (7 polders), de Vrije 
Polders onder Tholen (7 polders), enz. Reglementen van 
15 Oct. 1874. 

Waloheren. 

Dit eiland bestaat uit de vereeniging van de voormalige 
eilanden Walcheren en St. Joostland. St. Joost- 
land, het tegenwoordige Z. O. deel des eilands, gelegen 
aan het Sloe , dat het van Zuid-Beveland scheidt , werd 
in en na 1631 , grootendeels nog in de 17e eeuw, bedijkt. 
Daardoor kwam de belangrüke koopstad Arnemuiden, vóór 
dien tyd aan den breeden zeearm tusschen Walcheren en 
Zuid-Bt^veland gelegen, aan het Arnemuidensche Gat, het- 
welk toen nog Walcheren van St. Joostland scheidde. In 
1818 werden beide eilanden door een dam verbonden en in 
1846 en 1860 vereenigden de Mortier- en Schorerpolders, 
door de indijking van het zuidelijk gedeelte van het Arne- 
muidensche Gat, de beide eilanden tot een geheel. Van 
het Arnemuidensche Gat is nu nog slechts een klein smal 
binnengedijkt deel tusschen Nieuwland en Arnemuiden over, 
dat gedeeltelijk door middel van een zijtak, de oudeAme, 
gemeen ligt met het scheepvaartkanaal door Walcheren. 
Het tegenwoordige eiland is door het Kanaal van Wal- 
cheren, dat van VUssingen over Middelburg naar Veere 
loopt, in tweeen gescheiden. 

Geheel Walcheren t. W. van het Kanaal, op een zeven- 
tal kleine polders na in den noordhoek bij het dorp Vrou- 
wepolder, bestaat uit één enkelen waterstaatkun- 
digen polder, den Polder Walcheren A, die op 
-0,5 è + 0,5 A.P. ligt, een Z.P. van - 1,25 A.P. heeft en 
bij Veere door een uitwateringssluis op de Schelde natuur- 
1 ij k loost. De genoemde kleine 7 polders lat^n hun water 
op polder Walcheren afvloeien. 

T. O. van het Kanaal tot aan het voormahge Amemui- 



395 



densche Gat liggen de polders Walcheren B. met Z. P. 
van —1,25 A.P. , uitwaterend op het buitenkanaal bij Veere, 
en Walcheren C. met Z. R van —1,3 A.P. , loozend 
t. O. van Vlissingen op de Schelde , de eerste t. N. , de 
laatste t. Z. van het Kanaal door de Oude Ame ; voorts 
de Oranjepolder t. N. van de Haven van Arnemuiden. 

St. Jüostland bestaat uit een aantal bedijkingen gelegen 
op 4- 0,8 a + 0,9 A.P. De in 1846 en 1860 op het Ar- 
nemuidensche Gat en het Sloe gewonnen polders liggen 
+ 1,75 k + 1,9 AP. 

Buitenwaterstanden Veere (1872-1880) M. VI. 
+ 1,46, M. E. -1,82, Vlissingen (1871-1880) M. VI. 
+ 1,74, M. E. -1.79 A.P. 

• Admistratieve indeeling. Alle polders t. W. van 
St. Joostland met uitzondering van een paar polders bij 
Arnemuiden vormen samen den Polder Walcheren. 
De polder is belast met het onderhoud van alle zee- en 
rivierwaterkeeringen , uitwateringssluizen , watergangen , 
bruggen , duikers , enz. , van de voorname wegen en een 
aantal buurtwegen. Het Bestuur bestaat uit één Voorzit- 
ter, 4 Raden en 18 Commissarissen; de voorzitter èn 
raden vormen het Dagelijksch Bestuur. Reglement van 
13 Mei 1870. 

Noord-Beveland. 

Dit eiland is door het Veergat en de breede daarlangs 
liggende slikken van Walcheren gescheiden en van Zuid- 
Beveland door een grootendeels aangeslikt water , den 
Zuidvliet, welks oostelijk deel Zandkreek wordt geheeten. 

Eerst in het laatst der 16e eeuw (1598) en in het begin 
der 17e werd het N. O. deel van het tegenwoordige eiland 
bedijkt; de polders in het zuiden langs Zuidvliet en Zand- 
kreek werden eerst in de 18e en 19e eeuw aangewonnen , 
eveneens de westelijke langs het Veergat (Spieringpolder 
in 1856 en Onrustpolder in 1846). 

De polders liggen gem. + 1 AP. (+ 0,7 k + 1,6). 

Zij loozen op de Oosterschelde (Oud-Noord-Bevelandsche 



296 



polder), doch grootendeels in het zuiden op Veergat en 
Zuidvüet. De binnenste en enkele aan zee gelegen polders 
vloeien op de andere onmiddeUjk aan het buitenwater gren- 
zende af, die uitwateringssluizen ter natuurlijke loo- 
z i n g bezitten. 

Buiten waters tanden. Oosterschelde te Colijnsplaat 
(N. O. hoek) in 1872-1880 M. VI. + 1,35, M. E. -1,35 
A.P. , Zandkreek aan den Annapolder (1874-1880) M. VI. 
+ 1,46, M. E. -1,41 A.P. 

Admistratieve indeeling. De waterstaatkundige pol- 
ders vormen evenveel adm. polderlichamen en staan adm. 
op zich zelven , hoewel twee groepen bovendien door den 
band der 2 volgende waterschappen zijn vereenigd : 

Reglement op het beheer der gemeene uitwa- 
tering van de polders Willem-Geersdijk, Wisse- 
kerke, Thoorn, Sophia en Maria, gelegen in het 
eiland Noord-Beveland. Deze polders vloeien nl. alle 
op elkaar af, zoodat al het polderwater ten slotte op den 
Willemspolder komt, die, aan den Zuidvliet gelegen, door 
een uitwateringssluis op dit buitenwater loost. Het Wa- 
terschap onderhoudt en bestuurt alles wat tot de gemeene 
afwatering behoort. Reglement van Februari 1870. 

Reglement op het beheer der gemeene uitwa- 
tering van de polders Stads, Adriana, Anna, 
Oost, Frederik, Oud-Kortgene, West en Willem- 
Adriaan, gelegen op Noord-Beveland. Deze in het 
zuiden des eilands gelegen polders laten nl. alle op elkaar 
en ten slotte hun gezamenlijk polderwater op den Stads- 
polder bij Cortgene af, die het door 2 uitwateringssluizen 
op den Zuidvliet brengt. Het Waterschap onderhoudt en 
bestuurt alles wat behoort tot de gemeene uitwatering. 
Reglement van Dec. 1871. 

Zuid-Beveland. 

Dit eiland heeft in den loop der tijden groote verande- 
ringen ondergaan. Het eigenlijke Zuid-Beveland, vroeger 
van het thans daarmee vereenigde Wolphaartsdijk ge- 



297 



scheiden , bestond eertijds , nl. nog in de lie eeuw , uit 
twee eilanden , die de kernen zijn waarvan de vorming 
van het tegenwoordige eiland is uitgegaan. Het eene 
was de polder Breede Watering, zich uitstrekkend t. 
Z. van 's Heer- Arendskerke , Goes en de Oosterschelde 
in het noorden tot Kruiningen , Schore en 's Graven- 
polder in het zuiden. Het andere eiland lag t. Z. daarvan , 
t. Z. van Ovezande: het is het zuidwaarts uitspringend 
gedeelte t. N. van de dorpen Hoedekenskerke en EUewouts- 
dijk en ten oosten van Pr. Borssele en werd reeds in de 
13e en I4e eeuw grootendeels bedijkt; het werd toen van 
het noordelijke eiland gescheiden door een water loopend 
langs 's Gravenpolder en Ovezande, dat thans wordt in- 
genomen door een strook polders , den 's Gravenpolder, enz., 
die in de 14e , 15e en 16e eeuw werden bedijkt. In het 
oosten heeft Zuid-Beveland langs de Oosterschelde een 
breede strook gronds verloren, waarschijnlijk een 8000 H.A.; 
de plaats waar vroeger het bloeiende Reimerswaal lag, waar 
de Zeeuwen in 1573 de vloot der Spanjaarden versloegen 
en dat eindelijk in 1.614 geheel verdronk, ligt thans mid- 
den in de Oosterschelde; het geheele gedeelte t. O. van 
Kruiningen is in de 16e eeuw verdronken , doch reeds in 
diezelfde eeuw begon men te hordijken omstreeks Krab- 
bendijke; in het laatst der vorige eeuw werd t. O. daar- 
van de groote Reijgersbergsche polder ingedijkt en in deze 
eeuw volgden de beide Bathpolders van de Ned. Landaan- 
winning-Maatschappij langs de Ooster- en de Frederiks- en 
Eendrachtspolders langs de Westerschelde , zoodat wij nu 
het smalle oostelijk uiteinde des eilands hebben herwonnen. 
Het verdronken land van Zuid-Beveland en dat van het Mar- 
quisaat van Bergen op Zoom vormen thans nog een groote 
uitgestrektheid slikken, die bij eb droogloopen. In het 
westen daarentegen , t. W. van de polders Heinkenszand 
en EUewoutsdijk tot aan het Sloe en t. Z. van het Schen- 
gen, is het eiland door vele bedijkingen na de 16e eeuw 
zeer uitgebreid , o. a. met den groeten Borsselepolder (1616) 
in het Z.W. , het laatst nog in deze eeuw met de pol- 



298 



ders Jacob (1856) en van Citters (1861) langs het Sloe. 

Tot in het begin dezer eeuw lag Goes zeer dicht bij het 
buitenwater; het Schengen, een kreek met breede slik- 
ken , scheidde Zuid-Beveland toen nl. nog van het eilandje 
Wolphaartsdyk t. Z. van den Zuidvliet gelegen , liep ver- 
der t. N. van Goes om , ontving de Haven van Goes , en 
strekte zich verder oostwaarts door de slikken uit onder 
den naam van Goessche diep tot Kattendijke aan de Oos- 
terschelde. 

In 1809 werd echter de groots Wilhelminapolder 
t. N. van Goes , t. O. van Wolphaartsdijk en t. Z. van de 
Zuidkreek , met een' groot deel van het Schengen binnen- 
gedijkt (1640 H.A.), zoodat toen Wolphaartsdijk met Zuid- 
Beveland tot één eiland werden vereenigd. Na dien tijd 
hadden nog belangrijke bedijkingen langs het Schengen en 
den Zuidvliet plaats , vooral langs het eerste , zoodat dit 
water en zijn slikken thans nog slechts een kleinen inham 
vormen. Aan den ingang midden in de slikken tusschen 
Zuidvliet en Schengen ligt een klein eilandje bestaande 
uit den Sebastiaan-de-Langepolder (1847) en den Caland- 
polder (1857). 

Als overal elders liggen ook hier de oude landen het 
laagst. De polder de Breede Watering bewesten 
Yerseke heeft t. W. van het Kanaal door Zuid-Beveland 
(Hansweert— Wemeldinge) een Z.P. van —1,5 A.P. en 
schijnt gem. —0,5 A.P. te liggen; t. O. van het Kanaal 
is het Z.P. —1,4 A.P. Die groote polder zal van Dec. 
1888 bemalen worden door een hulpstoomgemaal van 
45 P. K. (met 2 centrifugaalpompen), staande aan de west- 
zijde van de tegenwoordige zeesluis te Kattendijke en 
rechtstreeks uitslaande op de Oosterschelde door buizen 
in den dijk. 

De oude landen bij Ovezande , Hoedekenskerke en Elle- 
woutsdijk hebben Z.P. van —1,56, -1,6 en -1,4, de Polder 
van Kruiningen (1570) van —1.55 en de Polder van Waarde 
(1510) van —1,4 A.P. Maar de westelijke, jongere bedijkin- 
gen, t. Z. van het Schengen en t. N. van de Westerschelde 



299 



tot aan het Sloe, liggen + 0.5 a 1,6 A.P. en de herdljkhi- 
gen in het oosten bij Krabbewdijke gem. + 0,75 A.P., op- 
klimmend tot + 1,5 en + 2 A.P. aan den spoorwegdam 
door de OosterscheMe. 

De uitwatering van al deze landen heeft plaats langs 
natuurlijken weg door uitwateringööluiien recht- 
streeks op het buitenwater, terwijl sommige binnen- 
ste polders op de buitenste laten afvloeien. 
Buiten waters tanden. (1871-1880) 

Westerschelde : Bath. M. VI. + 2,86, M. E. -1,98 
Hansweert „ +2,07, „ -1,96 
EUewoutsdijk „ -f 1j81 , „ -1,92 
Oosterschelde (1871-1880). 

Sas van Goes + 1,50, „ —1,40 

Wemeldinge ^- 1,63, „ -1,49 

Admlnistratidf staan de waterstaatkundige polders op 
zich zelven of zijn bij eenige vereenigd. Die genaamd de 
Watering van Borssele, de Watering van EUe- 
woutsdijk, de Willem-Annapolder en de Wete- 
ring van Waarde zijn calaraiteus. 

D. Xeenwsoh Vlaanderen. 

Dit gedeelte van Zeeland heeft in de laatste eeuwen 
zeer veel veranderingen ondergaan. In het westen , maar 
nog meer in het midden is veel land aangewonnen; in het 
oostelijk deel , het grootste gedeelte van het oude „Land 
van Waes", is vertoren en gedeeltelijk herwonnen. Langs 
de grenzen t. Z. van Hulst, in den Clingepolder, enz. komt 
op ons gebied nog een smalle strook zandgrond voor, als 
uiterste grens van een tertiaire formatie. Eveneens is dit 
het geval in den Z. W. uithoek bij Heille , Eede en St. 
Anna ter Muiden. 

Men kan zich de veranderingen het best op de volgende 
wijze voorstellen. 

In de 15e eeuw waren Sluis , Aardenburg en Sas van 
Gent nog zeesteden. Bewesten den oostelijken oever van 
den Braakman, zooals deze thans zich voordoet, werd 



300 



Zeeuwsch Vlaanderen tot aan de tegenwoordige Belgische 
grenzen by vloed overstroomd , behalve een klein eiland 
waarop de stad Biervliet lag, in 1377 door een geweldi- 
gen watervloed van het vasteland gescheiden, en het 
eilandje Cadzand. Dit gedeelte echter deed de zee bij 
eiken vloed al meer en meer aanslibben , en tusschen de 
nu en dan droogvallende deelen liepen diepere geulen of 
kreken , die deels ten behoeve van den handel der daar- 
aan gelegen steden werden diep gehouden. Deze waren: 
1. Het Zwin, een breede kreek, van de Wielingen t. W. 
van Cadzand zich uitstrekkend zuidwaarts tot Sluis en 
vervolgens oostwaarts tot Bakkersdam ; een oostelijke 
voortzetting daarvan was de toenmaals breede Pas sa- 
ge ui e, die in de richting W.-O. doorliep tot aan den 
Braakman. Takken van het Zwin waren de kreken: 
het Lapschuursche Gat, van Eede N. W. tot Slnis 
loopend; de Aardenburgsche Haven, van Aarden- 
burg N. W. loopend tot aan het Zwin t. O. van Sluis; 
een kreek van het tegenwoordige Oostburg N. O. naar de 
Schelde zich uitstrekkend en de Brandkreek door de 
slikken t. Z. van de Passageule en evenwijdig aan deze 
loopend tot Bakkersdam. Het eerst werden de gi'onden 
rondom Cadzand ingedijkt van 1600 tot in het begin der 
17e eeuw , oostwaarts zich uitstrekkend tot aan de Oost- 
burgsche kreek, de polders Oude Groede en die om 
Breskens ; daarna volgden de bedijkingen t. Z. van Sluis 
en om Aardenburg tusschen het Lapschuursche Gat en de 
Aardenburgsche Haven en t. O. hiervan , benevens de be- 
dijking van het Lapschuursche Gat zelf in de I7e eeuw. 
Het Zwin zelf begon men in de eerste jaren dezer eeuw 
in te dyken van den Bakkersdam af (1807) en ook de 
Aardenburgsche Haven (1814) ; totdat het Zwin door de 
bedyking van den Zwinpolder (1864) en van den gedeelte- 
lijk in België gelegen Willem-Leopoldspolder (1872) gehee' 
verdween ; de diepste geul of het Sluissche (Jat is nog in 
die polders te vinden doch nu geheel afgesloten. 
In het begin der 17e eeuw was men ook begonnen pol- 



301 



(Iers aan te dijken aan de oude kern van Biervliet, nl. 
naar het N. en het W. tot aan een vooreerst onbedijkt 
gebleven strook, van IJzendijke noordwaarts tot de Schelde 
loopend. Tusschen deze strook en de Oostburgsche Haven- 
kreek t. N. van de Passageule waren inmiddels de groote 
Prins Willempolder Ie en 2e gedeelte in 1650 en 1651 
bedijkt. De Oostburgsche kreek zelf, reeds in 1633 bij 
Oostburg gedeeltelijk ingedijkt , werd eerst in het laatst 
der 18« eeuw geheel binnengepolderd , eveneens was zulks 
het geval met de openliggende strook t. N. van IJzendijke ; 
vóór deze laatste werd in 1774 de groote Hoofdplaatpolder, 
waarin het tegenwoordige dorp Hoofdplaat, op de Schelde 
veroverd. 

Intusschen was men in de 2® helft der 17® eeuw aan- 
gevangen met de gronden t. Z. en t. N. langs de Passageule 
te bedijken , te beginnen aan den Braakman in het oosten ; 
in het begin der 18® eeuw volgden alle t. Z. van de Passa- 
geule nog niet ingedijkte en t. N. van de Brandkreek ge- 
legen slikken, welke laatste eerst in 1775 zelf werd inge- 
polderd. 

In 1788 eindelijk werd de Passageule bij het gehucht 
Bakkersdam van het Zwin endoor den Kapitalen Dam 
van den Braakman afgesloten en als Nieuwe Passageule- 
polder ingepolderd; de Bakkersdam aan het Zwin werd in 
1798 gelegd ten behoeve der militaire verdediging. Van 
de Passageule is in dien langen smallen polder een smal 
water overgebleven als middel ter waterloozing. 

Langs den westeUjken oever van den Braakman begon 
men, na het indijken van den Hoofdplaatpolder in 1775, 
veroveringen te maken t. N. en t. O. van Biervliet, meeren- 
deels nog in deze eeuw. De groote Elizabethpolder t. O. 
van Biervliet werd in 1866 ingedijkt en in 1846 de Ange- 
linapolder, als een eiland nog rondom in de wateren van 
den Braakman gelegen. 

T. O. van den Braakman deden in de 13* , doch vooral 
in de 16« eeuw geweldige watervloeden veel land verdrin- 
ken : de zoogenaamde landen van Saeftingen zijn thans nog 



302 



voor een groot gedeelte door de Oosterschelde verzwolgen, 
bfl ebbe droogloopende voor zooverre zy niet herdijkt zyn. 
Wat het overige gedeelte betreft , op eenig land na t. W. van 
Neuzen , by Ossenisae en t. Z. van Lamswaarde , lag het 
voormalige Land van Waes in het laatst der 16® eeuw 
geheel open voor den vloed en was met een menigte smalle 
kreken doorsneden. De Braakman had zich naar het 
oosten sterk uitgebreid: onder den naam van Axelsche 
gat drong hü landwaarts in langs Axel tot t. O. van Hulst 
en als SasscheOat van Pbüippine zuidwaarts tot aan 
Sas van Qent. Ook strekte zich het thans bijna geheel 
ingedijkte Hellegat van de Schelde zuidwaarts uit tot aan 
het Axelsche Gat. De herdijkingen begonnen in de eerste 
jaren der 17® eeuw uit te gaan van de kernen Neuzen , 
Axel , Hulst en Lamswaarde , nL t. Z. van Neuzen tot 
Axel en van deze plaats noordwaarts , tot in 1650 de 
groote Zaamslagsche polder t. Z.0. van Neuzen werd inge- 
dijkt. Tusschen Neuzen en het Hellegat volgden in de 
18® eeuw nog een aantal bedijkingen langs de Schelde en 
in 1816 de Nieuwe Neuzenpolder t. W. van Neuzen en 
t. O. van den Braakman. Dan volgden de polders t. O. van 
het Hellegat en de Clingepolder t. Z. van Hulst. 

Langs den Z. oever van den Braakman by Philippine be- 
gon men in het laatst der l?© eeuw in te dijken en ook 
midden in dien zeearm tusschen het Axelsche en Saaacbe 
Gat. Langs dit laatste werden reeds in de 17e eeuw groote 
polders bedekt , zoodat het in het begin dezer eeuw reeda 
betr. smal was geworden ; later is het eindelijk geheel door 
3 polders ingedijkt. De gronden langs het Axelsche Gat 
van Hulst tot Axel werden iq het laatst der vorige eeuw 
in een paar groote polders bedijkt tot even beoosten Axel, 
waarin een groot aantal kreken, thans boezemwater, over- 
bleven, en van hier werden westwaarts op tot Phihppine 
tot in 1870 nog een aantal bedijkingen langs het Axelsche 
Gat aangewopoen , ook nog de kleine Hellepolder mijdden 
in den Braakman tegenover PhiUppipe* T. Z. van de groote 
polders langs het Axelsche Gat tot aan de grenzen, van 



303 



Sas van Gent tot Koewacht, kwamen de bedijkingen in de 
17e en 18® eeuw tot stand. De Catharinapolder (1846) 
en de Willem III polder (1860) op het Hellegat veroverd 
deden dezen zeearm bijna geheel verdwijnen. 

Van de verdronken landen van Saeftingen werden her- 
dijkt t. O. van Lamswaarde de polder Oude Grauw in 
1619 , de Melopolder in 1683 en de Willem-Hendrikpolder , 
waarin het dorp Grauw, in 1687. In deze eeuw werden 
nog 4 groote bedijkingen , samen groot 2000 H. A,, waar- 
van een zeer klein deel in België gelegen , langs de Schelde 
heroverd. 

Zeeuwsch Vlaanderen watert voor her grootste deel niet 
rechtstreeks op zee af. In het westen loozen een groot 
aantal polders op den Boezem het Nieuwe XTitwa- 
teringskanaal in Zeenwsoh Vlaanderen. Deze 
wordt gevormd ten eerste door het smalle water in den 
Nieuwen Passageulepolder , dat is overgebleven van de 
weleer open kreek de Passageule tusschen den Kapitalen 
Dam aan den Braakman en den Bakkersdam. Van hier 
is in 1870—1875 een nieuw uitwateringskanaal ge- 
graven door de in deze eeuw ingedijkte polders in het 
Zwin , loopende tot bij Sluis , dan t. N. O. van deze plaats 
om en voorts N. W. langs Retranchement om zich t. N.W. 
van Cadzand door een sluis in de duinen op zee te ontlasten ; 
een paar zijtakken t. O en t. N. van Sluis in den Zwin- 
polder uitkomend liggen er mede gemeen. Dit kanaal werd 
gegraven door het Rijk met tienjarige bijdrage van polder- 
besturen, om te voorzien in de behoefte aan uitwatering 
van vele polders , die door de aanslibbing en indijkingen 
van Braakman en Zwin zeer belemmerd was. De 8000 
H.A. polders die er op loozen zijn: 1°. de oude polders 
rondom Cadzand , welker polderwater gemeen ligt , door 
een gemeenschappelijken waterkeerenden ring omgeven, 
dus samen slechts één waterstaatkundigen polder vormend 
genaamd de Watering van Cadzand , zich oostwaarts uit- 
strekkend tot aan den groeten polder de Groede en de 
polders onmiddellijk t. W van Oostburg gelegen ; 2^^ de uit 



304 



het Zwin ontstane polders, voor zoover zij op Nederlandsch 
gebied zijn gelegen — gedeeltelijk boezemland, 3* de pol- 
ders t.Z. van laatstgenoemde van Sluis tot Bakkersdam 
om Aardenburg , Eede en St. Kruis tot aan de grenzen en 
eindelijk 4» de Ned. bedijkingen t. Z van de Passageule 
van den Bakkersdam tot den B^apitalen Dam en eenige t. N. 
daarvan van den Braakman langs IJzendijke en Wat^r- 
landskerkje tot Bakkersdam. 

Eenige kleine polders t. Z. van de Passageule en twee 
groote polders t. O. van den weg Aardenburg— Eede (de 
Beoosten— Eede- en Biezepolders) en een kleine t. W. van dien 
weg wateren tevens af op het Belgisch uitwaterings- 
kanaal Heijst— Selzaete (Canal Leopold) , dat een 
gem. zomerstand van -f- 0,75 A.P. heeft en te Heijst op de 
Noordzee loost. Een paar kleine polders t. Z. van de Pas- 
sageule, bij Eede en bij St. Anna ter Muiden, loozen uit- 
sluitend op het Kanaal , dat tot uitwatering van het 
noordelijk deel der Belgische Provincie West- Vlaanderen 
dient. 

De oude polders van het Zwin liggen + 1,5 i + 2 A.P., 
ook die t. Z. daarvan ; de Watering van Cadzand zal wel 
lager liggen. 

Buitenwaterst anden. Te Breskens (1871 - 1880) 
M. VI. + 1,82, M. E. -1,79 A.P. ; te Heijst (1874- 
1880) M. VI. + 1,79, M. E. -1,85 A.P. 

Alle overige polders t. W. van den Braakman , dus o.a. 
de groote polders de Groede (Z. P. -1,24 A.P.), Oud Baar- 
zande (Z. P. -0,18 A.P.), de Prins Willem polder Ie en 
2e gedeelte , de polders onmiddelijk t. W. van Oostburg , de 
Hoofdplaatpolder (Z. P. -0,80 A.P.) en de bedijkingen 
rondom Biervliet loozen rechtstreeks op zee. 

Buitenwaterstand te Hoofdplaat (1871-1880) 
M. VI. -f 1,85, M. E. -1,81 A.P. 

Isabellawatering. Eenige polders langs den zuidelij- 
ken oever van den Braakman wateren op dezen boezem af, 
die 8/4 u. t. W. van Philippine door de Isabellasluis op den 
Braakman loost. 



305 



Van Gent loopt over Sas van Gent en Sluijskill tot Neu- 
zen aan de Schelde het Kanaal van ter Neuzen. Het 
is in 2 panden verdeeld , gescheiden door de schutsluis te 
Sas van Gent. Het benedenpand (werkelijk peil + 1 88 
A.P.) is in 1825-1827 gegraven in het belang van den 
Gentschen handel , terwijl er tevens 18000 H.A. Belgische 
landerijen op loozen. Om te voorzien in de afwatering van 
het 5e District (het deel van Zeeland t. O. van den Braak- 
man) , welke vroeger door het Kanaal van ter Neuzen 
plaats had, is in 1844-1846 door het Rijk gemaakt 
i. W. van het JTanaaf de Westelijke Bykswaterleiding 
bestaande in een tocht of breede sloot , loopend van Sas' 
van Gent naar Neuzen onmiddelijk langs den voet van den 
westelijken kanaaldijk of op geringen afstand er van- 
eenige zijtakjes m de voornaamste aangelegen polders' 
die meestal uit boezemland bestaan , liggen er mede ge- 
meen. Zy komt door een duiker uit in de westelijke ves- 
tinggrachten van Neuzen en loost met deze door sluiskokers 
in den Westbeer op de Schelde. Een strook polders 
(3100 H.A) van Neuzen tot t.Z. van Sas van Gent, langs 
de westzijde van het Kanaal en langs het Axelsche Gat 
gelegen, watert er op af. 

De afmetingen zijn betr. gering (2 a 4 M. breedte en 
1 ^ 2 M. diepte). Er is groot verval in den boezem: gem 
zomers tand bij Sas van Gent (1863-1870) -0,04 te 
Neuzen aan den Westbeer -1,37 bij het openen en '- 1 52 
A.P. bij het sluiten , op 2'/4 uur lengte. ' 

Buitenwaterstand te Neuzen (1871 - 1880) M VI 1 qa 
M. E. -1,91 A.P. ■ ■ ' ' 

Ten O. van het Kanaal maakte het Ryk de Oostelijke 
ffijkawaterleiding. De boezem wordt grootendeels 
gevormd door een groot aantal overblijfselen van bin- 
nengedijkte breede kreken, als de Canisvliet bij Sas 
van Gent, de Oost- of Molenkreek. de Axelsche kreek bü 
Axel, de Spui- en Bromkreken, de Othénesche kreek in 
den Zaamsla«schen polder en een tal van breede kreken 
bij Hulst in de Riet- en Wulfdijk-, Clinge- en Nieuw Kiel- 

20 



306 



drechtpolders. De genoemde groote polders waarin deze 
kreken liggen zijn met nog andere geheel enslboezefrdand^ 
doorsneden met een zeer groot aantal tochten , slooten en 
kleinere kreken , die alle gemeen met den boezem liggen. 

De eigenlijke Oostelijke Rijkswaterleiding nu bestaat uit 
een doorloopende verbinding van de kreken tusschen Sas 
van Gent en Neuzen. De Othenesche kreek , die er toe 
behoort , is door een kanaal van Va uur lengte met de 
oosteiyke vestinggracht van Neuzen verbonden , die door 
2 sluiskokers in den Oostbeer aldaar op de Schelde loost. 
Een zytak is het Kanaal van Hulst, dat de kreken om 
deze plaats met de Axelsche kreek verbindt. 

Er is een aanzienlijk verval in den boezem. Gem. zo- 
merstand te Sas van Gent —0,59, te Hulst —0,91, bij 
Axel —1,24, te Neuzen —1,42 bij het openen en -1,55 
A.P. bij het sluiten der sluiskokers. 

Op den boezem wateren af 30,000 H.A. polders, nl. 
alle t. O. van het kanaal van Neuzen en t. W. van het 
Hellegat gelegen (uitgenomen de Eendrachtpolder aan den 
mond van het Hellegat , die rechtstreeks op het buiten- 
water loost) en het geheele zuidwaarts uitspringende ge- 
deelte van Zeeuwsch Vlaanderen om Sas van Gent, Axel 
en Hulst tot en met de Nieuwe en Groote Kieldrecht- 
polders in het oosten. 

Boezem van de polders Stoppeldijk, enz. Een 
aantal polders , t. O. van het Hellegat, t. Z. van Hontenisse 
en Lamswaarde en t. N. van Hulst gelegen , loozen op een 
gegraven uitwateringskanaal , strekkende van het gehucht 
Campen langs den O. dijk van het Hellegat ter lengte 
van «/4 u. tot bij Ossenisse , alwaar de boezem door een 
uitwateringssluis op de Schelde afwatert. Gemiddelde 
boezemstand —2 A.P. 

De polders die er op loozen zijn meestal van de oudste, 
dus liggen zeker vrij laag, behalve de Willem III polder 
eerst in 1860 uit het Hellegat bedijkt. De oostelijke laten 
hun polderwater op de westelijke afvloeien , zoodat ten 
jilotte alles op den polder Stoppelsdijk komt, die evenals 



307 



de Willem lïï polder bij Campen door een uitwaterings 
sluis op den boezem loost. 

De noordeiyk uitstekende punt van het 5e district t. N. 
van laatstgenoemde polders , gelegen om Ossenisse , Wals- 
oorden en Hontenisse; de Kniispolder t. N. van Lams- 
waarde, de groote Melo- en Willem-Hendrikpolders bij 
Grauw en de eerst in 1847 en 1852 ingedijkte polders 
Altstein , Louisa en Prosper (gedeeltelijk in België) wateren 
alle rechtstreeks op het buitenwater af. 

Buitenwaterstand te Walsoorden (1871-1880) 
M. VI. + 2, M.E. -2,09 A.P. 

De polder van Saeftingen t. N. van het dorp de Kauter 
grootendeels op Nederlandsch gebied gelegen , loost met 
nog een aantal Belgische polders op den boesem van 
Calloo , die bij Calloo door 2 uitwateringssluizen op de 
Schelde afwatert. 

Administratieve indeeling. In Zeeuwsch Vlaanderen 
vormen de waterstaatkundige polders of deelen daarvan 
op zich zelven of met een of meer andere vereenigd adm. 
polderlichamen. Verscheidene waterstaatkundige polders 
zijn calamüeus ; deze vormen — behalve de calamiteuse 
St. Adomispolder t. N. van Groede, die op zich zelven 
staat — volgens de wet calamiteuse tvaterschappen met de 
daaraan grenzende tot bijdrage verphchte polders: Cala- 
miteus Waterschap Tienhonderd en Zwarte 
(t.N. van Cadzand), Calamiteus Waterschap Stad 
Philippine, Calamiteus Waterschap Nieuwe 
Neuzen (t. W. van Temeuzen aan den Braakman), 
Waterschap der cal. polders Margaretha, Kleine 
Huissens en Eendracht en het Calamiteus Water- 
schap Walsoorden (uit den cal. polder van dien naam 
en 8 cal. deelen van den Ossenissepolder bij Walsoorden 
met aangrenzende bijdragende polders). 

De polders afwaterend op het bovenvermelde uitwate- 
ringskanaal der polders Stoppelsdijk , enz. zijn vereenigd 
door den band van het Reglement van het XTitwate- 
ringskanaal der polders Stoppeldijk , enz. 

20 • 



308 



Dit reglement bepaalt de samenstelling, de werkzaam- 
heden der Commissie voor het maken , het onderhoud en 
het beheer der uitwatering. De Commissie heeft beheer 
en toezicht over het B^anaal , de uitwateringssluis aan zee, 
de sluizen te Campen waardoor op den boezem geloosd 
wordt , de buitendijken , enz. Reglement van 1850. 

Voor alle polders in Zeeland gelden voorts de volgende 
2 reglementen. 

Beglement voor de administratie voor de pol- 
ders in de Prov. Zeeland van Juli 1867. Dit Regle- 
ment bepaalt hoe het beheer der Zeeuwsche polders moet 
plaats hebben , voor zooverre dit niet in strijd komt met 
reeds bestaande of nog te maken bijzondere reglementen 
der adm. polders en waterschappen ; geeft bepalingen 
omtrent beheer en onderhoud van waterkeeringen , water- 
leidingen , sluizen , enz. ; omtrent de polderbesturen , hun 
samenstelling en bevoegdheid ; omtrent de vergaderingen 
van polderbesturen en ingelanden ; omtrent jaarwedden , 
inkomsten, uitgaven, begrootingen, enz. 

Folitiereglement voor de polders in Zeeland. 
Dit reglement bevat verbodsbepalingen omtrent de dijken 
en duinen, waaraan niet mag worden veranderd en waarop 
niet mag worden gebouwd , enz. zonder toestemming van 
het bevoegd gezag ; eveneens omtrent de waterleidingen. 
Voorts bevat het bepaling der straffen bij overtreding, 
enz. Het reglement is van Juli 1867. 



D. Het Friesch-Groningsch-Over- 
ijselsche Polderland. 

§ 1. GEOLOGISCHE SAMENSTELLING EN ONTSTAAN 
IN 'T ALGEMEEN. 

Gleologische samenstelling. 

Beziet men eene goede geologische kaart , dan blykt , 
dat de Friesche en Groningsche zeeklei zich 
uitstrekt buiten eene lijn , loopende van Scharl t. O. van 
Stavoren , aanvankelijk dicht langs de westkust en het 
voormalige Workumermeer , om zich dan oostwaarts te 
wenden langs IJlst t. Z. van Sneek om en over Irnsum 
op ongeveer Vs uur t. O. van Leeuwarden omgaande langs 
Birdaard tot ongeveer Vs u. t. Z. van Dokkum. Die lijn 
volgt daarna in 't ruwe de vaart van Dokkum naar Stroo- 
bos en van hier over Enumatil tot Groningen (deels Hoendiep 
geheeten) ; t. Z. van dit laatste ligt van lands grens 

tot aan het Wolddiepje (Enumatil) in Groningens Wester- 
kwartier, nog een ^k k 1 uur breede strook zeeklei en even- 
eens bij de stad Groningen. Van deze plaats loopt de lijn 
ongeveer langs het nieuwe Eemskanaal tot 1 u. t. Z. van 
Belfzijl, om daarna zuidwaarts te gaan langs Noordbroek 
tot Meeden , dan over Oude Pekela , Wedde , Nieuwe- 
schans , en eindelijk op Duitsch grondgebied over te gaan. 
Tusschen Meeden en Oude Pekela evenwel buigt zich de 
lijn ver noordwaarts om in het zoogenaamde Oldambt , zoo- 
dat veen- leem- en zandgronden hier een voorsprong in de 
zeeklei maken, omsloten door de lijn Meeden —Scheemda— 
Midwolde — Finster wolde — Beerta — Winschoten — Oude Pe- 
kela. 

Binnen genoemde grens ligt in de eerste plaats het 
Friesch-Overijselsche laagveen tot ongeveer 



310 



de lijn Dokkum , Veenwouden , Gorredijk , langs de Scho- 
terlandsche Compagnonsvaart tot Heerenveen en van hier 
over Peperga naar Oidmarkt , dan oostwaarts over Steen- 
wijk en Havelte en vervolgens zuidwaarts over Meppel, 
Staphorst en langs het Lichtmiskanaal naar de Vecht. 
In het Z. en W. strekt het laagveen zich uit tot de Vecht, 
de kleigronden langs het Zwarte water en de Zuiderzee, 
een smalle strook vormend tot voorbij Kuinre en afgebroken 
door de hoogegrintgrondenbijVollenhove; 
verder tot aan de Zuiderzee en tot de h o o g e grint- en 
zandgronden van Gaasterland, die zich langs 
de zee van voorbij Tacozijl tot Scharl en in het noorden 
tot Hemelum , Balk en Sloten uitbreiden. Door het veen 
ingesloten liggen hoogere zandgronden bij Koudum en tus- 
schen Sloten en Joure. 

Oostelijk van dit groote laagveen, t. Z. van de zeeklei- 
grens van Dokkum tot Groningen en in het oosten zich 
uitstrekkend tot de Hunze, liggen de grint- en zand- 
gronden van oostel ij k Friesland, Drenthe 
en noordel ij k Overljsel, doorsneden met betr. 
smalle strooken moeras- en laagveen langs de 
riviertjes het Koningsdiep , den Tjonger en de Linde , 
langs de Steenwijker A , de Havelter A , de Wold A en 
de Koekanger A , welker water bij Meppel samenkomt, en 
langs de Reest , welke strooken dus alle aan het Friesch- 
Overijselsche laagveen aansluiten. Voorts ligt er laagveen 
en moerasveen t. Z. van Veenwouden en Buitenpost tot 
aan Surhuizum , langs het Wolddiepje , het Leekstermeer, 
de Peizer- en Eelderdiepen , het Hoomsche diep en eindelijk 
langs de Hunze en het Zuidlaardermeer tot aanhetSchui- 
tendiep. Uitloopers van het zand vindt men in den 
kleinen , midden in de klei op zich zelven staanden zand- 
rug waarop Zuidhorn en Noordhom liggen en in het 
noordelijk gedeelte van den Hondsrug , waarop Groningen 
ligt, en die zich nog V« uur t. N. van deze stad uitstrekt. 

Een laagveen ligt nog onmiddelijk aan de zeeklei 
t. O. van Groningen , aansluitend aan de venen langs de 



311 

Hunze en het Foxholstermeer tot aan Noordbroek en Kol- 
ham, terwijl daarin stukken zand en leemgrond liggen 
van Siddeburen tot Slochteren, om Noordbroek en tusschen 
Kolham en Hoogezand. 

Hooge venen vinden wij in het oosten van Fries- 
land t. Z. van Surhuisterveen en t. O. van Drachten , een 
ten oosten van Gorredijk langs de Compagnonsvaarten en 
een t. Z. van Noordwolde. Voorts bij Haulerwijk en Foch- 
teloo , beide een geheel uitmakend met het hoogveen , 
dat zich tot aan en langs de Drentsche Hoofdvaart t. Z^ 
van Assen uitstrekt. In Groningen ligt in het zuid. 
westen hoogveen om Zevenhuizen , doch het meeste hoog- 
veen vindt men in het zuidoosten der provincie , in Old- 
ambt en Westerwolde , t. N. reikend aan het laagveen en 
de reeds opgegeven kleigrens , t. W. aan de moerasvenen 
en de smalle strook zand langs den rechteroever van de 
Hunze. Dit is het noordelijk gedeelte van het uitgestrekte 
hoogveen in het oosten van Drenthe en het Graafschap 
Bentheim in Hannover. Het is niet geheel onafgebroken, 
want het wordt in Drenthe en Groningen doorsneden door 
zandgronden met een weinig beekbezinking langs 
de Ruiten A , het benedendeel der Mussel A en de Wes- 
terwoldsche A , samen een aanzienlijk deel der oppervlakte 
van Westerwolde beslaande, omstreeks ter Apel, Bourtange, 
Vlagtwedde , Onstwedde , Wedde en Bellingwolde. Ook 
hebben wij boven reeds medegedeeld, dat in den voor- 
sprong dien het hoogveen in de zeeklei omstreeks Finster- 
wolde , Beerta , enz. naar het noorden maakt zandgronden 
liggen. Deze zijn golvend en heuvelachtig en aan de hel- 
lingen der heuvels, enz. ligt ook leem aan de opper- 
vlakte, de leem van het Scandinavisch diluvium, meestal 
rustend op potklei en bedekt met zand. Het is dit 
hoogveen welks ontginning de bloeiende plaatsen Hooge- 
zand , Sappemeer , Muntendam , Veendam , Wildervank , 
Nieuwe Pekela en Nieuwe Stadskanaal heeft doen ont- 
staan , waar het gedeeltelijk afgegraven hoogveen in cul- 



312 



tuur is gebracht en aldus de zoogenaamde dalgronden 
zijn gevormd. 
Ontstaan van den bodem. 

Zooals wij vroeger zagen , houden de diluviale zandgron- 
den , die in het oosten en zuiden des lands aan de opper- 
vlakte liggen, niet bij de grenzen van het alluvium op, 
doch strekken zich daaro/irfer uit. Zij , of liever het door 
zeewater van het diluviaalgrint of zand afgespoelde zand , 
vormden den bodem van het door Staring en anderen ver- 
onderstelde binnenmeer, waarop zich in Holland, enz. de 
zeeklei afzette op welke het Hollandsche-Zuiderzee-laagveen 
ontstond. Op dat zand nu ligt onmiddelijk het Friesch-Over- 
ijselsche laagveen, in 't algemeen hoogstens ter dikte van 
2 M. en de zeeklei van Friesland en een deel van die van 
Groningen , dik 0,5 è. 8 M. , ja zelfs tot een laag van 
14,5 M. In het oosten van dit laatste gewest echter is 
de diluviale ondergrond , bestaande uit afgespoeld zand , 
leem en pottebakkersklei (Scandinavisch diluvium) door 
een dunne laag, zoogenoemde darg van de daarboven 
liggende zeeklei gescheiden. 

De darg is een fijne veenstof , waarvan nog zeer goed 
de plantaardige samenstelhng is na te gaan , en komt in 
den regel slechts voor ter dikte van 0,1 i 0,5 M. , soms 
tot 2 M. , op enkele plaatsen tot 6 M. dikte. 

Wy herinneren hier, zooals wij dat vroeger reeds deden 
(zie de Noot bl. 75) , dat het bestaan van een voorma- 
Uge binnenzee volstrekt niet een uitgemaakte zaak is. In 
Holland pleit daarvoor vooral de laag zeeklei onder het 
veen ; deze komt echter in Friesland , Overijsel en Gro- 
ningen niet voor. En terwijl nu het ontstaan van het 
laagveen en de zeeklei op het zand door sommigen, ca. 
door den bekenden nauwkeurigen onderzoeker Venema 
verklaard wordt uit het zakken van dat zand — dat vol- 
gens hem eenmaal aan de oppervlakte lag, begroeid, be- 
bouwd en bewoond was — een verklaring waarvoor som- 
mige anders niet te begrijpen verschijnselen sterk pleiten - 
zegt Staring : „dat alle andere bewijsgronden tot dusverre 



313 



op te zwakke grondslagen steunen, dan dat die deze 
meening zelfs waarschijnlijk zouden maken." En Venema 
zegt: „Alles voert dus onweerstaanbaar tot de stelling 
dat onze kusten dalen !" 

Wij achten ons geheel onbevoegd in deze quaestie mede 
te spreken , nog minder eene beslissing uit te spreken. Hier- 
op komt het hier ook minder aan; genoeg voor onze hydro- 
grafische kennis, als wij weten hoe de bodem thans gevormd 
is en hoe in mize dagen gronden ontstaan en verdwijnen. 
Wij willen daarom nog in het kort het volgende meedeelen , 
hoofdzakelijk aan Venema's WQrken ontleend , dat ons zoo 
merkwaardig en belangwekkend toescheen en tevens zoo 
geschikt om te doen uitkomen . tot welke belangrijke uit- 
komsten de ernstige studie, ook van het schijnbaar nietige, 
leiden kan. 

Het diluvium , onder de lage venen en de zeeklei lig- 
gende , lag eenmaal gelijk met en boven den gewonen 
vloed en was grootendeels bedekt met bosschen en planten, 
waaronder heide en struikgewas , o. a. de hazelaar. Die 
gronden nu zouden door de inkrimping van de buitenste 
aardkorst , ingevolge eene algemeen bekende natuurwet , 
bij de afkoeling gezakt zijn en de bewoners zich hebben 
moeten terugtrekken : misschen verdwenen toen reeds 
bloeiende plaatsen* De planten stierven af en de boomen 
^ielen, naarmate de bodem waarop zij stonden beneden 
ebbestand kwam. Maar nu bracht de zee welke die ge- 
daalde gronden bedekte er hare vruchtbare klei op ; elke 
vloed bracht nieuw slib aan en elke eb liet, als geen 
bijzondere oorzaken tegenwerkten , dat slib achter. Zoo 
ontstonden de zeekleilanden van Friesland en Groningen 
en de laag darg ^ die men onder de zeeklei én op het zand, 
enz. vindt, zou niets anders zijn dan het overblijfsel van 
den plantengroei in vroegere tijden op den diluviaalbodem. 
Voor deze meening pleiten onderanderen sterk de vele boom- 
stronken — de stammen zijn meest verdwenen — onder 
in die darg of het veen gevonden , geworteld in den zand- 
grond daaronder. Die boomen zijn dus blijkbaar op die 



3U 

plaatsen in dien zandgrond gegroeid , en daar deze 5 a 7 
M. beneden den ebbestand ligt , is het niet mogelijk dit 
verschijnsel anders te verklaren dan door aan te nemen , 
dat de bodem waarop zij groeiden met hen gezakt is ; 
boomen en evenmin heide toch kunnen 5 è 7 M. onder 
water wortel schieten. Bovendien vindt men op het zand 
en in de darg overblijfselen van dieren en hier en daar 
voorwerpen die aan bewoning door menschen doen denken, 
als bewerkte planken , gereedschappen , enz. 

Het ontstaan der zeekleigronden door aanslibbing is een 
gevolg van de omstandigheid dat het zeewater bewogen 
door den vloed en door den wind vaste stoifen met zich 
voert. Naarmate de snelheid afneemt, laat het de zwaar- 
dere stoffen , als grofkorrelig zand , het eerst vallen ; fijn 
zand wordt nog medegevoerd en kleideeltjes blijven nog 
zwevende , maar ook deze bezinken als de snelheid afneemt, 
de fijne slib of klei evenwel eerst als er ongeveer stilstand 
is gekomen , n.1. bij kentering en bij het begin der eb. 
Dit afzetten van slib kan echter niet plaats hebben dan 
op gronden , die reeds ter hoogte van den vloed liggen en 
het geschiedt het sterkst op die waarop zich reeds planten- 
groei heeft ontwikkeld. Het heeft ook niet plaats zóó , 
dat eenvoudig bij elke eb een dun laagje slib bezinkt , 
maar er blijft soms wel een 1 d.M. dikke, dunne brei 
achter , waaruit de zwaardere deelen neervallen , die zich 
dan met de reeds vast geworden deelen van vroegere be- 
zinkingen vereenigen. Daar nu het water , als de eb aan- 
vangt, eerst langzaam en daarna zich al sneller en sneller 
van de kust terugtrekt , zoo is het duidelijk dat in hot 
begin , dus het dichtst aan de landzijde, de meeste stoffen 
neervallen en verder naar buiten minder — waardoor dus 
verklaard wordt dat de aanslibbingen een helling 
naar buiten aannemen. 

Men kan bij de aanslibbingen twee deelen onderschei- 
den , nl. de slikken of kwelders, gemiddeld ter 
hoogte van den gexooiwn vloed gelegen en de eigenlijke 
aanwassen, dat is de aan de buitenzyde tegen den 



315 

dijk liggende strook, die alleen bij vloeden hooger dan de 
gewone onderkomt. Deze aanwassen worden , hoewel nog 
niet ingedijkt , toch reeds bebouwd. Zij hebben een flauwere 
helling dan de slikken , omdat hunne deelen die het dichtst 
aan den dijk liggen het minst door den vloed beloop en 
worden en die welke verder daarvan afliggen , dus die aan 
de slikken grenzen, een veel grooter aantal malen onder- 
komen. Dit komt omdat er veel meer vloeden voorkomen 
die een weinig hooger zijn dan de gewone, dan veel 
hoogere vloeden die tot aan de dijken oploopen. 

Er is een betr. groot onderscheid tusschen 
de tegenwoordige aanwassen lan-gs de 
noordkust van Friesland en Groningen — 
waaruit de zoogenaamde Wadpolders ontstaan — en 
die welke nu en dan als Dollardpolders worden 
ingedijkt. De eerste nl. zijn zoogenaamde zavelgronden? 
d. z. kleigronden met een zeer groot zandgehalte; de 
laatste zijn hoofdzakelijk uit klei aangeslibt van veel ge- 
ringer zandgehalte. De oorzaak is duidelijk. De vloed- 
stroom nl. , die door de gaten tusschen de eilanden en de 
bij ebbe droogloopende zandplaten der Wadden opkomt, 
bereikt met betr. groote snelheid de Friesche en Groning- 
sche kust en voert tot daar dus nog veel zand mede. In 
den diep landwaarts indringenden DoUardboezem echter 
neemt die snelheid allengs af naar het zuiden , het zand is 
reeds grootendeels neergevallen voor de kust bereikt wordt, 
en slechts de nog zwevend gehouden kleideeltjes en een 
weinig fijn zand kunnen nu omstreeks de kentering bezin- 
ken. Is eenmaal na een aantal jaren de Dollard byna 
geheel aangeslibt en ingedijkt, dan is de grens bereikt 
waarbij slechts zavel- en eindelijk die waarbij slechts 
zandgrond kan bezinken; die eerste grens is o. a. op 
Staring's geologische kaart, behoorende bij zijne „Natuur- 
kunde en Volksvlijt van Nederland," door een stippellijn 
aangegeven. Zij is langs de Wadden reeds bereikt, doch 
de vroeger bedijkte , zuidelyker gelegen zeekleilanden van 
Friesland en Groningen bestaan ook wel degelijk uit zware 



316 



klei. Want hoewel deze niet eenmaal zooals de Dollard- 
polders in een zeeboezem gelegen waren (behalve die uit 
de Middelzee gevormd), bereikte het opkomende vloed- 
water die kust met weinig snelheid , omdat toenmaals de 
gaten tusschen de noordelijke eilanden niet zoo wijd waren 
als thans of zelfs nog niet bestonden en dus veel minder 
water , zich over een grooter oppervlak verdeelend , op de 
kust aandrong. 

Het hoogtepeil der Wadpolders zoowel als dat der 
DoUardpolders neemt af naarmate zij meer naar binnen 
liggen ; de oudere liggen dus h e t 1 a a g s t. Dit 
verschijnsel , door Staring uitsluitend aan het langzaam 
inklinken der ingedijkte kleigronden toegeschreven, welke 
verklaring wij ook steeds gaven voor het lager liggen der 
binnenste kernen van de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche 
eilanden, wordt door Venema eveneens door het zakken 
van den bodem verklaard ; daar z. i. door inklinking , 
hoewel deze zeker plaats heeft , geen hoogteverschillen van 
2 M. kunnen ontstaan. Voor ons is het voldoende, als wij 
wet^n , dat de oudste (binnenste) polders het laagst , de 
jongere (buitenste) het hoogst liggen. De DoUardpolders 
(klei) dalen elk voor zich met een helling tiaar zee toe] Ae 
Wadpolders (zavel) daarentegen naar binnen toe ; ook dit 
verschijnsel is zeer goed in verband met andere waarne- 
mingen te verklaren ; wij vermeiden hier echter alleen 
het feit. 

Eindelijk merken wij nog even op, waar de meeste 
waar mindere aanwas is te verwachten en 
waar deze niet kan ontstaan of zelfs afneming 
plaats heeft, voor zooverre deze niet kunstmatig wordt 
tegengegaan. De hoofdfactoren die hierop invloed uitoefe- 
nen zijn in verband met de ridUing der getijen, de rich- 
ting en de kracht van den wind. 

De wind nl. werkt op de bovenste lagen van het water en 
drijft dit voort of houdt het terug waar het anders zou 
afvloeien. Waar echter de bovenste laag wordt voortbe- 
wogen , moet noodwendig daaronder een strooming in 



317 



tegengestelde richting ontstaan , omdat anders het even- 
wicht zou worden verbroken. Heeft nu de wind dezelfde 
richting als de vloed, dan waait hij tegen de eb in; 
daardoor houdt hij bij ebbe het bovenste water terug en 
de tegenstroom daaaronder neemt de bezinkende stoffen 
mede en voert ze van de kust af. Vallen echter wind- 
richting en ric/iting der ebbe samen , dan wordt het boven- 
water in sterke mate van de kust afgedreven , het onder- 
ste daarentegen met de daarin hangende stoffen terugge- 
houden en dus de aanslibbing bevorderd. Daar nu de Z. 
W. winden het meest en het sterkst voorkomen in ons 
land, zoo zal een kust waar de eb Z. W. waarts afloopt 
en dus de vloed uit het N. O. opkomt het meest aaiiwasseyi. 
Bij een opkomen van den vloed van uit het Z. W. tot 
N,W. zullen de kusten daarentegen afnemen. Bovendien 
geeft een vloedrichting loodrecht op de kust meer aanwas 
dan eene die schuins daarop staat. Daarom nemen onze 
westelijke kusten af, ook die der Waddeneilanden, terwijl 
deze aan de zuidzijde toenemen. Van daar aanslibbing op 
de oostkust van Noord-Holland t. W. van Wieringen en 
aan de zuidzijde van dit eiland zelf, daar door de zeega- 
ten bij den Helder en door het Amsteldiep een sterke 
vloedstroom N. t. O. waarts opkomt, en van daar in 'tal- 
gemeen aanwas aan de oostelijke noordkust van Friesland 
en van Groningen en in de Lauwerzee en den DoUard. 

In het N.W. van Friesland heeft echter geen aanwas 
meer plaats. De zeegaten westelijk van Ameland zijn veel 
wijder dan voorheen, de daardoor uit het noorden binnon- 
tredende vloed loopt hoe langer hoe meer in west-oostelijke 
richting over de Wadden. Tusschen Ameland en Schier- 
monnikoog ligt echter het Friesche Gat, dat tusschen de 
bij ebbe droogloopende platen de geul vormt, welke als 
Slenk door de Lauwerzee tot de uitwatering vanhetReit- 
diep bij Zoutkamp loopt. Uit dit gat loopt het vloedwater 
meer van het N. en het N.O. naar de kust en van daar 
dat in het N.0. van Friesland en in de Lauwerzee nog 
aanwas plaats heeft. 



318 



Evenzoo langs de kusten van Groningen ; doch deze zal 
het langst blijven en is reeds het sterkst in het N.O., waar 
het vloedwater uit de N.0. gelegen Eems komt. In den 
Dollard vooral groeien de gronden sterk aan : de landtong 
bij Reide aan den ingang belet nl. het N.W. opkomen van 
den vloed ; deze treedt van de Eemsgeul den boezem binnen 
en daar deze afgesloten is , bereikt zij niet snel maar rustig 
de Z.W. en Z. kusten en laat daar dus vooral bij Z.W. 
winden bij ebbe hare slibben in sterke mate achter. 

Wij besluiten deze korte beschrijving der gronden van 
het Friesch-Qroningsch-Overijselsche polderland met nog 
een tweetal opmerkingen. 

In de eerste plaats , dat waar landbouw gedreven wordt, 
niet op de klei maar op zand , dalgrond , enz. , de bodem 
met een laag teelaarde is bedekt van meerdere of 
mindere vruchtbaarheid en langzamerhand door jarenlange 
bemesting, bebouwing, enz. ontstaan. 

Ten andere: In Groningen en Friesland treffen wij in 
de zeekleilanden vele terpen en wierden aan, dat zijn 
ophoogingen waarop meestal dorpen , gehuchten en hoeven 
gelegen zijn of die in de nabijheid van deze Uggen. Zij 
zijn reeds in zeer oude tyden door de bewoners gemaakt, 
die daarin geholpen werden door het vee dat op deze 
heuvels mede een wijkplaats vond, als de lage landen 
door de hooge vloeden werden overstroomd. Die hoogten 
alleen konden in die tijden eene eenigszins veilige woon- 
plaats aanbieden en daarbuiten zal men toen wel geen 
vaste woonplaatsen gevonden hebben. Ook toen er dyken 
kwamen bleven zy nog de toevlucht van menschen en 
vee , gingen dus toen meer als vluchtheuvels dienst doen, 
als de vloeden by de menigvuldige doorbraken der 
zwakke dijken telkens het land overstroomden. In Gro- 
ningen noemt men de kleine en de groote , die waarop 
dorpen en die waarop slechts hoeven liggen of die onbe- 
woond zyn, alle wierden. In Friesland maakt men on- 
derscheid: terpen zijn daar de groote ophoogingen waarop 
dorpen en gehuchten liggen; hornlegers zijn ook be- 



319 



woonde en bebouwde hoogten, oorspronkelijk voor het vee 
bestemd; met den naam van wierden duidt men er 
kleinere onbewoonde hoogten aan in de nabijheid van hoe- 
ven , enz. die eerst later na de dijken zijn ontstaan, vlucht- 
heuvels dus. 

Al deze ophoogingen bestaan in hoofdzaak ook uit klei, 
die blijkbaar uit de onmiddelijke nabijheid is verkregen ; 
voorts vindt men er dikwijls vele lagen mest en stroo in 
en natuurlijk overblijfselen van menschen, dieren, gereed- 
schappen , enz. Hunne hoogte boven het omliggend ter- 
rein bedraagt , ten minste tegenwoordig , slechts weinige 
voeten. Slechts van die in het Oldambt heb ik bepaalde 
gegevens kunnen vindon: zoo is het dorp Termunten op 
3 wierden gebouwd, samen 10 » H.A. groot, welker hoog- 
ste punt op + 3,70 A.P. Ugt; Borgsweer ligt op een 
wierde groot 3^4 H.A. , hoog -+- 2,6 A.P. ; Woldendorp op 
eene van 6 H.A., liggend op + 3 A.P., enz. Uit boringen 
zou blijken , dat de wierden reeds op het zand en de darg, 
thans in den ondergrond gelegen, zijn aangelegd en lang- 
zamerhand mede opgetrokken zijn naarmate de grondslag 
zakte en door de zee met klei bedekt werd ; is dit juist , 
dan zou ook deze omstandigheid zeer pleiten voor het 
zakken van den bodem. 

§ 2. FRIESLAND TOT AAN DE LINDEVALLEI. 

Voormalige en tegenwoordige vorm. 

Het tegenwoordige Friesland is slechts een klein deel 
van den eenmaal groeten en machtigen Frieschen Staat, 
zich uitstrekkend van Vlaanderen tot den Weser, zooals 
die in de 3© en 4® eeuw bestond. Het deel ten zuiden 
van de Rekere (in Noord-Holland bij Krabbendam , op de 
Z.W. grens van Westfriesland) scheidde zich onder onaf- 
hankelijke leenmannen af. Van daar tot aan den Weser 
evenwel heette het de „Staat der Zeven vrije Friesche 
zeelanden." Twee daarvan, Westergoo en Oostergoo, 
vormden ongeveer het tegenwoordige Friesland tot aan 



320 



Lemsterland en Schoterland en de strook t. N. daarvan , 
de tegenwoordige Wadden en de t. N. daarvan gelegen 
eilanden. 

Een ander deel, Friesland over de Zee, lag t. W. 
van het tegenwoordige Friesland , waar thans de Zuiderzee 
heerscht , daarvan gescheiden door een broeden stroom , 
het Vlie, de noordelijke uitwatering van het Flevo-meer. 
Nadat reeds tal van overstroomingen veel land hadden 
doen verloren gaan , werd het gedeelte tusschen Texel , 
Medemblik en Stavoren in 1170 door een geweldigen vloed 
weggenomen. Texel en Wieringen werden eilanden. Van 
dezen tijd rekent men het ontstaan der Zuiderzee, daar 
toen waarschijnlijk het meer Flevo een aanzienlijke uit- 
breiding verkreeg. Tusschen den nieuwen zeeboezem t. O. 
van Texel en het Vlie, was in 1222 nog alles land , waar- 
toe het tegenwoordige eiland Vlieland behoorde. Lang- 
zamerhand werd dit gedeelte naar het oosten weggeslagen 
tot Stavoren en Harlingen toe , die eerst omstreeks 1250 
zeeplaatsen werden. In 1395 werd het land tusschen Me- 
demblik en Stavoren doorgebroken en verkreeg dus de 
Zuiderzee een noordelijke open verbinding met de Noordzee. 
Het noordelijk gedeelte , de tegenwoordige Wadden , bleef 
nog lang gespaard: in UlO kon men nog met een plank 
van Harlingen op Texel en van Holwerd op Ameland 
komen. Eerst daarna werden deze eilanden. 

De beide reeds genoemde deelen van Friesland , Wes- 
tergoo en Oostergoo, waren in de middeleeuwen gescheiden 
door een open zeearm de Middelzee of het Boorndiep. 
Deze strekte zich uit t. N. van Bolsward eerst oostwaai*ts 
benoorden Sneek om en dan noordwaarts langs Leeuwar- 
den , dat onmiddelijk aan den oostelijken oever lag. Die 
zeearm had vóór het verloren gaan der Waddenstrook drie 
monden: een westelijke uitkomend in het Vlie, een noor- 
delijke tusschen TerschelUng en Ameland door , die in de 
7e eeuw ontstond, en een oostelijke t. O. van Ameland, 
waarschijnlijk het tegenwoordige Pinkegat. De U^ing en 
de gi'ootte dier Middelzee , reeds in de 14e eeuw geheel 



321 



aangeslibt en voor een groot gedeelte ingedijkt, zijn 
thans nog duidelijk na te gaan uit de nog aanwezige 
dijken die haar begrensden en die nog ten deele als sla- 
perdijken tegen eventueelen doorbraak der groote zee- 
dijken worden onderhouden. De oostelijke langs Oostergoo 
loopt van den voormaligen noordelijken zeedijk langs Stiens 
en Leeuwarden zuidwaarts over Irnsum tot Oude Schouw, 
waar eenmaal de Boorne zich in de Middelzee ontlastte , 
sluit daar aan den Groenen dijk aan , die zuidwestwaarts 
tot Sneek voortgaat en dan als Hemdijk westwaarts met 
een bocht naar het zuiden zich tot Tjerkwerd t. Z. van 
Bolsward uitstrekt. Van hier loopt de zuidelijke Middel- 
zeedijk als Exmorraster dijk en dan weer onder de namen 
van Slachte-, Hem- en Groendijken N.W. waarts tot bij 
Schraard. Hier sluit hij aan den Mamdijk, die Z.0. 
waarts tot Bolsward voortgaat. Sneek lag dus aan de 
zuidzijde , Bolsward aan de noordzijde der Middelzee. De 
landen t. N. en t. Z. van den Hemdijk gelegen noemt men 
nu nog de landen (Wijmbritseradeel) buitendijks en binnen- 
d^ks. Van Bolsward gaat N. O. waarts de noordelijke 
dijk der middelzee, die t. Z. van Hidaard aan denSlachte- 
dijk aansluit; deze laatste gaat eerst N.0. waarts tot bij 
Oosterwierum en dan noordwaarts als oude oostelijke zee- 
dijk van Westergoo tot Engelum, buigt zich dan westwaarts 
om langs Berlikum als de zuidelijke grens van het Bildt, 
om eindelijk by Dijkshoek aan den N.W. zeedijk aan te sluiten. 
Tusschen de westelijke en oostelijke dijken, van Rauwerd 
noordwaarts op langs Leeuwarden tot aan het Bildt, ligt een 
betr. smalle strook, van */4 uur breedte, bestaande uit een 
aantal bedijkingen, nog alle Nieuwland genaamd, waaruit 
reeds een achtereenvolgend veroveren op de zee is op te 
maken. OpmerkeUjk is het ook dat op die strook nog geen 
enkel dorp Ugt , wel onmiddelijk binnen tegen de dijken. 
Reeds in 1398 was het Bildt, de noordwestelijke streek 
van Friesland, waarin de dorpen St. Jacobi-, St. Anna- en 
Lieve-Vrouwe-Parochie liggen , in den mond der Middelzee 
geheel aangeslibt en deze laatste dus geheel verdwenen. 

21 



322 



In 1508 werd dwars daarvóór de (oude) Bildtdijk gelegd 
en in 1600 weder daarvóór door den Nieuwen Bildtdijk het 
zoogenaamde Nieuwe Bildt binnengedijkt. Wederom 
daarvóór kwamen nog in de 18® eeuw de bedijkingeii 
Oude Bildt Pollen (1715), de Nieuwe Bildt Pol- 
len en het Noorderleeg, de beide laatste in 1754. 
Daarbuiten liggen nog aangeslibte, bij gewonen vloed droog 
blijvende , doch niet ingedijkte gronden , aanwassen dus. 

Meer oostelijk bij Hol werd werden in 1580 nog de Hol- 
werder West- en Oostpolders en in 1580 de Ternaarder- 
buitenpolder bedijkt. Aan den noordoosthoek van Fries- 
land werd in 1592 de Anjuramer- en Lioessenserpolder 
aangewonnen. 

Langs de Lauwerzee zijn de voornaamste indijkingen : 
aan de westzijde de Engwierummerpolder (1752), aan de 
zuidzijde do Eskespolder (1859) , doch vooral de polder 
West- en Oost Nieuw Kruisland die ter grootte van 
650 H.A. in 1542 aan het vaste land werd gehecht. 
Langs de Zuiderzee aan Frieslands Westkust werd in 1624 
tusschen Workum en Hindelopen het Workumer 
N i e u w 1 a n d (625 H.A.) bedijkt en aan de zuidkust bij 
Tacozijl in 1850 de Tacozijler-Uitheijingpolder. 

Namen der deelen. 

Bij bescluijvingen , enz. , betrekking hebbende op Fries- 
land , komen dikwijls de oude benamingen voor der deelen 
waarin het eenmaal deels door de natuur verdeeld was en 
welke namen thans nog , vooral in waterstaatszaken, daar- 
voor gebezigd worden. Tijdens de Repubüek nog was 
Friesland verdeeld in Westergoo, Oostergoo en Ze- 
venwolden. 

Westergoo was oorspronkelijk binnen den Middelzeedijk 
t. Z. V. h. Bildt en t. W. van de Middelzee gelegen, zich 
zuidwaarts over het westelijk deel van Friesland uitstrek- 
kend tot Stavoren toe (Hemelumer-Oldephaert en Noord- 
wolde). Daarbij kwamen eerst het zuidelijk deel der Mid- 
delzee tusschen Bolswarden Eau werd, het aan West^rgoo's 



323 



dijken grenzend westelijk Nieuwland tot aan het Bildt en 
eindeiyk het Bildt zelf. 

Oostergoo was het noordoosten der provincie, t. O. 
van de Middelzee zich uitstrekkend tot Groningien's Wes- 
terkwartier en van de Wadden in het noorden zuidwaarts 
reikend tot de grenzen van Utingeradeel en Opsterland 
d. i. tot de Boorn ongeveer. Daarbij kwam langzamerhand 
het Nieuwland dat in de Middelzee werd ingedijkt aan de 
oostelijke zijde , dus langs zijne dijken , zoodat de grens 
tusschen Oostergoo en Westergoo werd de Oude Zwette- 
dijk , midden tusschen de oude dijken der Middelzee loopend 
en de tegenwoordige trekvaart van Sneek naar Leeuwarden 
(de Zwette) volgend. Het zuidwestelijk deel buiten den 
Groenen dijk is de grietenij Rauwerderhem. Het noord- 
oostelijk deel langs de Wadden en deLauwerzee t. N. van 
de Dokkumer Ee en het Dokkumerdiep , dat nog al eens 
t-er sprake zal komen, heet West- en Oost Dongeradeel. 
T.Z. van het Dokkumerdiep ligt KoUumerland (en Nieuw 
Kruisland) , wederom t. Z. hiervan Achtkarspelen. 

Zevenwolden beslaat het zuidoosten en zuiden, met 
Opsterland , Aengwirden , Haskeland en Utingeradeel aan 
Oostergoo grenzend. T. Z. van Opsterland Ugt Schoterland, 
wederom t. Z. hiervan in den zuidoosthoek van Friesland 
Oost-Stellingwerf, t. W. daarvan West-Stellingwerf. Hier- 
aan grenzend liggen langs de Zuiderzee Lemsterland en 
Gaasterland. 

De dijken. 

Langs Frieslands kust , van den nieuwen afsluitdijk bij 
Zoutkamp tot de Overijselsche grens, hggen zware zee- 
dijken , slechts langs de hoogere gronden van Gaasterland 
hier en daar afgebroken , nl. bij het Roode Klif — bij Scharl 
t. O. van Stavoren — bij het Mirner Klif bij Mirns , bij 
het oude Mirdumer Klif bij Gaastburen en onder Nije-Mirdum. 

De dijken zijn in het algemeen schaardykm: slechts hier 
en daar hggen daarbuiten aanwassen of bekadingen , de 
eerste nl. in de Lauwerzee vóór het Nieuw Kruisland en 
langs de westzijde tot Ezumazijl ; vóór den Anjummer- en 

21 • 



324 



Lioessenserpolder aan den N. O. hoek, waar slikvangers, 
hoofden, enz. een nieuwe indijking voorbereiden; voorts 
deels zeer breede aanwassen voor den Holwerderpolder 
tot aan den buitendijk van het Nieuw Bildt en eenig buiten- 
dijksch land vóór het westelijk uiteinde van het Oud 
Bildt nl. vóór den zoogenaamden Statendijk bij Dijkshoek. 
Langs de westzijde ligt nog eenig voorland bij Workum 
en Stavoren en langs de zuidzijde door min of meer hooge 
kaden beschermd : bij Nije Mirdum 2 polders , bij Tacozijl 
de Tacozijlster-Uitheijing-P^ en eenige andere en nog eenige 
t. O. van de Lemmer. 

De zeedijken zijn bijna over hunne geheele lengte, en 
overal waar zij schaardijken zijn, door paalwerken, steen- 
glooiing, enz. kunstmatig verdedigd. 

Reeds vroeger dan eenig ander gewest waarschijnlijk 
werd Friesland door dijken beschermd : reeds ten tijde van 
Karel den Groote , want deze stond den Friezen toe , niet 
verder met het leger te behoeven uittrekken dan tot een 
plaats van waar zij s'avonds thuis konden zijn , om hun 
land tegen de zee te kunnen beschermen; zij konden ook, 
als weer en wind maakten dat zij voor de dijken nioe^en 
zorgen, zich verontschuldigen van het bijwonen van volks- 
vergaderingen. In de oude Friesche wetboeken vinden 
wij reeds dat dijken om geheel Friesland moesten worden 
gemaakt en onder andere bepaUngen daaromtrent , dat de 
grondbezütera binnen geJied Friesland tot het onderhoud 
moesten bijdragen , elk naar vermogen — welk stelsel later 
door Albrecht van Beieren in 1398 werd bevestigd. De 
dijken werden door binnenlandsche twisten, enz. echter 
zeer verwaarloosd en groote rampen waren daarvan dikwijls 
het gevolg, tot na 1498 de Saksische Hertogen vele heil- 
zame maatregelen omtrent het dijkwezen namen. In dat 
jaar werd nl. door Hertog Albert van Saksen een renver- 
saalbrief gegeven , waarbij hij zich verbond voor de dijken 
zorg te zullen dragen. 

Van toen af treedt het stelsel op , dat alleen de onmid- 
delijk aan de dijken gelegen grietenijen voor deze zorgen 



325 



zullen, hoewel men later daarvan telkenmale afweek, 
vooral bij groote noodzakelijke werken, en de andere aan- 
grenzende grietenijen of wel het geheele Friesland het bij- 
springen. Het „Groot arbitrament" van 1533 , zijnde een 
generale uitspraak gedaan door den Stadhouder, President 
en Raden van Friesland over het maken en onderhouden 
der dijken , regelde o. a. een verdeeUng der dijken van 
Westergoo en Zevenwolden , welke verdeeling den grond 
legde voor de thans aldaar nog bestaande waterschappen. 
Door de Saksische Hertogen werden ook bepalingen ge- 
maakt omtrent de opbrengst der dijklas ten. In 1498 
werd nl. door Albert van Saksen bij het geven van ge- 
noemden renversaalbrief een belasting op de huren inge- 
voerd , eenigszins overeenkomende met onze tegenwoordige 
grondbelasting. In 1504 werden bepalingen gemaakt waarby 
het bedrag daarvan werd vastgesteld. In 1511 werd be- 
paald dat alle ongebouwde en gebouwde eigendommen ge- 
bracht moeten worden op een register of kohier — iets 
als ons tegenwoordig kadaster — en vastgesteld dat huur- 
der en eigenaar ieder voor de helft eene belasting zouden 
betalen gerekend per floreen (goudgulden = f 1,40) rente. 
Al deze ordonnantiën waren de oorsprong der belasting 
op de floreenen. Deze grondbelasting werd oorspron- 
kelijk voor den vorst , enz. , niet voor de dijken gebezigd ; 
accessoire omslagen over de towdfloreen ten behoeve van 
de dijken werden echter weldra geheven, eerst voor bij- 
zondere werken (met name de paalwerken gelijk het groot 
arbitrament bepaald had) , in 1574 ook reeds een enkele 
maal voor het aardewerk der dijken. De heffing van dijks- 
lasten met de landsfloreen tot maatstaf had meer en meer 
plaats , voor sommige aan de dijken gelegen landen weldra 
uitsluitend , voor het overige bleef de dijkslast op dorpen 
en steden rustend. In 1803 werden evenwel de lands- 
fl oreenen afgeschaft, toen de huurwaarde van 
1511 door de grondbelasting werd vervangen. Deze om- 
slagen over de tloreen voor werken aan de dijken — ook 
wel eens voor geheel andere doeleinden geheven — werden 



326 



gewoonlijk eveneens famfefloreenen geheeten ; terwyl een 
andere dijksomslag , gelijk wij zien zullen in 1718 inge- 
steld , welke eveneens van elke floreen huurwaarde als 
grondslag geheven werd , meestal di;A"^oreen genoemd. 
Deze laatste is eerst in 1862 afgeschaft , als wanneer be- 
paald is , behoudens zekere overgangsbepalingen , dat het 
kadastraal inkomen voortaan zal zijn de grondslag voor 
onderhoudsplicht en dat deze niet meer van het eene eigen- 
dom op het andere mag worden verlegd. 

De verplichting tot het onderhoud der dijken 
rustte nl. in Oostergoo op de vaste eigendommen, zooals 
die bij de instelling der landsfloreen waren ingeschreven 
en elk gedeelte werd een bepaald aantal roeden van den 
dijk tot onderhoud aangewezen. Wel moest dit volgens 
latere voorschriften pofideniate gelijk over het land wor- 
den omgeslagen (een pondemaat = 36^/* Are) , maar daar 
het eene stuk land een groote waarde bezat en het andere 
bijna geen waarde had , daar het eene stuk dijk veel en 
het andere weinig onderhoud vorderde, zoo drukte die 
last zeer ongelijk en , wat het ergste was , door den daar- 
door ontstanen onwil en onmacht en doordat de een de 
wijze van onderhoud zus en de andere die zoo opvatte, 
leden de dijken zeer. In 1570 met den bekenden Aller- 
heiligenvloed en later nog in 1572 en 1574 vooral hadden 
de doorbraken vreeselijke gevolgen en werd alom dood en 
verderf verspreid : Dongeradeel o. a. werd in 1570 met 
3,3 M. zeewater overstroomd. In Westergoo met Zeven- 
wolden was het weer anders gesteld : daar had elk dorp 
of elke stad zijn eigen aandeel in den dijk te onderhouden : 
de onderhoudslast drukte hier dus weer geheel anders. 
De toestand der dijken bleef in het algemeen zeer slecht 
tot in de 18e eeuw ; vele twisten , ontstaan tengevolge 
van maatregelen en algemeene belastingen nu en dan door 
de Staten bevolen , waren er de oorzaak van. Toen pak- 
ten deze met kracht aan : in 17 18 werden in Oostergoo 
de hand- en spandiensten (persoonlijke diensten door 
met spade en kruiwagen of kar en paard aan den dijk te 



327 



moeten werken) afgeschaft; ook in Westergoo verviel 
de verdeeling van het onderhoud van bepaalde dijkvakken 
over verschillende dorpen en steden en werd dat onder- 
houd gemeen gemaakt. Aan de geheele grietenijen werd 
het onderhoud der aangrenzende deelen in hun geheel op- 
gedragen en dit beter geregeld , waardoor de toestand der 
dijken begon te verbeteren. Doch de hand- of spandien- 
sten , enz. werden ongelukkig in dijksfloreen geconverteerd, 
die bepaald werd naar de kostbaarheid van onderhoud van 
ieder roedental — zooals zij toen geschat werd. Natuurlijk 
veranderde die zeer met de jaren en bovendien konden de 
dijksfloreenen worden verlegd van het eene stuk land op 
het andere ; daardoor waren sommige landerijen boven- 
matig, andere in het geheel niet belast — reden waarom 
de dijksfloreen in 1862, zooals wij zeiden, werd afgeschaft 
en door een billijker belasting vervangen , terwijl tevens 
een verplaatsing van onderhoudsplicht verboden werd. 
Wij voegen hier nog slechts bij dat , hoewel de maatstaf 
van het kadastraal inkomen van gebouwde en ongebouwde 
eigendommen , waardoor nu o. a, ook de steden hoog belast 
werden, gewis billijker is dan die der afgeschafte dijks- 
floreenen — het nogtans billijker ware niet alleen de lan- 
den binnen het gebied der contributiën, maar geheel Fries- 
land voor zijne dijken te doen bijdragen. Er wordt dan 
ook reeds gewerkt ter verwezenlijking van het denkbeeld 
om de waterschappen op te heffen en het beheer 
van een enkel waterschap „Friesland" met dat 
van de Provincie te vereenigen. 

Behalve de wakende zeedijken worden in Friesland 
mede onderhouden voormalige zeedijken , die thans door 
bedijking van daarvóór gelegen aanwassen , enz, slaper zijn 
geworden , doch ingeval van doorbraak nog groote diensten 
kunnen bewijzen , ook in 't bijzonder voor dat doel aange- 
legde slaperdijken. Tot de eerste behooren de voormahge 
zeedijk van Munnikkezijl tot Nittershoek , d. i. het punt 
waar de nieuwe afsluitdam van het Reitdiep aan den 
buitendijk van polder Kruisland luinsluit; de stukken oude 



328 



zeedijk achter de aangewonnen polders langs de Lauwer- 
zee, achter den Anjummer-enLioessenserpolder, achter den 
Temaarderpolder en Holwerderpolder ; de Oude Bildtdijk ; 
een groot gedeelte van den Nieuwen Bildtdijk, thans slaper 
als achterdijk van de BildtpoUen, en de andere voormalige 
zeedijken en scheidingsdijken achter de Noorderle^ en 
Munnikkebildtpolders. Voorts wordt onderhouden een ge- 
deelte van den Slachtedijk, dien wij reeds ten deele 
als ouden Middelzeedijk hebben leeren kennen , en wel van 
bij Rauwerd westwaarts tot Hidaard en dan N.W. op over 
Achlum t. W. van Franeker langs en bij Oosterbierum 
aan den zeedijk aansluitende ; dit gedeelte is 7 è 8 uur 
lang. Deze slaperdijk scheidt Westergoo in twee deelen; 
de Vijfdeelen Binnen- en Buitend ij ks (5 Grie- 
tenijen). Het deel t. O. er van (binnendijks) , h e t g e- 
biedvan de Slachte, onderhoudt den dijk. Als 
slaperdijk wordt nog onderhouden de achterdijk , voorma- 
lige buitendijk van het Workumer-Nieuwland. 

In 1782 werd de Koudumer Slaperdijk aangelegd, 
bestaande uit 8 deelen : het eerste loopende van het Roode 
Klif bij Stavoren tot de sluis bij Galamadammen (N.0. 
uiteinde van de Morra) , die bij doorbraak gesloten wordt ; 
het tweede van hier tot de hooge gronden bij Koudum 
en het derde van deze gronden tot den bandijk van het 
Workumer-Nieuwland t. O. van Hindelopen. 

De hoogte der d ij ken bedraagt langs de Lauwer- 
zee, waar de hoogste vloeden tot + 8 A.P. oploopen, 
van + 4,2 tot + 5,6 A.P. ; voor de Bildtdijken gemid- 
deld + 5 A.P. ; van hier tot Stavoren + 4 a 5,5 A.P. 
en t. O. daarvan + 2,65 tot + 4,85 A.P. 

Het onderhoud der dijken met daarin 
gelegen sluizen geschiedt door de aangrenzende 
Waterschappen, nl. door Zeedijks-Contributiën, 
d. z. bijdragende landen , en door de zeepolders, allen 
uitsluitend een zeewerend karakter dragend, behalve het 
Oud-Bildt , de Polder Oost- en West-Dongeradeel en de zee- 
polders. Dit geldt ook voor de slaperdijken , behalve voor 



329 



den Koudumer Slaperdijk, die door de Provincie wordt 
onderhouden. 

Bedoelde waterschappen zijn van het oosten af: 
het Waterschap Visvliet en Gerkesklooster — 
binnendijk van Munnikezijl tot Nittershoek. 
het Waterschap Kollumerland | 

enNieUWKruisland > dyken langs de Lauwerzee. 

de Engwierummerpolder j 

de Zeedijken-Contributie Oost- 
Dongeradeel 

de Anjummer- en Lioessenser- 
polder 

het Watersch. vande Contr. Zeedij- 
ken van West-Dongeradeel 

de Ternaardeipolder zeedijken 
en de West- en Oostpolder- 
zeedijken onder Holwerd 

het Watersch. de zeedijken van 

. Ferwerderadeel 



Noordelijke seed^k en 
en oade zeed^k t. O. van 
den Noorderleegpolder tot 
de aansluiting aan den 
Ouden BUdtd\)k. 



de Noorderleegpolder en het 

Wat. de Bildtpollen 
het Waterschap het Nieuwe Bildt 

het Oud-Bildt 



het Waterschap de Vijfdeelen-Z ee- 
dijken Binnendijks 

het Waterschap de V ij f d e e 1 e n-Z e e- 
dijken Buitendijks 

het Waterschap Wonseradeels 
Zuiderzeedijken 

het Workumer-Nieuwland 



Zeedijk tot aan den 
westhoek v. h. N. Büdt 
en slaperdyken. 

de Arm- of 8tatend)|k 
van den N. BUdtdUk tot 
Dykshoek. 

de zeedyken van Dyks- 
hoek tot het gedenktee- 
ken van Gaspar Robles 
t. Z. van Harlingen en 
Slachtedyk van Ooster- 
bierum tot Bauwerd. 

de zeedUk van het ge- 
denkteeken tot bU Mak- 
kum. Hieraan contribueert 
het deel van Westergoo bui- 
ten (t. W. V.) d.Slachte. 

de zeedijk van Makkum 
tot het Workumerhek 
(t. W. V. Workum). 

zlln zeed^k. 



330 
het Waterschap Hemelumer-Olde- 1 

, -_ JIJ I elk bepaalde deolen van 

pnaertenJ^OOraWOlae ïde zeewering tusschen 

het Waterschap Wijmbritsera- ( ^^J^JTa.^" ^ ^^' 
^ . •^ ^ , I Klif bö Stavoren- 

deel en aanhoorige zeedijken ) 

het Waterschap de Zeven Griete- I ,^ ^^^ vanhetRoode 

nijenendestadSloten (Kiiftot schoterzui. 

De Lemstersluis — behoort niet tot de werken in on- 
derhoud bij de Contributie der „Zeven Grietenijen", enz. , 
maar heeft een afzonderlijk bestuur. 

Deze waterschappen heflFen voor gewoon onderhoud las- 
ten van de gronden hunmr contriJtnUie, Voor buitengewone 
werken ter versterking en verzwaring der zeeweringen 
geeft de Provincie subsidie ; voor de verhooging en ver- 
zwaring die de Staten in 1874 hebben voorgeschreven 
bovendien 60% a 80%. 

D e z e e. De standen (over het geheele jaar) langs 
Frieslands kusten zijn te vinden in de Tabel bl. 63. De 
geni. zomerstanden zijn aan de Lemmer : vloed + 0,33 , 
eb + 0,22 A.P., dus slechts een verschil van 11 c.M.; bij Sta- 
voren , Harlingen , Nieuwe Bildt en in de Lauwerzee 
(Ezumazijl) liepen de ebben resp. tot —0,07, —0,49, —0,65 
en —1,29 A.P. af en bij het laatste punt gaat een ver- 
schil van eb en vloed van 2,48 M. De stormvloeden loo- 
pen bij Stavoren tot -+- 2,52 , bij Harlingen tot + 2,6 A.P. 
op. Al deze opgaven over 1871 -'80. 

Wij moeten hier nog een en ander van de Wadden 
zeggen. Tusschen het eiland Ameland en de oostelijk 
daarvan gelegen Engelschmanplaat en den vastewal van 
Friesland , van den zeedyk van het Nieuwe Bildt af tot 
aan den noordoosthoek van de Lauwerzee, liggen zand- 
gronden die bij ebbe geheel droogloopen. Daardoor loopen, 
in 't algemeen in de richting west-oost eenige geulen, die 
ook bij ebbe water houden , uitkomend in het Pinkegat , 
een broedere geul die de oostpunt van Ameland van En- 
gelschmanplaat scheidt. Tusschen deze Wadden en deze 
plaat ter eene zijde en Schiermonnikoog met de Z. 
en Z.0. daarvan gelegen Wadden ter andere zijde, loopt 



831 



een breed vaarwater, het Friesche Gat, in N.W. en 
N. richting. De Lauwerzee loopt bij ebbe geheel droog 
op een paar geulen na van welke een breede , de Slenk , 
eigenlijk de voortzetting is van het Reitdiep en dus van 
Zoutkamp loopt naar Frieslands N.0. hoek. Van de Slenk 
is het Friesche Gat weer het verlengde : door deze beide 
treedt grootendeels het vloedwater uit de Noordzee de 
Lauwerzee binnen. Door de Lauwerzeewadden loopt voorts 
het Dokkumerdiep als voortzetting van het binnendijksche 
Dokkumerdiep , dus van de sluis bij Engwierum , de Dok- 
kumer Nieuwe Zijlen , zich noordwaarts tot in de Slenk 
kronkelend en zooveel mogelijk op diepte gehouden, omdat 
genoemde sluis de voornaamste uitwateringssluis is van 
bijna geheel Friesland. Eindelijk loopt nog een korte geul 
van Ezumazijl , de uitwateringssluis van Dongeradeel, naar 
het Friesche Gat. 

Aansluiting van Ameland aan den vasten wal. 
Reeds van 1845 afhebben verschillende onderzoekingen plaats 
gehad omtrent de mogelijkheid om Ameland met den 
vasten wal van Friesland te verbinden en daarbij tevens 
land aan t« winnen. Hoewel in 1866 aan den concessi- 
onaris subsidiën uit de Rijks- en Provinciale middelen 
toegezegd waren , droeg deze zijn rechten over aan de 
„Maatschappij tot landaanwinning op de Friesche Wadden." 
Deze is in 1870 begonnen met een dam te leggen van 
uit den Amelanderwal , die op den kruin 84 M. breed 
moest worden en welke in 1872 aan den Frieschen vaste- 
wal bij Hol werd is aangesloten; die dam was in 1882 te 
voet t^ passeeren. In den winter 1882— '88 zijn echter 
zulke groote gaten daarin geslagen , dat de schepen er 
doorheen zeilden. De landaanwinning-maatschappij heeft 
daarop machtiging gevraagd het werk bij overeenkomst 
over te dragen aan den Staat. 

Algemeene beschrijving van het land. 

De hoogte van het door ons in hoofdzaak beschouwde 
gedeelte van Friesland , d. i. het grootste gedeelte , alwaar 



332 



de polders liggen , kan men in 't ruwe stellen op —la 
+ 1 A.P. T. O. van de lijn Buitenpost- Veenwouden-Bei^um, 
dus t. W. van het Bergumermeer om , over Garijp in de 
richting N.Z. op Gorredijk aan en van hier langs de zuide- 
lijke grens der veendistricten van Aengwirden tot Heeren- 
veen , dan over Oudeschoot-Oldeholtpade tot Peperga , 
ligt het land in het algemeen hooger dan A.P. ; in het 
oosten van Opsterland, in Oost-Stellingwerf en aan de 
oostelijke grenzen van West-Stellingwerf tot aandeDrenth- 
sche grens loopt het terrein reeds tot 5 k 8 A.P. op. 
Oost-Dongeradeel Ugt gem. + 0,45 A.P., West-Dongeradeel 
gem. + 0,8 A.P. : het Oud BUdt op + 1,05 è. 1,5 A.P. 
en het Nieuwe Bildt op + 0,8 è. 1,4 A.P. Het terrein van 
Westergoo ligt in het algemeen — 0,5 è. + 0,5 A.P. 

De zeeklei van het Nieuwland tusschen de Middelzee- 
dijken, ook t. Z. van den Slachtedijk, verheft zich gemiddeld 
een halven Meter boven A.P. , behalve in het zuiden on- 
middelijk langs den Hemdijk, waar zij —0,7 è. —0,5 A.P. ligt. 
Terwijl alzoo het noorden nl. het Bildt en het N.W. van 
Oostergoo het hoogst : 1 è 2 M. 4- A.P. liggen , zijn het 
laagst gelegen de ingepolderde landen in het zuidwesten, 
t. Z. en t. W. van Sneek tot aan zee, in 't algemeen 0,5 M. 
beneden A.P., doch hier en daar lager o.a. t. N. van Wor- 
kum tot —2,3 A.P. toe. Ook Uggen laag de landen t.Z., 
t. Z.W. en t. Z.O. van het Tjeukemeer. Gaasterland 
verheft zich tot + 8 A.P. , terwijl de hooge gronden bij 
Koudum , die den Slaperdijk afbreken , de hoogte van 
+ 6,75 A.P. bereiken. Wij zien dus dat de meeste landen, 
behalve die in het Z.W. hooger gelegen zijn dan de om- 
ringende ebben. 

Gelijk bekend is vindt men in Friesland, grootendeels 
binnen de grenzen van het laagveen, een groot aantal 
meren en poelen , die in de eerste plaats een belangrijk 
deel uitmaken van het boezemwater van Friesland, zooals 
wij hierna zien zullen , en ten andere dienst doen in het 
belang der scheepvaart. Zij verbinden de vele vaarten die 
de Provincie doorsneden; daarom worden geulen in die 



333 



meren onderhouden tot zekere diepte en zijn meestal aan 
de in- en uitgangen der kanalen baken geplaatst. 

Hoewel onder gemiddeld IV2 M. laagveen in Friesland 
onmiddelijk het zand ligt, zoo zijn toch enkele meren 
drooggemaakt en met het overgebleven veen dat nog op 
den bodem van het meer lag is een min of meer vrucht- 
bare grond verkregen. Die droogmakerijen zijn in 
het algemeen zeer ondiep. Zij zijn : de Stavorensche N. 
en Z. meerpolders (1613) t. O. van Stavoren, gem. gelegen 
op -0,30 A.P. (-0,05 tot -0,54); de Fluitmeer t. O. van 
Molkwerum en de Haanmeerpolder t. N.W. van Koudum. 
Een I1/3 u. t. Z.0. van Leeuwarden vinden wij nog: de 
Warregastermeerpolder (1633) , de Hempenzermeerpolder , 
de Louwsermeerpolder op —1,5 A.P. en de Jornahuister- 
meerpolder op —1,85 A.P. 

Het laatst zijn drooggemaakt deWorkumer-, Mak- 
kumer- en Parregastermeren, die een betr. groote 
oppervlakte beslaan en wel te onderscheiden zijn van de 
andere reeds genoemde , daar zij niet in het veen maar 
in de zeeklei gelegen zijn. 

In het zuidoosten der provincie vindt men groote 
verveningen (laagveen) nl. om Heerenveen , t. N.0. 
van deze plaats in de gemeente Aengwirden en het westen 
van Opsterland; voorts t. W. van den spoorweg Heeren- 
veen-Leeuwarden in Haskeland en Schoterland en t. O. van 
dien spoorweg t. Z. van den Tjonger bij Teridzerd. T. Z. 
van het Tjeukemeer tot ongeveer aan den Tjonger ligt de 
Echtenerveenpolder en t. O. daarvan tot aan de Linde de 
veenpolder van West-Stellingwerf. Ook in het westen 
aan de Fluessen , nl. t. Z. er van , t. Z. van Nyega, liggen 
de Groote Noordwolderveen- en Nyebuursterveenpolders 
en t. W. van het meer de kleinere Heidenschapsterveen- 
polder. 

Deze verveningen beslaan samen een oppervlakte van 
ongeveer 19(X)0 H.A. en zijn deels van de vorige deels 
van deze eeuw; de oudste zijn eerst in 1834 met een 
polderdijk omringd ; vóór dien tijd bestonden zij uit oninge- 



334 



pMerd laagveen. Het vervenen heeft echter reeds vol- 
gens Tacitus ten tijde van onze voorouders plaats gevonden 
en in het midden der vorige eeuw werd zeker op groote 
schaal verveend, waartegen toen door sommigen sterk 
gestreden is , daar zij vreesden voor vele nadeelige gevolgen. 
Hierin ligt dus een onderscheid met de Hollandsche uit- 
geveende polders, waarvan de meeste (behalve de eerste 
in de middeleeuwen) reeds gedurende eeuwen polders waren 
en als weiland gebezigd werden vóórdat hunne vervening 
begon. 

Daar , vooral in het oosten van Friesland , de veenlaag 
niet dik is , zoo zijn de polders na de vervening , dus 
ook de daaruit ontstane droogmakerijen zeer 
ondiep. Wij moeten hier dus niet denken aan de diepe 
droogmakerijen , zooals wij die vinden in Zuid-Holland , 
enz. , waar het veen eenmaal 4 i 5 M. diep zat en groo- 
tendeels slechts door baggering kon verwijderd worden, 
zoodat door het uitvenen diepe meren ontstonden , welker 
droogmaking zooveel arbeid en geld kostte. Maar wij moeten 
tevens bedenken dat in Friesland na vervening slechts 
een zandbodem met meer of min overgebleven veen kan 
verkregen worden ; die door bebouwing , enz. een zekere 
mate van vruchtbaarheid moet geschonken worden, terwijl 
in de Hollandsche droogmakerijen de vette zeekleibodeni 
het loon is der gebrachte offers. 

In de groote in vervening zynde polders m Friesland 
geschiedt de droogmaking niet in eens maar bij gedeelten ; 
welke stukken droogmakerij dan meestal niet in eens op 
den boezem , maar op het nog in vervening zijnde ge- 
deelte afwateren. 

T. N.0. van Heerenveen, t. N. van den weg van Hee- 
renveen over Langezwaag naar Gorredijk en oostwaarts 
van den straatweg Heerenveen —Leeuwarden liggen twee 
groote veenpolders: de Veenpolder genaamd het 6e en 7e 
Veendistrict onder Opsterland en Aeng- 
wirden (1855) waarin een 700 H.A. is drooggemaakt en 
die van het 4e en 5e Veendistrict onder 



335 



Aengwirden (1834) , waarbinnen eveneens groote droog, 
makerijen liggen. Die droogmakerijen zullen —0,5 è. — 1,7 
A.P. liggen. T. W, van den spoorweg , in ïïaskeland ligt 
de Groote Haskeveenpolder (voormalig 1® district) 
(1859) en t. Z. , daarvan gescheiden door den kunstweg 
Joure— Heeren veen, tot aan het Tjeukemeer de Groote 
St. Johannisgaster veenpolder (voormalig 2e 
en 3e district) (1859) met droogmakerijen, liggende O ü, 
1,7 A.P. T. Z. van het Tjeukemeer ligt de Veenpolder 
van Echten (1859) met kleine droogmakerijen met 
-0,42 Z. P. en t, O. daarvan tusschen Kuinder en Linde die 
van West-Stellingwerf (1856). De Noordwolder- 
veenpolder t. Z. O. van de Fluessen is geheel verveend 
en drooggemaakt en bestaat uit 3 waterstaatkundige doe- 
len met Z. P. van —1,82 en —1,52 A.P., waarschijnlijk 
dus op — 1 A.P. liggend. De Heidenschapsterveenpol. 
der heeft een Z. P. van -1,40 A.P. 

De hooge venen t. O. van Drachten en Opeinde , t. 
Z. van Surhuisterveen en Marum en t. N. van Ureterp , 
waaronder o. a. die van Haule en Weper , worden of zijn 
grootendeels ontgonnen , d. i. deels afgegraven en tot bouw- 
land geschikt gemaakt; eveneens die van Appelscha t. N. 
van dit dorp en van Fochteloo aan de Drentsche grens. 
Kanalen met vele dwarsslooten , w ij k e n genaamd , door- 
üoijden die venen , dienende tot afvoer van turf en tot 
afwatering of bevloiBüng van de bouwlanden. 

Ook in de moerasvenen langs het Koningsdiep en 
den Tjonger hebben ontginningen plaats en afgegraven deelen 
worden ingepolderd. 

Het polderland. 

Een kenmerkend onderscheid tusschen de Friesche en 
HoUandsche polderlanden is o. a., dat in Friesland niet 
het ge heel e land in polders ligt. Tusschen de polders nl. 
komen grootere of kleinere deelen voor die niet door ka- 
den zijn omsloten en waarin dus het water niet afgesloten 
is, doch met den boezem gemeen ligt: zoogenaamd boe- 



336 



ze ra land. De polders liggen vrij wel aaneengesloten ten 
westen van de lijn Peperga— Oldeholtpade— Heerenveen- 
Gorredijk, dan t. N. van den Opsterlander Veenpolderom, 
van Oldeboorn noordwaarts over Wartena en Hardegarijp 
en dan recht noordwaarts op tot de trekvaart van Leeu- 
warden naar Dokkum en vervolgens t. N. van die vaart 
en het Dokkumerdiep. Buiten die lijn komen in het boe- 
zemland of in de hoogere gronden hier en daar op zich 
zelf staande of bij kleine groepen vereenigde polders voor 
en de bedijkingen t. Z. langs de Lauwerzee , zooals polder 
Kruisland. 

Binnen genoemde grens vindt men het boezemland voor- 
namelijk in het Nieuwe Bildt, in het OudBildt, dat groo- 
tendeels oningepolderd ligt ; t. W. van Leeuwarden in het 
nieuwland der Middelzee tot aan de Sneekervaart en t. N. 
en t. Z. van die stad, zuidwaarts tot Wirdum ; in Westergo 
een breede strook langs den N. en O. Slachtedijk tot Oos- 
terwierum in het Z. ; de landen t. N. van Franeker- ; de 
landen t. N. van en tusschen het Sneekermeer en de 
Goingarijpsterpoelen en t. Z. daarvan tusschen de tahijke 
poelen en breede wateren t. Z. van die meren tot aan en 
t. Z. van de Langweerder Wielen, t. O. van Boornzwaag 
en t. W. van het Koevordermeer ; t. O. en t. Z. van de 
Terhornster- en Terkaplesterpoelen en t. N. van het ie en 
5e Veendistrict van Aengwirden ; voorts t. Z. en t. 0. 
van het Slotermeer en de Groote Brokken, alles t. N. en 
t. N. O. van Gaasterland. Ook liggen langs den Tjonger, 
voornamelijk op den linkeroever aan den polderdijk van 
den West-Stellingwerver- veenpolder, groote strooken oninge- 
polderd land. 

Eindelijk komen nog een groot aantal doch zeer kleine 
deelen voor, die oningepolderd zijn, door de talrijke andere 
polders en poldertjes omsloten. Een groote menigte pol- 
ders is eerst in deze eeuw ingedijkt. 

Er komen in Friesland zeer veel polders voor, voorname- 
lijk in het Z. W., die betr. zeer klein zijn, d, w. z. in 't algemeen 
van veel geringer oppervlakte dan elders, b.v. in Holland. 



337 



Wat de bebouwing betreft, het geheele laagveen en 
een deel der zeeklei is weiland en levert voor den handel 
boter en kaas ; de noordelijke grens van het weiland loopt 
van even t. N. van Harlingen, t. Z. van Franeker om 
langs Dronrijp , om zich dan N. O. te wenden langs Stiens 
tot Birdaard , aansluitende aan de trekvaait van Leeuwar- 
den op Dokkum , en dan verder deze vaart en het Dok- 
kumerdiep te volgen, dus langs de zuidelijke grens van Don- 
geradeel. T. N. van die lijn en in een klein deel van 
Westergoo, t. Z, van Harlingen aan zee gelegen, Ugt het 
bouwland: in de buitenste landen teelt men tarwe en kool- 
zaad, daarbinnen ook, doch nu en dan met een jaar beweiding. 
In Oost-Dongeradeel wordt veel vlas geteeld; t. N. van 
Dokkum voornamelijk chicorei. Op de zand- en dalgron- 
den in het O. en Z. O. der provincie , in Gaasterland én 
bij Koudum wordt in hoofdzaak rogge en boekweit ver- 
bouwd (veenboekweit op de afgegraven hooge venen). 

De afwatering. 

Deze geschiedt voor Oost-Dongeradeel geheel , voor West- 
Dongeradeel gedeelteUjk en voor eenige bedijldngen langs 
de Wadden en de Lauwerszee rechtstreeks op zee; 
doch overigens komt het water van geheel Fries- 
land tot aan de Lindevallei en van een klein deel 
van Groningen's Westerkwartier op één enkelen 
boezem, genaamd Frieslands boezem. De niet inge- 
polderde hoogere gronden in het O. en Z.0. laten hun over- 
tollig water niet rechtstreeks op Frieslands boezem afvloeien, 
maar eerst op de vele panden der veenkanalen die dit deel 
der provincie doorsnijden, welke panden bijna even vele 
boezems vormen , op elkaar aflaten en ten slotte hun ge- 
zamenlijk water op den algemeenenFrieschen boezem brengen. 
De meeste polders worden b e m a 1 e n of laten zon- 
der bemaling op elkaar af, In Friesland onderscheidt men 
polders met zomerbemaling of zoogenaamde zomer- 
polders, die alleen 's zomers bemalen worden en die 
meerendeels in het oostelijk deel van het polderland liggen, 

22 



338 



en winterpolders, d. z. die welke altijd bemalen 
worden. In Friesland worden uitsluitend groote vy^dmolens 
of kleine staartmolentjes , nl. op de vele kleine polders , 
gebruikt. 

De rechtstreeks op het buitenwater loozende bedijkingen 
langs de Wadden en de Lauwerszee , loozen langs natuur- 
lijken weg , door uitwateringssluizen (z ij 1 e n) en duikers. 

Daar nu het gemiddelde peil waarop Frieslands boezem 
's zomers feüdyk staat —0,35 A.P. is, d. i. ongeveer ge- 
lijk met of iets hooger dan de groote boezems in Holland, 
terwijl het boezemland dat er op afwatert 's zomers droog 
is , zoo volgt hieruit reeds niet alleen , dat de ligging zoo- 
veel hooger is dan die van het Hollandsche polderland, 
maar ook dat de polders betr. veel minder bemaüngsarbeid 
zullen noodig hebben, wegens de minder hooge opbrengst 
van het water. Terwijl ginds de polders (droogmakerijen 
buiten beschouwing gelaten) steeds gemiddeld 1 M. met 
hunne oppervlakte beneden den boezemstand blijven, kun- 
nen zij in Friesland dikwijls daarboven verheven liggen. 
Evenwel zullen wij zien, dat in Friesland veel 
grooter verschillen in den boezemstand 
kunnen voorkomen dan elders, tot zelfs 80 cM. è. 1 M. 
boven den gemiddelden , zoodat 's winters een groot deel 
der niet gepolderde landen onder water komt. Ook moeten 
wij niet vergeten , dat hier een groot gedeelte van het 
polderland , nl. de grootste oppervlakte der zeeklei bouw- 
land is , en dat dus daarin het polderwater op veel groo- 
ter diepte gehouden moet worden beneden het terrein dan 
in de Zuid- en Noord-Hollandsche en Utrechtsche koepol- 
ders. Bovendien schijnt de aard der bebouwing hier nog 
dieper peilen in de polderslooten te verlangen dan elders; 
in Groningen is zulks in nog sterkere mate het geval. 

Frieslands boezem. 

Deze groote boezem bestaat uit het groot aantal meren , 
poelen en breede wateren in de provincie en uit de menigte 
vaarten die steden , dorpen en zelfs hoeven onderling ver- 



839 



binden. Hy heeft eene oppervlakte van ongeveer 27000 | 

H.A. , waarop 267000 H.A. landen afwateren. ! 

Tot de meren behooren in het Z.W. het groote meer , | 

waarvan het zuidelijk deel de M o r r a heet , dat bij Gala- 
madammen door een zeer smal gedeelte met het overige sa- 
menhangt ; dit laatste is in het middengedeelte de Flues- 
sen, met de K ui laar t in het Z.W. grenzend aan de Morra, 
met de Oorden in het Z.0. en de Zwarte Wouden in het 
W. en het noordeUjk deel: het Heegermeer. T. N. van 
dit laatste liggen een groot aantal kleinere meren , ter- 
wijl het Heegermeer door de Nakken en de Welle, een 
breed water dat langs Woudsend loopt , verbonden is met 
het meer de Koevorde en dit weer met de oostelijk 
daarvan gelegen Langweerder Wielen; deze beide 
laatste staan weer door vele wateren en poelen in gemeen- 
schap met het 1 uur t. N. daarvan en 1 uur t. O. van 
Sneek gelegen Sneekermeerendet.0. daaraan verbonden 
Goingarijpsterpoelen. Wederom t. Z.0. hiervan en 
er mede verbonden liggen de Terkaplester- en Terhorn- 
sterpoelen. Van uit de Morra leidt de Wamservaart naar 
Stavoren, bij welke plaats een uitwateringssluis is van 
Frieslands boezem. T. O. van de Fluessen ligt het 
Slotermeer; daaruit loopt een water, de Ee, langs Slo- 
ten zuidwaarts tot aan de Zuiderzee bij Tacozijl , waar het 
door een uitwateringssluis met de Zuiderzee in gemeen- 
schap staat. De Ee is door de Woudsloot met het O. 
daarvan gelegen Tjeukemeer verbonden , welke ver- 
binding door het N. deel van het meer de Groote 
Brekken loopt. Zoowel uit de Groote Brokken als uit 
het Tjeukemeer loopen vaarwaters naar het aan zee gele- 
gen de Lemmer, waar een andere uitwateringssluis van 
van Frieslands boezem in het zuiden met de Zuiderzee ge- 
meenschap geeft. 

Het Tjeukemeer , staat door de Tierhuistervaart en de 
Pier-Christiaansloot met de ^ht u. t. O. daarvan gelegen 
rivier den T jonger of Kuinder in verbinding. Deze 
rivier , ontstaande in de hoog gelegen venen onder Haule 

22 • 



340 



en weldra versterkt door een paar andere riviertjes , het 
Groote Diep en het Kleine Diep , resp. uit de venen bij 
Fochteloo en Appelscha komend , staat over hare geheele 
lengte met Frieslands boezemwater in open gemeenschap. 
De Tjonger heeft echter evenals genoemde nevenstroomp- 
jes zijn karakter als rivier geheel behouden ; van zijn oor- 
sprong tot beneden Oudeberkoop dalen de landen waardoor 
hy stroomt van + 6 tot + 1 A.P. : er moet dus wel een 
vrij aanzienlijk verval zijn. Ik vind b.v. opgegeven, dat 
tusschen Homsterzwaag en Nijeberkoop de standen van 
2,25 tot 3,25 + A.P. verschillen , d. i. 2,5 k 3,5 M. hoo- 
ger zijn dan den gemiddelde stand van Frieslands boezem. 

Het is dus in deze met Frieslands boezem gesteld als 
met het Stadswater van Utrecht b.v. , dat het geheel vrij 
daarin afstroomende Kromme-Rijnwater opneemt , dat van 
de hoogere gronden komt. Beneden den veenpolder van 
Teridzerd verschilt de waterstand van den Tjonger echter 
zeker niet veel van den gemiddelden stand in Frieslands boe- 
zem. Aan zijn benedeneinde te Oude Schoterzijl ligt een uit- 
wateringssluis tevens schutsluis, gemeenschap gevende tus- 
schen dien boezem en de Zuiderzee. 

Nog een andere rivier voert op deze wijze het water 
van hooge gronden vrij op Frieslands boezem af, nl. de 
Boorn, in het bovenste gedeelte van zijn loop Konings- 
diep geheeten. Het Koningsdiep ontstaat in Opsterland 
op de grens van Groningen bij Bakkeveen , in gronden die 
+ 4.5 è. + 6 A.P. liggen , loopt Z. O. tot aan den Veen- 
polder van het 6e en 7e District , neemt hier den naam 
van Boom aan, begint hier, behalve van de op A.P. 
gelegen oningepolderde hooilanden , reeds door opmaüng 
water te ontvangen uit enkele polders, o. a. uit den groe- 
ten veenpolder van Opsterland en Aengwirden, en ligt van 
hier af gem. met Frieslands boezem gemeen. Het water 
dat de Boorn heet, strekt zich nog verder westwaarts uit 
langs Oldeboorn, waar het aaneengesloten polderland langs 
zijn oevers aanvangt, en loopt door tot Oude Schouw waar 
de N. uitwatering van het Sneekermeer , de Wetering , er 



341 



zich mede vereenigt. Een voortzetting van de Boom is 
het water dat van Oude Schouw. N. W. gaat voorby Irn- 
sum tot de Irnsumerzijl ; van hier gaat het als Grouw 
N. O. waarts naar Grouw , enz. 

Eindelijk is er nog een derde riviertje dat vrij met Fries- 
lands boezem in gemeenschap staat, nl. de Lauwer s. 
Deze, die vroeger veel aanzienUjker schijnt geweest te 
zijn, vangt zijn loop aan op de grens van Groningen, on- 
geveer een hatf uur t. Z. van Surhuisterveen en maakt 
vervolgens tusschen beide provinciën de grensscheiding uit. 
Bij Stroobos snijdt de Lanwers de vaart van Gerbenalles- 
verlaat (het vereenigingspunt der vaarten van Dokkum en 
het Bergumermeer komend) naar Groningen en loopt langs 
Munnekezijl, waar de uitwateringssluis lag vóór de af- 
sluiting van het Reitdiep. Thans loopt de Lauwers nog 
een uur verder door en loost dan door eene uitwate- 
ringssluis in den genoemden afsluitdam, even t. Z. van de 
uitwatering van het Reitdiep op de Lauwerszee. Die sluis, 
de Friesche zijlen geheeten, is dus tevens een uitwate- 
riagssluis van Frieslands boezem , daar deze door vele wate- 
ren , slooten , enz. met het riviertje vrij verbonden is. De 
Lauwers neemt haar aanvang in gronden , zeker niet hoo- 
ger dan + 3,5 A.P. gelegen en er is dus zeker weinig 
verval , vooral op het benedendeel : de gemiddelde standen 
te Stroobos en te Munnekezijl verschillen niet noe- 
menswaard. 

Wij kennen nu de voornaamste boezemwateren, de 
groote vergaderplaatsen in het zuiden der provincie en 
het op den boezem komend water der hoogere gronden. 
Maar het is vooral van belang om na te gaan hoe de 
groote massa water uit het Z. en Z. W. naar het N. O. 
komt , daar zooals wij zien zullen de voornaamste uitwa- 
teringssluis van dezen boezem aan het einde van het Dok- 
kumerdiep , aan de Lauwerszee gelegen is. 

De hoofdwegen voor dat water zijn : van uit het Snee- 
kermeer en de daarmede verbonden Goingarijpsterpoelen 
door de Wetering naar de Boom bij Oude Schouw en van 



842 



uit dé Terkaplester- en Terhomsterpoelen door een water 
naar de Boom bij Akkmm. Uit de Boom komt het bij 
Irnsuraerzyl op de Grouw tot Grouw en van hier oost- 
waarts door een aaneenschakeling van meertjes en breede 
wateren , de Wijde Ee , Kromme Ee , enz. , tot voorbij 
Oudega ; deze staan door vaarten en de slooten der boe- 
zemlanden in verbinding met de Leijen, een groote uit- 
geveende plas t. Z. van het Bergumermeer, waar- 
mede het is verbonden. Hierdoor komt echter betr. weinig 
water in het meer , doch de hoofdweg loopt van Grouw 
naar het Bergimiermeer, door de Graft en Meersloot langs 
Wartena en dan door de Wijde Ee , enz. langs Bergumer- 
dam in het meer. Van uit dit meer kan het water langs 
twee wegen naar de Lauwerszee komen : 

P. Noordtoaarts op door een vaart, eerst Vaart van 
Kuikhorne, dan Nieuwe Vaart geheeten langsZwaag- 
westeinde , waar er de Valomstervaart (van Leeuwarden 
• komend) in uitkomt. De Nieuwe Vaart snijdt bij Lange- 
brug de vaart van Dokkum naar Stroobos en gaat dan 
verder oostwaarts onder den naam van Zwemmer tot 
zij in het Dokkumerdiep uitkomt. 

2^. Oostioaarts op door het Gaspar- Robles- of Kolonels- 
diep , enz. naar Stroobos en van hier door de Lauwers 
naar de Friesche zijlen bij Zoutkamp. 

Een groot aantal vaarten, ook diepen, slooten, 
deelen, enz. genaamd, vooral in het W. en N. O. der 
provincie , verbinden alle steden en dorpen , ja zelfs afzon- 
derlijke hoeven met elkaar. Op de groote verbindingswe- 
gen loopen van dorpen , gehuchten en hoeven nl. kleinere 
zijtakken uit, opvaarten geheeten. Daar al die water- 
wegen tot Frieslands boezem behooren , zullen wij er hier 
eenige van aangeven : 

Van Heerenveen naar Leeuwarden doordeHee- 
rensloot over Akkrum, dan door de Boom en de Grouw 
langs Irnsum en Grouw en van hier onder verschillende 
namen N. W. waarts langs Warrega en Warstiens tot 
Leeuwarden. 



343 



Van de Lemmer naar Sneek door denRijn(Rien)en 
het Tjeukemeer , dan door den Scharster Rijn over Boorn- 
zwaag door de Langweerder Wielen en het Oudhof naar 
Sneek of het Sneekermeer. 

Van de Lemmer naar Sneek en Bolsward, 
door de Groote Brokken naar de reeds genoemde vaart 
van Tacozijl over Sloten naar het Slotermeer en dan door 
de Ee N. W. tot Woudsend, voorts als Wijmerts N*. W. 
tot even t. W. van IJlst. Van hier gaat de waterweg 
als Wijmerts of Bolswardervaart N. W. waarts naar Bols- 
ward en oostwaarts langs IJlst door de Geeuw naar Sneek. 

Van Stavoren naar Sneek door de Warnservaart, 
de Morra , de Fluessen en het Heegermeer langs Heeg tot 
in de Wijmerts, enz. 

Van Mjakkum, Workum en Hindeloopen over 
Bolsward naar Leeuwarden. Van Makkum gaat een 
vaart rechtstreeks naar Bolsward en ook van Workum 
een , de Ee of Trekvaart N. W. naar Bolsward ; die van 
Hindeloopen komt op deze laatste uit. Van Bolsward 
gaat een trekvaart , de Pijphorne , zeer kronkelend door 
Westergoo langs OosterUttens , uitkomend op de vaait 
Harlingen-Leeuwarden , ongeveer IVa u. t. W. van deze 
laatste stad. 

Van Sneek naar Franeker loopt de Zeilvaart, de 
laatsgenoemde vaart bij OosterUttens snijdend. 

Van Sneek naar Leeuwarden gaat de groote Trek- 
vaart of Zwette, op de grens van Oostergoo en Westergoo, 
midden door het Nieuwland der oude Middelzee en komt 
bij Leeuwarden uit op de vaart van deze plaats naar 
Harlingen. 

Van Harlingen naar Leeuwarden loopt een sterk 
kronkelende vaart over Franeker en Dronrijp. 

Van Leeuwarden naar Dokkum en de Lau- 
wer s ze e. De Dokkumer Ee of Trekvaart gaat van Leeu- 
warden eerst N. waarts ; dan meer N. O. waarts over 
Birdaard naar Dokkum. Van hier gaat het Dokkumerdiep 
een voormalige , thans binnengedijkte zeearm , naar de 



344 



Dokkumer Nieuwezglen , de groote schut- en uitwateriDgs- 
sluizen aan de Lauwerszee. 

Van Leeuwarden naar Stroobos, enz. Deze volgt 
eerst Z. O. waarts tot bij Warstiens de vaart van Leeu- 
warden naar Heerenveen, gaat dan O. waarts door de 
Wijde Ee en het Bergumermeer , verlaat dit als Gaspar- 
Robles- of Kolonelsdiep , dat N. O. loopt tot het voormalig 
Gerbenallesverlaat (Gerkesklooster) , alwaar het zich ver- 
bindt met de vaart. 

Van Dokkum naar Stroobos, enz. Deze vaart gaat 
langs Gerbenallesverlaat als verlengde van het Hoen- 
diep oostwaarts over Stroobos naar Groningen, doch 
behoort slechts tot het verlaat bij Gaarkeuken (Station 
Grijpskerk) tot Frieslands boezem. Een zijtak van het 
kanaal van Dokkum naar Stroobos gaat N. waarts door 
Kollum en dan (als Zijlster Rijd) naar het Dokkumerdiep. 

Grens van het gebied van Frieslands boezem. 
In het N. wateren op den boezem af de polders tot en 
met den Holwerder Westerpolder en Pr. West-Dongeradeel. 
Deze beide loozen echter tevens rechtstreeks op het bui- 
tenwater. Verder wordt het gebied van den boezem in 
het noorden begrensd door de zuidelijke polderkade van 
Oost-Dongeradeel en de achterste dijken , voormalige zee- 
dijken, van 3 bedijkingen aan de Lauwerszee; Pr. Nieuw Kruis- 
land behoort tot den boezem. Ook t. O. van de Lauwers, 
dus in Groningen watert nog een groote oppervlakte 
gronden op Frieslands boezem af, nl. t. N. begrensd door 
den voormaligen zeedijk tusschen de Munneke- en Kom- 
merzijlen en t. O. door het gebied van den boezem van 
Groningens Westerkwartier, dat is tot het Wouddiep, 
Grijpskerk en het Kommerzijlsterdiep. Een groot gedeelte 
van deze gronden , nl. t. N. van de vaart van Stroobos 
naar Groningen en bij Lutkegast en Sebaldeburen Kgt m 
polders, gem. liggend op + 0,5 A.P. , en alle bemalen 
wordend , behalve de groote Ruigewaard in het N. , die 
door een uitwateringssluis loost. 

De oostelijke grens der hooge gronden recht- 



345 



streeks op Prieslands boezem afvloeiende loopt ver- 
der over Surhuisterveen en Drachten en strekt zich voorts uit 
tot en met de stroomgebieden van het Koningsdiep en van 
den Tjonger,om zuidwaarts aan dat van de 8 Lindepan- 
den aan te sluiten , d. i. tot de lijn Kuinre-Wolvega-Oude- 
berkoop-Apelscha. Daartusschen liggen evenwel de hoo- 
gere gronden t. O. van Drachten en Opeinde , waar de 
landbouw gedreven wordt op de deels afgeturfde hoog- 
venen en die langs de Opsterlandsche en Schoterlandsche 
Compagnonsvaarten t. O. van Heerenveen , welke gronden 
alle afwateren op de panden der kanalen , die hen door- 
snijden en die ten slotte al hun water bij Harkema- 
Opeinde, Rottevalle, Drachten en Heerenveen 
op Frieslands boezem brengen. 

Reeds vermeldden wij , dat buiten de opgegeven ooste- 
lijke grens (bl. 336) van het aaneengeschakelde polder- 
land afzonderlijk gelegen polders of kleine groepen polders 
voorkomen tusschen het boezemland. Deze liggen voorna- 
melijk bij Dokkum , Kollum , Bergum , Oudega en Beets. 
Ook in de hooge gronden bij Duurswoude , Haule en t. N. 
van Makkinga komen polders voor. In dit deel van ons 
land treffen wij dus het oogenschijnlijk vreemde verschijnsel 
aan , van polders met het terrein gelegen op 2,3 è, 4 M. 
+ A.P. , ja zelfs nog hooger , zooals bij Haule ; zelfs een 
hoog gelegen droogmakerij vinden wij bij Homsterzwaag. 
Deze polders zijn niet alleen met kaden omringd, voor 
zooverre zij niet tegen hoogere gronden aansluiten, maar 
zelfs worden zij meest alle bemalen. Hierin ligt evenwel 
slechts de bevestiging van hetgeen wij vroeger zeiden bij 
de bepaUng van het woord „polder" (bl. 89), dat nl. 
een polder niet aUeen omdijkt is ter bescherming tegen 
hooge waterstanden van buiten , maar tevens tot afsluiting 
van het water daarbinnen, om het polderwater geheel in 
eigen macht te hebben. 

Van de eigenlijke boezemlanden , daaronder te verstaan 
de lage doch niet ingepolderde landen onmiddelijk aan en 
tusschen het aaneengeschakeld polderland , komt 's mnters 



346 



in den regel het grootste deel onder water en dit 
dient dus mede ter waterberging. Deze gronden, 
een oppervlakte beslaande van 30000 H.A., heeten groene 
landen. Op de zeeklei waar het land bouwland is, dat in 't 
algemeen hooger ligt dan de weidestreeken, b.v. in het Bildt, 
komen de boezemlanden daarentegen nimmer onder water. 

Ook de zomerpolders , die alleen 's zomers bemalen wor- 
den, bergen 's winters dus meer water dan 's zomers. 

Wij moeten thans overgaan tot den toestand van den 
boezem zelven en zijne aftapping op het buitenwater. 

Het zomerpeil van den Frieschen boezem ligt tus- 
schen —0,40 è. —0,50 A.P. De waterstaatskaart stelt het 
op —0,42 A.P. , terwijl ik elders —0,47 A.P. vind opge- 
geven. Dit peil wordt gewoonlijk Friesch Peil genaamd. 
Gemiddeld bereikt de boezem echter 'a zomers (1 Mei— 
1 Nov.) geen lageren stand dan —0,35 A.P. , terwijl de 
stand '5 winters ongeveer gemiddeld = A.P. is. Deze pei- 
len zijn echter in dezen groeten boezem op verschillende 
punten niet juist dezelfde , maar verschillen meestal eenige 
centimeters. De opwaaimg in verband met locale omstan- 
digheid oefenen op die verschillen soms belangrijken in- 
vloed uit. De laagste standen die voorkomen 
zijn ongeveer V« M. beneden, de hoogste ruim 1 Meter 
boven Friesch Peil. 

De loozingvanFrieslands boezem op het 
buiten water geschiedt tegenwoordig op 12 punten en wel 
geheel langs natuurlijken weg door uitwaterings- 
sluizen. Deze zijn in het zuiden te beginnen : de Oude 
Schoterzijl , de Lemstersluis , de Tacozijl , tevens alle schut- 
sluizen; de schutsluis te Stavoren, de Molkwerumerzijl 
tevens schutsluis ; de schutsluizen te Eündeloopen, Workum 
en Makkum ; de sluizen te Harlingen , nl. de Gr. en KI. 
Schutsluis, het Landszijltje en de Rimmertspijp; deRopta- 
zijl 1 u. t. N. van Harlingen; de Dokkumer Nieuwe Zijlen 
aan het einde van het Dokkumerdiep bij Engwierum en 
eindelijk de Friesche uitwateringssluis aan het einde van 
de Lauwers bij Zoutkamp. 



347 



Van al deze sluizen is de Dokkumer Nieuwe 
zijlen niet slechts de meest vermogende — zij 
bevat 3 kokers, twee van 4,75 M. en één van 8,25 M. 
wijdte en —2,5 A.P. diepte — maar zij is ook het gun- 
stigst voor de afwatering gelegen. Op die plaats 
toch dalen de gewone ebben tot —1,25 A.P. ongeveer en 
de laagste tot — 2 M. A.P. , welke lage buitenwaterstand 
slechts vóór de Friesche zijlen , die echter veel minder 
vermogend is , bereikt wordt. Bovendien ligt die sluis aan 
het N. O. uiteinde des boezems en daar nu de zuidwesten- 
winden de meest heerschende zijn , zoo wordt het boezem- 
water bij sterken vdnd het meest naar die sluis opgejaagd. 
De Dokkumer Nieuwe zijlen zijn gebouwd in 1729 ; ter 
herinnering aan dit belangrijk feit is dicht bij de sluis een 
gedenkteeken opgericht. Vóór dien tijd liep de vloed tot 
Dokkum in het geheel open Dokkumerdiep op en loosde 
de boezem op dit diep door 4 zijlen (de Dokkumer-, Driezumer-, 
Oudewouder- en Kollumerzijlen). 

Dat de andere sluizen van veel minder belang zijn, blijkt 
ons al dadelijk als wij bedenken, dat vóór de 5 zuidelijke 
uitwateringssluizen de gewone ebben niet beneden den gem. 
zomerboezemstand dalen, maar zelfs te Stavoren nog 25 
cM. hooger zfln. 

De sluis te Makkum is de eerste, van het zuiden af 
gerekend , die onder gewone omstandigheden meestal ver- 
val heeft en dus stroomen kan. 

Eerst te Harlingen daalt de gewone eb een 25 cM. hem- 
den den gemiddelden boezemstand (-0,67A.P.). Maar vóór 
al de zuidelijke en westelijke sluizen komt nu weer het 
bezwaar , dat zij bij de veelvuldig voorkomende Z.W. en 
W. winden en zelfs bij N.W. winden moeten gesloten 
blijven, daar het water dan opgezet wordt tegen de kust. 
Bij Z. tot W. winden waait echter het water van de Dok- 
kumer Nieuwe zijlen a/l 

Het is om genoemde redenen , dat alle pogingen en voor- 
stellen tot verbetering van Frieslands binnenlandschen wa- 
terstaat , die tot nu gedaan zijn , alsook de groote belang- 



348 



rijke werken die men op dit oogenblik daartoe aan het 
uitvoeren is , alle steeds uitgingen van het hoofddenkbeeld : 
„zooveel water als mogelijk en zoo spoedig als mogelijk uit 
den geheelen boezem bij de Dokkumer Nieuwe zijlen bren- 
gen , ten einde het groote vermogen van deze sluis ten voUe 
te kunnen benutten". 

Het was er echter tot op deze dagen verre van af, dat 
het met Frieslands binnenlandschen waterstaat, ten min- 
ste voor alle deelen , gunstig gesteld was. Veel is daar- 
over tot nu toe getwist en geschreven, minder over de 
wijze van oplossing van het vraagstuk, dan wel over de mid- 
delen om de plannen uitvoerbaar te maken , daar deze tel- 
kens met vermeende plaatselyke belangen en oude rech- 
ten in strijd kwamen. 

De reden voor dien dikwerf ongunstigen toestand is te 
zoeken in de omstandigheid dat niet één enkel Hooger 
Waterschapsbestuur het beheer voerde over den boezem 
en alles wat daarop betrekking had. Een* zoodanig bestuur 
kon natuurlijkerwijze nog niet bestaan, daar Friesland, zoo- 
als de geschiedenis ons leert, vroeger in verschillende boe- 
zems verdeeld was. Westergoo had eenmaal een afgeslo- 
ten boezem , Oostergoo had verschillendekleinere (Kollumer- 
land , Achtkarspelen , enz.) en het Oud Bildt , later met 
het Nieuw Bildt vereenigd , waterde afzonderlijk af , direct 
op het buitenwater , tot op het einde der 17e eeuw. 

De groote uitgestrektheid van den boezem moet toch, 
zooals wij vroeger reeds gezien hebben , o. a. bij Rijnland, 
nu en dan oorzaak zijn van sterke opuxxaiing. Nu is de 
oppervlakte van de boezemwateren ook betrekkelijk zeer 
groot, ongeveer 1/10 van zijn gebied; de aard der wateren, 
breede plassen en meren maken dat de wind er veel „vat" 
op heeft ; maar wat vooral steeds bezwaren deed ontstaan 
is , dat verreweg de grootste massa en oppervlakte der boe- 
zemwoieren in het zuidwesten is gelegen. Lagen toch de 
groote meren in het N.0. , dicht bij het punt dat de na- 
tuur als van zelve tot aftapping aangewezen heeft, dan 
konden zij dienen als evenveel groote voorraadschuren , 



349 



waterreservoirs als het ware, waarheen door de Z.W. win- 
den steeds sterke aanwas zou zya en die men bij gunstige 
gelegenheid spoedig kon aftappen. Maar nu. is het juist 
andersom. De groote vergaarbakken Uggen in het Z.W. ; 
de Z. en W. sluizen , die zoo dikwijls gesloten moeten 
zijn , kunnen daarvan niet veel gebruik maken , maar hun 
groote inhoud water moet nu den langen weg van het 
Z.W. naar het N.0. maken en dat nog wel meestal langs 
een grooten omweg over het noordioesten , zooals wij zien 
zullen. 

Reeds voor eeuwen geleden hadden de N. O. streken, 
dus de gemeenten van Oostergoo , behalve W. en O. Don- 
geradeel , Achtkarspelen en Kollumerland, die afzonderlijke 
boezems hadden, een enkelen 'boezem en waren vereenigd 
tot een verbond ,hetLeppeverbond. Dit was ge- 
sloten bij den Leppebrief of het accoord van 1477. Het 
Leppeverbond diende voornamelijk tot gemeenschappelijke 
bescherming tegen het water van buiten en wel voorna, 
meiijk tegen dat uit Zevenwoiiden , dat uit de vele meren 
en poelen dikwijls naar het N. O. werd opgejaagd. Toen 
dan ook de afscheiding der boezems over geheel Friesland 
verviel en door openstelling en opruiming van verlaten 
eerst het Büdt (door de Leijezijl) , later Westergoo's boe- 
zemwater (door de Bolke- en Wierzijlen en nog later door 
het verlaat bij Leeuwarden) met Oostergoo kwam gemeen 
te Uggen, bleef desniettemin het Leppeverbond en het 
Lepparecht bestaan en een dijk langs de zuidelijke 
grens van Oostergoo , deLeppedijk, moest de verbon- 
den gemeenten beveiligen tegen het lastige water uit Ze- 
venwouden. 

Die dijk loopt van de hooge gronden bij Beets westwaarts 
tot de Boom , volgt van Poppenhuizen tot Irnsumerzijl 
geheel den noordelijken oever van de Boorn en sluit hier 
aan den Groenen dijk , die Z.W. waarts gaat langs den 
westelijken oever van het Sneekermeer tot Sneek, van 
waar hij verder loopt als Hemdijk. Deze hebben wij 
reeds als ouden zuidelijken Middelzeedyk leeren kennen. 



350 



In dit gedeete van den Leppedijk liggen 2 schutsluizen : 
de Irnsumerzijl t. N. van Imsum tusschen de 
Boom en de Grouw en de Nesse r zijl bij Nes, benevens 
3 valschutten tusschen Akkrum en Irnsum , die alle ge- 
meenschap kunnen geven tusschen Oostergoo en Zeven- 
wouden en omgekeerd. 

In het begin dezer eeuw was echter de Leppedijk al 
meer en meer vervallen ; daarbij kwam dat de ontginning 
der oostelijke venen al meer en meer water aanbracht, 
terwijl het voortdurend inpolderen van een groot aantal 
landen al meer en meer waterberging wegnam en daaren- 
tegen al het water dier polders op den boezem bracht. 
Naar aanleiding van de vele klachten uit Oostergoo werd 
in 1828 door de Provincie de Leppedijk langs de 
Boom in behoorlijken staat gebracht en van Poppenhuizen 
af oostwaarts de Nieuwe Leppedijk aangelegd, iets 
zuidelijker dan de oude en aansluitend aan een particu- 
lieren dijk bij Beets : de dijk kwam alzoo niet juist meer 
op de grens tusschen SmaUingerland en Opsterland (de grens 
van Oostergoo) , maar een zeer klein deel van Opsterland 
kwam er nu ook binnen. Deze grietenij van Zevenwouden 
benevens de zeven grietenijen van Oostergoo , behoorende 
tot het Oude Leppeverbond , moesten nu elk een zeker 
percent tot onderhoud bijdragen en het toezicht op dat on- 
derhoud werd opgedragen aan een Dijksbestuur, sa- 
mengesteld uit de grietmannen der 8 grietenijen, waar- 
onder één Dijkgraaf. In het Reglement werd bepaald - en 
dit is tot op deze dagen de oorzaak van zooveel jammer 
en gejammer geweest — dat de zijlen en schutten slechts 
dan mochten geopend worden , als het water t. N. van 
den dijk tot zomerpeil was afgestroomd en dan nog slechts 
na speciale machtiging van den Commissaris des Konings 
in de Provincie. 

Hoewel men zich de laatste jaren weinig aan bedoeld 
reglement gestoord heeft , zoo heeft toch de Leppedijk 
meer kwaad dan goed gedaan, Want zoowel bij het hand- 
haven der bepalingen omtrent het sluiten der zijlen en 



351 



schutten als bij het openhouden, de nauwe profielen dier 
openingen beletten steeds een behoorlyke afstrooming. Ter- 
wijl bij Z. W. winden de landen t. Z. tegen den Leppedijk 
gelegen , vooral die bij Imsum en Akknim onder het op- 
gejaagde water verdronken, konden de Dokkumer Nieuwe 
zipen nooit meer dan 3 uur achtereen stroomen bij gebrek 
mn loater. Water genoeg , maar niet waar het afgetapt 
moest worden. Want al het water uit Zevenwouden, dat 
bij dien wind, aan zee gesloten uitwateringssluizen vond 
en door den Leppedyk werd tegengehouden, moest nu eerst 
door Westergoo naar het noorden, moest dan bij den 
meestal volgenden westenwind ^ die de sluizen bijHarlingen 
en de Roptazijl gesloten houdt , door het verlaat by Leeu- 
warden op Oostergoo komen en, als dan de wind verder 
naar het K W. uitschoot, wat zoo dikwijls in ons land 
gebeurt, dan ging het weer zuidwaarts en zette nu de 
landen in Oostergoo t. N. van den Leppedijk onder water : 
die groote massa die daar zich verzamelde kon dan niet 
zoo spoedig door de zijlen in den Leppedijk op Zevenwou- 
den gebracht worden. Het boezemwater plaagde dus ge- 
heel Friesland, om ten slotte toch niet te komen waar het 
wezen moest. 

Ook de vele wegen in deze eeuw al meer en meer bov^n 
mvterpeü aangelegd, met hunne betr. geringe doorlaat- 
niimte aan bruggen enz. beletten wel zeer hooge opwaaiing 
naar ééne zijde , maar belemmerden zeer een spoedige toe- 
vloeiing naar het N. O. Ook de ontelbare bochten in de 
vaarten, een gevolg van het aanleggen langs de wegen 
en weggetjes in vroegere tijden, werken een snelle af- 
strooming tegen. 

Zoo was de toestand tot op dit oogenbUk, niettegen- 
staande de 3 è, 4 milhoen gulden sinds een halve eeuw 
ter verbetering door provincie en belanghebbenden gegeven. 
Maar nu is een algemeen plan ter afdoende verbetering in 
uitvoering, waarmede men in 1882 begonnen is en dat in 
1889 gereed moet zijn. Het komt in hoofdzaak op het 
volgende neer: 



352 



Be Leppedijk vervalt als waterkeering. 

De zijlen en valschutten in den Leppedijk worden ge- 
opend, de Irnsumerzijl wordt geheel uitgeruimd. Het 
Leppedijksbestuur zal waarschijnlijk worden opgeheven. 

Tegelijk met de wegruiming van die belangrijke hinder- 
nis wordt echter de toevoer van het Z. W. naar het K 0. 
verbeterd j door het verbeteren van bestaande en het ma- 
ken van nieuwe waterleidingen. De waterweg doordeaan- 
eenschakeUng van wateren gevormd, die zich van Grouw 
oostwaarts uitstrekken tot t. O. van Oudega wordt ver- 
beterd en uit den meest oostelijken plas , de Smalle Eester- 
zanding, wordt een nieuw kanaal gegraven door de 
Leijen tot in het Bergumermeer. 

Een andere hoofdweg voor het water uit het Z. W. 
naar het Bergumermeer zal verkregen worden door de 
verbetering van het vaarwater uit het Sneekermeer naar 
Schuilenburg , d. i. aan den oostelyken oever van het Ber- 
gumermeer , langs de Wetering over Oude Schouw , Im- 
sum , Grouw , door de Graft , Meersloot en Wijde Ee naar 
en door het meer. 

Dit zijn de beide hoofdwegen uit den vergaarbak der 
wateren in het Z. W. , het Sneekermeer , naar dien voor 
de hoofduitwateringssluis in het N.0. , het Bergumermeer. 
Natuurlijk worden nu ook verbeterd: 

P. de toevoerwegen naar het Sneekermeer^ nl. de vaarwa- 
ters van de Lemmer door het Tjeukemeer, enz. naar Sneek 
en door het Sneekermeer naar de Wetering; van Sneek 
door het meer , enz. naar Akkrum ; van de Lemmer ea 
Tacozijl over Sloten en Woudsend naar het Heegermeer; 
van Stavoren en Molkwerum en van uit de Bolswarder- 
Workumer Trekvaart tot in de Fluessen en hierdoor en 
door het Heegermeer tot Heeg. 

2°. de afvoerwegen uit het Bergumermeer naar de Dokku- 
mer Nieuwe Zijlen , nl. : het kanaal van uit het meer 
noordwaarts langs Kuikhorne tot in den Zwemmer en van 
hieruit door een nieuw kanaal noordwaarts tot in het 
Dokkumerdiep ; het kanaal uit het meer oostwaarts van 



853 



Schuilenburg over Gerbenallesverlaat naar Stroobos, door 
belangrijke verbreeding en verdieping van het Kolonelsdiep 
en aanzienlijke afsnijdingen verkregen; een nieuw stroom- 
kanaal van Gerbenallesverlaat tot aan de Friesche zijlen 
bij Zoutkamp ; eindelijk eene afsnijding in de Ee bij Dokkum. 

Ziedaar dus het water langs rationeelen weg , dat is langs 
den kortsten weg bij het voornaamste punt van uitwate- 
ring gebracht , terwijl toch Oostergoo mede in beteren toe- 
stand komt. 

Ten einde sterke opwaaiing bij Z.W. winden uit de wa- 
teren in het Z.W. te keeren , worden de Groene dijk van 
Sneek tot Oudeschouw , het punt waar de Wetering in de 
Boom uitkomt , verzwaard en de sluizen daarin hersteld 
en verbeterd ; voorts worden van Oudeschouw af de dijken 
loopend over Terhome en Terkaple zuidwaarts tot Joure 
in aansluiting met den kunstweg van Joure naar Heeren- 
veen verzwaard en vernieuwd , schut- en keersluizen daarin 
gemaakt, enz. Deze nieuwe waterkeering zal dan alleen 
moeten dienen om opwaaiing naar Oostergoo enz. te kee- 
ren, door tijdelijk de sluizen en schutten te sluiten. 

Voorts wordt de T jonger gekanaliseerd boven 
de Pier-Christiaansloot , de zuidelijke der 2 verbindingen 
met het Tjeukemeer, waardoor de scheepvaart zal worden 
gebaat, doch tevens het bezwaren van Frieslands boezem 
met Tjongerwater kan worden geregeld — hetgeen thans 
in het geheel niet mogelijk is. Daardoor kan dus voor- 
komen worden, dat Frieslands boezem van die zijde plot- 
seling te 'groeten toevoer verkrijgt en tevens water gehou- 
den worden op de panden der op den Tjonger uitkomende 
vaarten , die het noodig hebben tot de cultuur der iangs- 
gelegen landen, enz. 

Ook wordt de Linde op Friesch grondgebied 
verbeterd. 

Door bovenstaande groote werken zal de binnenlandsche 
waterstaat zeker veel gunstiger worden. De raming van 
kosten voor de uitvoering over 8 jaar bedraagt ruim ^% 
miUioen gulden, deels door het Rijk deels door de Provin- 

23 



354 



cie en door belanghebbenden bij te dragen , en deze uit- 
gave bewijst op nieuw welke oflFers de aard van onzen 
bodem eischt , wil men wederkeerig van dien bodem alle 
voordeelen genieten. 

Gemeenschap van den boezem met andere 
wateren. 

Met het buitenwater — door de genoemde schutsluizen; 
met den boezem van het Westerkwartier te Gaarkeuken 
door de schutsluis in de vaart van Stroobos naar Gronin- 
gen ; met West- en Oost-Dongeradeel door 3 schutsluizen 
bij Dokkum ; met de hierna te vermelden kanalen door de 
sluizen te Harkema-Opeinde , Rottevalle, Drachten en 
Heerenveen. 

De boezems der veenkanalen in het oosten. 

1. Water van Surhuisterveen, bestaande uit een 
aantal veenvaarten in het hoogveen t. Z. van Surhuister- 
veen en loozend aan het einde der Compagnonsvaart by 
de Roodeschuur (by Harkema-Opeinde) op den Frieschen 
boezem. De landen van het zoogenaamde „Waterschap de 
Compagnons van Surhuisterveen" loozen er op. 

2. Water van Rottevalle, bestaande uit 2 panden, 
met hunne vele dwarsvaarten , enz. 2 boezems vormend 
voor de hooge venen t. Z. van bovengenoemde ; het loost bfl 
Rottevalle door een schutsluis op Frieslands boezem, n.L 
op de Lits , die in het Bergumermeer uitkomt. 

3. Het Kanaal van de Drait door Drachten, 
Bakkeveen en Haulerwijk, ook wel geheeten de 
Drachtster Compagnonsvaart, vangt aan op de 
Drentsche grens te Boven-Haulerwijk , loopt door Haule, 
dan N.W.-waarts langs Bakkeveen en Siegerswoude , tus- 
schen welke plaatsen het door het Koningsdiep gesneden 
wordt (duiker), langs Dalen, t. N. van Ureterp om langs 
Drachten tot aan de Drait , aan het oostelyk einde der 
Smalle Eesterzanding. Het wordt achtereenvolgens geheeten 
Vaart door Haulerwijk, Bakkuveenster- en Friesche-palen-, 
Ureterper- en Drachtstervaart. Het kanaal is verdeeld 
in 5 panden, door schutsluizen van elkaar en van den 



355 



Frieschen boezem , de laatste aan de Drait , gescheiden en 
afdalend van 6,11 + A.P. by Haulerwtjk tot 0,81 + A.P, 
op het laagste pand by Drachten; gem. 2 h 2,5 M. diep. 
Behalve het benedenste pand, dienen zij alle met hun groot 
aantal dwarsslooten , w ij k e n genaamd , tot boezems voor 
de aangelegen landen , waarvan 2 gebieden deels in Gro- 
ningen zijn gelegen. Het eerste pand wordt zoo noodig 
gevoed door opmaling uit de Drait t. N. van Drachten , 
dus uit Frieslands boezem. 

Het 2e pand, van Drachten tot het UreterpOT verlaat, 
ligt met een groote d warsvaart gemeen, de Noor de r» 
en Zuiderd warsvaart, waarnaar de boezem van dat 
pand is geheeten. Deze dwarsvaart ontvangt weer het 
water van een kleineren boezem aan de öroningsche grens 
bij het dorp de Compagnie, geheeten de Compagnons 
dwarsvaart. 

4. Vaart door den Hauler- en Weperveen- 
polder. T. O. van Haule ligt een zeerhoogeveenpolder; 
door dien polder loopt een vaart, waarop eenige hooge 
gronden afwateren en die zoo noodig dicht by dien polder 
op den Tjonger loost 

5. De Opsterlandsche Compa gnons vaart. 
Deze loopt van de Drentsche Hoofdvaart t. Z. van Smilde 
N. W. waarts langs Appelscha en Oosterwolde naar Klein 
Groningen bij Wijnjeterp , dan Z. W. waarts tot bg Gorre^ 
dijk en dan met een bocht N. W. waarts langs dit dorp 
om , €xa verder de ringvaart te vormen langs den O. en N. 
polderdijk van het 6^ en 7® Veendistrict , die met de Boom 
in verbinding staat. De vaart staat echter niet in verbin- 
ding met de Drentsche hoofdvaart ; zij is daarvan geschei- 
den door een dam in de Witte wijk. Zy is verdeeld in 9 
panden , waarvan het 5^ t. O. van Oosterwolde den Tjonger 
snijdt* Het 9« of hoogste pand , de Witte wQk, deels in 
Drenthe gelegen , heeft een peil van -f 10.25 AP. ; het 
laagste , dat bij het Qorredijksche verlaat begint, ligt met 
Frieslands boezem gemeen. Boven dit laatste dienen alle 
panden, behalve het S^ waarop geen gronden afwateren, 

23* 



356 



met hun groot aantal wijken , tot evenveel boezems voor 
aanliggende landen , die er alle als boezemlanden natuurlijk 
op loozen. Op het 7® pand loost nog een andere boezem, 
gevormd door eenige wijken , waarop eenige hooge gronden 
afwateren. 

6. De Schoterlandsche Compagnonsvaart 
vangt aan t. Z. van Wijnjeterp niet ver van de Opster- 
landsche Compagnonsvaart en loopt dan eerst Z. W.waarts 
evenwijdig aan deze en vervolgens t. Z. van den Veen- 
polder van het 4® en 5® district onder Aengwirden naar 
Heerenveen. Zij is in 4 panden verdeeld, tot evenveel boe- 
zems dienende voor aangrenzende hooge gronden. Het 
kanaalpeil van het bovenste pand is + 2,98 AP. , de diepte 
op de verschillende panden 1,50 tot 2,55 M. onder kanaalpeil. 
Het benedenste pand staat bij Heerenveen door een schut- 
sluis in verbinding met Frieslands boezem , welke evenwel 
alleen gesloten wordt om hooge standen van het pand te 
keeren ; anders ligt dit dus met Frieslands boezem gemeen. 
Op dat benedenste pand loost o. a. behalve op Frieslands 
boezem een groot deel van den Veenpolder in het é^enö® 
veendistrict onder Aengwirden. 

7. D e L e i t s. Bij Terwispel ligt een polder in het 7« 
en 8® Veendistrict onder Opsterland en Aengwirden, die 
op de Leits afwatert , een kiemen boezem , bestaande uit 
een kort stuk kanaal, loozend op Frieslands boezem. 

Rechtstreeks op het bnitenwater loozende 
landen. 

Deze liggen , zooals wij reeds weten , in het noorden. 

De Wester en Ooster Holwerderpolders 
en de Tornaarder buitenpolder. De beide eer- 
ste polders werden in 1580 de laatste werd in 1590 
bedijkt. Zij loozen alle drie , elk door één uitwaterings- 
sluis, dus geheel langs natuurlijken weg, rechtstreeks 
op zee ; doch de eerste , eveneens door een uitwaterings- 
sluis tevens op Frieslands boezem. De polders vormen 
elk een waterschap: de Waterschappen Holwerder Ooster- 



857 



en Westerpolder en het Waterschap de Temaarder- 
polderzeedijk ; de eerste heeft een afzonderlijk dijkbestuur, 
bij de beide andere wordt dit laatste genomen uit het al- 
gemeen bestuur, bestaande uit een vergadering van vol- 
machten, gekozen door de ingelanden. 

De polders West- en Oost-Dongeradeel. 
Deze groote polders, resp. 5280 en 6820 H.A. groot, wer- 
den in het laatst der 16e eeuw herdijkt. De grens is het 
Paezens, een water dat van Dokkum zich noordwaarts 
naar het dorp Paezens aan de Wadden kronkelt en met 
het polderwater van West-Dongeradeel gemeen Ugt. Dit 
laatste loatert tevens op Frieslands boezem af, nl. deels 
natuurlijk door een uitwaterings- tevens schutssluis aan 
de westzijde van Dokkum en deels na opmaling door 
een vijzelmolen bij Bornwerd , die het water op een zijtocht 
van de Dokkumer Ee brengt. Dongeradeels punt van uit- 
watering op zee ligt aan de westzijde der Lauwerszee ; het 
loost daar nl. door de Ezumazijl , eene uitwateringssluis 
tevens schutsluis aan het einde van de Zuider Ee bij 
Ezumaburen. West-Dongeradeel brengt zijn polderwater 
op Oost-Dongeradeel door een schuifdeur in de Jaarlasloot 
onder Wetsens, onder zekere beperkende bepalingen. West- 
Dongeradeel heeft een Z. P. van — 0,80 A.P. , Oost-Donge- 
radeel van — 1,05 A.P. en een W. P. dat 0,30 M. hooger 
is; de laatste polder heeft eenige lagere deelen, nl. eenige 
kleine aan de Lauwerszee en de Jouwswierpolder in het 
midden met Z. P. van —1,65 A.P. en met een molen uit- 
slaande op het algemeen polderwater. 

Met Frieslands boezem staan West- en Oost-Dongeradeel nog 
elk door een schutsluis bij Dokkum in gemeenschap ; deze 
verlaten en de reeds genoemde schut- en uitwateringssluis 
van West-Dongeradeel t. w. van Dokkum mogen open zijn 
als Frieslands boezem niet hooger staat dan het polder- 
water der polders. 

De beide polders vormen het Waterschap : 

Polder Oost- en West-Dongeradeel. Deze be- 
heert en onderhoudt de polderdijken , de middelen ter 



358 



afwatering als sluizen , molen , enz. Onderhoudsplicht rust 
op alle gebouwde en ongebouwde eigendommen binnen het 
Waterschap. Het bestuur bestaat uiteen voorzitter en 
5 gecommitteerden, door den Koning te benoemen. 
De zeedijken zijn , zooals wij weten, in beheer en onderhoud 
bij de Waterschappen „de Zeedijken-CJontributie Oost-Don- 
geradeel" en de Contributie Zeedijken van West-Dongeradeel" 
met afzonderlyke besturen. Onderhoudspücht rust op ge- 
bouwde en ongebouwde eigendonmien , volgens legger naar 
kadastraal inkomen. 

De Anjumer- en Lioessenserpolder aan de 
Lauwerszee werd in 1592 bedijkt. Hy watert af door een 
steenen duiker in den zeed\jk aan de oostzijde. Het Z. P. 
is -0,45 A.P. 

De polder vormt een waterschap van dien naam, dat 
in beheer en onderhoud heeft den zeedijk met verdediging , 
de daarvóór gelegen slikvangers op de kwelders en den duiker. 
Het bestrydt de kosten door verhuring van dijk en bui- 
tengronden. 

De Engwierumer-, Eskes- en Catspolders; 
de eerste ligt onmiddellijk t. N. , de beide andere t. Z. 
van de Dokkumer Nieuwe zijlen. Zij wateren elk door één 
uitwateringssluisje op zee af ; de laatste polder heeft geen 
hoogen buitendijk. 

De Engwierumerpolder vormt een waterschap, dat zorgt 
voor het onderhoud van den zeedijk en de waterleidingen. 

Administratieve lichamen. 

Hoogere waterschappen , die de gemeene belangen van 
groote vereenigingen van gronden behartigen in alles wat 
hun waterstaat betreft, zooals wij die in Holland o. a. 
vinden , bestaan in Friesland niet. 

In meer beperkten zin zou men slechts als groote wa- 
terschappen kunnen beschouwen den reeds genoemden 
Polder Oost- en West-Dongeradeel, die polder- 
water, uitwateringssluizen , molen. enz. beheert — welke 
echter eerst uit den jongsten tijd dateert — en het 



859 



Oud Bildt. Het laatste , grootendeels uit boezemland en 
overigens uit een negental polders bestaande , beheert nl. 
oot eenige wegen , bruggen en vaarten. 

Alle andere groote waterschappen, reeds op blz. 329 ge- 
noemd, hebben een zeewerend karakter: het zijn zee- 
dijk s-c o n t r i b u t i ë n , die slechts zorg dragen voor het 
onderhoud der daartoe behoorende dijken, slapers en slui- 
zen , voor zooverre dit het gewone onderhoud betreft , en 
daartoe lasten heffen van alle gronden behoorende tot 
„hunne contributie". 

WelUcht dat ter wille der bilUjkheid binnen korteren of 
laogeren tijd deze contributiën geheel zullen worden opge- 
heven (zie blz. 327). 

De waterstaatkundige polders hebben meestal elk éen 
afzonderlijk bestuur. In eenige weinige gevallen slechts 
zijn eenige waterstaatkundige deelen tot één enkelen ad- 
ministratieven polder vereenigd. 

Een beheer, onderhoud enz. van boezemwateren door 
een waterschap heeft dus in Friesland in het geheel niet 
plaats. De Provincie zorgt daarvoor. 

§ 3. GRONINGEN EN DRENTHE TOT AAN FRIES- 

LANDS BOEZEM EN TOT AAN DE HOOGE 

DRENTSCHE GRONDEN. 

Van dit rijke gewest gaven wij boven de geologische 
samenstelling (bl. 309 , enz.). Op de zeeklei vinden wij een 
elders ten platten lande bijna ongekende welvaart. De groote 
boerenhofsteden , van binnen en buiten bezien , getuigen 
er van — vooral die in het Oldambt. 

Bebonwing. Aaneengeschakeld weiland vinden wij in 
Groningen slechts t. N. en t. O. van de stad Groningen , 
ter weerszijden van het Damsterdiep of de Fivel, deels op 
de klei, deels op het laagveen t. O. daarvan, in het 
noorden tot Bedum , ten Boer en het Schildmeer , oost- 
waarts tot de lijn Schildmeer-Zuidlaardermeer ; ook ligt 
weiland t. Z.W. der stad. De zeeklei in Westerkwartier 



860 



en Hunsingoo is grootendeels bouwland en levert oliezaad , 
gerst, haver en paardeboonen. Op de Dollardklei worden 
vooral paardeboonen, koolzaad, aveelzaad, garst, haver, 
en roode klaver verbouwd , eveneens op de hooge zand- en 
leemgronden van het Oldambt, deels met veen bedekt 
tusschen Scheemda, Midwolde, Finsterwolde , Beerta en 
Winschoten. De dalgronden t Z. van het Winschoterdiep 
om Hoogezand, Muntendam, Veendam, Wildervank, Nieuwe 
en Oude Pekela worden ruim bemest , o. a. met Dollardslijk, 
en leveren hoofdzakelijk aardappelen en rogge, voorts 
boekweit , haver , enz. Eindelijk vinden wij op het zand 
en leem om Slochteren en Siddeburen , om Noordbroek en 
Zuidbroek en op de zandgronden van Westerwoide hoofd- 
zakelijk rogge en veenboekweit , terwijl het afgegraven 
hoogveen t. N. van Sappemeer vooral aardappelen, rogge, 
haver en gerst voortbrengt. De zandgronden en het laag- 
en moerasveen van Drenthe en in het Z. van Wester- 
kwartier leveren ook in hoofdzaak rogge en boekweit. 

Nog liggen in Groningen een 20000 H.A. woeste gron- 
den , nog niet in cultuur gebracht hoogveen en zand , groo- 
tendeels in Westerwoide en in het Z.W. van het Wester- 
kwartier onder Marum , Grootegast en de Leek en een 
1100 H.A. meren. 

Hoogte. 

In het algemeen vormt het zuiden van Groningen de 
noordelijke heUing van de Drentsche hooge gronden en dit 
gedeelte daalt dus van het Z. naar het N, tot ongeveer 
aan de zeekleigrens. Daar de jongste zeeklei het hoogst ligt. 
de oudste om welke reden dan ook het meest gezakt is 
en de zeekleilanden dus stijgen naar de kust toe, zoo 
liggen aan hun zuidelijke gr«ns , dus in 't ruwe langs het 
Hoendiep, het Eemiskanaal en de grens der Dollardklei de 
laagste landen der provincie. 

Terwijl de zeekleigrens en het onmiddellijk daaraan ge- 
legen laagveen, even t. Z. van het Eemskanaal —0,50, 
bij het Schildmeer —0,80 A.P. ligt, zoo stijgt de bodem 
aan het Damsterdiep reeds tot -f 0,50 A.P. en klimt naar 



861 

het noorden langzaam tot 1 è 1,76 + A.P. Tusschen 
het Reitdiep en het Damsterdiep, t. Z. van het Winsumer- 
zijldiep en Onderdendam ligt het land —0,5 è. A.P. ; t. N. 
daarvan is Hunsingoo + 1 i 1,5 A.P. gelegen. De buitenste 
polders verheffen zich tot + 2,5 A.P. T. W. van Gro- 
ningen klimt het terrein van —0,5 A.P. aan het Hoendiep 
naar het noorden tot + 0,5 a 1 A.P. aan het Reitdiep. Het 
laagveen t. Z. van het Eemskanaal en het zand by Sloch- 
teren en Kolham ligt niet hooger dan —0,5 h —1,2 AP. 
Van de DoUardkleigronden li^en ook de oudere binnenste 
tusschen Nieuwolda en Scheemda laag, de buitenste bedij- 
kingen evenwel hooger ; ook t. O. van de hoogere zand- 
gronden van het Oldambt , dus t. O. van Finsterwolde en 
Beerta ligt het terrein hooger, behalve van een paar lage 
bedijkingen t. N. van Nieuweschans. De laagste streek 
van Groningen is dus gelegen tusschen het Damster- 
diep en het Winschoterdiep en t. N. van Sappemeer , de 
hoogere zandgronden van Koordbroek en Zuidbroek en die 
van het Oldambt, van Scheemda tot Finsterwolde. 

In den Z. W. hoek van het Westerkwartier dalen de gron- 
den van 4 è, 5 + A.P. tot A.P. aan het Hoendiep af. 
Ten oosten van de Hunse hellen eveneens de gronden van 
Westerwolde noordwaarts naar de DoUardklei af . Die gron- 
den zya aan de oppervlakte zooals wij weten meest allu- 
viale, nl. hoogveen; doch hier en daar komt het Scandina- 
visch diluvium en het zanddiluvium , dat daarop en daar- 
naast evenals zandplaten uü de zee ontstond, weer aan 
de oppervlakte. Dit gebeurt juist o. a. aan de grens der 
zeeklei en dan worden daar lage heuvels of ruggen gevormd, 
bestaande uit Scandinavisch zand en leem. Zoo liggen 
Zuidbroek en Noordbroek op een rug , zich uitstrekkend 
van het Z. naar het N. , hoog + 0,75 è. + A.P. ; voorts 
vindt men in het Oldambt den hoogen zand- en leemgrond 
bij Scheemda, de hoogere strook waarop Midwolda, Oost- 
wold en Finsterwolde liggen , den rug waarop Beerta ge- 
bouwd is en de Winschotergaast , alle + 1 èi 2,5 A.P. 
gelegen en samen hoogveen insluitend, liggend op de vette 



862 



leem en de daaronder zich uitstrekkende potklei, nog vóór 
de wording van het Scandinavisch diluvimn uit de zee 
bezonken. In Westerwolde liggen nog gelijksoortige heu- 
vels bij Onstwedde en bij Selwillige op de Hannoversche 
grens, terwijl de overige zandgronden van Westerwolde 
tot het zanddiluviinn behooren. In het Westerkwartier 
liggen Noordhom en Zuidhorn op een zand- en leemrug, 
di*i zich tot + 4:ï75 A.P. verheft te midden van de zeeklei. 

Het polderland. Een betr. groote oppervlakte van 
Groningen Ugt niet in polders. Het N. deel van Hun- 
singoo nl. , + 0,4 èt 2 A.P. gelegen, t. N. van Onderden- 
dam , Middelstum , ten Boer en het Damsterdiep , is boe- 
zemland van 2 verschillende boezems, zooals wij zien 
zullen. In het Westerkwartier is het meeste land t. N. 
van de lijn Grijpskerk-Aduard en binnen de oude Reitdieps- 
dijken boezemland ; t. Z. daarvan beginnen de aaneenlig- 
gende molenpolders. In het Z. Uggen de polders tot Haren 
en t. W. daarvan ongeveer tot de Duitsche grens; t. N.0. 
van het Leekstermeer liggen eenige kleinere en ook t. Z 
daarvan nog een groote polder tot aan Roderwolde en 
Leutingewolde , welke dus nog op Drentsch grondgebied 
gelegen zijn. T. Z. van het Wolddiepje, dat bij Enumatil 
in het Hoendiep uitkomt en t. W. van Midwolde en de 
Leek is alles boezemland of hoogere gronden. In hetZ.0. 
deel van Westerwolde komen evenmin polders voor, uitge. 
zonderd een 2200 H.A. die met molens op de Pekel Aa en 
de Westerwoldsche Aa uitslaan. De in cultuur gebrachte 
dalgronden van Oude en Nieuwe Pekela, Wildervank 
Veendam , Muntendam , Hoogezand en Sappemeer zijn bijna 
geheel polders. 

Wij spreken hier van polders, maar moeten daarbij 
vooral wijzen op de beteekenis van dit woord toegepast 
op gronden in Groningen. Er is onderscheid tusschendeze 
en de HoUandsche en zelfs de Friesche polders. Laten wij 
nl. de aangedijkte polders (bedijkingen) langs het Reitdiep , 
de Wadden en den DoUard buiten beschouwing, daar deze 
met betr. zware kaden of dijken omringd zyn en meestal 



363 



natuurlijk afwateren, evenals de bedijkingen der Zeeuwsche 
en Zuid-HoUandsche eilanden — dan bestaat bij vele der 
overige polders de afscheiding van de omringende landen 
slechts in scheiding van het water in de polderslooten of 
andere polderwateren door dammetjes. Daar waar het 
aangrenzende boezemwater nooit hooger dan het terrein 
kan komen of waar het polderwater nooit tot op het land 
kan stijgen — en zulks is in Groningen meestal het geval 
in tegenstelling met alle Hollandsche en de meeste Friesche 
polders — zijn polderkaden langs aangrenzend boezem- of 
polderland natuurlijk overbodig. De danamen in de slooten 
zijn dan voldoende om het polderwater af te sluiten en 
dus in de macht te hebben. 

hl 't algemeen worden al deze polders in Groningen be- 
malen en molenkoloniën of molenpolders geheeten; 
geheeten; die welke geen kaden hebben, zou men dus ook 
eenvoudig bemalen landen kunnen noemen. De molens zijn 
uitsluitend vijzehnolens ; de kleinere koloniën hebben dik- 
wijls wipmolentjes. Een enkele hooggelegen molenpolder 
loost bovendien wel eens natuurlijk op den boezem door 
een grondpomp, zooals men hier een duiker noemt. 
De diepste polderpeilen zijn ongeveer — 1,45 A.P., meestal 
-1 è. —1,2 A.P. De koloniën die loozen op het Winscho- 
terdiep, de Pekel Aa en de Westerwoldsche Aa hebben echter 
veel hooger binnenpeilen , nl. gem. + 0,5 A.P. (tusschen 
-0,20 en + 1,7 A.P.). 

In Groningen komen slechts 2 droogmakerijen voor: 

De droogmakerij Meerland, t. Z. van Oost- 
wold en Finsterwolde en t. N. van Beerta gelegen. Zij 
is ontstaan uit het voormaUge Hunningameer , ligt t. N.0. 
tegen de hooge venen van Eimemaborgh en heeft zelve 
een bodem van laagveen en zeeklei. De zeer ondiepe droog- 
makerij zal binnen den ringweg ongeveer 400 H.A. groot 
zijn; zij heeft een natuurUjke afwatering en behoort tot 
het waterschap Reiderland. 

Het Meedhuizermeer bij Meedhuizen, m Duurs- 
wold, nog in de zeeklei juist op de grens van het laagveen 



364 



gelegen , is eerst in een der laatste jaren drooggemaakt. 
De droogmakerij is ongeveer 105 H.A. groot en heeft een 
bodem van zeeklei. 

Een andere soort van polders, natuurlijk door zware 
kaden en dyken omgeven, zijn de eigenlijke b e dij kin gen 
op de zee veroverd. Zij zijn te onderscheiden in die langs 
het Reitdiep , die langs de Wadden (de zavelgronden) en 
die langs den Dollard (van zware zeeklei). 

De polders langs het Reitdiep zijn ingedijkt 
vóór en tijdens de afsluiting van dit diep bij Zoutkamp. 
De dijken ter weerszijden langs dat diep waren vóór de 
afsluiting buitendijken tot aan Groningen ; beneden Aduar- 
derzijl , d. i. ongeveer het punt waar het Reitdiep zich 
westwaarts wendt , liggen die dijken niet onmiddeUjk aan 
de voormalige rivier , maar zijn op grooteren of kleineren 
afstand daarvan verwijderd. De zuidelijke of Hooge 
d ij k wendt zich t. W. van Oldehove zuidwestwaarts tot 
Kommerzijl , waar de uitwateringssluis Ugt van het Kom- 
merzijlsterdiep — vóór de afsluiting dus een buitensluis, 
nu een uitwateringssluis tusschen twee boezems ; de dijk 
loopt daarna westwaarts langs Munnekezijlen , evenals 
Kommerzijl wel ^li u. van het Reitdiep gelegen , het punt 
waar eertijds de uitwateringssluis van Frieslands boezem 
in de Lauwers lag , die na de afsluiting verplaatst is naar 
Zoutkamp in den afsluitdam (de Friesche zijlen). Verder 
strekt de dijk zich westwaarts uit tot Nittershoek, waar 
hij aan den Nieuwen Zee-Buitendijk van Polder Kruisland 
aansluit. 

Van Nittershoek tot Zoutkamp is in 1874 de afsluitdam 
gelegd , lang ongeveer 3700 M. , hoog + 6,98 A.P. ; dit 
werk was een onderdeel van een algemeen plan van ver- 
betering van scheepvaart en afwatering in de provincie 
Groningen, wat sedert geheel is ten uitvoer gelegd. Te 
Zoutkamp ligt in den dam de groote schut- en uitwaterings- 
sluis van het Reitdiep. Vóór de afsluiting liep dus de 
vloed tot Groningen op en gaf daar een gem. vloed van 
+ 1,35 A.P. en een gem. eb van —0,69 A.P. 



365 



Buitendyks nu zijn in den loop der tijden verscheidene 
kwelders langs het Reitdiep ingedijkt: in 1794 o. a. tus- 
schen Kommerzijl en Munnekezijlen , tusschen de hier ver 
vaneen gelegen dijken : de Ruigezandster-, Ruigewaardster- 
en Niehoverpolders t. Z. en daartegenover de Zuurdijks- 
polder en de Uiterdijken van Zuurdijk. Verder liggen hoo- 
ger op tot Aduarderzijl ter weerszijden nog een 13 tal be- 
dijkingen. Door den afsluitdam is tevens een groote polder 
van 430 H.A. ingedijkt , de Stadsplaat , gelegen t. W. van 
de Kommérzijl tot aan de Friesche grens en nog 2 kleinere 
bedijkingen behoorend tot Frieslands boezem. Al deze 
polders loozen langs natuurlijken weg door uit- 
wateringssluizen op boezems , behalve de Stadsplaat die 
door een uitwateringssluis rechtstreeks loost op het bui- 
tenwater — de Lauwerszee. 

De polders langs het Reitdiep zijn samen groot 2120 H.A. 
ongeveer. 

De Wadpolders. Deze polders bedijkt uit de aan- 
gewassen zavelgronden langs de Groningsche Wadden lig- 
gen buiten den kapitalen doorloopenden zeedijk van Hun- 
singoo , de Vierburen en Fivelingoo en hebben buitendijken 
ook wel kadijken genaamd , ongeveer even hoog als de 
groote zeedijk of hoogstens V» è. 1 M. lager. Zij vangen 
aan aan den mond van het Reitdiep bij Zoutkamp met 
den Pantserpolder en strekken zich oostwaarts uit tot 
aan den ingang van de Wester-Eems onder Bierum, 
waar nl. de Oostpolder ligt (1841). Ten getale van 
U beslaan zij samen een belangrijke oppervlakte. Zij zyn 
bijna alle in deze eeuw ingedijkt en wel grootendeels in 
de eerste jaren. De Negenboerenpolder onder Kloosterburen 
gelegen vóór een andere bedijking, de Bokum- enFeddema- 
polder (1809) , is van 1872. De 4 grootste zijn de Noord- 
polder, groot 2058 H.A. , van 1811 , de t. O. daarvan ge- 
legen Uithuizerpolder, groot 924 H.A., van 1827, de weer 
t.0. van deze liggende Oostpolder, groot 1140 H.A, , van 
1841 , en eindelijk de Eemspolder , die vóór een gedeelte 
van de beide vorige niet lang geleden door indijking ig 



366 



aangewonnen. De jongste zijn Johannis-Kerkhovenpolder 
en de Westpolder in een der laatste jaren vóór de Horn- 
huister- (1806) en de Vierhuisterpolders (1807) aangedijkt 
De Wadpolders liggen uit den aard van bun ontstaan ge- 
middeld boven + 1 A.P. , daar de vloed langs de kust 
+ 1,20 è 1,40 A.P. is. Gemiddeld liggen zij wel + 1,5 
en tot + 2,5 A.P. 

De afwatering geschiedt öf op den boezem van Hunsingoo 
(de Zevenboeren- (1801) , Feddema- en Bokumerpolders) öf 
rechtstreeks op zee meestal natuurlijk door zijlen of pom- 
pen ; ook wel , zooals voor de minder hoog gelegen Vier- 
huister- en Hornhuisterpolders , die rechtstreeks op ssee 
loozen , na opmaling met een vijzelmolen. 

Het polderpeil van den Noordpolder is + 0,4 A.P., van 
de Uithuizer- en Oostpolders + 0,6 A.P. 

Langs de Eems liggen ook nog t. Z. en t. O. van Ter- 
munten de Groote en Kleine polders. De eerste wordt 
bemalen. 

Ook de genoemde kapitale zeedijk langs Hunsingoo enz., 
die nu tot aan de Eems slaper is geworden door het voor- 
leggen van de buitenpolders , dijkte eenmaal een uitge- 
breide strook aangewassen gronden in. De oude zeedijk 
die achter deze lag is nog in vervallen staat , hiei* en daar 
afgebroken , weer te vinden. Hij vangt aan aan het einde 
van den Negenboerenpolder b^ Dijxterhuis in het westen 
en loopt onmiddellijk langs de dorpen Westemieland , 
Warflfum , Usquert , Uithuizen , Uithuistermeeden en Oos- 
ternieland , gaat dan zuidwaarts daarna N.O.waarta langs 
Spijk en sluit t. N.0. van Bierum aan de Eems. De 
strook tusschen de Oude en Kapitale Zeedijken heet nog de 
Uiterdyks en Buitendijks is in het westen slechts t uur, 
doch in het oosten als Uiterdijk Vierburen wel t uur braed. 

De Dollardpolders. 

De Dollard was voorheen veel grooter. Zijn veen- 
gronden zijn door de St. Elizabethsvloed in 1277 en andere 
vloeden d^na grootendeels weggeslagen, maar nog in 
het jaar 1530 drong de zeeboezem diep in het land met 



367 



twee armen t. W. en t. O. van de hoogere vooruitsprin- 
gende gronden van het Oldambt, tot Scheemda in het 
westen en Bellingewolde in het oosten. Doch door sterke 
aanslibbing hadden in het Z.0. reeds van 1545—1657 vijf 
indijkingen plaats en werd in het Z.W. reeds in 1597 de 
polder Scheemderzwaag bedykt , later in 1626 het Oudland, 
in 1665 het Oud Nieuwland en in 1701 het Nieuwland 
achter Midwolde aangewonnen. Nog later werden de Oost- 
wolderpolder (1769), de Finsterwolderpolder (1819) en de 
Reiderwolderpolder 1® gedeelte (1863), en t. O. daarvan 
eveneens voor elkaar , te rekenen van binnen naar buiten , 
de Krompolder (1690), de Stadspolder (1740) en de Reider- 
wolderpolder 2® gedeelte. Binnen deze drie laatstge- 
noemde liggen t. N. en t. Z. van de Westerwoldsche 
Aa de ingedijkte landen onder Beerta, Nieuweschans en 
Bellingewolde en eenige kleinere deels op Duitsch grondge- 
bied gelegen polders bij Nieuweschans. De na 1597 inge- 
dijkte polders zullen samen een oppervlakte beslaan van 
11500 HA, 

Zoo ontstond de vruchtbare zeeklei die op de darg ligt 
en die een zeer verschillende dikte heeft: men zou kun- 
nen zeggen tusschen 1 k 2,5 M. in het algemeen, bij 
Scheemda evenwel 3 è, 8 M. ; terwijl ook in de nieuwere 
polders de dikte grooter is , b. v. in den Stadspolder 8 M. , 
in den Kroonpolder 4 ^ 6 M., in de Oostwoider- en Finster- 
wolderpolders tot 6 M. Langs de oude grenzen van den 
DoUard, dus nu langs die van de Dollardklei komt deze 
laatste voor vermengd met veel ijzeroxyde; die gronden 
heeten dan roodoorn gronden, waarvan weer ver- 
scheidenbeden voorkomen, als o. a. de roodolmgronden , 
die zeer veel ijzer en plantaardige overblijfselen bevatten 
en daarom minder vruchtbaar zyn , zoodat zij vruchtbaar 
gemaakt moeten worden door naarbovenwerken of aan- 
voeren en opbrengen van andere klei. 

De indijking der aanwassen is gewoonlyk geschied, als 
aj iets boven V. Z. verheven waren , men kan stellen een 
0,40 M. ; doch zooals wy vroeger reeds zeiden, niet 



368 



alleen door het inklinken van den grond en door de be- 
bouwing, waardoor organische en anorganische bestand- 
deelen aan den bodem werden onttrokken, maar hoogst- 
waarschijnlijk ook door het zakken van den bodem als 
gevolg van de inkrimping der aardkost kwamen zij lager 
te liggen. Daardoor liggen de binnenste nu minstens 1,6 
M. beneden V.Z. , d. i. —0,2 A.P. , hoewel in deze nog 
wel lagere peilen voorkomen als in het Oud Nieuwland van 
—0,8 A.P. , in den Oostwolderpolder van —0,72 A.P. en 
zelfs in den Finsterwolderpolder van A.P. 

De DoUardpolders slaan uit op verschillende hierna te 
vermelden boezems. Zij worden^ alle bemalen behalve de 
Finsterwolder- en Reiderwolderpolders , die langs natuur- 
lijken weg op een boezem afwateren. 

De Zee. 

T. O. van het Friesche Gat liggen tusschen het eiland 
Schiermonnikoog en de platen Boschplaat en Rottumeroog 
ter eene en de Wadpolders ter andere zijde de Groningsche 
Wadden , die bij ebbe op eenige geulen en balgen na geheel 
droogloopen. Westelijk van Boschplaat loopt de Lau- 
we r s , een breede geul , naar de kust , doch splitst zich 
alvorens deze te bereiken in een paar takken naar oost 
en west ; oostelijk van Rottumeroog loopt de diepe Eems- 
stroom. Door deze uit het N.0. en door de Lauwers en 
een zijtak van het Friesche Gat uit het N. en W. dringt 
het vloedwater op de Groningsche kust aan. Door de 
zanden en slikken van den DoUard loopen in het algemeen 
van het N. naar het Z. eenige geulen, voor het grootste 
gedeelte doodloopend , doch enkele als voortzetting buiten- 
dijks van eenige wateren in het N.0. van Groningen, zoo- 
als de Buiten Aa of het Schansegat, zijnde het ver- 
lengde van de Westerwoldsche Aa buiten Statenzijl en 
welke geul, zich naar het noorden verbreedend, alsGroote 
gat zich met de Eems vereenigt. Voorts het verlengde 
van de Bellingewolder- en Beersterzijldiepen en de nieuwe 



369 



afwateringsgeul uit die diepen buiten de Reiderlander uit- 
wateringssluis , enz. 

Het gem. verschil der getijen langs de Groningsche 
kust is op te maken uit de gem. ^row^rstanden te Zoutkamp 
(1871-1880) vloed + 1,23 en eb - 1,25 A.P. en te Nieuw 
Statenzijl (1871-1880) vl. + 1,42 en eb -0,97 A.P. Te 
Delfzijl bedroegen die standen + 1,42 en —1,37 A.P. en 
te Termunterzijl (1828-'37) + 1,45 on -1,36 A.P. 

De dijken. De dijken van de Wadpolders worden met 
de daarin gelegen zijlen door deze zelve onderhouden. De 
groote zeedijk langs Hunsingoo en Fivelingoo, 
Oterdum en Oldambt, waartegen die polders zijn 
aangedijkt, thans dus bijna geheel slaper geworden, 
heet van den Oostwolderpolder tot den wester opdijk van 
den Noordpolder de Kapitale ofMiddendijk langs 
het Wad en van hier tot aan de zuidzijde van Zoutkamp 
de Kapitale of Provinciale dijk langs het 
Wad. Beide worden met daarin gelegen zijlen en pompen 
door de aangrenzende genoemde groote waterschappen be- 
heerd en onderhouden. De buitendijken van den Reider- 
wolderpolder Ie gedeelte (t. westen van den Stadspolder) 
wordt onderhouden door het waterschap de Vereen i- 
ging, waartoe die polder behoort. 

Hunsingoo en Westerkwartier zorgen eveneens voor de 
thans slaper geworden dijken langs het Reitdiep. De af- 
sluitdam vóór het Reitdiep van Zoutkamp tot Nittershoek 
is in onderhoud en beheer bij de provincie Groningen. 

De hoogte der groote buitendijken bedi-aagt tusschen 
+ 5 en + 6 A.P. 

Algemeen peil. In Groningen rekent men nog steeds 
algemeen bü Winschoter peil (W.P.), dit is een peil, 
volgens de waterstaatskaart op + 0,81 A.P. gelegen, dat 
den gewenschten stand aangeeft van het Winschoterdiep 
tusschen Zuidbroek en Groningen alsmede van het Eems- 
kanaal en het Reitdiep tot Wetsinghe. Dikwijls wordteen 
hoogte ook vergeleken met die van V o Ize e te Groningen, 
zijnde ongeveer 40 c.M. beneden den gem. vloed aldaar, 

24 



J 



870 



toen het Reitdiep nog open was. V.Z. is daar aang^even 
door een bout , liggende op + 0,15 W.P. dus + 0,96 A.P. 

De scheepvaartkanalen rekenen dikwijls naar eigen peilen 
voor zooverre zij niet W.P. hebben. Zoo spreekt men van 
Pekelder-Aapeil (benedenpand van Pekel Aa, enz.) dat 
iets hooger dan W.P. is (+ 0,889 A.P.) , van Westerwold- 
sche Aapeil, dat ongeveer 0,40 lager dan W.P. is , enz. 

Wateren van Groningen. 

Bij de beschouwing van de afwatering van Groningen 
moet men in het oog houden , dat aan de punten van 
loozing op het buitenwater niet alleen het water der Pro- 
vincie moet worden afgevoerd , maar bovendien dat van 
een groote oppervlakte landen in Drenthe , hetwelk eerst 
op de boezems in Groningen moet afvloeien. 

Langs de helling van noordelijk Drenthe en zuidelijk 
Groningen naar het noorden, voeren de volgende stroompjes, 
enz. het water van hun gebied af, in het W. te beginnen: 

Het Leekstermeer, dat grootendeels in Drenthe 
is gelegen, ontvangt door het Beneden Leeksterverlaat 
te Leek schutwater uit het Hoofddiep , een kanaal dat 
het verlengde is van de Wilpster- en Johkervaarten , veen- 
kanalen in het Z.W. van Groningen , op welker panden 
gronden afwateren die deels in Drenthe gelegen zijn ; voorts 
het water van eenige Drentsche molenpolders t. Z. van de 
Leekstermeer bij Rodewolde gelegen en door de Matsloot, 
die in den noordelijken hoek van het meer uitkomt. Het 
Leekstermeer behoort tot den boezem van het waterschap 
Westerkwartier en brengt dus zijn water in Groningen. 

DeEelder- en Peizerdiepen, die samen met 
een Drentsch stroomgebied van 18060 HA. zich op de 
Groningsche grens vereenigen tot Koningsdiep, het- 
welk dan bij Vierverlaten in het Hoendiep valt. 

Het Hoornsche Diep, ontstaande uit verschillende 
stroompjes in Drenthe, draagt eerst achtervolgens ver- 
schillende namen , maakt voor een deel de grensscheiding 
uit tusschen Groningen en Drenthe en heet daar Punter- 
diep , krijgt daarna bij het betreden van het Groningsch 



371 



grondgebied den naam van Hoornsche Diep en loopt t. W. 
van den Hondsrug tot Groningen, waar het zich vereenigt 
met het Reitdiep. Het staat in verbinding met het Noord- 
Willemskanaal , dat van Assen komt , en is beneden het 
punt van vereeniging als voortzetting van dat kanaal ge- 
kanaliseerd door uitdieping en afsnijding van bochten. Het 
Hoornsche Diep brengt water aan van 24920 HA. Drent- 
sche gronden. Van bij Haren liggen ter weerszijden kaden 
er langs. 

Het Drentsche Diep, ook Hunse genaamd (waar- 
van de naam Hunsingoo) was vroeger een vrij afstroo- 
mende rivier , waarvan het Reitdiep voorbij Groningen het 
benedendeel was en die bij en beneden genoemde stad 
door belangrijke afsnijdingen een loop had verkregen , zeer 
verschillend van den oorspronkelijken. De rivier loopt 
door het Zuidlaardermeer , staat in verbinding met het 
Foxholtermeer , en wordt ook wel Oostermoersche vaart 
genoemd tot het punt waar zij een half uur ten oosten 
van Groningen in de trekvaart het Winschoterdiep valt , 
welke haar water naar Groningen voert en aldaar op het 
Eemskanaal brengt. 

Het deel van het Reitdiep boven de afsluiting te Wet- 
singhe staat er in open verbinding mede. Op Groningsch 
grondgebied is het Drentsche diep voor scbepen van 1,4 
M. diepgang bevaarbaar. Het voert o.a. het water van 
23450 HA. Drentsch stroomgebied af. 

De Mussel Aa en de Ruiten Aa zijn twee 
stroompjes die in de hoogevenen van Drenthe ontspringen , 
resp. bij Valthe en uit het Zwarte Meer. Zij vereenigen 
zich even boven Wedde bij Wessingehuizen tot de Wes- 
terwoldsche Aa, die zich door de Nieuwe Statenzijl, 
ongeveer 3*/4 K. M. beneden de Oude Statenzijl aan den 
Z. O. hoek van den Stadspolder gelegen , op de Buiten Aa 
of het Schanserdiep ontlast. De Mussel- en Ruiten 
A a voeren samen het water van de ontginning der hooge 
venen , nl. van een stroomgebied van ruim 14000 HA. op 
Groningen af. De Mussel Aa evenwel snydt het Stads- 

24 ♦ ' 



372 



kanaal, een veenkanaal dat van Ter Apel langs de Gro- 
ningsche grens loopt, en voert daarlangs dikwijls een deel 
van zijn water naar Groningen ; is het Stadskanaal hooger 
dan kan dit daarentegen water op de Mussel Aa werpen 
door een overlaat in zijn noordoostelijken kanaaldijk. Bij 
Ter Apel komt wat water uit Duitschland op de Ruiten 
Aa , maar daarentegen voert een tak , de Nieuwe Ruiten 
Aa, langs Bourtange door de Bakovenspomp water naar de 
rivier de Eems. 

Ongeveer V^ u. t. O. van Winschoten bij de Bult komt 
de Pekel Aa (Pekelerdiep) met de Westerwoldsche 
Aa samen. In de eerste ligt juist boven het vereenigings- 
punt het Bultsterverlaat, dienende om de lage 
waterstanden van de Westerwoldsche Aa af te scheiden 
van het benedenpand van de Pekel Aa, zoodat deze dan 
niet zal afloopen , terwijl het thans tevens de hooge stan- 
den der Westerwoldsche Aa kan keeren omdat vloeddeuren 
zijn aangebracht. Tusschen Wedde en Statenzijl is gering 
verval. De hoogste en laagste standen op de Wester- 
woldsche Aa van het Bultsterverlaat tot de Statenzijl 
(oude) waren over öjaren (1849-64) + 1,76 en -0,378 A.P. 
De Westerwoldsche Aa is beneden Wedde ter weerszijden 
door vrij hooge dijken ingesloten. Voor een Duitschen 
boezem wordt bij Nieuweschans water afgeleid, dat 
evenwel tusschen de Oude en Nieuwe Statenzijl weer op 
de rivier komt. 

Het Stadskanaal is een veenkanaal langs de 
Drentsche grens van Ter Apel tot t. Z. van Wildervank; 
van Ter Apel tot het snijpunt met de Mussel Aa ook ter 
Apelerkanaal en van hier tot Stadskanaal ook Stads 
Mussel kanaal geheeten. Het is door 6 verlaten in pan- 
den verdeeld; aan het noordelijk uiteinde staat het Boven 
Wildervankster verlaat in gemeenschap met het Kanaal 
van hier tot het Winschoterdiep bij Zuidbroek , achtereen- 
volgens Oosterdiep, Meedemerdiep, Dwarsdiep en 
Muntendammerdiep geheeten. 

Dit laatste loopt langs Wildervank en Veendam en 



878 

is in 3 panden verdeeld. Het Stadskanaal voert , onge- 
rekend het water dat er van de Mussel Aa op komt, dat 
van 10700 H.A. Drentsch gebied op Groningen. 

Het 2e pand van het Stadskanaal, van beneden te re- 
kenen, staat in gemeenschap met de Pekel Aa of het 
Pekelderdiep, reeds boven genoemd, dat langs Nieuwe- 
en Oude Pekela loopt en bij het Bulsterverlaat in verbin- 
ding staat met de Westerwoldsche Aa. Het is in 4 pan- 
den verdeeld. Het dient voornamelijk voor de scheep- 
vaart ; maar boven het benedenste verlaat , het Beneden 
Pekelderverlaat , tevens tot waterafvoer van de ter 
weerszijden gelegen landen in het westelijk deel van 
het waterschap Westerwolde. Bij Winschoterzijl is het 
benedenpand van het Winschoterdiep gescheiden door het 
Renselverlaat, dat dient om hooge standen van de 
Pekel Aa in dat pand van het Winschoterdiep te keeren. 

Met een weinig water dat door de Annerveenster- en 
Kielsterdiepen bij Hoogezand op het Winschoterdiep ge- 
bracht wordt, van welke diepen het eerste in Drenthe 
kort langs en evenwijdig aan de Groningsche grens loopt 
tot het dorp Annerveenschkanaal en het laatste van hier 
langs Windeweer en Kiel N.N.W. waarts gaat, doenalzoo 
95000 H.A. Drentsche gronden hun water op Groningen 
afvloeien. 

Groningen wordt voorts doorsneden door een aantal 
scheepvaartkanalen , gedeeltelijk tevens als boezem- 
water ter afwatering dienende en daar zij tevens een groot 
deel van het bovenbedoelde Drentsche water moeten af- 
voeren , zoo zijn hunne waterstanden aan betr. zeer sterke 
veranderingen onderhevig ; in dit opzicht vormen zij een 
groot onderscheid met de kanalen in Holland, welkerstan- 
den slechts veranderen kunnen tengevolge van de betr. 
geringe schommeUngen der boezems waartoe zij behooren^ 
Op die vaarten waren eenmaal een groot aantal verlaten 
of schutsluizen , in de eerste plaats om met panden tot 
de hoogere streken in het Z. en Z.0. te kunnen opklimmen; 
t.a. om den groeten watertoevloed langs de kanalen en 



374 



nvieren uit het Z. komend van sommige kanalen af te 
houden : om beide redenen vindt men o,a. de verlaten op 
het Stadskanaal , op het kanaal van het Stadskanaal naar 
Zuidbroek , op de Pekelder Aa , op het Winschoterdiep het 
Renselverlaat , enz. Ook zijn dikwijls sluizen noodig om 
water op de kanaalpanden te houden , zooals het reeds 
vermelde Bulsterverlaat op de Pekel Aa ; en eindelijk om 
het groot aantal boezems, die weleer in Groningen waren, 
van elkaar gescheiden te houden. Met het vervallen van 
die boezems en als gevolg van een nieuw systeem van 
afwatering , zijn evenwel die verlaten voor een groot ge- 
deelte vervallen , geopend of weggeruimd. 

De voornaamste kanalen zijn: 

Het Hoendiep van het verlaat te Gaarkeuken (sta- 
tion Grijpskerk) zuidoostelijk naar Enumatil en van hier 
oostwaarts langs Hoogkerk naar Groningen, waar het door 
een schutsluis van het Noord- Willemskanaal is gescheiden. 
Het vormt tegenwoordig van Gaarkeuken tot Groningen 
slechts één pand , dat deel uitmaakt van den boezem van 
het Westerkwartier. Mede gemeen met dien boezem ligt 
het Aduarderdiep, dat van Vierverlaten noordwest- 
waarts loopt t. O. van Aduard om , tot aan het afgesloten 
pand van het Reitdiep , waarmede het door de Aduarder- 
zyi , een schut- en uitwateringssluis , in verbinding staat. 
' Het Reitdiep, de voormalige thans gedeeltelijk 
verlegde en afgesloten rivier de Hunse , vormt met den 
hoofdweg , het Eemskanaal , de beide verbindingen van de 
stad Groningen met de zee. Het dient tot afwatering en 
scheepvaart en is bij Zoutkamp door een groote schut- en 
uitwateringssluis in den afsluitdam afgesloten en bij Wet- 
"singhe in tweeën gescheiden. Het bovenste deel heeft W.P. 
'en ligt dus met het Eemskanaal , enz. gemeen. Als afwate- 
ringskanaal komen wij er later op terug. 

Het Damsterdiep of de Fivel is te Gronmgen 
door de sluis in de Oosterhaven van het Eemskanaal ge- 
scheiden en bestaat uit één enkel pand van Groningen tot 
Delfzijl , waar het door de Dorpster- en Scharmerzijlen met 



.875 

de Wester-Eems in gemeenschap is. Het dient tot scheep- 
vaart en tevens tot afwatering van het waterschap Five- 
lingoo. 

Het Groot Scheepvaartkanaal (Eemskanaal). 
Dit groote kanaal, gegraven in 1874 van Groningen 
naar Delfzijl, is zeer belangrijk, als vormende den 
hoofdweg van Groningens handel naar zee. Doch ook 
voor de afwatering is het van groot gewicht. Een 
peil hebbend = W.P. komt de stand alzoo overeen 
met dien van het Winschoterdiep , waarmede het in 
vrije verbinding staat; het voert dus af al het water 
dat op dit laatste kanaal wordt gebracht en wel ten 
eerste van de landen in Groningen t. Z. van dat kanaal 
tot aan de vaart van Stadskanaal naar Zuidbroek en ten 
andere al het Drentsche water dat langs dit laatste ka- 
naal, langs de Annerveenster en Kielsterdiepen en langs 
de Hunse op het Winschoterdiep afvloeit. De belangrijk- 
heid als afwateringskanaal ligt voornamelijk in de omstan- 
digheid , dat vóór de groote uitwaterings- en schutsluis , 
waarmede het te Delfzijl van de Eems is afgesloten , de 
gem. ebbe zeer laag, nl. tot —1,37 A.P. daalt. 

Het Winschoterdiep. Dit kanaal strekt zich 
uit van Groningen tot aan de Pekel Aa bij Winschoterzijl, 
^li u. t. O. van Winschoten. Zooals wij reeds opmerkten 
wordt het diep hier zoo noodig, door het Renselverlaat 
van de Pekel Aa gescheiden om event. hooge standen van 
deze op te koeren. 

Vroeger kon het Winschoterdiep nog door 3 verlaten 
in deelen worden gescheiden , alle dienende om zoo' noodig 
hooge standen uit een oostelijk gelegen pand te keeren , 
als deze door water uit het zuiden komend of door water- 
loozing van langsgelegen landen sterk werden opgezet. Nu 
zijn die verlaten echter nutteloos geworden, daar het Eems- 
kanaal te Groningen steeds voldoende afvoer kan geven 
of 's zomers genoeg kan aangevoerd worden om het geheele 
Diep op peil te houden , wat vroeger , vooral met het pand 
tusschen het Zuidbroekster- en Renselverlaat, wegens het 



376 



vele schutten en den geringen toevoer , dikwijls niet het 
geval was. Het peil is W.P. Het kanaal dient tot 
scheepvaart en .waterafvoer. 

Verscheidene kanalen in de afgegraven venen t. Z. van 
Sappemeer en Hoogezand , als de Kielster en Kalkwijker- 
diepen , enz. staan met het Winschoterdiep in vrije ge- 
meenschap ; het laagste pand van de vaart van Stadskanaal 
naar Zuidbroek hgt er mede gemeen tot aan het Beneden 
Veendammerverlaat. 

Het Termunterzijldiep, van het Winschoter- 
diep bij Scheemda door het Scheemdei'verlaat gescheiden 
en noordwaarts loopend langs Nieuw-Scheemda en Nieu- 
wolda tot Termunterzijl bij Termunten, waar het door de 
Termunterzijl in verbinding staat met de Eems , is een 
scheepvaart- doch hoofdzakelijk een afwateringskanaal, nl. 
voor het waterschap Oldambt. Er moet daardoor bij 
Scheemda meer dan 1 M. geschut worden. 

Het Boterdiep, van Groningen over Zuidwolde en 
Bedum naar Onderdendam loopend , is te Groningen door 
een dam van het Winschoterdiep gescheiden en komt te 
Onderdendam uit in het Winsumerzijldiep, dat west- 
waarts langs Winsum loopt en door de Winsumer- en 
Schaphalsterzijlen , uitwateringssluizen van Hunsingoo, op 
het Reitdiep afwatert, 

In verbinding met het laatstgenoemde staan nog de 
trekvaart van Winsum naar Ulrum en die van 
Onderdendam naar Warffum. 

De afwatering. 

Eertijds was Groningen in een groot aantal boezems of 
Zijlvestenijen (zijlvesten) verdeeld. Zoo vond men in 
Hunsingoo het Wetsingher zijlvest en het Schaphalster- en 
Winsumer zijlvest , in Fivelingoo dat der Drie Delfzijlen , 
enz. Thans evenwel hebben de 8 groote waterschappen, 
die met de op zich zelf staande bedijkingen langs het 
Reitdiep en de Wadden en met de gronden t. Z. van 
het Winschoterdiep en t. W. van de vaart van Stadska- 
naal naar Zuidbroek het geheele Groningsche gebied om- 



377 



vatten , elk een afzonderlijken boezem , bijna alle ontstaan 
uit de vereeniging van eenige voormalige zijlvesten. 

De tegenwoordige toestand van afwatering , zooveel van 
den vroegeren verschillend, is eerst sedert korten tijd in 
het leven geroepen door 

Ie. De afsluiting van het Reitdiep door den afsluitdam 
bij Zoutkamp ; 

2e. Het graven van het Eemskanaal voor scheepvaart 
en waterafvoer van Groningen naar Delfzijl ; 

3e. Het graven van een nieuw afwateringskanaal van 
het Slochterdiep t. W. van Slochteren N.O.waarts door 
het Schildmeer tot de Eems bij Farmsum. 

De groote verbetering tengevolge van het uitvoeren dezer 
werken in Groningens waterstaat gebracht , welke wij 
boven bij de bespreking van het Eemskanaal reeds ten 
deele aanstipten . zullen wij in het onderstaande zien uit- 
komen. 

Hydrografische en administratieve indeeling. 

Boezem van het afgedamde Reitdiep. 

Door den afsluitdam bij Zoutkamp en de afsluiting te 
Wetsinghe is een deel van het Reitdiep afgescheiden, dat 
tot boezem dient voor de reeds vroeger genoemde polders 
langs het Reitdiep. Met den boezem ligt gemeen het 
buitendijksche gedeelte van het Kommerzijlsterdiep , dus 
buiten Kommerzijl gelegen, op welk gedeelte de Ruige- 
waardster , Ruigezandster- en Niehoverpolders, enz. loozen , 
van Kommerzijl tot Munnekezijl buiten den Hoogen Dijk 
gelegen. De polders wateren op een enkelen na natuur- 
lijk, d. i. door uitwateringssluizen op den boezem af. Be- 
halve door het Kommerzijlsterdiep ontvangt de boezem 
door het Aduarderdiep het water van den boezem van het 
Westerkwartier en voorts door eenige hierna te melden 
sluizen ook voor een groot gedeelte het water van Hun- 
singoo's boezem. 

De stand waarop men den boezem tracht te houden is 
—0,88 AP. en het voordeel nu der afsluiting van het Reit- 
diep, vooral voor Hunsingoo, ligt voornamelijk hierin, dat 



378 



de daarop afvloeiende boezems thans in hun waterloozing 
niet meer afhankelijk zijn van de werking der getijen. 
De stand van —0,88 AP. is bij de bovenste zijlen iets 
lager dan de eb vóór de afsluiting, bij andere, zooals 
bij de Aduarderzijl , is hij echter wat hooger dan de 
voormalige ebbestand. 

De boezem loost door schut- en uitwateringssluis te 
Zoutkamp op de Lauwerszee (Slenk). Gem. eb aldaar 
-1,23 AP. 

Waterschap Westerkwartier heeft een eigen boe- 
zem , maar het gebied van den boezem is veel uitge- 
strekter dan dat van het Waterschap , daar het omvat 
het geheele Z.W. van Groningen t. O. van Frieslands boe- 
zem en t. Z. en t. W. van het Reitdiep , benevens eenige 
polders en de hoogere gronden in Drenthe die er op afwa- 
teren , terwijl het Waterschap zich slechts op Groningen's 
gebied uitstrekt. Het geheele gebied is groot 56000 HA.; 
daarvan bestaat de helft uit hooge gronden in Drenthe 
met 1000 HA. polders aldaar t. Z. van het Leekstermeer 
en het Hoendiep. In Groningen wateren de hooge gronden 
t. Z. van het Wolddiepje , om Marum en de Leek tot aan 
het meer gelegen , samen 14000 HA. , er op af ; voorts 
10400 HA. molenpolders , gelegen aan het Leekstermeer , 
t. Z. langs het Hoendiep en het Hoomsche Diep tot bij 
Haren , voor een klein deel in Drenthe vallend , en ook 
t. N. van het Hoendiep tot aan Grijpskerk en Aduard, bene- 
vens nog eenige t. N. daarvan ; eindelijk 3600 H.A. boezem- 
land. De boezem , ontstaan uit de vereeniging der voor- 
malige Aduarder- en Kommerzijlvesten , bestaat uit het 
Hoendiep van Gaarkeuken tot Groningen, het Leekster- 
meer en zijn uitwatering de Munnikesloot die in het Hoen- 
diep uitkomt , het Hoofddiep van V4 u. t. Z. van Leek 
door dit dorp in het meer uitloopend ; het Wold- 
diepje , enz. in de hooge gronden , het Wouddiep op de 
grens van Frieslands boezem van Gaarkeuken naar het 
Wolddiepje, het Kommerzijlsterdiep binnen de Kommerzijl 
en het Aduarderdiep. De boezem loost door de Aduarder- 



879 



en Kommerzijlen , tevens schutsluizen op den boezem van 
het afgesloten Reitdiep. Het Z. P. is -0,74 AP. (-1,54 
W. P.), doch de gemiddelde zomerstand was in 1874 niet 
lager dan -0,44 AP.; de standen liepen (1867-1872) van 
+ 0,34 tot —1,10 AP. Te Gaarkeuken is de boezem 
door een schutsluis van Frieslands boezem gescheiden. 

Het Waterschap Westerkwartier omvat het 
geheele boezemgebied voor zooverre het ligt in Groningen , 
dus 28200 HA. Het is verdeeld in 8 onderdeelen. Elk 
onderdeel kiest een lid voor het hoofdbestuur, welks 
voorzitter door ingelanden van het Waterschap wordt ge- 
kozen. Bij het Waterschap zijn in beheer en onderhoud 
de dijken langs het Reitdiep en het Hoomsche Diep, benevens 
nog andere werken , waarop het hoofdbestuur toeziet. De 
bepaling der onderhoudslasten geschiedt voor de helft naar 
de maat en voor de helft naar de huurwaarde van het 
kadaster. 

Kanalen in het zuidwesten. In het Z.W. der 
provincie t. Z. van Marum , t. N. van Zevenhuizen en door 
de Leek loopt een veenkanaal, achtereenvolgens de Wilp- 
stervaart, de Jonkersvaart en het Hoofddiep 
geheeten , waarvan alleen het benedenpand bij de Leek met 
den boezem van het Westerkwarter gemeen ligt ; op het 
2de pand van het Hoofddiep wateren geen gronden af; op 
de Jonkersvaart en de daarmede gemeen liggende wijken 
loozen nog een aantal gronden om en t. Z. van Zevenhui- 
zen , voor een klein deel in Drenthe gelegen ; terwijl de 
Wüpstervaart met het 4de pand van de Drachtster Com- 
pagnonsvaart (Friesland) gemeen ligt. De daarop afwaterende 
gronden liggen nog gedeeltelijk in Groningen , eveneens is 
zulks het geval met eenige op het 8de pand van de Com- 
pagnonsvaart loozend. 

Waterschap Hunsingoo. 

Het boezemgebied komt ongeveer overeen met de uit- 
gestrektheid van het waterschap van dien naam zelf en 
beslaat het noorden der Provincie t. N. en t. O. van het 
Reitdiep en t. N. van de stad Groningen en strekt zich 



880 



oostwaarts uit tot de grenzen van het waterschap Five- 
lingoo , dat is tot en met de gemeenten Uithnistermeeden , 
Kantens en Middelstum en deelen vanLoppersum, Stedum 
ten Boer, Noorddijk en Groningen. De grootte is 35200 
H.A. Het grootste deel van het Waterschap is boezem- 
land op + 0,5 i + 2 A.P. ; slechts 11700 H.A. ongeveer 
zün molenkoloniön , op — 0,5 è. + 0,5 A.P. gelegen t.Z. 
van Onderdendam , Middelstum en ten Boer. Bovendien 
loozen op den boezem de Wadpolders : de Zevenboeren- 
polder en de Bokumer- en Feddemapolder. De boezem be- 
staat uit het Boterdiep , het Winsumerzijldiep , de vaart 
van Winsum naar Ulrum en nog vele andere kleinere vaar- 
ten en boezemwateren , samen groot 230 H.A. bij Z.P. 
Hij loost lo. rechtstreeks op de Lauwerszee door een sluis 
bij Zoutkamp (hoofduitwatering); 2®. door de Schouwenster-, 
Schaphalster- en Winsummer- en Wetsingherzijlen op het 
afgesloten Reitdiep en S^. boven Wetsinghe door de pro- 
vinciale pomp aan het einde van het Selwerderdiepje boven 
de afsluiting. Het Z.P. van den boezem is —0,64 A.P. 
(-1,45 W.P.), het maalpeil + 0,23 A.P. Het verschil in 
hoogste en laagste standen is aanmerkelijk, b.v. te Onder- 
dendam (1867-72) + 0,36 en -0,96 A.P. ; te Zoutkamp 
staat de boezem in den regel het laagst. De boezem is 
van dien van Fivelingoo gescheiden door verlaten op het 
Stedummermaar t.Z. van Stedum en op het Thesinger- 
maar aan het Damsterdiep. 

Het Waterschap Hunsingoo is verdeeld in 12 
onderdeelen , elk met afzonderlijk bestuur en een lid af- 
vaardigende naar het hoofdbestuur , dat daardoor bestaat 
uit 11 leden en één voorzitter. Het Bestuur ziet toe op 
de dijken langs Reitdiep , Wadden en buitenpolders en op 
eenige hoofdvaarten en zijlen en regelt de afwatering van 
den gemeenen boezem ; het schouwt enkele voorwerpen 
die niet door de ouderbesturen geschouwd worden. Het 
beheer , enz. der molenpolders is afzonderlijk in het Regle- 
ment geregeld. Alle gebouwde en ongebouwde gronden 
dragen bij in de kosten. 



381 



Waterschap Fivelingoo. Het gebied van dit water- 
schap en van zijn boezem beslaat ten eerste een smalle strook, 
van Groningen af langs de noordzijde van het Eemskanaal 
tot ten Boer, en voorts de streek oostwaarts van Hunsingoo 
gelegen tot aan de Eems en het waterschap Vierburen, 
zoodat Loppersmn grootendeels , 't Zandt geheel tot Five- 
lingoo behooren, terwijl de gemeente Bierum deels in 
Fivelingoo deels in het waterschap Vierburen ligt. Het 
beslaat grootendeels het gebied van het oude Zijlvest der 
Drie Delfzijlen en heeft een oppervlakte van 15900 H.A. 
De boezem wordt gevormd door het Damsterdiep of de 
Fivel en eenige daarmede gemeen liggende wateren en 
loost door de Dorpster- en Scharmerzijlen aan het einde 
van het Damsterdiep te Delfzijl op de Eems. Het Z.P. is 
-0,74 A.P. (-1,55 W.P.) 

T. Z. van het Damsterdiep ligt het land geheel in molen- 
polders ; t. N. daarvan vindt men slechts eenige molen- 
koioniën tusschen Groningen en ten Boer; het overige, 
dus t. N. van Loppersum , Appingedam en ten Boer is 
boezemland. 

Waterschap De Vierburen ligt t. O. van Fivelingoo 
tegen den Eemsdijk en beslaat eene oppervlakte van 1648 
H.A. , geheel in de gemeente Bierum gelegen. Het heeft 
een eigen boezem met een peil van + 0,05 A.P. (—0,76 
W.P.), loozend op de Eems door de Biermnerpomp. De 
landen worden niet bemalen. 

Waterschap Dnrirswold strekt zich uit t. Z. van 
het Eemskanaal , van het Winschoterdiep tusschen Gro- 
ningen en Sappemeer in het Z. W. tot aan de Eems bij 
Farmsum en Weiwerd in het N. O. en ten O. grenzende 
aan de Waterschappen Oterdum (aan de Eems t. O. van 
Weiwerd) en Oldambt , waarvan het door het Hondsholster- 
maar en de Siepsloot is gescheiden. Het heeft een op- 
pervlakte van 22100 HA. De boezem van het Waterschap 
wordt in hoofdzaak gevormd door het reeds genoemde 
nieuw afwateringskanaal, dat van het Slochter- 
diep bij het Schapenhok N.0. waarts loopt door het 



382 



Schildmeer en het thans drooggemaakte Meedhuizermeer 
tot aan het Kleine Meer en vervolgens noordwaarts naar 
Farmsum , waar het door een uitwateringssluis in den zee- 
dijk op de Eeras loost. Voorts behoort het Slochterdiep 
tot den boezem en de landen in Duurswold t. Z. van dat 
diep , brengen hun water daarop langs de Slochter Aa , 
de Scharnier Aa en de Borgsloot. Het peil van den boe- 
zem is -1,09 A.P. (-1,90W.P.) Het grootste gedeelte van 
het Waterschap nl. ten N. van Kolham bestaat geheel 
uit molenkoloniên. 

Afwatering langs Winschoterdiep en Eems- 
kanaal. Het zuidelijk deel van Duurswold, dus de lan- 
den t. N. van het Winschoterdiep onder Sappemeer , Hooge- 
zand en Haren , benevens die onder deze gemeente en 
onder Zuidbroek gelegen t. Z. van het Winschoterdiep en 
t. W. van het kanaal van Stadskanaal ]naar Zuidbroek 
waterden vroeger alle af op het Winschoterdiep. Dit diep 
had een zeer hoog peil — dit was nl. zelden beneden W.P., 
dikwijls veel hooger — en had een onvoldoende loozing 
door de Spilsluizen te Groningen , waar de eb slechts tot 
-0,67 AP. (-1,68 V. Z.) afliep. Groote verbetering 
was het derhalve voor genoemde landen toen het afvoer- 
kanaal naar Farmsum en het Eemskanaal tet stand kwa- 
men. Op het eerste nl. brengen, zooals wij zagen, de 
landen t. N. van het Winschoterdiep hun water, waar- 
door deze afhankelijk werden van een veel lageren 
ebbestand, daar deze te Farmsum gem. ongeveer —1,45 
A.P. zal bedragen. Het Eemskanaal kreeg ook W. P. 
tot peil en kwam dus in open verbinding met het Win- 
schoterdiep; het voert dus al het water wat op het 
laatste komt door de groote schut- en uitwateringssluis 
te Delfzijl af, dus eveneens op een punt waar de eb veel 
lager daalt dan vroeger te Groningen. Het Eemskanaal is 
dus de afwatering van alle landen in Groningen t. Z. van 
het Winschoterdiep en t. W. van het kanaal van Stads- 
kanaal naar Zuidbroek welke op deze beide kanalen en 
hunne zijtakken o, a. op de Anneryeenster- en Keilsterdiepen 



383 



loozen ; van de landen t. O. van laatstgenoemd kanaal tot 
aan de grens van Westerwolde ; van het geheele stroom- 
gebied der Hünse en van de veenkoloniën langs het Stads- 
kanaal van Klooster ter Apel af. 

Waterschap Oterdnm. Dit kleine waterschap ligt 
aan en binnen den Eemsdyk tusschen Duurswold t. W. 
en het Termunterzijldiep t. O. en strekt zich zuidwaarts 
uit tot op è 1 uur van de zee. Het ligt onder de gemeen- 
ten Delfzijl en Terraunten en is groot 1595 H.A. De boe- 
zem wordt gevormd door het Oterduramermaar en eenige 
andere slooten en tochten en loost bij Oterdum door de 
Oterdumerzijl op de Eems. Het peil is —1,16 A.P. 
(-1,97 W.P.). Het land ligt in het grootste zuidelijk deel 
-0,25 è. —0,8 A.P. en wordt daar bemalen. (De Groote 
Polder, tusschen Oterdum en Termunterzijl buiten den 
zeedijk gelegen , behoort niet tot het Waterschap.) 

Waterschap Oldambt grenst t.W. aan de water- 
schappen Oterdum en Duurswold , t. O. aan den DoUard en 
den binnendijk van de Reiderwolder- , Finsterwolder en Oost- 
wolderpolders , aan de hooge venen t. Z. van Midwolde en 
strekt zich ook t. Z. van het Winschoterdiep uit in de 
gemeenten Scheemda, Meeden en Muntendam. Het grenst 
dus t. O. gedeeltelijk aan het hierna te vermelden water- 
schap Reiderland , waarvan het t. Z. van het Winschoter- 
diep is gescheiden door de Munnikkeveensloot , welke even 
t. W. van Winschoten in het Wmschoterdiep uitkomt. In 
het zuiden wordt het van het waterschap Westerwolde 
en de gemeente Veendam gescheiden door de Beneden- 
Veensloot. De Z.W. en W. grens wordt verder gevormd 
door de Meedemer- , Dwars- en Muntendammerdiepen uit- 
komend bij Zuidbroek op het Winschoterdiep. Het omvat 
t.N. van het Winschoterdiep dus de hoogere zand- en 
leemgi'onden ouder Noordbroek , Zuidbroek en Noordwolde, 
de oudste Dollardpolders onder Scheemda en Nieuwolda 
en in het noorden de oudere zeekleigronden met terpen 
onder Termunten , samen tor grootte van 18400 H.A. 

Het Waterschap heeft zijn eigen boezem; het voornaam- 



384 



ste boezemwater is het Termunterzijldiep ; bij Scheeinda 
door het Scheemderverlaat van het Winschoterdiep geschei- 
den , en het Buiten Nieuwe Diep , dat als Noordbroekster- 
vaart bij het Noordbroeksterverlaat aan het Winschoter- 
diep bij Sappemeer begint en zich t. N. van Nieuw Scheemda 
met het Termunterzijldiep vereenigt; benevens het Koediep ' 
dat van Oostwolde naar het Termunterzijldiep bij Scheemda 
loopt. Het peil is -lfi9 A.P. (-1,90 W.P.) De landen 
t. Z. van het Winschoterdiep brengen langs verschillende 
uitwateringen, door grondpompen onder het Win- 
schoterdiep door , hun water t. N. daarvan naar het Ter- 
munterzijldiep. De andere Dollardgronden , het Oudland 
en Oud Nieuwland worden bemalen op het Koediep; ook 
eenige andere onder Termunten en die tusscheu Duurswold 
en het Termunterzijldiep bij Nieuwolda worden bemalen. 
De boezem loost door de Oude en Nieuwe Termunterzijlen 
bij Termunten en Termunterzijl op de Eems. 

Waterschap de Vereeniging omvat de vóór 
elkaar gelegen Oostwolder-, Finsterwolder- en Reider- 
wolderpolders (Ie gedeelte) achtereenvolgens op den Dollard 
veroverd en samen een oppervlakte beslaande van 3646 
H.A. Zij zijn met een groot aantal tochten en slooten 
doorsneden, die ten slotte hun water brengen op den 
boezem , bestaande in de binnenbermsloot van den Finster- 
wolderpolder, uitkomend aan den noordelijken uithoek van 
dien polder, en wijders in een kanaal van hier loopend langs 
den DoUarddijk tot den N.0. hoek van Groningen bij Fiemel. 
Op dit punt loost de boezem door een uitwateringssluis 
op de Eems. Het peil van den boezem is —0,89 A.P. 
(-1,70 W.P.) 

Waterschap Beiderland. Dit waterschap omvat de 
DoUardkleigronden gelegen t. O. van de zand- en leem- 
gronden bij Finsterwolde , Beerta en Winschoten benevens 
die hoogere gronden zelve met de daardoor ingesloten droog- 
makerij Meerland. Van de DoUardpolders gelegen aan 
de Westerwoldsche Aa behooren de Kroonpolder en de 
Reiderwolderpolder 2de gedeelte tot het waterschap; de 



385 



daartusschen gelegen Stadspolder staat evenwel op zich 
zelven. Daar de buitendijksche gronden langs de Wester- 
woldsche Aa en da Pekel Aa tot het waterschap Wester- 
wolde behooren, zoo vormen deze in 't algemeen de grens 
tusschen beide waterschappen: evenwel behooren bovendien 
tot Reiderland : l^. het zoogenaamde 5® onderdeel , gelegen 
t. Z. van de Pekel Aa en gevormd door het gedeelte Blijham 
van de gemeente Wedde, dat zich in het zuiden uitstrekt 
van Lutjeloo aan de Westerwoldsche Aa langs de Louwe- 
en Veendyken tot de Barkelazwet en 2^. het zoogenaamde 
4e onderdeel, behoorend tot de gemeente Bellingewolde en 
gelegen grootendeels t. O. van de Westerwoldsche Aa om 
Oude Schans. Reiderland is 13000 H.A. groot. 

De boezem wordt gevormd door het Beersterdiep en het 
Bellingewolderzyldiep , welke him water brengen op een 
nieuwe afwateringsgeul, gegraven door den Reiderwolder- 
polder en de DoUardslikken en loozend op het buitenwater 
door de Reiderlandersluis in den buitendijk van den Reider- 
wolderpolder. Het peil van den boezem is —0,49 A.P. (—1.30 
W.P.) De gronden van het 4® en 5e onderdeel brengen 
na opmaüng, het eerste door een stoomtuig, hun overtollig 
water door middel van grondgompen resp. onder de Wes- 
terwoldsche Aa en de Pekel Aa door op den algemeenen 
boezem. Alle landen worden bemalen. 

Waterschap Westerwolde bevat het Z.0. der pro- 
vincie en grenst in het algemeen t. N. aan Reiderland 
en Oldambt. Het omvat nl. de buitendijksche gronden 
langs de Westerwoldsche Aa en de Pekel Aa, van de 
vloeddeuren der Nieuwe Statenzijl of tot aan de Veenwijk 
van de Winschoter Zuiderveenstervenen t. N. van Oude 
Pekela, eveneens de polders gelegen t. N. van Nieuwe- 
schans tot aan de Duitsche grens , welke bemalen worden 
door den Rijkswatermolen ; voorts de buitendijksche landen 
langs de Westerwoldsche Aa van de Bult tot Lutjeloo, 
dus omgeven door het 4^ onderdeel van Reiderland (een 
deel van Bellingewolde.) Het overige deel van de gemeente 
Bellingewolde en Wedde behalve Blijham (5e onderdeel van 

25 



386 



Reiderland) behooren dus tot het Waterschap, welks noor- 
delijke grens van de genoemde Zuiderveenstervenen af 
westwaarts gaat langs de Benedenveensloot , dan zuid- 
waarts en weer westwaarts langs de grenzen van het 
waterschap Zuidwenning t. N. van Ommerlanderwijk om, 
terwijl de westelijke grens voorts door de Jachtveensloot 
gevormd wordt. De zuidwestelijke grens gaat langs het 
Boerendiep , dat op korten afstand van en evenwijdig aan 
het Stadskanaal loopt, dan op eenigen afstand van en 
eindelijk langs het Stads-Musselkanaal en langs het ter- 
Apelerkanaal , daarna langs de Drentsche grens tot de 
Duitsche grenspaal, terwijl de oostelijke grens eindelijk 
met de Rijksgrens tot aan de Nieuwe Statenzijl samenvalt. 

De uitwatering der meeste landen geschiedt op de Mussel 
Aa en de Ruiten Aa, die zich by Wessingehuizen ^ u. 
boven Wedde tot de Westerwoldsche Aa vereenigen , welke 
door de Nieuwe Statenzijl op de Buiten Aa loost. De 
afwatering geschiedt dus grootendeels op stroomend water 
met sterk verhang , maar daar de rivier beneden Wedde 
weinig verval meer bezit , spreekt men van deti boezem 
van het Waterschap, gevormd door de Westerwoldsche Aa 
beneden dat punt , welk deel zooveel mogelijk gehouden 
wordt op + 0,44 A.P. (-0,368 W.P.) Dit zal binnen kort 
ook het geval zijn hooger op , tot aan de samenvloeiing 
bij Wessingehuizen , daar van hier af de bodem der rivier 
op —1,5 W.P. gebracht wordt, t. Z. van de grens van 
Nieuwe Pekel Aa loozen die dalgronden door zoogenaamde 
ruggeraaien en dwarsslooten op een zijkanaal naar de Pekei 
Aa ; de wyken voor de scheepvaart , die in het Stadskanaal 
uitkomen voeren geen water af. 

De gronden van het Waterschap ter weerszijden van de 
Pekel Aa gelegen, alle afgegraven dalgronden tusschen 
de Jachtveensloot en de Barkelazwet, loozen deor middel 
van de vele wijken, het Ommelanderwijksterdiep , enz. op 
de 3 bovenpanden van dat kanaal; hieruit komt het bij 
de Bult dus eerst op den boezem van Westerwolde. 

De Wadpolders, hunne afwatering, enz. hebben wij 



387 



boven (blz. 365) reeds met een enkel woord behandeld. 
De volgende vormen op zich zelf staande waterschappen, 
welker voornaamste zorg is het beheer en onderhoud hunner 
aan zee grenzende buitendijken. Daarop hebben hunne 
besturen toe te zien, alsmede op de loozingsmiddelen , 
meestal bestaande in duikers en zijlen, rechtstreeks him 
water op zee brengend. 

De Oostpolder, bestaande uit de bedijking van dien 
naam en de aangrenzende zoogenaamde Buitendijks (zie 
bl. 866) binnen den Kapitalen Zeedijk, samen groot 3400 
HA. en gelegen onder Uithuizen , Uithuistermeeden en 
Bierum. Het peil van het Waterschap is + 0,6 AP. 
(-0,21 W.P.), dat afwatert door den steenen duiker in den 
zeedijk achter Vierhuizen in den oosthoek des Oost- 
polders. 

De TJithtiizerpolder, bestaande uit de bedijking van 
dien naam en aangrenzende Uiterdijks onder Uithuizen, 
Uithuistermeeden en Usquert 1525 HA., met een peil 
van + 0,6 AP. (-0,21 W. P.), af waterend door een 
duiker in den opdijk (scheidingsdijk) op den Oostpolder en 
dus zijn water door denzelfden duiker als de Oostpolder 
op zee brengend. 

De Noordpolder, gevormd door de bedijking van dien 
naam en door de aangrenzende Uiterdijks binnen den Ka- 
pitalen Zeedijk, alle gelegen onder Usquert en Warffum, 
samen groot 3566 HA. , met een peil van + 0,40' AP. 
(-0,40' W. P.) , afwaterend door de Noordpolderzijl. 

De Negenboerenpolder , groot 285 HA. 

Onder Termunten Ugt voorts nogde Joliaiines— Kerk- 
hovenpolder. 

§ 4. HET FRIESCH-OVERIJSELSCHE LAAGVEEN VAN 
DE LINDEVALLEI TOT DE VECHT EN 
HET ZWARTEWATER. 

De geologische samenstelling van dit gedeelte 
bespraken wij reeds vroeger (bl. 309) in groote trekken. 

25 ♦ 



388 



Wy zagen toen, dat aan de groote oppervlakte aaneenge- 
sloten laagveen nog de smalle strooken moerasveen gren- 
zen, langs de stroompjes de Linde (boven Wolvega), 
de Steenwljker Aa, de Havelter Aa, de Wold Aa 
en de Reest, binnen het algemeen gebied der diluviale 
zand- en grintgronden gelegen, die zich uitstrekken tot de 
grens Oldemarkt-Steenwijk-Havelte-Meppel. T. Z.0. van 
Noordwolde en t. O. van Staphorst en Rouveen liggen in 
het zand stukken hoogveen. In verband met de afwatering 
zullen wij in dit gedeelte ook beschouwen de polderlanden 
t. Z. van de Vecht en de polder Mastenbroek tot aan den 
IJsel en langs de Sallandsche Weteringen. Het laagveen 
om Zwolle , ter weerszijden van het Willemskanaal tot aan 
den IJsel en t. N. van de stad langs het Zwartewater is 
bedekt met eene laag rivierklei. 

De hoogte dezer landen is in 't algemeen tusschen 
AP, en + 2 AP. ; de lage venen hggen niet hooger dan 
+ 1 AP., meestal lager, doch de aansluitende moerasvenen 
langs de riviertjes met de algemeene terreinhelling naar 
boven opklimmend. Zoo ligt het laagveen onmiddeUjk langs 
de Linde van AP. bij Kuinre tot + 1,1 AP. bij Oldeholt- 
pade, doch het veen langs hare oevers kUmt hooger op 
tot H- 2,5 è. 8 A.P. bij Tronde; op wat grooteren afstand van de 
boorden liggen de zandgronden wat hooger ; Noorwolde ligt 
op + 3,5, Frederiksoord op + 4 AP. Het uitgestrekte 
laagveen om Giethoorn en de Boelakker Wijde zullen gem. 
+ 0,4 è, + 0,5 AP. liggen. De polder langs het Zwarte- 
water tusschen de Dedemsvaart en Vecht Ugt gem. slechts 
+ 0,3 AP. en die t. Z. van de Vecht, d. i. het 5e district 
+ 0,85 AP. T. ZW. van Zwolle langs de Willemsvaart 
liggen de landen + 0,75 Si 1,5 AP. en t. O. van die stad 
klimmen de polders langs de Vecht tot + 3 AP. tegen- 
over Dalfsen ; enkele hebben hooge gedeelten : zoo ligt bij 
Herfte een zandrug hoog -t- 2,75 AP. De polders langs de 
Sallandsche weteringen klimmen tot + 2,5 AP. onder 
Wijhe op ; tusschen de Soest- en Nieuwe Wetering ligt 
echter een lage molenpolder met een zomerpeil van 



389 



+ 0,4 AP. De hooge zand- en grintgronden bij Vollenhove 
klimmen tot Va uur t. O. van die plaats tot + 7 AP. ; 
t. Z. van de stad ligt een zeer lage polder aan zee met 
een Z. P. van -0,35 AP. 

Het bnitenwater , waartegen deze landen ten deele 
moeten beschermd worden en waarop zij hun water bren- 
gen, wordt gevormd door: 

l^. De Zuiderzee, welker inham tusschen het Kam- 
pereiland en de hooge gronden van Vollenhove het Zwol- 
sche Diep woidt genaamd. De gem. vromer standen zijn bij 
de Lemmer (1871-80), vl. + 0,33, eb + 0,22 AP., hoogste 
vloed + 2,61 AP., bij Kraggenburg, d. i. aan het uiteinde 
van de ruim 1 uur lange leidammen waartusschen het 
Zwartewater in zee komt, (1876-80) vl. + 0,44, eb + 0,09 
AP., hoogste vloed + 2,54 AP. 

2^. Het Zwartewater, dat bij Zwolle ontstaat uit 
de weteringen van Salland komend. Het neemt bijGenne 
de Vecht op en wordt tusschen de hierboven genoemde 
leidammen door bij Kraggenburg in zee geleid. De standen 
zijn (1876-1880): 





Oem. (Zomer). 


Qem. (Jaar). 


Hoogste. 


Laagste* 


Genemuiden . . 


. 0,23 


0,24 


2,75 


-0,58 


Zwartsluis . . 


. 0,24 


0,26 


2,57 


-0,68 


Hasselt . . . 


. 0,23 


0,29 


2,37 


-0,65 


Mond der Vecht 


. 0,23 


0,38 


2,43 


-0,49 


ZwoUe .... 


. 0,23 


0,37 


2,42 


-0,53 



De Sallandsche Weteringen staan door middel van 
de Nieuwe Wetering, die haar alle opneemt, in geheel 
open verbinding met de grachten van Zwolle en door deze 
met het Zwartewater. Het zijn: de Soestwetering, 
die onder Holten ontspringt, het kanaal van Deventer naar 
het kanaal Zwolle- Almelo snijdt, hierop het water van 
zijn bovengedeelte stort, terwijl het benedendeel bij Hoog 
Zuthem de Zandwetering opneemt, d. i. de meest 
westeiyke van alle, ontstaande bij Bathmen t. O. van 
Deventer; de Nieuwe Wetering, de meest oostelijke, 
ontstaande bij Wezepe die bij Laag Zuthem ünks de 



390 



Oude Wetering opneemt. Even beneden deze ver- 
eeniging aan de Linthorsterbrug (7 K. M. boven Zwolle), 
staat de Nieuwe Wetering in verbinding met het 2e pand 
van het Kanaal Zwolle- Almelo en is beneden dit punt 
zelve gekanaliseerd, zoodat zij van daar af tot Zwolle 
het laagste pand van dat kanaal vormt, hetwelk bij Zwolle 
een gem. peil heeft van + 0,20 AP. Een half uur boven 
deze stad neemt zij de Soestwetering op en brengt alzoo 
het water van alle genoemde weteringen op het Zwarte- 
water. Deze weteringen hebben nog vele minder belang- 
rijke zijtakken, vooral de Nieuwe Wetering, die door beken 
het water tot van de hoogten van Holten , Haarle en Hel- 
lendoorn ontvangt, welke alle door duikers onder het 
Kanaal naar Deventer doorgaan. Het stroomgebied der 
Nieuwe Wetering bedraagt bij Zwolle 60,000 HA.; toch 
drogen de weteringen in droge zomers soms geheel op; 
alleen de Soestwetering behoudt altijd nog eenig water. 
De Nieuwe Wetering is ter weerszijden geregeld bedijkt 
van de Linthorsterbrug af. 

3°. D e V e c h t. Deze rivier ontspringt in de hooge 
gronden van Westfalen , komt beneden Laarwolde in ons 
land , doorstroomt Overijssel van het oosten naar het 
westen en vereenigt zich bij Genne met het Zwarte water. 
Zij voert het water af van verschillende zijriviertjes, beken, 
enz., waarvan de voornaamste zijn: de Dinkel, het Kanaal 
uit de grachten van Coevorden , in welke laatste zich de 
Loo-, Drosten- en Schoonebekerdiepen storten en deRegge, 
die water van de Buurserbeek (Schipbeek) en van de Al- 
melosche Aa afvoert en in 't geheel een stroomgebied van 
120,000 H.A. heeft. Door al dien toevoer kan het ver- 
mogen van de Vecht soms belangrijk stijgen , tot 45 M'. 
beneden de Regge. Terwijl de Regge 's zomers geheel kan 
opdrogen , is dit met Vecht en Dinkel niet het geval ; de 
eerste blijft altijd nog een 4 M'. aan den mond afvoeren. 
Het stroomgebied bij het binnentreden in ons land zal 
194,000 H.A. , aan den mond der Vecht 391,600 H.A. 
bedragen. Er zijn stuwen op de rivier bij Haandrik ten 



391 



behoeve van het Coevordensch kanaal , enz. en bij Ane 
voor de Dedemsvaart. De rivier is van even boven Dalfsen 
ter weerszijden geregeld bedijkt, terwijl hooger op nog 
enkele kleine dijksvakken bestaan ; op den linkeroever t. N. 
van Zwolle wordt de bedijking over een klein gedeelte 
door hooge gronden afgebroken. 

Terwijl de gemiddelde stand te Hardenberg + 7,32 A.P. 
is, is deze te Dalfsen + 1,38 A.P. en aan den mond nog 1 M, 
lager, waaruit het verval is op te maken. De hoogste en 
laagste standen zijn : te Hardenberg -f- 8,57 en + 5,34 , 
te Dalfsen + 3,77 en + 0,18 A.P. 

De dijken. Langs het buiten water worden deze streken 
in 't algemeen door dijken beschermd tegen zeevloeden en 
hooge rivierstanden. Die langs de Zuiderzee worden twee- 
maal afgebroken door hooge gronden , nl. t. N.0. van Vol- 
lenhove en door die waarop deze stad zelve ligt, welke 
zich nog een eind zuidwestwaarts uitstrekken. 

De Zuiderzeedijken en hunne verdediging, evenals die 
der hooge gronden en de Zwartewaterdijken tot aan Zwart- 
sluis , zijn in beheer en onderhoud bij het Ie Dijksdistrict 
van Overiisel (VoUenhove) , die van Zwartsluis tot Hasselt 
bij het 2® Dijksdistrict (Hasselt en Zwartsluis) , die van 
Hasselt langs het Zwartewater en de noordzijde der Vecht 
tot even boven Dalfsen bij het 3® Dijksdistrict (Noorder 
Vechtdyken). T. Z. van de Vecht wordt de dijk langs den 
rechteroever van het Zwartewater van Zwolle af en langs 
den linker Vechtoever tot aan de Nieuwe- of Binnenvecht 
beheerd en onderhouden door het 5® Dijksdistrict (Zwarte- 
water- en Vechtdijken) , welk gedeelte langs de Vecht wordt 
afgebroken door hooge gronden t. N.0. van Zwolle ; de 
linker Vechtdijk van de Nieuwe Vecht tot Rechteren en 
de kade langs de oostzijde der Nieuwe Wetering tot aan 
het kanaal Zwolle— Almelo door het 6® Dijksdistrict 
(Zuider Vechtdijken), terwijl eindelijk de dijken langs de 
westzijde der Nieuwe Wetering, ter weerszijden van de 
Soestwetering en die langs den linkeroever van het Zwarte- 
water van Zwolle tot aan den afsluitdijk van Mastenbroek 



392 



onderhouden en beheerd worden door het 7» Dijksdistrict 
(Salland) , dat mede den IJseldijk van Deventer tot genoem- 
den afsluitdijk beheert en onderhoudt, 

De hoogte der dijken langs de Zuiderzee bedraagt + 4 
k + 4,5 A.P. , van die langs het Zwartewater + 3 è, + 3,75 
A.P. en van de Vechtdijken + 3 è, + 4 A.P. 

Het land. Slechts een deel dezer landen ligt in polders. 
Deze vinden wij langs de Linde van even boven Wolv^a 
en Peperga ter weerszijden tot aan den mond. Voorts 
een paar bedijkingen aan zee bij Vollenhove , deels begrensd 
door hooge gronden, en aan den mond van het Zwarte- 
water. Om Meppel, dus in Drenthe, van Nijeveen in het 
noorden tot den zuider Reestdijk in het zuiden , liggen 
langs de daar samenkomende stroompjes, enz. eenige molen- 
polders ; terwijl al het land tusschen de Eeest en de De- 
demsvaart , van het Meppelerdiep en het Zwartewater tot 
aan de hooge gronden één enkelen polder vormt. Tusschen 
Dedemsvaart en Vecht liggen voorts nog eenige polders 
langs deze laatste rivier en het Zwartewater en t. Z. van 
de Vecht en den polder Mastenbroek vindt men polders 
aaneengeschakeld liggen , enkele met hooge gronden tot 
eene lijn die van tegenover Dalfsen zuidwestwaarts loopt 
tot de Linthorsterbrug aan de Nieuwe Wetering en van 
hier hoogerop langs de Sallandsche weteringen t.W. van 
Heino en tot onder Wijhe , in het westen aan den IJsel- 
dijk aansluitend. 

Het overige land is boezemland of hooge grint- en zand- 
grond, nl. bij Vollenhove, en dicht b\jde grenzen der zand- 
gronden ook in de polders voorkomend, zooals aan de 
Linde bij Wolvega en Peperga en t. N.0. van Zwolle. 

In de venen langs de Linde en in die tusschen Vollen- 
hove , Giethoorn , Wanneperveen en Zwartsluis , die in 
't algemeen boezemland vormen , komen verveningen voor. 
Vooral de laatste streek is een echt veenland , waarin vele 
en groote plassen liggen als o.a. t. W. van Wanneperveen 
de Beulakker Wijde , de Belter Wijde , enz. Het is het 
land van de drijvende rietzodden, hier kraggen genaamd 



393 



(zie 1)1. 74), die veelal gemaaid, ook wel beweid worden 
evenals het vaste laagveen; zij worden ook wel als een 
grondspecie om de dijken op te leggen, enz. weggevoerd 
en daarom vullen zich deze plassen niet weer geheel op. 
Het is het land van de eendekooien. 

In deze venen en in die hoogerop langs de Linde , het 
Vledderdiep en de Steenwijker Aa zijn vele kleine droog- 
gemaakte poldertjes , die meestal een klein watermolentje 
tot loozing hebben. 

In het algemeen vinden wij in deze streken weiland; op 
al het laagveen nl. , behalve op een klein gedeelte bij Stap- 
horst en Rouveen, en ook op de rivierklei langs den IJsel 
en het Zwartewater bij Zwolle. 

Op deze laatste worden evenals op het hoogveen (dalgrond) 
bij Staphorst en op het hoogveen bij Noordwolde en even- 
als op het zand en moerasveen rogge en boekweit ver- 
bouwd: eveneens is dit het geval boven Zwolle, terwijl 
om deze stad veel tuinbouw gedreven wordt. 

Ziedaar een beeld van de landstreek in het algemeen , 
welks waterstaatkundigen toestand wij nu nog even nader 
zullen beschouwen. 

De afwatering. 

De afwatering dezer landen geschiedt in het algemeen 
op boezems, die ook veel water van de N. en O. 
gelegen Friesche en Drentsche gronden ontvangen en ten 
slotte op Zuiderzee , Zwartewater en Vecht loozen. Slechts 
twee bedijkingen ter weerszijden van de nieuwe Linde- 
uitwatering bij Kuinreen een polder bij VoUenhove wateren 
uitsluitend rechtstreeks op de zee en die t. N. van 
Zwolle tot aan de Vecht eveneens rechtstreeks op het 
buitenwater, het Zwartewater; terwyl de polders boven 
Zwolle langs de Sallandsche Weteringen gelegen ook recht- 
streeks op deze geheel open riviertjes hun water brengen. 
In Drenthe wateren voorts eenige polders afopströomende 
wateren, nl. op de Steenwijljer Aa, terwijl die bij Meppel 
op de riviertjes die aldaar samenkomen loozen. 

B e m a 1 e n worden eenige polders bij Meppel , de groot e 



894 

polder van Staphorst tusschen Reest en Dederasvaart , de 
groote Diezepolder t. N. van Zwolle op het Zwartewater 
en een paar polders bij Windesheim op de Sallandsche 
Weteringen. Bovendien wordt het groot aantal kleine 
drooggemaakte poldertjes in de verveningen aan de Linde, 
onder VoUenhove , Wanneperveen en Zwartsluis bemalen » 
meestal door kleine watermoientjes. 

Hydrografische en Administratieve indeeling. 

De Lindeboezems. De Linde vangt aan bij het ge- 
hucht Tronde t. Z. van Makkinga en was eertijds een sterk 
kronkelende rivier, die zich bij Schoterzijl met den Tjonger 
vereenigde. Door den afsluitdijk bij Slijkenburg is zij daarna 
van deze laatste rivier gescheiden en is toen zuidwaarts 
geleid tot Kuinre , waar zij door een waaiersluis met de 
Zuiderzee in gemeenschap staat. De Linde is thans geen 
vrij afstroomende rivier meer, doch in 3 panden verdeeld. 

Het bovenpand, van Tronde tot het Kontermans- 
verlaat bij Oudeholtpade , met een peil van + 1,54 A.P. 
Er wateren meest hooge gronden op af en voorts eenige 
zeer kleine bemalen veenpoldertjes. 

Het raiddenste pand, van het Kontermansverlaat 
tot de Lindesluis (1 uur beneden de spoorbrug). Er wateren 
een aantal hooge gronden en polders op af, welke laatste 
op 1/» uur afstands ter weerszijden langs de oevers li^en 
en gedeeltelijk hooge gronden bevatten. 

Het benedenpand van de Lindesluis tot de waaier- 
sluis bij Kuinre js even beneden de Lindesluis zeer breed 
en wordt aldaar het Wijde genaamd. Het gebied van dezen 
boezem bestaat uit een aantal meestal t. Z. van de Linde 
gelegen polders , die er natuurlijk op afwateren. Deze 
boezem staat met'Frieslands boezem in gemeenschap door 
de schutsluis , genaamd de Helomasluis , aan het einde der 
Helomavaart , welke laatste t. N. van den Veenpolder van 
West-Stellingwerf loopt en in den Tjonger uitkomt; tevens 
staat hy met den boezem van het 1« Dijksdistrict van 
Overijsel in verbinding door de Ossenzijl , gelegen aan het 
einde der Kalenbergergracht , een Overijselsch veenkanaal. 



395 



Het verbeteren van het gedeelte van de Linde op Friesch 
gebied tusschen de Ossenzijl en de Helomazijl, welk ge- 
deelte dus de verbinding vormt tusschen de Overijselsche 
en Friesche scheepvaartkanalen , is opgenomen in het al- 
gemeen plan van verbetering van Frieslands binnenlandschen 
waterstaat en zal uitgevoerd worden in 1888. Dit gedeelte 
is thans in beheer en onderhoud bij[^de Provincie. 

Aan de noordzijde van de Linde loopt een dijk van 
Slijkenburg tot aan de Lindesluis en dan op den linker- 
oever overgaande van die sluis tot de hooge gronden bij 
Oldemarkt; voorts van deze laatste westwaarts op 
langs de Ossenzijl tot Kuinre. De eerste, van Slijkenburg 
over de Lindesluis tot Oldemarkt , wordt onderhouden door 
het Waterschap van den Ouden Lindedijk- en 
West Stellingwerf, de andere door het Ie Dijksdistrict 
van Overijsel. Deze dijken omsluiten juist het boezem- 
gebied van het benedenpand en zijn dus deels op grooten 
afstand van de Linde gelegen. 

Bij Nijeholtpade staat het bovenpand der Linde in ge- 
meenschap met de Noordwoldervaart (particuher eigendom), 
die uit 4 panden bestaat en eerst zuidwaarts door Noord- 
wolde en de kolonie Wilhelminasoord tot Frederiksoord 
gaat, terwijl een andere tak, waarop het 4e pand, het 
genoemde deel bij Wilhelminasoord snijdt en N.O.waarts 
tot bij Wateren opkUmt. Op elk der panden wateren 
eenige hooge gronden af; het laagste ligt + 1,94, het 
hoogste + 4,65 A.P. Het Be pand staat bij Frederiksoord 
door een schutsluis in verbinding met de Steenwyker Aa. 

De Steenw ijker Aa. Dit riviertje ontstaat uit de 
vereenigmg van het Vledderdiep, dat bij Appelscha en de 
Wapserveensche Aa, die bij Diever ontspringt en welke 
t. O, van Frederiksoord samenvloeien. Het loost dooreen 
schutsluis te Steenwijk op het Steenwykerdiep , behoo- 
rende tot den boezem van het Ie Dijkdistrict van Over- 
ijsel. In het voorjaar worden de Steenwijker Aa en het 
Vledderdiep door stuwen opgezet om langsUggende landen 
te bevloeien. 



896 

Boven Vledder loozen op het Vledderdiep 3 polders, 
waarop vele hooge gronden afvloeien en samen vormend 
het Waterschap Vledder- Wapse; beneden Frederiksoord 
loost op de Aa de polder Nyensleek, die uit de rivier be- 
vloeid kan worden en een waterschap van dien naam 
vormt. 

In Overijsel bestaat een Reglement op het beheer 
der dijken, kaden, polders en waterleidingen in 
de provincie Overijsel. Dit bevat o. a. een omschrij- 
ving van de grenzen der Dijksdistricten, waarvan wij 
er reeds noemden. Het westelijk deel der Provincie is 
nl. in 10 zulke districten verdeeld, waarvan er 7 t. O- 
van den IJsel, dus in het nu door ons beschouwde gedeelte 
hggen (behalve het 4e, 8e, 9e en 10e) en aan welke als voor- 
naamste taak is opgedragen de zorg voor de aangelegen 
dijken met de meeste sluizen en ook die voor sommige wegen. 
Gedeputeerde Staten kunnen ook het beheer over de wa- 
terleidingen aan dijks- en polderbesturen opdragen. 

Boezem van het Ie Dijksdistrict (Vollenhove). Deze 
boezem wordt in hoofdzaak gevormd door de Kalenberger- 
gracht, de Aremberger gracht, die door de Beulakker- en 
Belterwijden loopt, door deze en nog vele andere veenplassen 
en door het Steenwijker diep. Het gebied van den boezem 
wordt begrensd door den Zuider Lindedijk, de Zuiderzee- 
en Zwartewatersdijken , de hooge gronden van Vollenhove 
en de zomerkade langs de westzijde van het Meppelerdiep, 
voorts door de grenzen der provincie Drenthe en de hooge 
gronden van Steenwijk en Oldemarkt. De genoemde dijken 
zijn in beheer en onderhoud bij het Dijksdistrict. 

Het geheele boezemgebied is boezemland op eenige kleine 
bemalen veenpolders na onder Vollenhove, Zwartsluis en 
Wanneperveen en de bedijking Barsbekerpolder aan den 
mond van het Zwartewater, die evenwel tevens recht- 
streeks op het buitenwater loost. 

De gemiddelde stand van den boezem is —0,20 A.P. 
De boezem loost door de Arembergersluis, een schut- en 



397 



uitwateringssluis aan het einde der Arembergergracht bij 
Zwartsluis op het Zwartewater, door 2 sluizen in en bij 
Blokzijl op de Zuiderzee en door de Ossensluis op het 
benedenpand der Linde. De Arembergergracht is in on- 
derhoud bij particulieren. 

De hooge gronden bij VoUenhove behooren ook tot het 
Ie Dijks district (VoUenhove). Een deel dezer gronden 
watert rechtstreeks op de zee af evenals een bedijking 
t. Z. der stad, de laagste polder van Overijsel met een 
Z. P. van —0,36 A.P., die door een schepradmolen wordt 
bemalen en door 2 sluizen op zee loost. Het andere deel, 
bestaande uit eenige hooge gronden en een polder aan zee, 
de Wendelige weiden, loost op een kleinen boezem, den 
boezem der Wendelige weiden , die uit eenige kleine 
weteringen bestaat en door het Wendelerzijltje op zee loost. 

De Havelter Aa (Dwingelerstroom, Oude 
Smildevaart), de Wold Aa, de Hoogeveensche 
Vaart en de Reest ontvangen het water van eenige 
polders om Meppel, dat deze er met watermolens op uit- 
slaan. Zij brengen ten slotte alle hun water op den boe- 
zem van het Meppelerdiep. Dit diep bij Meppel uit 
de samenvloeiing van genoemde wateren ontstaande, doch 
waarvan de Hoogeveensche vaart en de Reest door de 
Meppelersluis zijn gescheiden, ontlast zich bij Zwartsluis 
door de Staphorster schutsluis op het Zwartewater. De 
loop van het Oude Meppelerdiep is zeer kronkelend , doch 
voor de scheepvaart zijn vele afsnijdingen , enz. gemaakt , 
waardoor het zoogenaamde Nieuwe Meppelerdiep is ontstaan. 

Op den boezem wateren af: lo. de polderlanden in 
Drenthe gelegen tusschen Meppel en Nijeveen en tusschen 
de Drentsche grens en de Drentsche Hoofdvaart, met 
eenige breede griften doorsneden die uitkomen op het Mep- 
pelerdiep en de Drentsche Hoofdvaart; zij worden bemalen ; 
2o. de groote polder van Staphorst, gelegen binnen de Stap- 
horster Stouwe (dijk) langs de oostzijde van het Meppeler- 
diep, den Zwartewaterdijk, de Dedemsvaart, den leidijk langs 
de oostzijde der bouwlanden (Staphorster Esch), welke dient 



398 



óm het water der hoogé gronden tegen te houden en loo- 
pende van de Dedemsvaart t. O. van het Station naar het 
noorden, de Lankhorst;erweg , de Reest en de Oosterstouwe 
(dyk) langs de Reest, die t. Z. van Meppel aan deStaphor- 
sterstouwe aansluit. 

Deze laatste polder vormt met eenige boezemlanden 
buiten de kade tot aan het Meppelerdiep het 2« Dijks- 
district (Hasselt en Zwartsluis.) Dit onderhoudt aUe 
genoemde dijken met daarin gelegen sluizen en duikers, 
enkele wegen en bruggen en de hoofdwaterleidingen. 

De polder van Staphorst loost echter tevens op : lo. het 
buitenwater, nl. op het Zwartewater door 2 sluizen, 2o.op 
het benedenpand van de Dedemsvaart te Hasselt, 3^. op 
het 2© pand van de Dedemsvaart aan de Lichtmis, 

Boezems van de panden der Dedemsvaart. De 
Dedemsvaart verbindt het Zwarte water bij Hasselt met de 
Vecht te Ane en dient tot scheepvaart en afwatering. Zij 
is verdeeld in 9 panden , waarvan het hoogste een peil 
van -|- 8 A.P. heeft, het laagste bij Hasselt van + 0,1 A.P. 
Voor de voeding van het bovenste pand wordt de Vecht 
bij Ane opgestuwd ; de andere panden dienen als even- 
veel boezems voor langsgelegen hooge gronden , de beide 
laagste ook voor polders. Er zijn 4 zijkanalen , die mede 
water afvoeren; een daarvan is het Lichtmiskanaal, dat 
een deel vormt van den waterweg van Zwolle naar de 
Dedemsvaart , nl. van de Berkumersluis aan de Vecht tot 
de herberg de Lichtmis aan de Dedemsvaart t. W. van 
het Station. De Dedemsvaart en de zijkanalen worden 
onderhouden door de Provincie behalve het 

lo pand van de Dedemsvaart, dat slechts 500 M. 
lang is en gedeeltelyk gevormd wordt door een deel der 
buitengracht van Hasselt ; met den boezem hgt het overige 
deel der buitengracht en nog een gracht binnen de stad 
gemeen. Dit pand is in onderhoud bij de gemeente Hasselt. 
Op den boezem loozen: lo. gedeeltelijk de polder van Stap- 
horst , 2o, de Streukelpolder t. Z. van de Dedemsvaart en 



399 



t. O. van Hasselt, die echter tevens op den boezem van de 
Steenwetering afwatert , en ten 3^. het : 

2**. pand van de Dedemsvaart. Dit pand strekt 
zich uit van slnis N°. 1 te Hasselt tot sluis N°. 2 aan de 
Lichtmis. Daarmede liggen gemeen het Lichtmiskanaal 
en een aantal vaarten onder Zwollerkerspel , Nieuw Leusen, 
Dalfsen en Ommen. Door middel van deze laatste ontvangt 
de boezem het water van een aantal hooge gronden tusschen 
Dedemsvaart en Vecht t. O. van het Lichtmiskanaal en van 
eenige polders langs dit kanaal en de Dedemsvaart. Voorts 
wateren er op af de polder van Staphorst door een sluis 
aan de Lichtmis en eindelijk het 3® pand van de Dedems- 
vaart. Het peil is + 0,10 A.P. , de hoogste waterstand 
+ 0,86 A.P. , de laagste -0,08 A.P. Behalve door sluis 
N^. 1 op het 1® pand , kan de boezem aoma loozen door 
de Berkumer schutsluis op de Vecht en door een ontlast- 
sluis op den 

Boezem van de Steenwetering. De Steenwetering 
snijdt het Lichtmiskanaal ongeveer op de helft, loopt N.W.- 
waarts tot bij de Dedemsvaart, dan westwaarts en ont- 
last zich zoo noodig door de Streukelerzijl boven Hasselt 
op het Zwartewater. Een groote en een kleine polder tus- 
schen het Zwarte water, de Dedemsvaart, de Steenwetering, 
het Lichtmiskanaal en de Vecht loozen er op , de eerste 
echter tevens rechtstreeks op het buitenwater. Ook de 
Streukelerpolder , die op het 1® pand der Dedemsvaart af- 
watert, loost er ook op. 

De genoemde landen, gelegen tusschen Dedemsvaart, 
Zwartewater en Vecht tot aan de hooge gronden van Dalfsen 
en Nieuw Leusen, vormen het 3® D ijksdistrict (Noorder 
Vechtdijken). Dit district onderhoudt de Zwartewaters- 
en Vechtdyken die het begrenzen met 2 daarin gelegen zijlen. 

Boezem van de Binnen- of Nieuwe Veoht. De 
Binnen- of Nieuwe Vecht is een kanaal dat de stad Zwolle 
met de Vecht verbindt en het verlengde vormt van het 
Lichtmiskanaal. ' Het vormt slechts een enkel pand en 
staat met de Nieuwe Wetering bij Zwolle in gemeenschap 



400 



door een schutsluis, de Weezensluis, en met de Vecht 
door het Nieuwe Verlaat, een schutsluis waardoor tevens 
de boezem kan uitwateren; soms loost deae ook door de 
Weezensluis op de Nieuwe Wetering. 

Het kanaal dient, behalve voor de scheepvaart, tot af- 
watering van een zestal polders t. O. van Zwolle langs de 
Vecht gelegen tot tegenover Dalfsen, waarvan een enkele 
met hooge gronden. Een van deze loost tevens op den 
Diezepolder t. W. van het kanaal, die rechtsreeks op het 
buitenwater afwatert. 

Boezem van de Willemsvaart. De Willemsvaart 
verbindt het Zwartewater bij Zwolle met den IJsel bij 
Katerveer. Zij vormt één enkel pand en is met den IJsel 
in gemeenschap door een kleine en een groote schutsluis ; 
met het Zwarte water staat zij meestal in open verbinding, 
doch kan bij hoogen stand daarvan door een keersluis 
worden gescheiden. Het peil van den boezem is + 0,2 
A.P. en de loozing geschiedt op den IJsel. Er wateren 
eenige rivierkleipolders op af t. Z. van de vaart en van 
Zwolle gelegen en gedeeUelijk een polder t. N. daarvan 
tot aan den afsluitdijk van Mastenbroek. 

Rechtstreeks op het buitenwater eindelijk loozen 
behalve de buitenlanden de groote Diezepolder t. N. van 
Zwolle en de Nieuwe Vecht , gelegen tusschen het Zwarte- 
water en de Vecht, natuurlijk loozend en bemalen door 
een stoomgemaal van 30 paardekracht bij Langenholte. 
Deze landen tusschen Zwartewater , Vecht en Binnen-Vecht, 
vormen het 5e D ijksdistrict (Zwartewaters- en Vecht- 
dijken), dat de dijken langs het buitenwater, ook de kade 
langs de Binnenvecht onderhoudt. 

Voorts loozen van Zwolle af alle polders, hoogerop ge- 
legen tusschen en langs de Sallandsche Weteringen tot 
onder Wyhe, in het westen grenzend aan de IJseldijken 
en in het oosten aan de hooge gronden, op die weteringen, 
dus op het buitenwater. Het Lierder- en Molenbroek, een 
groote polder met Z.P. van + 0,4 A.P., de molenpolder 
van Windesheim en nog een kleine polder worden bemalen. 



401 



Op te merken valt nog , dat de Nieuwe Wetering even 
beneden de Linthorsterbrug ook het water ontvangt van 
den boezem van de Marswetering (Lintherzijl) , 
waarop behalve hooge gronden ook een poldertje aan den 
mond afwatert en voorts aan de Linthorsterbrug van den 
boezem der Weteringen t. N. van het Kanaal 
Zwolle- Almelo in het Damsholt, waarop eenige kleine 
polders loozen. 

De Zuider Vechtdijken van Dalfsen af, de kade langs 
de zuidzijde der Binnen vecht, de oostelijke dijk der Nieuwe 
Wetering tot de Linthorsterbrug , de kade langs het Kanaal 
Zwolle- Ahnelo en de hooge gronden van Dalfsen begrenzen 
het 6eDijksdistrict (Zuider Vechtdijken) , dat genoemde 
dijken en kaden behalve die langs het kanaal Zwolle- Almelo 
onderhoudt. 

T. Z. hiervan ligt het 7© Dij ks dist riet (Salland), be- 
grensd t. W. door den IJseldijk van Deventer tot den af- 
sluitdijk van polder Mastenbroek tegenover Zalk , doordien 
afsluitdijk, den dijk langs het Zwartewater, de buiten- 
grachten van Zwolle, den westelijken dijk van de Nieuwe 
Wetering, het Kanaal Zwolle— Almelo en de hooge gronden 
van Heino , Raalte , Diepenveen en Bathmen. 

Het district beheert en onderhoudt genoemde dijken, 
alsmede die langs de Soestwetering en de Soest- en Zand- 
weteringen zelve. 



26 



E. De Zuiderzeekusten tusschen het 
Zwartewater en Gooiland. 

§ 1. DE IJSELMONDEN. 

Om en bij de IJselmonden tot omstreeks Elburg, dus 
in Overijsel en een klein gedeelte van Gelderland, vinden 
wij een aaneengesloten oppervlakte polders , nl. t. N. van 
den Zuiderzeestraatweg , die van Hattem over Wesepe 
naar Eiburg loopt en bovendien nog een paar polders t. Z. 
van deze laatste stad. Men kan deze gronden wat de af- 
watering betreft gevoegelijk gezamenlijk beschouwen, hoe- 
wel de geologische samenstelling nog al verscheiden- 
heid oplevert. 

Zoo bestaat de groote polder Mastenbroek tusschen den 
IJsel , het Ganzediep , de Goot en het Zwartewater uit 
laagveen, dat in het midden nog aan de oppervlakte 
komt , doch overigens met rivierklei bedekt is. Ook t. W. 
van den IJsel vinden wij een strook laagveen, van den 
IJsel bij Kamperveen zich zuidwestwaarts uitstrekkend 
tot Oosterwolde , zooals de namen Kamperveen , de Veen- 
hoorn, enz. reeds aangeven. Al het overige is zeeklei, 
behalve de polder Oldebroek en de polders t. Z. van Eiburg, 
die gedeeltelijk uit zandgrond bestaan. 

Wat de hoogte van deze landen betreft: vanH-2A.P. 
bij Eiburg en Oldebroek en + 3,5 A.P. bij Wesepe in het 
zuiden , dalen zij noordwaarts zeer spoedig tot gemiddeld 
+ 0,5 A.P. en verder tot + 0,25 A.P. bij Kampen ; de 
venen t. Z.W. van Kamperveen liggen beneden A.P. tot 
—0,25 A.P. , terwijl langs den IJsel van de Geldersche 
grens tot Zalk de polders van + 2 tot + 1 A.P. dalen. 
De polder Mastenbroek hgt in 't algemeen niet hooger dan 
-f 0,2 A.P. ; alleen langs de ringdijken zyn de peilen hoo- 



403 



ger , terwyl de daarin voorkomende droogmakerijen natuur- 
lijk veel lager liggen. Het Kampereiland ligt gemiddeld 
+ 0,75 A.P. 

Het bnitenwater wordt gevormd door de Zuider- 
zee, door den IJ s e 1 beneden Hattem en zijn monden , 
die 8 eilanden omsluiten. Vroeger stroomde de IJsel door 
5 monden vr\j af. Tegenwoordig is de meest westelijke 
tak, het Keteldiep, de hoofdweg naar zee , welke 
evenals het Zwartewater tusschen 2 ongeveer 4000 M. 
lange leidammen in zee geleid wordt. Tegenover en even 
beneden Kampen stroomt het Ganzediep, dat even- 
wel aan den bovenmond beteugeld is , met een deel van 
het IJselwater noordwestwaarts en geeft weldra een min- 
der beteekenenden tak , de Goot, naar rechts af. Het 
Noorderdiep , een der voormalige monden, beginnende dicht 
bij den bovenmond van het Ganzediep, is geheel afgesloten 
tot de hoogte van de kaden om de eilanden d. i. tot 
+ 2,2 A.P. , terwijl eindelijk aan het uiteinde van het 
Keteldiep, dicht bij den aanvang der leidammen het korte 
Recht e diep uit de hoofdrivier naar het noorden gaat, 
doch met betr. weinig water , daar zijn bovenmond beteu- 
geld is. Ook behoort het Zwartewater tot het buitenwa- 
ter van deze landen, daar een gedeelte er eenig water op 
brengt by Genemuiden. 

Standen van het buitenwater, die wij hier opnemen, 
omdat zij niet alle in de Tabellen voorkomen op bl. 36 en 
63 , zijn o. a. : 

Op den IJsel : gem. hoogste, laagste, 

van 1871-1880 te Wijhe. . . +1,93 +5,68 +0,26 

„ 1875-1880 te Katerveer • |1]a^ +*,08 -0,42 



1+0,87 
1+0,51 
1+0,30 



„ „ te Kampen . . {Tq3o +8,04 -0,66 

van 1851 — 1860 aan den Paarden- 
boer (mond Ganzediep) te 8 u. 
v.m. (gem. tusschen eb en vl.) +0,21 +1,90 —0,54 

26^ 



404 



Op de Zuiderzee : gem. hoogste, laagste. 

1+ O 44 
van 1879-1880 te Kraggenburg \\qqq +2,54 -1,06 

1+0,32 
Van 1871-1880 te Dronthen . JT014 +3,20 -0,80 

1+ 0,37 
teElburg . .l;fo;o7 +2»^^ ~Ö'81 

terwijl wij voor de standen op het Zwartewater verwijzen 
naar Hoofdstuk VI D. § 4 , bl. 389. 
De dijken langs het buitenwater zijn de volgende: 
De rechter IJseldijk te beginnen bij den afsluitdijk van 
Polder Mastenbroek (in het zuiden tusschen het Zalkerveer 
aan den IJsel tot Frankhuis aan het Zwartewater) , aan- 
sluitende by Kampen aan den dijk langs het Ganzediep en 
de Goot tot Genemuiden , hoog + 3,6 è. 5 A.P. , en de 
Zwartewatersdijken van hier tot genoemden afsluitdijk ; zij 
zijn in beheer van onderhoud bij het 4e Dijksdistrict van 
Overijsel (Mastenbroek) , dat zij omsluiten. 

Op den linkeroever van den IJsel ongeveer een uur ten 
zuiden van Hattem eindigt de Veluwsche bandijk en be- 
ginnen hooge gronden. Deze vormen de waterkeering tot 
aan den V e e n d ij k, een 1500 M. langen dijk, aan de zuidzijde 
van Hattem aansluitend en door deze stad onderhouden 
onder toezicht van het Polderdistrict Hattem. Van Hat- 
tem tot de Overyselsche grens Ugt langs den IJsel de 
Geldersche dijk, in beheer en onderhoud bij het Polder- 
district Hattem. 

Van de aansluiting aan den Gelderschen (IJsel) Dijk tot 
aan den mond van het Keteldiep wordt de dijk slechts af- 
gebroken door de hooge gronden van de stad Kampen; tot 
de Vaartsluis bij Kamperveen wordt hij onderhouden door 
de 8e en 9e Dijksdistricten (Zalk en Kamperveen); dan 
volgt een gedeelte langs den Onderdijkschen polder, bij 
dezen in onderhoud en beheer , dat by het bedijken van 
dien polder een deel van den ouden IJseldijk slaper heeft 
gemaakt , hetwelk echter nog onderhouden wordt door Kam- 
perveen en Kampen. Van dezen polder tot aan zee is de 



405 



IJseldijk in onderhoud en beheer bij de gemeente Kampen.' 
Beneden het Ganzediep is de IJsel rechts onbedijkt, 
slechts een kade van + 2,2 A.P. hoogte loopt er langs , 
evenals langs den linkeroever van het Ganzediep en van 
de Goot, welke echter naar zee toe lager wordt. 

Langs de Zuiderzee van Genemuiden tot den Ketel lig- 
gen slechts kaden van + 2,6 A.P. kruinshoogte. De drie 
eilanden tusschen de IJselmonden zijn dus noch tegen 
hooge rivierstanden noch tegen hooge zeevloeden bevei- 
ligd; maar het zijn juist de daardoor nu en dan 
wederkeerende overstroomingen, waaraan het eiland zijn 
bekende vruchtbaarheid te danken heeft, daar het water 
er telkens zijn vet slib (zeeklei) op achterlaat. Ten einde 
de bewoning van het Kampereiland mogelijk te maken, 
zijn de erven waarop de hofsteden staan evenals de terpen 
of wierden in Friesland en Groningen aangelegd , dus tot 
zekere hoogte, opgewerkt boven het terrein van de polders. 
Ook de landen t. Z. van den IJsel tot aan Elburg ver- 
keeren wat hunne beveiliging tegen de Zuiderzee betreft 
in een bijzonderen toestand. Na de doorbraken van Fe^ 
bruari 1825 bij den beruchten stormvloed, werd de zeedijk 
slechts langs de Geldersche kust weer opgemaakt, juist tot 
aan de Overijselsche grens. Langs de kust van Overijsel 
en ook langs het Keteldiep tot bij Kampen werd de dijk 
door het Rijk echter slechts tot ruim + 2 A.P. weer op- 
gewerkt: naar een aangelegen polder heette men dit ge» 
deelte de Dronther Overlaat. Hierover loopt dus bij 
hooge vloeden het water op de achtergelegen landen, 
hetgeen men voordeeUg voor de landerijen achtte. Wel 
werd in 1872 het noordelijk gedeelte langs de Zuiderzee 
en den linker IJseloever tot Kampen verhoogd , maar dat 
langs de zee is later bij een stormvloed weer weggespoeld. 
De feitelijke toestand is nu , dat de hooge vloeden over 
den overlaat de polders binnenstroomen achter den Gelder- 
schen zeedijk omloopen, in het oosten tot aan den linker 
IJseldijk, den achterdijk van den Onderdijkschen polder 
(Veenedijk) en de wallen van Kampen en in het zuiden 



406 



tot de hooge gronden der Veluwe , bij hooge vloeden zelfs 
over den Zuiderzeestraatweg heen. Is het water niet zeer 
hoog dan kan genoemde straatweg (+ 2,5 A.P.) zelf tot 
keering dienen en worden daartoe schotbalken gesteld in 
de 5 keersluizen welke in dien straatweg liggen en die in 
gewone tijden dienen tot doorlating van het water van de 
zuidwaarts gelegen hoogere gronden. 

De zeedijk langs de Geldersche kust over het kleine ge- 
deelte t. Z. van Elburg heet Kerkdyk en Elburgsche 
Dijk en wordt door Elburg en Polder Oosterwolde onder- 
houden. Van Elburg tot aan den Dronther Overlaat aan 
de grens heet hij Zona er dijk en wordt onderhouden door 
Polder Oosterwolde. De Dronther Overlaat tot een 3000 M. 
t. Z.* van het Keteldiep is in beheer en onderhoud bij 
het Bestuur der bedijking langs Dronthen en 
verder bij de stad Kampen. 

Dit land ligt dus geheel in polders. Het is het h ooi- 
land bij uitnemendheid, dilea is weide en bekend is de 
rijkdom aan hooi van het Kampereiland en aangrenzende 
landen. Het stadje Genemuiden bestaat van den hooi- 
handel en de stad Kampen , die het Kampereiland 
in eigendom bezit , is er hare groote welvaart aan ver- 
schuldigd. 

Afwatering. Deze heeft in het algemeen recht- 
streeks op het buiten water plaats, behalve voor 
eenige polders om Kampen , de bedijking van Dronthen , 
de polders Kamperveen en Oldebroek. De laagste landen , 
zooals de polders Mastenbroek , Kamperveen , Dronthen en 
Oosterwolde worden bemalen. 

Hydrografische en Administratieve indeeling. 

Polder Mastenbroek. Deze groote polder met een 
oppervlakte van 8^800 H.A. , gelegen tusschen de dijken 
langs den IJsel , het Ganzediep , de Goot en het Zwarte- 
water en den afsluitdijk in het zuiden , werd in 1336 inge- 
dijkt. Een onberedeneerde indijking ! zegt Staring ; want 
de IJsel en de zee hadden er wel reeds een kleilaag 



407 



opgebracht, langs den omtrek zelfs van 3 M. dikte, 
maar voor een groot gedeelte was het veen nog slechts 
met een zeer dunne laag of, wat het middengedeelte be- 
treft , in 't geheel niet daarmede bedekt. Men heeft zoo- 
doende nu veel schraal veen, slechte weiden gevend, waarop 
slechts biezen wassen , in plaats van de vette klei , die de 
buitendijksche landen bedekt en die daarom thans veel 
meer waarde bezitten. 

Bij Grafhorst en IJselmuiden is een gedeelte , de Koe- 
koek , verveend en drooggemaakt ; ook komen nog op een 
paar andere plaatsen verveningen voor, die later droogge- 
maakt moeten worden. 

De polder loost rechtstreeks op den IJsel, het Ganzediep, 
de Goot en het* Zwartewater. Deze loozing heeft plaats 
door uitwateringssluizen , waarvan die te Kampen, Gene- 
muiden en Zwolle tevens schutsluizen zijn , gedeeltelijk na 
opmaling met stoomtuigen , waarvan er één staat aan de 
Goot bij de Koekoek en een ander bij Genemuiden uitslaat 
op een afzonderUjke waterleiding naar zee. Het Z.P. is 
—0,26 A.P. Een paar deelen die iets hooger liggen wate- 
ren eerst op het algemeen polderwater af. De polder is 
doorsneden met eenige groote weteringen of vaarten , ge- 
meen liggend met het polderwater en door eenige schut- 
sluizen met het buitenwater in gemeenschap. 

De polder Mastenbroek vormt het 4e Dijksdistrict van 
Overijsel, dat de dijken onderhoudt (behalve den afsluit, 
dijk) met de daarin gelegen sluizen, de stoomgemalen, de 
toevoerkanalen, de voornaamste duikers en bruggen. 

T. W. van Genemuiden tot aan de Goot liggen buiten- 
dijks een aantal slechts door kaden omsloten landen, 
rechtstreeks uitwaterend op zee door sluizen. Een 
enkele polder wordt bemalen. 

Tusschen de Goot en het Ganzediep ligt het eiland de 
Mandjeswaard (440 H. A.), bestaande uit een groot 
aantal slechts omkade poldertjes , deels rechtstreeks 
op zee af waterend, deels op elkaar aflatend en meest 
alle door kleine molentjes bemalen. 



4.v/*t. 



408 



Het eigenlijke Kampereiland ligt tusschen het Gan- 
zediep , het Keteldiep , het Rechtediep en de zee en is 
groot 1930 H. A. Het bestaat uit één groeten polder met 
eenige kleine daarop afwaterende deelen , waarvan enkele 
bemalen worden, en eenige buiten de algemeene omkading 
gelegen polders. Het loost rechtstreeks op het bui- 
tenwater evenals het derde eiland, gelegen tusschen het 
Rechtediep en de zee, groot 185 H. A. , de Kat ten- 
waard geheeten, 

T. Z. van den IJselmond watert de polder beneden 
Kampen langs het Keteldiep tot aan de Zuiderzee gelegen 
ook rechtstreeks op het buitenwater. Dit is ook 
het geval met den daaraan grenzenden polder Haatland, 
de Broeken en Maten, aan Kampen grenzend, en den 
meer zuidwaarts aan den IJsel gelegen Onderdijkschen pol- 
der. Deze echter loozen tevens op verschillende boezems. 
Eerstens loozen zij alle drie op den 

Boezem van het Stoomgemaal van Kampen. 
Aan de westzijde van den polder Broeken en Maten nl. 
staat een stoomgemaal dat die polders bemaalt en uit- 
slaande op een kanaal dat dezen boezem vormt, hetwelk 
door een uitwateringssluis op de Zuiderzee loost. Vier ter 
weerszijden gelegen polders loozen bovendien uüsluüend 
op den boezem. 

De polder Haatland watert tevens of op een kleinen 
.boezem genaamd de Uitwatering van Haatland, be- 
staande uit een kort kanaal , dicht bij bovengenoemd ka- 
naal op de Zuiderzee loozend. Een kleine polder t. N. van 
het kanaal loost er tevens uüsluüend op. 

De polders Broeken en Maten en Onderdijk hebben nog 
een andere uitwatering, nl. op den boezem van de Bui- 
tengracht van Kampen, alleen bestaande uit de voor- 
malige vestinggracht, die boven en beneden de stad door 
een sluis op den IJsel kan aftappen. De laatstgenoemde 
polder laat behalve op het buitenwater ook op den eer- 
sten af. 

Eindelijk bezitten deze polders nog een vierde uitwate- 



409 



ring en wel op den Boezem van de Bnitenreve. Dit 

is een kort kanaal , loopend van de noordzijde van polder 
Kamperveen door polder Dronthen naar de Zuiderzee, waar 
het door de Dronthersluis op zee afwatert. Behalve ge- 
noemde polders , waarvan de laatste op de eerste en deze 
weer op polder Dronthen aflaat , loozen er op : P. polder 
Dronthen, bestaande uit 4 waterstaatkundige deelen, waarvan 
één tevens rechtstreeks op zee loost, en 2^ de groote 
polder Kamperveen (1885 H. A.), t. W. grenzend aan Gel- 
derland en t. O. aan den IJsel en den polder Zalkerbroek 
en Hollandsche Akkers, die rechtstreeks op den 
IJsel loost. Polder Kamperveen, voor een deel beneden 
A.P. gelegen, wordt bemalen en heeft een Z. P. van 
-0,55 A.P. 

De polder Kamperveen en een deel van den oostwaarts 
gelegen polder, nl. de Hollandsche Akkers, vormen het 9e 
D ijksdistrict (Kamperveen). Dit onderhoudt het zeer 
kleine stuk buitendijk langs den IJsel van polder Kamper- 
veen en den Veenedijk, de kaden om den polder, de wa- 
termolens, enz. De Hollandsche akkers betalen geen mo- 
lengeld , doch wel voor hunne uitwatering aan 

Het 8e D ijksdistrict (Zalk), dat gevormd wordt door 
het Zalkerbroek eu den t. N. daarvan gelegen polder Zalk, 
grenzend aan den IJseldijk. Het onderhoudt den IJseldijk 
van de Geldersche grens tot de grens van Kamperveen. 

Reglement op het beheer der bedijking langs 
Dronthen. De bedijking, gedeeltelijk Dronther Overlaat, 
van de Geldersche grens langs de Zuiderzee en het Ketel- 
diep tot Kampen, staat onder beheer van gecommitteerden 
van het 8e en 9e Dijksdistrict , van de polderbesturen van 
Oosterwolde, Oldebroek en Hattem (alle in Gelderland) , van 
de Broeken en Maten en van het gemeentebestuur van Kam- 
pen, die o. a. te zorgen hebben, dat die bedijking binnen een 
door Gedeputeerde Staten te bepalen tijd tot een door den 
Min. van Waterstaat vast te stellen peil worde verhoogd. 

Rechtstreeks op den IJsel loost voorts de Polder 
Hattem, zijnde een groote polder geheel in Gelderland 



410 



gelegen tusschen de Overijselsche grens en den IJseldijk 
tot aan den Zuiderzeestraatweg en de stad Hattem in het 
zuiden. Tot den polder Hattem in administratieven zin 
behooren ook eenige hooge gronden om Hattem en deze 
stad . zelve benevens een binnen den Veendijk gelegen pol- 
der t. Z. er van. Met nog eenige buiten den Veendijk en 
buiten den Veluwschen bandijk gelegen polders en waar- 
den , van Hattem tot tegenover Wijhe , die gedeeltelijk 
op de onder B. 1°. bl. 224 , enz. besproken wete- 
ringen afwateren, vormt polder Hattem het Polder- 
district Hattem. Dit onderhoudt den Gelderschen dijk, 
de uitwateringssluis van polder Hattem, de hoofdwater- 
leiding en eenige wegen. 

Tusschen de Overijselsche grens (Polder Kamperveen) 
en de Zuiderzee, in het zuiden zich uitstrekkend tot ^/* u. 
t. N. van Elburg en tot polder Oldebroek , liggen 6 wa- 
terstaatkundige polders, samen geheeten Polder Ooster- 
WO 1de en door verscheidene uitwateringssluizen loozend 
rechtstreeks op de Zuiderzee. In het zuiden be- 
vatten zij eenige hooge gronden ; overigens liggen de pol- 
ders van —0,2 A.P. in het noorden tot + 0,5 A.P. in het 
zuiden en worden deels bemalen. 

De Puttemerbeek. Deze beek ontvangt door een 
groot aantal andere beken en weteringen het water van 
de hooge gronden der Velu we t. Z. en t. O. van Elburg, 
van de broeklanden van Oldebroek en van een paar polders 
t. N. van Elburg. Hij ontlast zich onder den naam van 
E 1 door een sluis in de Haven van Elburg. Daar waar 
zij, de wallen van Elburg snijdende, deze stad binnenkomt 
en haar verlaat, liggen er keersluizen in, die gesloten wor- 
den als de Dronther Overlaat werkt. 

T. Z. van Elburg , binnen den Kerkdijk en den Elburg- 
schen dijk, ligt nog een polder die rechtstreeks op zee af- 
watert en buiten den Kerkdijk nog de eveneens rechtstreeks 
uitwaterende Waterlandspolder van Doornspijk. 

De polders samen geheeten polder Oosterwolde, het ge- 



411 



bied van de Puttemerbeek voor zoover het tot de gemeente 
Elburg behoort en eenige gronden met den polder binnen 
den Kerkdyk onder Doornspijk vormen samen het Water- 
schap Polder Oosterwolde, dat in 6 afdeelingdi 
verdeeld is , waaronder 4 merken van polder Qosterwolde. 
Deze onderhoudt de zeedijken en alle andere waterkeerende 
en zeewaterkeerende werken , waterleidingen , wegen der 
merken, enz. Het bestuur bestaat uit één Dijkgraaf, 6 
Heemraden en 16 Gecommitteerden. 

Boezem van de G^ldersche Gracht. T. Z. van 
de polders Kamperveen en Oosterwolde tot tegen den Zui- 
derzeestraatweg ligt de waterstaatkundige polder Oldebroek, 
bevattend eenige hooge gronden en een klein lager gedeelte, 
samen groot 930 H.A. polderland , die met ongeveer even- 
veel hoogen grond t. Z. daarvan afwateren op den boezem 
van de Geldersche Gracht. Deze wordt gevormd dooreen 
aantal weteringen in de hooge gronden, die door duikers 
in den Zuiderzeestraatweg hun water brengen op den pol- 
der, en door de eigenlijke Geldersche Gracht, een water 
waarop de polder door een sluis loost en dat op de grens 
van Gelderland en Overijsel tusschen de polders Ooster- 
wolde en Kamperveen noordwaarts loopt en dan door de 
Groote Dronthensche of Geldersche sluis afwateren kan op 
de Zuiderzee. De genoemde duikers in den Zuiderzee- 
straatweg zijn als keersluizen te gebruiken bij werking van 
den Dronther Overlaat. 

De landen behoorende tot dezen boezem en een deel der 
hooge gronden afwaterend op de Puttemerbeek vormen sa- 
men het Waterschap Polder Oldebroek. Het bestuur 
is een dijkstool samengesteld uit één Dijkgraaf, 4 Heem- 
radên en 8 Hoofdingelanden, die in beheer en onderhoud 
hebben alle waterstaatswerken der polders, o. a. de Gelder- 
sche Gracht met kade aan de Geldersche zijde, en toezicht 
uitoefenen op alle verdere werken behoorend tot zijn wa- 
terstaat. 



412 
§ 2. DE ÜTRECHTSCH-VELUWSCHE KUSTEN. 

Van bij Elburg tot ongeveer 1 uur t. N. van Nijkerk 
wordt de kust der Zuiderzee gevormd door hooge gronden, 
aan welker voet slechts een enkel ' klein poldertje ligt 
t. Z. van Harderwijk. Van genoemd punt af echter liggen 
aaneengesloten polders , zich in het zuiden uitstrekkende 
tot een lijn gaande over Nykerk tot aan de Eem , onge- 
veer 1 uur beneden Amersfoort. Op den linkeroever der 
Eem liggen van Amersfoort tot de hooge gronden bij Soest 
en Soestdijk eenige polders» Bij Baarn naderen de hooge 
gronden de Eem, maar t. N. van dit dorp strekken zich 
polders uit van de Eem tot t. W. van Eemnes tot aan 
de grens der hooge gronden bij Blaricum en Huizen. 

Deze lage streken tusschen de hooge gronden van Gooi- 
land in het westen en die der Veluwe in het oosten zijn 
dus het noordelijk gedeelte van de zoogenaamde Gelder- 
sche Vallei. 

De geologische samenstelling. Een ongeveer 2000 M. 
breede strook zeeklei ligt langs de Zuiderzee tot Bun- 
schoten. Van hier loopt de grens tusschen de klei en het 
zand westwaarts naar de Eem , langs welker oostelijken 
oever ter breedte van eenige honderde meters klei ligt tot 
een weinig boven Amersfoort. Van hier af ligt ook klei 
langs den linkeroever tot een lijn die een weinig west- 
waarts van Baarn , Eemnes Buiten en Blaricum loopt tot 
bij Huizen aan de zee. Aan de zeeklei grenst het zand 
van de Geldersche Vallei en een stuk moerasveen tusschen 
Amersfoort en Nijkerk, welke beide grondsoorten t. 0. 
van de Eem en voor zoover zij binnen de polders vallen 
evenals de zeeklei tot weiland worden gebezigd; t. W. 
van de Eem wordt het zand bebouwd met rogge, die ook 
op aangrenzende strooken van de zeeklei voorkomt. 

Hoog^. De waterstaatkundige polders zijn in 't algemeen 
groot en hggen tusschen —0,5 en -f- 0,5 A.P. Ten oosten van 
de Eem ligt al het land buiten een lijn die van den mond 
der Nijkerker Haven naar Soest loopt beneden A.P. De 



413 



polders t. W. van de Eem bij Soest en Soestd\jk liggen 
van + 0,75 tot + 1,75 A.P. 

Het buitenwater waartegen deze landen zich moe- 
ten beschermen en waarop zij ten slotte hun water moeten 
brengen wordt gevormd door de Zuiderzee en de Eem. 

De zomerstainóen op de Zuiderzee waren aan de Nijkerker- 
sluis (1872-1880) gem. bij vl. + 0,36 A.P., bij eb -0,06 
A.P. , de hoogste vl. + 2,85 , de laagste eb -0,92 A.P. 
Te Muiden (1871-1880) zijn de gem. standen + 0,15 en 
-0,21 , de hoogste -2,16 en de laagste -0,94 A.P. 

De Eem ontstaat bij Amersfoort uit het water dat aan- 
gebracht wordt door de Barneveldsche en Luntersche be- 
ken. De Barneveldsche of Flierbeek ontstaat uit de 
samenvloeiing van twee beken bij Wekerom , enz. in 
de gemeente Ede en neemt rechts en hnks vele andere 
beken op. De Luntersche beek, bij Amersfoort ook 
Heiligenberg er beek geheeten, ontspringt bijLunteren, 
neemt rechts en links verschillende andere beken op en 
links o. a. de Broekersloot, die bij den Rooden Haan het 
overtollig water van de Bisschop-Davidsgrift ontvangt, waarop 
de landen onder Wageningen en Bennekom in het boven- 
deel der Geldersche Vallei afwateren. Bij Amersfoort ver- 
deelt de HeiUgenbergerbeek zich in 3 takken, waarvan 
één zich met de Bamevelderbeek vereenigt en dan op de 
Oostsingelgracht komt, één door de stad gaat en één de 
Westsingelgracht vormt, welke alle drie ten slotte door 
duizen op de Eem loozen. Deze Eem is een geheel open 
rivier, waarop zich dus de invloed der getijen doet gevoelen. 
Bij Amersfoort was de gem. stand der Eem (1868—1877) 
+ 0,23 en -0,02, de hoogste + 1,95, de laagste -1,01' 
A.P. ; op de Luntersche beek over dezelfde jaren te Amers- 
foort gem. + 0,61 , hoogste + 1,9, laagste —0,11 A.P. 

Met het beheer, toezicht en onderhoud van een groot 
deel dezer wateren en wat daartoe behoort is belast het 
Hoogheemraadschap van de rivier de Eem , be- 
ken en aankleve van dien, nl. van de Eem, de Lun- 
tersche beek opwaarts tot de gemeente Woudenberg , de 



414 



oostelijke Singelgracht van Amersfoort, de uitwatering 
van deze , enz. Tot het Hoogheemraadschap behooren alle 
hierna te vermelden polders in Utrecht en bovendien de 
daaraan grenzende hooge gronden t. N. van Amersfoort, 
vormend de Waterschappen de Malesluis, Koelhorst en de 
Drie Sluizen. Tot het onderhoud draagt mede bij het 
ooUegie van de Exonoreerende landen, zijnde een 
vereeniging van landen gelegen in de Geldersche vallei on- 
der Wageningen en Ede (met Bennekom) , die door de Bis- 
schop-Davidsgrift belang hebben bij de waterloozing aan 
den Rooden Haan op de Broekersloot. 

De dijken. Tegen de zee worden de landen t. O. van 
de Eem beschermd door een doorloopenden zeedijk , welke 
dicht bij den mond der Eem aansluit aan den dijk die 
onder verschillende benamingen den rechteroever van de 
Eem volgt tot bij Amersfoort. 

De Zuiderzeedijk is geheel schaardijk ; slechts zeer wei- 
nig buitenland Ugt er vóór by de Nijkerker- en Spakenbur- 
gerhavens en een kleine buitenpolder aan den mond der 
Eem. Langs deze rivier liggen aan den mond een buiten- 
polder en voorts hooger op nog verscheiden kleinere. 

De Zuiderzeedijk tot aan de Utrechtsche grens is in 
beheer en onderhoud bij den aangrenzenden polder Ar- 
kenheem, -.de Nykerkersluis aan den mond der Haven bij 
de stad Nijkerk. Van hier is de zeedijk en de dijk langs 
de Eem in beheer en onderhoud bij het Hoogheemraad- 
schap van den Bunschoter Veen- en Veldedijk. 
De hierop volgende deelen van den Eemdijk zijn: de 
Eemlandsche Dijk, onderhouden door gehoefslaagden , 
de Slaagsche Dijk of Overlaat, die een 80 c.M. la- 
ger is dan de aansluitende deelen , zoodat bij zeer hooge 
waterstanden het aangrenzende waterschap de Slaag kan 
geïnundeerd worden; dit dient tot ontzet van de stad 
Amersfoort en van den t. W. van de Eem gelegen Hoogen- 
of Wakkeren dijk. Van den Slaagschen Dijk tot Amers- 
foort behoort de Eemdijk tot de Grebbelinie en is in be- 
heer en onderhoud by de Militaire Genie. 



415 



De hoogte der dijken langs de Zuiderzee is van + 3,6 
tot +3,1 A.P. , terwijl de Eemdijken liggen van + 3,3 aan 
den mond tot + 2,2 A.P. hoogerop, behalve de Slaagscbe 
Overlaat, die -4- 1,55 A.P. ligt. 

T. W. van de Eem zijn de meeste polders slechts door 
kaden tegen deze rivier en tegen de Zuiderzee beschermd. 
Slechts het westelijk deel van het Waterschap Eemnes, 
deels uit polder-, deels uit hooge gronden bestaande, is be- 
schermd door een dijk, op een */* uur afstands van de ri- 
vier gelegen, genaamd de Hooge of Wakkere Dijk. 
Hij begint aan het kort gedeelte dijk dat van de hooge 
gronden t. N. van Blaricum tot de Utrechtsche grens loopt , 
gaat eerst oostwaarts en dan zuidwaarts tot de hooge 
gronden t. W. van Baarn. De dijk is in beheer en onder- 
houd bij het Waterschap Eemnes. 

De afwatering. Bijna zonder uitzondering geschiedt 
de afwatering dezer landen rechtstreeks op het buitenwater. 

De groote en laag gelegen polders hebben Z.P. van —0,05 
tot —0,50 A.P. en worden voor een groot gedeelte bema- 
len, terwijl zij bovendien bijna alle natuurlijke waterloo- 
zing door sluizen bezitten. 

Waterstaatkundige en Administratieve indee- 
ling. 

Van 1 uur t. N. van Nijkerk tot de Utreohtsche grens 
vinden wij het Waterschap Polder Arkenheem, be- 
staande uit 3 waterstaatkundige deelen, nl den Putter- 
polder t. O. van de Nijkerker Haven; een kleiner deel van 
dezen, dat op het andere gedeelte aflaat en bovendien loost 
op den boezem van de Haven van Nijkerk, welke 
laatste door de Nijkerkersluis op de Zuiderzee af watert; 
en eindelijk den Nijkerkerpolder t. W. van de Haven 
tot aan de Utrechtsche grens. De Putterpolder, met het 
kleinere deel , groot 2435 H,A. , bevat in het Z. eenige 
hooge gronden en is t. O. tot aan zee begrensd door 
een kade tot keering van het water der oostelijk gele- 
gen hooge gronden. Het Z.P. is A.P. ; de loozing ge- 
schiedt door een uitwateringssluis langs natuuriyken weg 



416 



of zoo noodig na opmaling door een schepradmolen. De 
Nijkerkerpolder, groot 2480 H.A., bevat ook in het Zuiden 
eenige hooge gronden (veen) en loost door 3 sluizen , waar- 
van één tevens dient tot uitwatering van een schepradmolen. 

Tusschftn de Geldersche grens en den Eemdijk ligt aan 
zee het Waterschap van de Bunschoter- en Duister 
Uitwatering in Zee, één groote waterstaatkundige polder, 
in verschillende administratieve deelen verdeeld. Met het 
Waterschap Eemland, uit eenige kleine polders be- 
staande, de Slaag, Neder- en Over-Veldert , van 
welke de eerste twee aan de Eem grenzen , vormt het het 
Hoogheemraadschap van den Bunschoter Veen- en 
Veldedijk. Deze vier waterschappen omsluiten nog een 
ander , loozend door eene wetering op de Eem , welke we- 
tering door stoom wordt afgemalen ; ook de genoemde wa- 
terschappen zelve loozen natuurlijk op de Eem , terwijl de 
Bunschoter- en Duister Uitwatering ook bemalen wordt door 
een stoomgemaal, bij Spakenburg uitslaande op de Zuiderzee. 

T. Z. van deze rechtstreeks op het buitenwater loozende 
landen , liggen in de hooge gronden t. N. van Amersfoort in 
de gemeente Hoogland nog de Waterschappen Male we- 
tering en de Drie Sluizen, benevens een kleiner on- 
middelijk aan de Eems grenzend Waterschap Koel horst. 
Deze hebben elk een afzonderlijken boezem , bestaande in 
eenige weteringen welke door sluizen op de Eem loozen; 
wij vermelden ze hier slechts, omdat hun water op deze 
rivier komt. Tot den boezem van de Malewetering behoo- 
ren ook een paar kleine polders , gelegen aan de Eem. 

Op den rechter Eemoever bij Amersfoort loost ook nog 
een polder rechtstreeks op de rivier. 

Langs den rechteroever liggen voorts nog eenige kleine 
buitenpoldertjes en aan den mond de grootere buitenpolder 
de Bekaaide Maat. 

Op den linker Eemoever liggen, behalve een paar kleine 
Foldertjes bij Amersfoort , tot aan Soest en Soestdijk 3 
Waterschappen , evenveel waterstaatkundige polders vor- 
mend , t. N. grenzend aan de PraamgrachtofdePij- 



417 



nenbur grift, een kanaal komend van de Maartensdijksche 
Weteringen en verdeeld in 4 panden, waarop hoogere 
gronden afwateren. Het laagste pand ligt gemeen met de 
Eem, het daaropvolgende loost er bij Soestdyk op. 

T. N. van Baarn tot aan de Drakenburger Wetering, die op 
de Eem loost, hgt het Waterschap de Drie Zielen en 
de Ge e ren en t. K van deze en de hooge gronden ligt 
ter weerszoden van den Wakkeren dijk het Waterschap 
Eenmes. Dit bestaat behalve uit den Maatpolder en Be- 
kaaide Uiterdijken en eenige kleine buitenpolders, alle 
rechtstreeks op de Eem loozend, uit 2 groote polders 
t. O, van den Wakkeren Dyk , omgeven door een zomer- 
kade van + 1,4 è, 1,75 A.P. en uit 2 polders t. W. van 
dien dyk, waarvan de zuidelijke grootendeels uit hooge 
gronden bestaat. Deze 4 polders wateren rechtstreeks op 
het buitenwater eu tevens op den boezem van de Eem- 
nesservaart af, die van Eemnes Buiten oostwaarts naar 
de Eem gaat en hierop kan worden afgeraalen. De Z. P. 
der oostelijke polders, waarvan de zuidelijke bemalen wordt, 
zijn —0,36 A.P. Het Waterschap onderhoudt en beheert 
den Hoogen of Wakkeren Dijk. 

T. N. van dit waterschap langs de zee tot aan de Ha- 
ven van Huizen aan den voet der hooge gronden van 
Gooiland, hgt de Gooische Meent. Deze wordt slechts 
door een kade van + 1,2 è, + 1,5 A.P. beschermd en loost 
door eenige uitwateringssluisjes direct op zee. 

De Gooische Meent bestaat uit weilanden, die evenals 
de andere weiden van Gooiland, de Naarder Meent en de 
Hilversumsche Meent, met de hooge heidegronden van 
't Gooi , in onverdeeld gemeen bezit zijn van de gemeenten 
Naarden, Laren, Huizen, Hilversum, Blaricum en Bussum. 

De Vergadering van Stad en Lande van Gooi- 
land (Zie bl. 194) beheert die gronden en onderhoudt 
o. a. de kade langs de Gooische Meent. Deze heeft even- 
als de beide andere Meenten een afzonderlyk bestuur wat 
de huishouding betreft; een klem deel er van is afge- 
scheiden met een afzonderlijk bestuur. 

27 



F. De Eilanden in de Noordzee en in 
de Zuiderzee. 

Texel. (Zie Kaart IV.) 

Het eiland Texel was vóór de 17e eeuw veel kleiiier 
dan thans , ja is na dien tijd ongeveer tweemaal zoo groot 
geworden door aanstuiving van zand en bedijking van 
schorgronden. Het bestond nl. vroeger uit 2 eilsuiden: 
K Het Oude land, groot 6285 H.A., dat tegenwoordig 
het grootste gedeelte van de zuidelijke helft des eilands 
vormt en wel dat gedeelte hetwelk thans het waterschap 
„De 29 gemeenschappelijke polders op Texel" heet, op één 
polder na. Dit deel heeft een bodem van diluviaal 
(Scandinavisch) grint en zand, met een paar kleinere plek- 
ken laagveen o. a. een lange smalle strook van Oude Schild 
naar Oosterend. 2o. Het kleine eilandje E Ierland, dat 
in 1629 op last der Staten door een zanddijk met het 
Oude land verbonden werd. Dit werk gaf aanleiding tot 
eene zeer belangrijke vergrooting van het eiland: de dijk 
stoof nl. aan de westzyde langzamerhand aan tot een breede 
duinstrook, terwijl aan de oostzijde zich schorgronden 
vormden, die in 1835 zijn ingedijkt ter grootte van 3876 H.A. 
onder den naam van Eierlandspolder. Tegen deze 
groote oppervlakte zeeklei , werden later nog aan de oost- 
zijde de Eendrachtspolder (1846) ter grootte van 247 H.A. 
en de kleine polder de Volharding van 16 H.A. in het 
noorden bij de Cocksdorp aangewonnen. 

In het Z. en Z.0. des eilands werden reeds in de 16e 
eeuw 4 kleinere bedijkingen aan de zee ontnomen; mede 
tot de eerste bedijkingen behooren t. N. van het Oude land 
de polder Burger-Nieuwland (101 H.A.) en de polder 
Waalenburg, die na vele verliezen in 1632 weder ge- 
heel door de zee werd overweldigd, doch in 1612 ter 
grootte van ongeveer 740 H.A. weer voor goed aan de zee 
werd ontnomen. 
Eindelijk werd in 1846 en 1847 aan de zuidoostzyde de 



419 



Prins-Hendrikpolder ter grootte van 460 H.A. her- 
dijkt, die reeds in 1768 als Hoorn- en Burgpolder was in- 
gedijkt doch in 1796 weer was ondergeloopen en sedert 
verdronken had gelegen. Deze bedijking en de 5 andere 
kleinere langs de zuidzijde hebben geen kleibodem , maar 
bestaan uit zavelachtige zandgronden. 

De zeewering van Texel bestaat langs de west- en 
zuidzijde uit duinen en langs de oostzijde uit dijken , gem. 
hoog + 3 è. 3,4 A.P. 

De duinen worden door de Provincie beheerd en onder- 
houden en de dijken door de aangrenzende polders en wa- 
terschappen , behalve een 1200 M. bij het Oude Schild, die 
in onderhoud zijn bij het Rijk. 

De hoogte des bodems is voor het Oude land gem. = 
A.P. ; terwijl de laagste landen aldaar op —0,5 A.P. liggen, 
doch de hoogere grintgronden zich t. W. van Oude Schild 
en tusschen dit dorp en Burg op een paar punten tot 10,5 
en 15 M. boven volzee verheffen. De polder Eierland en 
aangrenzende zullen A.P. en iets daarboven liggen , terwijl de 
overige bedijkingen tusschen A.P. en —0,5 A.P. gelegen zijn. 

De buitenwaterstanden zijn (1878—1880): 

M.V1. + 0,32, M.E. -0,76, hoogste vl. -f 1,82, laagste 
eb -1,75 A.P. 

Administratieve en hydrografische verdeeling. 

De Negenentwintig gemeenschappelijke polders 
omvat de 28 voormalige polders van het Oude land en een 
kleine bedyking , samen één waterstaatkundigen polder vor- 
mend. De afwatering geschiedt zonder bemaling door uit- 
wateringssluizen óf direct op zee óf op een boezem : den 
voorboezem van de 29 gemeenschappelijke pol- 
ders, strekkende langs een gedeelte van de binnen- en 
buitendijken des Prins-Hendrikpolders en loozend door een 
uitwateringssluis in den zeedijk van dezen polder op zee. 

Het Waterschap der 29 gemeenschappelijke pol- 
ders wordt bestuurd door een Dijkgraaf en 5 Heemi'aden 
als dagelijksch bestuur en 10 Hoofdingelanden. Het Regie 
ment is van 1856 en 1861. 

27 • 



420 



Op genoemden polder watert door een duiker een kleine 
bedijking in het zuiden, het Weezenspijk, af, terwijl 
rechtstreeks op den genoemden voorboezem nog 3 andere 
bedijkingen in het zuiden loozen. Eén daarvan, het 
Hoornder-Nieuwland, wordt bemalen.^ Deze polder 
en een der beide andere, de Kuil, vormen gereglemen- 
teerde waterschappen. 

De polder Waalenburg loost op de 29 gemeenschap- 
peiyke polders , op het dijkskanaal van polder Eierland en 
rechtstreeks op het buitenwater. Dit laatste geschiedt 
door de sluis van een molenkolk waarin een molen het 
polderwater opmaalt , doch wegens verzanding vóór die 
sluis is die loozing van weinig beteekenis. De polder heeft 
een reglement en bestuur. 

De polder Burger-Nieuwland ontvangt het water van 
eenige hooge gronden en loost natuurlijk op den polder 
Waalenburg. Hy vormt niet een gereglementeerd wa- 
terschap. 

De Prins-Hendrikpolder wordt bemcUen door een vij- 
zelmolen , die uitslaat op een rechtstreeks op zee loozenden 
voorboezem. Er bestaat niet een wettig erkend bestuur 
en reglement. 

De polders Eierland, Eendracht en Volharding 
loozen alle langs natuurlijken weg en rechtstreeks op zee. 
De eerste heeft een bestuur van één Dykgraaf en 6 Heem- 
raden, door Z. M. benoemd. Reglement van 1853 en 1860. 

VUeland. 

Dit eiland bestaat in het Z. W. uit een vlakke onbe- 
woonde zandplaat; het N. O. deel is een duinketen, aan 
welks zuidelijken voet het dorp Vlieland ligt, dat geheel 
en al door een dijk en hooge gronden is ingesloten. Daar- 
bij is een haven , die evenals de duinen , dijken en verde- 
digingswerken langs de kusten door het Rijk wordt onder- 
houden. Polders zijn er op Vlieland niet. 

Terschelling. 

Terschelling's oostelijk gedeelte , ruim Vj van het geheele 



421 



eiland, is een vlakke onbewoonde zandplaat; het overige 
bestaat uit een ruim * uur breede duinstrook, aan welker 
zuidzijde een zestal dorpen en een strook vlak ingepolderd 
bouwland liggen, grootendeels uit zandgrond bestaande; 
t. Z. van het dorp Midsland hgt aan zee een gedeelte zee- 
klei en t. W. van dat dorp eenig laagveen. 

Het eiland is aan de zuidzijde beschermd door een zeedijk, 
grootendeels genaamd de Zuiderdijkagie en voor een 
klein deel in het W. den Nieuwend ijk geheeten, welke 
3 M. hoog is boven volzee ; aan de noordzijde door de duinen , 
door het Rijk beheerd en onderhouden. Aan het Z.W. 
uiteinde ligt een haven voor het dorp West-Terschelling. 

Men vindt op Terschelling 2 waterstaatkundige polders 
tevens waterschappen: de Terschellingerpolder ^ 
groot 1203 H.A., die door 3 sluizen natuurlijk op zee loost 
en deze onderhoudt evenals de geheele Zuiderdijkagie met 
den Niauwendijk, waarbinnen de polder gelegen is, en het 
Nieuwland of de Zurijperpolder , een buitenpolder, 
groot 51 H.A., reeds in Vorige eeuwen ingedijkt, doch het 
laatst in 1858 met een dijk hoog + 3,5 V.Z. , gelegen 
buiten tegen de Zuiderdijkagie aan t. Z. van Midsland. 
De laatste hgt + 0,3 è, + 0,4 A.P. en slaat met een 
kleinen molen rechtstreeks op zee uit; zijn bodem is 
zeeklei. 

Ameland. 

Dit eiland, door het Amelander Gat van Vlieland ge- 
scheiden, lang ongeveer i^k uur wordt langs de west- en 
noordkust beschermd door een 20000 M. lange duinketen , 
die door het Rijk wordt beheerd en onderhouden. De oos- 
telijke uithoek is een zandplaat. Aan de zuidzijde der 
duinen Uggen vlakke doch wel 1 M. boven volzee gelegen 
zandgronden en een paar smalle strooken zeeklei t. Z. van 
HoUum en Ballum en van Nes en de Buren. Die gronden 
sluiten aan de bij eb droogvallende Wadden aan. Een 
zeewering lang de zuidzijde van Ameland bestaat nl. niet; 



422 

wel worden de] oevers der schor- en zandgronden langs het 
Wad voor een groot gedeelte kunstmatig verdedigd. 

Er zijn 7 polders op Ameland, van het W. afgerekend: 
de Hollumermieden , de grootste , waarin het dorp Hollum; 
de Ballumermieden , waarin Ballum ; een klein poldertje 
t, Z.W. van Nes en t. O. van Buren 4 kleine polders, 
alle samen ongeveer 800 H. A. groot. Deze polders zijn, 
voor zoover zij niet door duingronden worden begrensd, 
door dijkjes omgeven , + 3 V. Z. en t. O. van Buren op 
+ 2 è. 2,5 V. Z. gelegen; zij kunnen evenwel niet als 
voldoende waterkeering tegen hooge vloeden aangemerkt 
worden. 

De polders zelve liggen + 0,3 k 0,7 V. Z. en de afv^a- 
tering geschiedt langs natuurlijken weg door uitwaterings- 
sluisjes in de dijken rechtstreeks op zee. 

Administratief komen voor de Waterschappen: Hol- 
lumermieden, Ballumermieden, Poldertje bij 
Nes en het Reglement omtrent het opzicht over 
de landerijen, dyken, enz, der binnen- en bui- 
tenlanden van het dorp Buren op Ameland; dit 
laatste dient voornamelijk voor het toezicht op het vee. 

Schiermonnikoog. 

Dit is grootendeels een vlakke zandplaat. Over het mid- 
den loopt van den westhoek naar het oosten een 8000 M. 
lange duinenrij , die gedeeltelijk door het Rijk wordt in 
stand gehouden. T. Z. daarvan , dus aan den Z. W. hoek 
van het eiland , ligt een polder , groot 430 H. A. , naar 
den tegenwoordigen eigenaar van het eiland Bancks- 
polder genaamd; deze wordt langs de zuidzijde beschermd 
door een hoogen zeedijk , hoog + 4,5 V. Z. , aan beide 
uiteinden tegen de duinen aansluitend. 

De polder, waarin het dorp Schiermonnikoog ligt, be- 
staat uit zand en zeeklei , ligt + 1 è, + 1,2 V. Z. en 
watert door 2 uitwateringssluizen op de Wadden af. De 
bedijking van dezen polder geschiedde in 1860 , toen het 



428 



eiland voor / 98000 door Mr. Banck gekocht werd. De 
dijk , lang 8000 M. kostte f 81000. 

Wiermgen. 

Dit eiland bestaat grootendeels uit hooge diluviale grint- 
gronden (Scandinavisch) , die zich in het midden des eilands 
tot de hoogte van + 4,3 A.P. verheffen, en de daarvan 
afgespoelde vlakke zandgronden. De N. O. hoek bij het 
dorp den Oever , een gedeelte van de bedijking Waard- 
Nieuwland aan de zuidzijde en een smalle strook langs 
de zuidkust tot Westerland bestaan uit zeeklei. 

Wieringen wordt door een aantal dijksvakken beschermd, 
telkens door de hooge gronden afgebroken. De dyksvakken 
langs de N. en W. zijde van den Oever tot aan de qua- 
rantaineplaats , hunne verdedigingsmiddelen , paalwer- 
ken , enz. en die langs de tusschengelegen hooge gronden 
zijn in beheer en onderhoud bij het Rijk. Langs de oost- 
en zuidzijde echter worden de dijken, hoog + 3,1 A.P., en 
eenige kleine stukken hooge gronden met de daarin gelegen 
uitwateringsduikers — waarvan echter een gedeelte slaper 
gemaakt is door de voorgelegen bedijking Waard-Nieuw- 
land — onderhouden door het Dijksbestuur van Wie- 
ringen. Dit heeft een dagelijksch bestuur van 1 Dijk- 
graaf en 4 Heemraden en slaat de onderhoudslasten om 
over het geheele eiland, behalve over den Waard-Nieuwland, 
die zijn eigen dijk onderhoudt, en een buitenpoldertje aan 
de noordzijde , het Buitenveld met het voorland de Nor- 
merven. 

Het Waard-Nieuwland, is groot 472 H. A. en is in 
1846 ingedijkt. Het zomerpeil van den polder is —1,96 
A.P. Hij wordt bemalen door 2 vijzelmolens op een voor- 
boezem langs den zeedijk, welke door een sluis recht- 
streeks op zee loost. De bedijking behoort aan eene Ver- 
eeniging. 

Binnen de oude zeewering des eilands liggen 5 polders , 
welker lagere deelen hier en daar door de hooge gronden 
zijn vaneen gescheiden. Het Z.P. der polders is — 1,25 A.P., 



424 

de afwatering geschiedt door sluisjes en duikers 
rechtstreeks op zee en voor een klein gedeelte door bema- 
ling met een vijzehnolen. Zij vormen samen het water- 
schap: het Polderbestuur van Wieringen. Het 
Reglement is van 1845. Het bestuur bestaat uit 6 Pol- 
dermeesters , te benoemen door Ged. Staten. 

Urk. 

De grootte van dit eiland bedraagt 80 H. A. Het wes- 
telijk deel, ongeveer i van de geheele oppervlakte, ver- 
heft zich hoog boven de zee ; het is een diluviale grint- 
heuvel waarop het dorp Ugt. Het overige deel is slechts 
weinig boven de zee verheven , bestaat uit zand en zeeklei 
en is ingepolderd weiland, omgeven door een zandkade hoog 
+ 1,45 A.P. Van het westen naar het oosten loopt 
daardoor een zandrug op het hoogst + 2,2 A.P. en eindi- 
gend aan de N.0. hoek in een smalle zandplaat, de Staart 
geheeten. De polder watert door twee sluisjes rechtstreeks 
op zee af; een klein moerassig deel wordt bemalen. 

Aan de Z.W.zijde is een haven. Het geheele eiland 
is voorts omgeven door een paalwerk en andere werken 
ter oeververdediging. Al deze, evenals de havendammen 
en de zandkade zijn voor rekening van het Rijk. 

De zeestanden in de Haven van Urk waren over 1871 — 
1880: gem. vL + 0,02 V.Z. , gem. eb -0,17 V.Z.; hoog- 
ste vl. + 2,28 V.Z. , laagste eb -1,27 V.Z. 

Marken. 

Dit eiland , groot 295 H.A. bestaat alleen uit zeeklei en 
is geheel omgeven door een dijk, die echter slechts de 
gewone zomervloeden kan keeren (-f 1 è, 1,4 A.P.) De wo- 
ningen zijn daarom alle gebouwd op terpen ten getale van 
10 op het eiland aanwezig. De afwatering geschiedt zon- 
der opmaling door 2 uitwateringssluizen , rechtstreeks op 
de Zuiderzee. 

Aan het N.W. is een haven en een vuurtoren, beide 
evenals de omringdijk en de uitwateringssluizen in onder- 
houd bij het Rijk. 



BIJLAGE I 



IETS OVER KUNSTMATIGE ONDERWATER- 
ZETTINGEN. 

Kunstmatige onderwaterzetting? En wy wenden allerlei 
kunstmiddelen aan, doen al het mogeiyke om ons diep gele- 
gen land van het overtollig water te bevrijden? Immers 
ontwoekerd aan de zee en de stroomen is het vaderland en 
zijn bestaan is een onafgebroken strjjd tegen de wateren : 
de aanhoudende oorlog met dien onverzoeniyken v^and, het 
water, is de hoofdvoorwaarde van het bestaan van den ge- 
boortegrond. 

Doch in tijden als ook andere gevaren ons bedreigen, dan 
wil die vyand voor een w\)le onze krachtige bondgenoot z^n. 
In oorlogstijd nl. , dan helpt het water , dat wy tydeiyk op 
het land kunnen brengen waar wy willen, mede, om den 
vreemden indringer buiten te houden ; betr. gemakkeiyk kan 
dit nu geschieden, waar wy zonder die hulp door de geringe 
getalsterkte van levende strydkrachten te kort zouden 
schieten. In den exceptionelen toestand van een groot 
en zeer belangryk gedeelte des lands ligt de kracht, men 
kan ook wel zeggen de mogeiykheid onzer verdediging met 
kans op gunstigen uitslag. 

Geestdrift voor de heilige plicht die wy wellicht eens te 
vervullen hebben kan slechts steunen op het geloof in onze 
kracht. En om daarin te gelooven moeten wy haar kennen. 
Het kan dus zeker belangstelling inboezemen als wy hier 
tegeiyk met het ware beeld van ons wonderiyk land een 
schets geven in grove trekken van het stellen van inundatlön 
in oorlogstyd. 

wy zullen daartoe beginnen met een korte beschryving te 
geven van de verschillende wyzen van inundeeren in het 
algemeen. 

Vooraf zy de opmerking gemaakt , dat voor militaire doel- 
einden — doch alleen by goede bewaking en hier en daar zoo 



426 



noodig door voldoende bestr^king , d w. z. beschieting met 
geschut of geweer — dras zetten of wel 0,1 è 0,5 M. diep 
inundeeren voldoende is {n onze lage en met alooten, em. 
dooreneden terreinen. Dan kan men de slooten of de voor 
eigen gebruik onnoodige, dus geïnundeerde wegen niet 
meer onderscheiden en een ieder begriypt de moeilijkheden 
die verbonden zyn aan pogingen om over een zoodanig geïn- 
undeerd terrein van 1 Si 2 uur breedte heen te komen, zoo 
dit al mogeiyk is ; men kan wel ze^en dat dit by nacht of 
onder het vuur der verdediging absoluut onmogelUk is. 

Enkele niet geheel onderstaande wegen , droge of zeer 
ondiep geïnundeerde plekken, griendhout, enz. maken aan den 
anderen kant, dat de onderwaterzetting niet of moeilijk 
bevaarbaar is. 

1*^. Een middel van inundeeren dat in ons land weinig 
of niet , in elk geval op kleine schaal zal voorkomen , is het 
afdammen van stroomend water. Daarvan is by onze groote 
rivieren natuurlijk geen sprake en de kleinere liggen in dat 
deel des lands , dat juist om zijn niet-exceptionele gesteldheid 
niet verdedigd zal worden in de volledige beteekenis. Mocht 
het al gebeuren in een enkele stelling, die een troepenmacht 
te velde bezet, dan zullen aldaar de riviertjes, beken en 
weteringen slechts in sommige tijden en dan nog niet zeer 
uitgestrekte inundatiën kunnen geven. Ook kan men door 
deze wijze een opstuwing der rivier — meer niet — verkrijgen 
tot de zoogenaamde militaire waterdiepte d. i. 1,80 M., waar- 
door een onbeduidend stroompje een belangrijke terreinhin- 
dernis kan worden. 

2®, Een andere wijze van onderwaterzetten is het aanvoe- 
ren van water door zijdelingsche aftapping uit een groote 
rivier bij een hooger gelegen punt, hetzij ^oor eene sluis hetzij 
door een daartoe gemaakt gat in den dijk. Daar in ons 
polderland het terrein ter weerszijden der rivier lager ligt 
dan de waterspiegel in het aangrenzend riviergedeelte, zoo 
behoeft men als de dijk geen voorland heeft (schaardijk is) , 
deze slechts door te steken of een sluis daarin te openen .. 
dan stroomt het water natuurlijk van zelf naar binnen. Zijn 
er buitendijksche gronden, hooger dan de rivierstand, dan 
moet door deze een toeleidingskanaaltje naar de opening 
worden gemaakt , gelijk zulks o. a. in 1672 heeft plaats gehad 
bij Dalem; bij het stellen der inundatie uit de Merwede. Uit 



427 

Lek, Merwe en Maas werden toen, zooals wij later zien zul- 
len, op deze eenvoudige wijze de meeste inund^^tién gesteld 
door welke de Fransche legerscharen in hun voortgang ge- 
stuit werden. Dit middel van onderwaterzetten is dus alleen 
in om land mogelijk. 

Terreinen die niet lager liggen dan de waterspiegel der 
aangrenzende riviervakken zljn dus niet op deze wyze met 
water te bedekken. Men moet dan het water aanvoeren van 
een punt aan de rivier, zóóver bovenwaarts gelegen, dat 
het water aldaar hooger staat dan het te inundeeren terrein 
en minstens zoo hoog als het peil der verlangde inundatie. 

De aanvoer van zoo*n punt geschiedt dan langs kanalen 
of rivieren , waarin het dan , ter hoogte van de te inudeeren 
terreinen gekomen, opgehouden wordt totdat het zydelings 
over het land stroomt. Op deze wüze worden o. a. de in- 
undatién gesteld in onze tegenwoordige hoofdiyn van verde- 
diging, de Nieuwe Hollandsche Waterlinie, t. N. van de Lek, 
nl. door de sluizen te Wijk by Duurstede, Honswyk en Vrees- 
wijk , die het Lekwater dan resp. door den Krommen Ryn , 
de Waalsche Wetering en den Vaartschen R\jn ter plaatse 
voeren — waarover straks nader. 

Het komt er dus slechts op aan, dat op het bedoelde 
punt, van waar men het water verkrijgt — met een tech- 
nisch woord prise d'eau genaamd — het water ook bij de laagste 
rivierstanden hooger of ongeveer geiyk met het inundatiepeil 
staat. Zoo is dej laagste waterstand op de Lek b\) Wyk by 
Duurstede + 2,24 A.P. en het hoogste peil dat men in een 
gedeelte der inundatie t. N. van de Lek verlangt + 2,10 A.P. 

Voorts moet de opening bij de prise d'eau ruim genoeg 
ziJn om voldoende water te verschaffen binnen een bepaalden 
tijd en vooral moet er voor gezorgd worden, dat de toelei- 
dingskanalen van daar naar de te overstroomen terreinen 
vermogend genoeg zyn , dus een behoorlek dwarsprofiel en een 
voldpende snelheid dus verhang bezitten, om het ingelaten 
water in den verlangden tijd op de bepaalde plaats te brengen. 

Om nu te kunnen nagaan of binnen zekeren tijd een prise 
d'eau voldoende water kan leveren , bestaan er formules om 
met voldoende nauwkeurigheid te kunnen berekenen de hoe- 
veelheid water, die per sec. door eene sluis geleverd wordt. 
Deze hangt niet alleen van de breedte der opening af, maar 
vooral yan het verschil in hoogte van het buitenwater en 



428 



het binnenwater; hierdoor wordt nl. de meerdere of mindere 
snelheid verkregen waarmede het zich uit de rivier op het 
binnenkanaal stort; het komt er dus op aan dit verschil ge- 
durende geruimen t\jd zoo groot mogelijk te doen z\]n en dit 
hangt voornamelijk af van het vermogen van het afvoerka- 
naal om het ontvangen water snel weg te leiden. 

Om eenig denkbeeld te geven van den noodigentijd diene, 
dat bj) eene sluisopening van 6 M. breedte , bö 2 M. hoogte 
van het buitenwater boven den sluisdorpel (na het openen 
en 1,5 M. verschil tusschen binnen- en buitenwater, onge- 
veer IVk uur zal noodig zün om 500 H.A. 50 c.M. hoog te 
inundeeren; als nl. V^ der oppervlakte uit slooten, enz. 
bestaat , gevuld tot 20 c.M. beneden het terrein , en ongun- 
stige factoren als opslurping van den bodem , verdamping enz. 
in aanmerking z^n genomen. 

By deze w^jze van onderwaterzetten dient echter het vol- 
gende in het oog gehouden te worden: door het zijdelings 
aftappen van water uit een rivier , daalt deze , en wel tot 
zoodanig peil als die rivier heeft, wanneer zij evenveel M* 
water per seconde minder afvoert als nu züdelings wordt 
afgetapt. Dit verschil ontstaat evenwel niet plotseling bij de 
opening, maar wordt daarboven en beneden verdeeld, zoodat 
het eerst op een veel lager gelegen punt geheel gevoeld 
wordt. 

Het ophouden van het toestroomend water in de toeleidings- 
kanalen , rivieren , enz. dé^r waar men het noodig heeft ge- 
schiedt by voorbereide inundatiën meestal door schoibalksliUzen, 
dat zljn sluizen in welker muren sponningen zgn, waarin 
men horizontaal liggende schotbalken opstapelt, meestal in 
twee ryen met een aanvulling van mest of grond er tusschen. 
Is nu het water in het kanaal of de rivier door den aanhou- 
denden aanwas van boven tot de boorden of tot de kruinen 
der düken of kaden vol , dan stroomt het over het omliggend 
terrein; of wel men opent reeds voor dien tyd event be- 
staande sluizen en duikers in de kaden (rechterkade langs de 
Vecht als deze eerst opgezet is). 

Het spreekt van zelf, dat als het overloopen maar aan 
éene z^de van het kanaal moet geschieden, de kade aan de 
tegenovergestelde z^de zoo hoog moet zün , dat zy water 
biyft keeren. Ook moet gezorgd worden, dat de gestelde 
inundatie niet aan de laagste zyden van het terrein op an 



429 

dere wateren of niet te inundeeren landen afloope ; zQn daar- 
toe geen bestaande kaden, wegen, enz. voorhanden, dan 
worden by voorbereide inundatién daartoe speciaal zoo- 
genaamde inundatiekaden aangelegd : o. a. in de Nieuwe nol- 
landsche Waterlinie langs de Oostzode van den Vaartschen 
Rijn en langs den Naardermeer. 

Nu kan het gebeuren, dat als men eene zeer groote uit- 
gestrektheid, als b.v. het terrein vóór de Nieuwe Hollandsche 
Waterlinie moet inundeeren , dit terrein zelf zoo ongeiyk van 
hoogte is, dat men om het hoogste gedeelte nog behoorlek 
onder water te kunnen zetten , do lagere doelen zeer diep zou 
moeten overstroomen. Dit zou niet alleen onnoodig zyn en 
dus te veel water en te veel t^d kosten , maar bovendien zou 
het óf onmogeiyk óf zeer schadeiyk voor de verdediging kun- 
nen wezen, daar deze laatste zelve droge wegen en terreinen 
moet houden. Daarom verdeelt men dan de inundatie in af- 
deelingen , kommen genaamd , elk met een ander peil ; zulk 
een inundatie heet een kominundcUie, Zulk eene is o. a. ook 
die vóór de Nieuwe Hollandsche Waterlinie; wy zullen tevens 
by de behandeling van deze zien, dat tot de afscheiding der 
kommen gebruik gemaakt wordt ysm bestaande dQken , kaden, 
wegen en spoorwegen in ophooging, enz. 

3^ Een wyze van inundeeren, die alleen uitsluitend in 
ons land kan toegepast worden , is het onderwaterzetten van 
polders door gebruik te maken van de bestaande middelen 
van waterberging, waterloozing en waterinlating. Men stelt 
dan wat men noemt eene polderinundcUie. Dit kan o. a. ge- 
schieden door uit de boezems, die men daartoe zoo mogelyk 
vooraf hoog kan opzetten, water in de polders te laten stroo- 
men. Middelen tot waterinlating nl. voor droge tyden heeft 
elke polder. Meestal bestaat hiertoe gelegenheid bij eiken 
poldermolen , daar er om de meeste molens heen een kleine open 
watergang is met schuif tot waterinlating; bovendien kunnen 
de wachtdeurtjes van radmolens altijd met een koevoet 
opengewrongen worden; bij vijzelmolens kan slechts water 
door den vijzel ingelaten worden als er schuiven in de wacht- 
deurtjes zijn; tot bespoediging en om het gaande werk van 
den molen niet te beschadigen kari men dan de raden en 
vyzels uitnemen. Ook kan men altijd de boezemkaden door- 
steken , mits vooraf zorgende ze weer goed te kunnen dich- 
ten als men wil. Voor een niet zeer groote inundatie kau 



480 



men deze wijze van onderwaterzetten met vrucht toepassen; 
voor een meer uitgestrekte, zal echter de boezem niet altijd 
genoeg water kunnen leveren. Echter kan men meestal bij 
vloed den boezem uit het buitenwater opzetten; soms kan 
men dan ook nog spoediger het buitenwater in eens 
naar binnen doen stroomen door een gat in den dijk te 
maken. Beide wijzen heeft men , zooals wij zien zullen , in 
1672 bij het stellen der inundatiën toegepast. 

Te zeggen men inundeere polders door eenvoudig niet te 
bemalen , gaat natuuriyk niet aan. Als de stand van het 
polderwater zeer haog, de regenval groot en de verdamping 
gering was by het begin van onderwaterzetten, alleen dan 
zou men na zekeren tyd een inundatie kunnen verkrijgen 
door de loozingsmiddelen niet te gebruiken. Intusschen mag 
niet verzuimd worden op deze belangrijke bronnen — koog pol- 
derwater en veel regen met wenig verdamping — steeds het oog 
te houden. BJ) sommige betr. niet zeer ruime boezems als 
b.v. Schieboezem , is in sommige tyden des jaars reeds inun- 
datie , al werkt men met de uitwateringssluizen en het stoom- 
tuig wat men kan; of althans zyn dikwijls de slooten vol 
en staan de landen dras. Dan is natuurlijk het inlaten 
van weinig water reeds voldoende. 

Een voordeel van polderinundatién is , dat men ze kan 
stellen waar men wil; dat, door de verdeeling der inundatie 
door de polderkaden, niet betr. groote uitgestrektheden , 
waarop men geen inundatie behoeft, mede onderkomen. Voorts 
stelt men ze spoedig en heeft men ze goed in eigen macht. 
Men kan ze — om een uitdrukking van Stieltjes te bezigen - 
den vijand opdisschen „h la minute." 

4P. Eindelijk kan men uit zee inundeeren , hetzij door eene 
sluis aan het einde van een boezem of rivier gedurende die 
uren van het etmaal open te zetten, dat het vloedwater 
hooger staat dan het binnenwater en het dan uit den opge. 
zetten boezem op het land te laten (zeesluis aan het einde 
van den Yechtboezem bij Muiden), hetzij bij polderland door 
eenvoudig een gat in den zeedijk te steken en het alzoo op 
de steeds beneden eb gelegen polders te doen stroomen. Deze 
laatste wijze onderscheidt zich dus niet van het stellen der 
inundatie op polderland onmiddelijk uit de rivier door eene 
opening in den dijk; men paste haar o. a. toe in 1672 voor 
de inundatie om Amsterdam door het steken van gaten in 



431 



den zeeókjk te Jaafh&nneQ. Ik wil hier alleen bijvoegen dat 
dit laatstgenoemde middel niet zoo eenvoudig is als het 
schQnt; dat gat mag niet te groot worden en moet gedicht 
kunnen worden als men wil en voor een en ander zijn vele 
voorzieningen noodig. 

Thans nog eenige algemeene opmerkingen. Het is niet 
genoeg een inundatie te stellen, men moot die ook kunnen 
onderhouden. £r zijn nl. omstandigheden als verdamping, 
afwaaiing en doorkwelling door kaden , enz. die een aanhou- 
dend aanvullen noodig kunnen maken. Ook moet bij het stel 
len op deze factoren gerekend worden , evenals op het vullen 
van slooten, poelen, enz. en het opslurpen van den bodem. 
Voor deze laatste kan men volgens de ^Verslagen van Ryn- 
land'* in polderland (Haarlemmermeer, klei en zand) 
rekenen 0,05 M. meer regen dan verdamping tot verzadiging 
van den bodem. Wat de verdamping betreft , wtj weten dat 
deze in Nederland per etmaal hoogstens 0,006 M. meer be- 
draagt dan de regenval. Voor eene inundatie , hoog boven 
het terrein 0,80 M. , komt dus by : 

voor vulling van 7,o oppervlakte aan slooten, enz., waarin 
het water 0,60 M. beneden het terrein staat . • . 0,08 
voor verdamping gedurende 6 dagen stellen b. v.6xO,006= 0,086 
voor opslurping van den bodem .... =0,05 

totaal benoodigde waterhoogte = 0,416 M. 
dus per 1000 H. A. 416000 M.» water. 

Ten andere : inundatiên op de meest gunstige en doorsne- 
den terreinen beteekenen niets, evenmin als alle doode 
weermiddelen , als men ze niet goed bewaakt en zoo noodig 
verdedigt , wat echter betr. gemakkelök is. Men kan tegen- 
woordig door en over alles heen ; de industrie en technische 
wetenschappen vinden in de algemeene militaire wetenschap 
hunne uitgebreidste toepassing : zy staan voor niets — behalve 
voor den mensch die de natuur de hand biedt. De bewaking 
is in de eerste plaats noodig , opdat de inundatie zelve niet 
afgetapt worde , of wel dat men de eene l:om op de andere 
aftappe door het doorsteken der keerkaden; eindeiyk — en 
dat is wel de voornaamste reden , opdat de vfland er niet 
ongemerkt overheen gerake. Men begrypt echter, dat als 
een poging daartoe ontdekt wordt , deze gemakkelijk te ver- 
ijdelen zou zfln : een verwarde van geen geschut voorziene 



482 



vyand , die by eiken stap dien h\j doet niet weet of hy zal 
wegzinken of die , als hy in schuiten den tocht beproeft, tel- 
kens aan den gn^ond geraakt en in onsamenhangende kleine 
afdeelingen den overkant bereikt, is natuurlek gemakkeiyk 
terug te wyzen. 

's Nachts kunnen vooral dravende artillerie en platboomde 
vaartuigen, zooals onze voorvaderen ze gebruikten (zol- 
derschuiten en Groenlandsche sloepen, de laatste met matro- 
zen bemand) dienst doen, terwyl cavalerie op de enkele 
droog gebleven wegen steeds verkennen moet. De weinige 
door de inundatie loopende wegen, die toegang naar de over- 
zijde zouden kunnen geven — accessen — worden door een- 
voudige werken, die hen met geschut bestrijken, gemakkelyk 
verdedigd; hiertoe is een betr. geringe macht noodig. Het 
is duidelyk dat hier een overmacht des v^ands , die slechts 
over een smal acces vooruit kan, hem niets kan baten: slechts 
zal die overmacht meer verliezen lyden naarmate zU grooter is. 

Door de inundatién voeren behalve enkele wegen soms ook 
nog een ander soort van accessen, nl. rivieren, zooals b. v. 
de Lek en de Merwe door de inundatie der Nieuwe HoUand- 
sche Waterlinie, die van Muiden over Gorinchem loopt. Deze 
toegangen kunnen, behalve door geschut uit werken aan den 
oever en door versperringen in het vaarwater, worden verdedigd 
door gewapende schepen , uitleggers genaamd. Deze werden 
in 1672 veel gebruikt en gemaakt van allerlei daartoe geschikte 
schepen als tjalken, vrachtschuiten, pontschepen, buiscon- 
vooijers, enz. en waren bemand met 8 è 40 koppen, dikwijls 
matrozen, en met 2 di 20 stukken geschut. Zulke rivieren 
als : de Lek , de Waal , enz. , die ongeveer loodrecht op de 
verdedigingslinie loepen , hebben het voordeel voor den ver- 
dediger , dat zU communicatie tusschen de deelen van het 
vijandelijk leger zeer bemoeileken. 

En nu nog de quaestie van bevriezen. 

Vooreerst kan men zoo mogeiyk het water onder het ys 
aftappen, waardoor dit nazakt en zooals sommigen beweren 
moeiiyk begaanbaar wordt ; wordt het dan weer te dik dan 
laat men water in. Vooral in ons polderland is door bema- 
ling en inlating dit zoogenaamd levendig honden van het wa- 
ter zeer gemakkeiyk. Prins Maurits van Nassau, die in 1672 
te Muiden bevel voerde , raadt deze handelwyze in een brief 
aan Gecommitteerden te velde ook aan en het schynt, dat 



433 



de Pranschen , b\) hun bekenden tocht over het üs van Woer- 
den uit , werkeiyk hier en daar gestuit zijn op stukken , welke 
door dien maatregel onbegaanbaar waren geworden. 

Ten andere kan men reepen van 10 a 15 M. open hakken 
of doen springen. Deze dienen dan evenwel goed bewaakt 
en des noods verdedigd te worden, hetgeen geschieden kan 
door patrouilles en grootere troepenafdeelingen op schaatsen 
en door licht geschut op sleden. Als het echter zeer hard 
Yriest , dan is zoo'n gleuf zeer moeilyk open te houden ; het 
best gaat dit nog door aanhoudend bevaren met schuiten, van 
waaruit men bovendien het ys kan stuk slaan of doen springen; 
een en ander vereischt evenwel zeer veel arbeid. Hoe harder 
vorst hoe meer schaatsenrijders ter bewaking en verdediging. 
Ook op en achter bevroren inundatiên evenwel is een verde- 
diger nog in het voordeel : met wegen , grienden , open vak- 
ken, enz. doorsneden onregelmatige ijsvlakten trekt men 
onder geweer- en geschutvuur zoo gemakkelyk niet over. 



28 



BIJLAGE IL 

NEDERLAND IN 1672. 

Vast besloten was het door den machtigen Lodewyk XIV , 
dat de trotsche Republiek geducht zou gestraft worden. Haar 
verbond met Engeland en Zweden, het Drievoudig Verbond, 
waardoor zij den groeten koning een „tot hier en niet ver- 
der" had durven toeroepen , toen h\j door zijn inval in Vlaan- 
deren reeds de hand op den buit had gelegd , dreef hem er 
toe, alles in het werk te stellen om den ondergang van den 
vermetelen kleinen staat te verzekeren. Wij weten hoe het 
Lodewyk gelukte, niet alleen onze oude bondgenooten van 
ons af te trekken maar hen zijne zyde te doen kiezen, even- 
als hij de kleinere, meest geestelijke vorsten in het westen 
van Duitschland aan zich verbond, om van de oostzöde de 
Republiek ongehinderd te kunnen binnendringen. 

De Republiek kon het dreigend gevaar langs diplomatieken 
weg niet meer afwenden; slechts het toen nog niet veel 
beteekenende Brandenburg, welks hulp ons vooral in den 
aanvang weinig baatte, het zwakke Spanje, dat in Lodewljk zyn 
grootste vyand had, en ter elfder ure den weifelenden Duit- 
schen Keizer, die echter eerst later openlyk den oorlog ver- 
klaarde, zagen de Staten aan hunne zjjde. De hulp van 
Spanje kwam ons in het begin des oorlogs nog het meest te 
stade, voornamelijk door de bekwaamheid, flinkheid en ver- 
draagzaamheid van den Spaanschen landvoogd in de Zuide- 
lyke Nederlanden , de Monterey , die ten gevolge van het ge- 
heim verbond met Spanje ons 3000 man Spaansche cavalerie 
ter hulp zond en later nog infanterie voor bezettingen. 

Het Fransche leger, verdeeld in 3 legerkorpsen onder de 
bekwame veldheeren Turenne, Condé en de Crequi (later 
Chamilly) zal ongeveer 120,000 man sterk geweest zijn aan 
eigenlijke combattanten. Van de Keulsche en Munstersche 
hulptroepen waren de eerste met Fransche troepen vereenigd 
tot een legerafdeeling gevormd onder bevel van Luxembourg. 



435 



De Pransche troepen kenmerkten zich door een voor die tyden 
buitengewone geoefendheid en krUgstucht. 

En wat beteekende tegenover die geduchte krygsmacht het 
leger der Republiek, zelfs nog in de eerste maanden van 
1672? Na den Munsterschen vrede was het geheel verwaar- 
loosd : de getalsterkte was vooral op aandrang van Holland , 
dat niet aan een eersten aanval meende bloot te staan en 
de te groote macht der Prinsen van Oranje vreesde, zeer 
verminderd : in 1665 waren tegen den Bisschop van Munster 
nauw 6000 man byeen te brengen geweest. 

Na den dood van Willem II was geen algemeen legerhoofd 
meer aangesteld, de Alg. Staten hadden daarna het opper- 
gezag over de militie aan zich getrokken, de Provinciale 
Staten mochten krygsambten vergeven en algemeene knoeie- 
rijen brachten het leger ten val, zooals het geven van be- 
trekkingen aan allerlei onbekwame menschen , zelfs aan kin- 
deren, het schandelük geldgewin van de kapiteins der 
compagnién, die deze niet voltallig hielden voor de gelden 
welke zö daarvoor ontvingen, enz. De groote de Wit echter 
had wel steeds een open oog gehad voor het gevaar dat een 
staat dreigt die zUne krygsmacht verwaarloost. Terwijl hy 
steeds krachtig op verbetering aandrong, schrift hy in 1669 
aan Pieter de Groot: «Want de aardt der Hollanders is 
zoodanig , gelyk UEd. mede ten beste bekent is , dat als haar 
de noodt ende de periculen niet seer claer voor oogen comen, 
sy geenszins gedisponeert connen worden om naar behooren 
te vigeleeren voor haer eijgen securiteyt." 

Gelukkig was door werving van beroepssoldaten in dien 
tijd een leger nog al spoedig byeen te brengen. Ook kon men 
vry spoedig soldaten vormen; er was toen niet zoo'n groot 
onderscheid tusschen een man en een soldaat als thans — 
krygstucht moest er wezen, alhoewel men het er niet zoo nauw 
mee behoefte te nemen , en geoefendheid was spoedig verkre- 
gen. Toen de oorlog onvermydelyk bleek , werd in Februari 
1672 besloten tot de werving van een groot aantal regimenten 
infanterie en cavalerie, te leveren op die en die datums, 
geiyk ook werkelyk geschiedde als of het vuren planken of 
schoolbehoeften waren. Dit deden niet alleen de Alg. Staten, 
doch bovendien wierven Holland en Westfriesland vele regi- 
menten aan. Daarenboven werden 10,000 man waardgelders 
geworven en verder werd bevolen dat de burgers in de steden 

28 • 



436 



en de huisluiden ten platte lande moesten gewapend en ge- 
oefend worden. Door deze maatregelen klom de sterkte des 
legers in Mei 1672 tot ongeveer 52,000 man. Een deel van 
dit leger sterk 22,000 man werd 17 Mei, d. i. 41 dagen na de 
oorlogsverklaring, achter den IJsel tusschen Zutfen en Deventer 
bu'eengetrokken , van welke het grootste deel in de vestingen 
aan die rivier werd gelegd. Maar welk een leger! Het 
meerendeel der officieren waren onbekwame menschen, er 
was geen sprake van hun prestige ; krygstucht was er niet ; 
de huislieden waren geheel onbruikbaar. Iedereen kent de 
woorden die den hangen toestand dier dagen teekenen : „het 
volk redeloos , de regeering radeloos , het land reddeloos" ; 
maar niet minder kenschetsend is de uitdrukking in hetoffi- 
cieele rapport van 5 Juni omtrent den toestand van het leger 
van den IJsel aan HH. MM. gezonden, waarin gezegd werd 
dat dat leger „seer schroom- ende schrikachtig was." Voor- 
waar de slechtste eigenschap die een leger kan bezitten ! 

Aan het hoofd van dat leger stond de jeugdige Prins van 
Oranje, die reeds 25 Februari tot Kapitein-Generaal voor 
één veldtocht was benoemd. Z\jn macht was echter door 
zijne instructien belachelyk beporkt : de bevelhebber van het 
leger b.v. mocht geen bevelen vóór den marsch van troepen 
geven ! Dat mochten alleen de Gedeputeerden te velde doen. 
De souvereine macht van elke provincie moest ontzien wor- 
den : men nam het den Prins o. a. kwalijk dat hij zyn troe- 
pen aan den IJsel gelegerd had, zonder eerst permissie te 
vragen aan Gedeputeerden vau de Veluwe! Intusschen 
waren de Gedeputeerden te velde gelukkig bekwame mannen 
en de ziel van dat collegie was de beroemde staatsman Hie- 
ronymus van Beverningh. Geen kleingeestige tegenwerking 
kwam van zyne zyde maar krachtige ondersteuning van alles 
wat de Prins tot verbetering van het zoo verwaarloosde 
krijgswezen voorstelde. Trouwens de Staten zelven deden, 
toen eenmaal de „noodt ende de periculen seer claer voor 
oogen kwamen ," al het mogelijke wat gedaan kon worden 
voor de verdediging en behalve de Staten vooral de provincie 
Holland en de stad Amsterdam. 

De vestingen waren even als het leger in een allertreurig^- 
sten staat. Hierop maakte alleen Maastricht een uitzondering; 
ongelukkig sloot men in die vesting een betr. groot deel van 
het leger der Republiek op, in weerwil van de ernstige ver- 



437 

togen daartegen van van Beverningh en Gedeputeerden; die 
mannen haalden daarby — merkwaardig genoeg — dezelfde 
argumenten aan , die byna twee eeuwen later gediend hebben 
om die vesting en zoovele andere te doen ontmantelen. 
Voorts besloot men „de IJsellinie" te verdedigen , welker 
vestingen weinig of geen weerstandsvermogen bezaten , ter- 
wyl de rivier de IJsel, die aan die linie kracht moest schen- 
ken, in den bovenmond nauw één voet water hield en alleen 
van daar tot Doesborgh 14 waadbare plaatsen telde. 

Het Fransche leger trok 5 Mei, dus een maand na de oor- 
logsverklaring de Zuidelijke Nederlanden binnen. Den 203ten 
Mei was Maastricht ingesloten , bij welke vesting slechts een 
legerafdeeling werd achtergelaten , terwyl het gros van het 
Fransche leger zich naar den Rijn wendde. Den 5den Juni 
vielen Wesel en vervolgens bijna zonder slag of stoot de 
Kleefsche vestingen in handen der Franschen. Het hoofd- 
leger ging den 9en Juni bij Wesel over den Ryn , doch trok 
niet dadeiyk naar den IJsel. Den 12en Juni nl. trok het 
andermaal over den Ryn, dus weer op den linkeroever, de 
Betuwe binnen, in het gezicht der „onneembare vesting 
Tolus" — in 't Hollandsch genaamd het Tolhuis bij Lobith — 
nadat de bevelhebber de Montbas aldaar, waarschijnlijk door 
misverstand en onbekwaamheid met het grootste deel zyner 
troepen zijn stelling had verlaten. Intusschen waren de 
Munstersche troepen in Overysel en het Zutfensche gevallen, 
hadden zich met de Keulsche en Fransche onder Luxembourg 
vereenigd, die daarop naar den IJsel trok, vele kleine plaatsen 
in die gewesten veroverende en aan die rivier Deventer , 
Zwolle, Kampen enz. 

Het zwakke leger achter den IJsel, dat nu Luxembourg 
vóór zich kreeg, terwijl de Franschen in de Betuwe het in 
den rug bedreigden, trok zich daarop bij Arnhem samen, nam 
den terugtocht aan en bereikte reeds den löen Juni Utrecht. 
Het was toen nog maar 9000 man sterk , grootendeels ca- 
valerie, daar men 13000 man in de IJsel vestingen had ach- 
tergelaten en dus voor het vaderland doen verloren gaan ! 

Den 18en Juni reeds werd Utrecht door het HoUandsche 
leger verlaten , want thans bleef nog één redmiddel over : 
de verdediging van het hart des lands , van Holland, dat door 
zyn eigenaardige gesteldheid spoedig door inundatien te dek- 
ken en gemakkelijk te vcrdedigju zou z'Jn. Tot dekking 



43S 



van Holland bezetten legerafdeelingen daarop 5 punten : 

Muiden, onder Johan Maurits van Nassau, Nieutoerbrug by 
Bodegraven , onder Graaf Nassau-Zuyiensteijn — aldaar was 
tevens het hoofdkwartier van den Prins van Oraiye — dan 
de Goejanverwellesluis , onder den Graaf van Hoorn , Schoon- 
hoven onder den Spaanschen bevelhebber de Louvignies 
Qorinchem onder den veldmaarschalk Paulus Wirtz. 

Intusschen vielen de versterkte plaatsen in de Betuwe, 
daarna op de Veluwe en in Utrecht iu 'svijands handen, 
zelfs Naarden reeds den 20en Juni. Den 23en werd Utrecht 
bezet, de nog door onze troepen bezette IJselvestingen vielen 
in enkele dagen en Lodewyk kwam zelf den 17en Juni te 
Zeist, doch eerst den 3 Juli te Utrecht aan. 

Na deze korte inleiding ztjn wij genaderd tot het begin 
dier merkwaardige verdediging, die alleen zóó kon gevoerd 
worden in ons eenig vaderland. Thans 200 jaren later moet 
die verdediging ons nog ten voorbeeld zijn: zij zal moed schen- 
ken aan flauwhartigen, overtuiging aan twyfelaars ; den kinde- 
ren op de scholen verbale men er van en toone den kleinen 
wat alleen Holland vermag. Toen alles verloren scheen voor 
den oppervlakkigen beschouwer die Holland niet kende, toen 
begon dat Holland zich eerst te vertoonen in al zijn kracht 
een kracht die vooral in het begin der verdediging des te 
meer uitkomt, naarmate men inziet hoeveel er toen ontbrak 
aan alles wat het krijgswezen betrof en hoe schrik , lafhar- 
tigheid en verraad, naast veel standvastigheid, moed en 
beleid, bovendien een behoorlijke verdediging tegenwerkten. 

Men zegge niet: J^wel, maar de tijden zyn veranderd, 
toen konden wij alles , nu niets." Dit is geheel onjuist : de 
kracht die in onzen bodem schuilt is onveranderd gebleven, 
de hulpmiddelen tot onderwaterzetting zyn vermeerderd en 
er zyn er vele speciaal voor dat doel gemaakt ; de groote 
uitwerking der nieuwere vuurwapenen is zeker niet minder 
aan den verdediger dan aan den aanvaller ten goede geko- 
men. De ontzacheiyke sterktecyfers van de tegenwoordige 
legers der groote mogendheden behoeven ons geen vrees in 
te boezemen : in het volgende zal ten duideiykste bUjken dat 
het tot de verdediging onzer waterlinien niets afdoet of zy 
door 50,000 of door een half millioen vyanden worden aan- 
gevallen. 



439 



Het past ons echter niet de oogen te sluiten voor de ver* 
anderingen sinds 2 eeuwen, waarmede wij rekening te houden 
hebben. De hoofdzaak, de kracht des lands, de gemakkelyk- 
heid der verdediging is evenwel dezelfde gebleven. Vooral 
omtrent de quaestie van den tijd van voorbereiding tot ver- 
dediging mogen wij niet onverschillig zijn. De Franschen 
hebben in 1672 de groote fout begaan van zeer sterk te talmen, 
vooral in het begin des oorlogs na het bezetten van Utrecht; 
zij lieten ons den tijd ons behoorlyk te versterken , trouwens 
in die tijden ging alles meer gezellig toe in den oorlog; vriend 
noch vyand maakte veel haast en tot zekere hoogte was 
spoediger handelen toen ook bezwaarlijk. In onze dagen even- 
wel kan het aankomen op één dag, op enkele uren meer of 
minder die ons gelaten worden ter voorbereiding tot den 
strijd. Toch kunnen wy nog met gerustheid een vreemden 
indringer afwachten, mits men in vredestijd veel voorbereide; 
mits men vooraf organiseere door wetten , door het maken 
van plans op papier , door maatregelen te nemen dat één 
uur na de oorlogsverklaring duizenden arbeiders aan 't werk 
zijn, materialen by de hand leggen, enz. Dat alles kost 
niets dan — arbeid, maar daaraan hapert het voorloopig, 
jammer genoeg! al bezit het land arbeidskrachten te over. 

De 5 bovengenoemde punten die door het Hollandsche leger 
werden bezet : Muiden , Nieuwerbrug , Goejanverwellesluis , 
Schoonhoven en Gorinchem geven in het algemeen de lijn 
aan die men wilde verdedigen om den vyand het doordringen 
in Holland te beletten. Daarlangs kan een döorloopende inun- 
datie worden gesteld en genoemde plaatsen sloten hoofdtoe- 
gangswegen af, die er doorheen voerden, hoewel er behalve 
deze nog eenige waren, zooals wij zien zullen. Om de uit- 
einden (vleugels) van die linie heen kon men haar niet in 
den rug komen, daar zy b\) Muiden aan de Zuiderzee, by 
Gorinchem aan de Merwede en de inundatie in het land van 
Altena aansloot. 

Den 14en Juni , dus den dag dat het leger den IJsel verliet, 
werd aan de gecommitteerden door de Staten van Holland 
gelast , alle inundatién te doen stellen die zij ter bescherming 
yan de Provincie noodig achtten, de werken te doen maken 
om de inundatiemiddelen te beschermen, enz. enz. Reeds 
ten tijde van de oorlogsverklaring was een commissie benoemd 



440 



om in overleg met de besturen der groote waterschappen 
daartoe vooraf alle mogeiyke gegevens te verzamelen en 
middelen voor te stellen. Slechts langzaam werden de be- 
raamde maatregelen ten uitvoer gebracht, zoodat toen het 
leger in de linie aankwam de inundatiën nog zeer onvoldoende 
gesteld waren. Daarin kwam evenwel langzamerhand ver- 
betering door de hierna te vermelden maatregelen. 

De geheele onderwaterzetting van het Land van Altehatot 
Muiden (Zie Kaart V) was door de djjken langs de groote 
rivieren , die langs den Hollandschen IJsel en de polderkaden 
by het Woerdensch verlaat, in 5 kommen verdeeld. Dewein^ 
accessen die er doorheen voerden werden door werken en 
gewapende vaartuigen verdedigd ; die welke by een der bedoelde 
kommen behoorden, vormden één groep werken, enz. die met 
de bezetting elk of by tweeen onder één commando stonden, 
gevestigd in een der 5 genoemde plaatsen. 

1. De inundatie in het Land van Altena werd 
in hoofdzaak gesteld door het maken van 5 gaten in den 
Maasdyk; dit ging vriy gemakkeiyk, want de eb ligt hier 2 M. 
hooger dan het land. 

De vesting Woudrichem verdedigde het acces langs den 
Maasdyk en dekte met Loevestein aan die zyde Gorlnchem. 
Evenals in alle andere vestingen was in Woudrichem byna 
aan alles gebrek en was de vesting slecht in orde ; door den 
goeden geest van de burgers der stad — een uitzondering 
in die dagen — werd echter spoedig veel verbeterd aan de 
vestingwerken. 

De bezetting, evenals die van Loevestein en eenige kleinere 
plaatsen, als Heusden en Geertruidenberg , bestond uit kom- 
pagniën gewapende burgers uit de Hollandsche steden. De 
Rotterdammers op Loevestein liepen weg; die van Enkhuizen 
en Schiedam in Woudrichem wilden ook wegloopen, doch 
Wirtz de bevelhebber t. Z. van de Lek zond er uit Gorinchem 
cavalerie heen en ook werd Loevestein door soldaten bezet. 
Een opeisching van Woudrichem door de Franschen den 21 
Juli werd afgeslagen. 

2. De inundatie tusschen Merwede en Lek 
(Zie het blauw op de kaart). 

Deze onderwaterzetting , die zich over de Vyf heerenlanden, 
den Alblasserwaard en een deel van den Tielerwaard moest 
uitstrekken, werd gesteld uit de Lek, de Linge en de Mer- 



441 

wede. Toen de sluizen by Dalem, Ameide en in de Linge- 
düken geopend werden, om de inundatiön behalve die in den 
Alblasserwaard te stellen , kwamen deze echter niet of zeer 
onvoldoende tot stand, doordat de boeren ze aftapten en be- 
letten ; want vóór dat Wirtz kwam, was er te Gorinchem geen 
garnizoen en in plaats van ingevolge bevel aan de vesting- 
werken der stad, enz. te werken, bezetten de boeren gewa- 
pend de stad. Toen Wirtz kwam maakte hy spoedig aan 
dien tegenstand een einde en opende de sluizen weder , maar 
alhoewel nog eenige dagen een deel van den Tielerwaard 
onder kwam, zoo wilde het in 't algemeen met de inundatie 
nog maar zeer slecht vlotten. Wirtz was een uitstekend 
bevelhebber , yverig , energiek en militair bekwaam , maar 
van de eigenaardige gesteldheid van dit land had ht) blükbaar 
geen juiste begrippen en de oflScieren waren in die tyden 
wetenschappelijk en technisch al zeer weinig bekwaam. Zelfs 
toen hy weldra bevel gaf om den tot nu gespaarden Alblas- 
serwaard onder water te zetten en daartoe den Zuider-Lekdijk 
bij Langerak en den Merwedijk beneden Gorinchem liet door- 
steken , stroomde wel een massa water in , maar . . . een 
inundatie ontstond er niet. De boeren, die in dezen oorlog 
ons veel kwaad hebben berokkend, tapten nl. het water van 
den geïnundeerden Overwaard op den drooggehouden Neder- 
waard langzaam af, waardoor het stempelen der sluizen by 
den Elshout , om het afloopen te beletten , al zeer weinig 
hielp. Wirtz kende de oorzaken van dezen toestand zeer wel, 
maar kon er geene middelen tegen aanwenden. Eindeiyk 
bedreigde de Prins van Oranje de weerspannige boeren met 
den dood, deed de Appelmansbrug stoppen, waardoor het 
water op de Giessen en hierdoor op de Merwede kon gebracht 
worden, en toen kwam de inundatie weldra behoorlijk tot stand. 
Slechts 2 accessen voerden door deze inundatie : de Noor- 
der Merwedijk, die door de vesting Gorinchem en de Zuider 
Lekdijk, die door een post bij Ameide werd afgesloten. 
Gorinchem was echter als vesting in zeer slechten staat; 
de burgers , die niet aan de mogelijkheid van een verdediging 
geloofden, wilden spoedig niet meer aan de grachten, enz. 
werken ; toen evenwel Wirtz met een 30C0 man in de stad 
kwam, gingen zij weer aan het werk en de boeren werden 
gedwongen ; het meest moest echter met arbeiders en solda- 
ten verricht worden , want de burgers hielpen weinig. Ook 



_j 



442 



klaagde Wirtz zeer over de weinige medewerking en zelfs 
over den wederstrevenden geest der stadsregeering; de gecom- 
mitteerden der Staten van Holland deden echter hun best, om 
de militaire maatregelen te helpen bevorderen en ook volgens 
last hunner Staten te voorzien in het groote gebrek aan aller- 
lei oorlogsbehoeften, geschut, kruit, lood, enz. en vooral 
aan geld, welk laatste gebrek vooral aanleiding gaf tot veel 
ongeregeldheden, desertie en ziekten onder de troepen, die 
in die tyden voor hun eigen voedsel moesten zorgen, zelven 
het voeder voor hunne paarden moesten koopen en als zy 
ziek of gewond waren in weer en wind onder den blooten 
hemel op de wallen, soms niet eens op stroo, moesten lig- 
gen. Zeer langzaam kwam echter in dit alles verbetering. 
De Post te Ameide was een werk dwars over den dUk, dat 
door een regiment infanterie was bezet. 

Op de Mer wede werden voorts uitleggers, met licht 
geschut bewapend, geplaatst tot aan Werkendam toe ; ook een 
paar vaartuigen met zwaarder geschut. De inundatie tus- 
schen deze rivier en den Bosch werd bovendien bewaakt door 
24 Groenlandsche sloepen elk met 8 matrozen en een com- 
mandant bemand. 

Welk een geringe macht was dus slechts noodig, nl. op 
slechts 2 punten en in eenige vaartuigen, om een zoo groote 
uitgestrektheid te verdedigen. 

8. De inundatie tusschen de Lek en den 
Hollandschen IJsel. Aanvankel^k bestond het plan om 
slechts den Lopikkerwaard, dus het terrein t. O. van deVlist 
te inundeeren , waartoe half Juni reeds door den gecommit- 
teerde der Staten van Holland te Schoonhoven even boven 
deze stad een gat in den d\jk werd gemaakt. Dit werd echter 
al weer belet door de boeren , die ten getale van wel 1000 
man gewapend den dyk bezetten en Schoonhoven met brand- 
stichting bedreigden. Toen echter een deel van hel leger 
onder Louvignies te Schoonhoven aankwam, werden drie 
openingen gemaakt, die echter niet voldoende water lever- 
den, daar zelfs de slooten niet gevuld werden : waarschtjniyk 
kwam hier by een lagen waterstand onvoldoende kennis om 
het doel te kunnen bereiken, want er was niet een enkel 
ingenieur. Naar het schynt is daarom in het einde van Juni 
ook een doorsnijding beneden Schoonhoven gemaakt, waar- 
door ook de Krimpenerwaard inliep en Schoonhoven dus niet 



443 



meer in den rug kon worden aangevallen : toen de Lopik- 
kerwaard later voldoende waa geïnundeerd is het water ui 
den Krimpenerwaard waarschynlijk weer afgetapt. 

De toegangen door dit gedeelte waren de Noorder Lekdjjk 
en de Zuider IJseldyk, resp. verdedigd door Schoonhoven 
en werken aan de Goejanverwellesluis. Eerstgenoemde ves- 
ting was van alle vestingen zeker het minst in orde ; zy lag 
voor het grootste en westelijk gedeelte geheel open, ook aan 
de oostzijde was het weinige wat er was zoo goed als onver- 
dedigbaar. De Louvignies, de bekwame, energieke tweede 
bevelhebber der Spaansche hulptroepen, deed wel met kracht 
aan de werken arbeiden, doch daar alle soorten van hulp- 
middelen, opzicht, en ^ geld ontbraken, vorderden de werkzaam- 
heden weinig. Wel namen de Staten, doch niet vóór half 
Juni, besluiten om Schoonhoven in verdedigbaren staat te 
doen brengen, doch daar de stad achterstallig was in het 
betalen der belastingen, zoo zonden zt) voorloopig geen geld: 
de Spanjaard Lonvignies voorzag hierin ten deele door uit 
eigen middelen voor te schieten. Zelfs in het einde van No- 
vember was de toestand van Schoonhoven nog allertreurigst; 
eerst daarna kwam er verbetering en het is zeer gelukkig 
dat de Franschen op dit punt geen aanval beproefd hebben. 
De bezetting bestond uit een regiment infanterie van 500 man 
en 2 escadrons cavalerie, alle Spaansche hulptroepen en nog 
2 Hollandsche regimenten cavalerie , samen 1000 ruiters ; de 
laatste waren in dit land slechts te voet bruikbaar, maar er 
waren geen geweren. Er waren 2 kanonniers I Het geschut 
was tot het einde des jaars ook geheel onvoldoende. Eerst 
later werd in een ander voorzien; o.a. werden er zeesoldaten 
en meer infanterie in bezetting gelegd. 

Op de Lek lagen 3, later 6 uitleggers; ook lag er een vlot 
op de rivier om het afdrijven van vljandelUke vaartuigen te 
beletten; later werden tot dat doel ook palen ingeheid. In 
het laatst van het jaar werden op de inundatie tusschen Lek 
en IJsel ook 8 Groenlandsche sloepen ter bewaking geplaatst. 

4. De inundatie van den IJseltothetWoer- 
densch Verlaat. Deze heeft zich uitgestrekt van den 
IJsel tot den Ryn , tusschen de beide Wiericken en t. N. van 
den Rijn tot het Woerdensch Verlaat, tusschen de kaden langs 
deGrecht t. O. en de M^e t. W. Zij werd gesteld uit den IJsel, 
die toen nog geheel open was : daartoe werden de afsluitingen 



444 

tusschen de beide Wiericken en den IJsel geopend en die aan 
het andere einde der Wiericken aan den R^n by Wiericker- 
schans en Nieuwerbrug gesloten, waardoor het water orer 
het land tusschen de Wiericken stroomde. De linker- of 
Hooge Ryndyk werd daarop tusschen Wierickerschans en 
Nieuwerbrug doorgestoken, waardoor het water op den Rijn 
vloeide. Van dezen nu had men een gedeelte door een dam 
bfl Nieuwerbrug en het stempelen van de sluis te Bodegraven 
afgesloten, waardoor eindeljjk het water uit den Ryn over 
zün lagen rechterdtjk vloeide en alzoo ook de onderwater- 
zetting t. N. van den Rijn gesteld werd ; deze werd bovendien 
gevoed door het openen van het Woerdensch Verlaat, waar- 
door het water van Amstellandsboezem op de Grecht , enz. 
en in de polders stroomde. Nog op een andere wijze was 
het water uit den IJsel naar den R^jn gevoerd, nl. door het 
openen van de sluizen bü Gouda, waardoor het water door 
de Gouwe naar de Gouwsche sluis en door deze op den Rijn 
kwam: om het hiesrop te houden was een dam tusschen die 
sluis en Alphen in den Rijn gelegd. Ook voerde men IJsel- 
water door het openen van sluizen in den rechter dyk door 
het land van Stein naar de Wiericken. De regeering van 
Gouda toonde zich zeer onwillig om genoemde sluizen te 
openen; eerst na herhaalden aandrang der Staten en eindelijk 
na ernstige aanmaning van den Prins van Oranje voldeden 
ztj aan den bekomen last; trouwens de gemeentebesturen, 
met enkele loffelijke uitzonderingen, werkten in die dagen 
meer tegen dan mede; zy vluchten op vele plaatsen en de 
Staten moesten hen bedreigen met zware straffen, eerloos- 
verklaring, enz. om hen op hun post te houden. Wü hebben 
dus hier een inundatie in polderland, geheel met de bestaande 
middelen gesteld, behalve een enkelen dam te Nieuwerbrug. 
De boeren — alweer die boeren — beletten eerst dit laatste 
werk, dat echter spoedig onder bedekking van troepen werd 
uitgevoerd en toen Prins Willem zelf hier aankwam, wist 
hi) den weerspannigen spoedig ontzag in te boezemen. 

De toegangen door deze inundatie waren de rechter IJsel- 
dgk en de Hooge Ryndyk. De eerste werd verdedigd door 
een werk bij Goejanverwellesluis , alwaar de Graaf van Hoorn 
bevel voerde, die het met veel moeite door de onwillige 
boeren liet maken. Hij had ter verdediging van dien post 
aldaar onder z^n bevelen eerst 600 man infanterie en 700 



445 



cavalerie; wel werden spoedig gewapende burgers ter ver- 
sterking gezonden 'maar deze verklaarden hun leven niet te 
willen wagen , als het er op aankwam ! Later evenwel kwa- 
men er een 800 zeesoldaten en matrozen. 

De Eyndyk werd verdedigd door een werk aan de Nieuwer- 
brug , aan het einde van de Enkele Wiericke , waar thans 
nog de Wierickerschans ligt, en later ook door versterkingen 
om Bodegraven. Die werken waren bezet met de troepen 
met welke de Prins van Oranje na den terugtocht van Utrecht 
aldaar was aangekomen : een 1400 man infanterie en 2000 
man cavalerie, later door burgers, vrijwilligers, maar vooral 
door zeesoldaten versterkt. De eerste troepen waren, hoewel 
ferme soldaten, in slechten toestand en verliepen ten deele 
door de slechte betaling, daar zü niet tot de Provincie Hol- 
land behoorden ; toen deze hen overnam , ging het beter. 

De zeesoldaten hebben in dezen oorlog vele diensten be- 
wezen : de officieren der zeemacht boden zich aan om te 
water of te land waar ook ter verdediging des vaderlands 
geplaatst te worden. Die troepen werden steeds op de ge- 
vaarlykste punten geplaatst en tot de moeilijkste opdrachten 
gebruikt. 

5. De inundatie van het Woerdensch Verlaat 
over den Uithoorn tot Muiden aan de Zuider- 
zee. Deze strekte zich aan de westzijde uit tot aan de 
Nieuwkoopervaart èn de Kromme Mydrecht, tot den Amstel 
van den Uithoorn tot Ouderkerk, tot den BuUewyk en de 
Holendrecht tot Abcoude en van hier tot het Gein, de Smal- 
Weesp en de Vecht tot de Zuiderzee. Van den Uithoorn tot 
hier sloot zü aan de inundatie om Amsterdam. Aan de vjj- 
andeiyke zyde breidde zy zich uit tot Hinderdam, zoover als 
door het blauw op de kaart aangegeven ; t. O. van de Vecht, 
van de Alembertskade by Vreeland in het zuiden tot den 
Zeedjjk in het noorden en oostwaarts tot aan de 'sGrave- 
landsche Vaart en de Karnemelksloot. 

T. W. van de Vecht werd de inundatie gesteld uit den 
Amstel en de Vecht. Daartoe werd de kade langs den Am- 
stel tusschen den Uithoorn en Ouderkerk doorgestoken, voorts 
de oosteiyke kade van den Angstel, de linker Vechtdyk tus- 
schen Nichtevecht en Weesp alsook bjj Nichtevecht , en de 
rechterkade van het Geiri , waardoor het Vechtwater op het 
Gein liep. T. O. van de Vecht werd de onderwaterzettinf 



446 

gesteld : 1^ uit de Zuiderzee , door een gat te maken in den 
Zuiderzeedyk tusschen Muiden en Muiderberg; 2®. uit de Vecht 
door de sluizen by Uitenneer en aan het einde der Korten- 
hoefsche Zuwe te openen , nadat de Vecht eerst was opgezet. 
In 1672 nl. lag de groote uitwateringssluis der Vecht niet 
te Muiden maar te Hinderdam ; om nu te beletten dat het 
water by lage waterstanden te Hinderdam op de open Buitea- 
vecht afliep, heeft men by Muiden een zwaren dam in de 
Vecht gelegd, die het volgend jaar door een sluis is ver- 
vangen. 

Door deze inundatie leidden de volgende toegangen, door de 
daarby genoemde werken verdedigd. 

lo. De kade langs de Qrecht, verdedigd door den Post aan 
het Woerdensch Verlaat, bezet met 2 kompagniën infanterie. 

2o. De weg van Mydrecht naar Zevenhoven, verdedigd 
door den Post aan den Groene- Jonker , die door 1 komp. 
inf. bezet was. 

3o. De weg langs den Drecht en Amstel, verdedigd door 
den Post aan den Uithoorn, die dus de wegen van hier naar 
Amsterdam over Ouderkerk en over Amstelveen afsloot — het 
acces van de Mydrechtsche Zuwe , was afgegraven. Dit punt 
was dus vooral voor Amsterdam van veel gewicht, daar het 
tevens de gemeenschap verzekerde van die stad met het 
Hoofdkwartier van het leger aan den Ryn. 

Het werk was bezet met troepen uit Amsterdam , eindelyk 
tot 12 kompagniön versterkt, en later door het regiment dap- 
pere zeesoldaten van den dapperen van der Palm. Het was 
natuuriyk voldoende met geschut bewapend, enz. 

4o. De weg van Utrecht over Baambrugge , verdedigd door 
het slot by Abcoude , waarby nog eenige werken gemaakt 
werden. De Angstel zelf werd ook voor vaartuigen versperd, 
om den vyand ook daarlangs de nadering te beletten; even- 
eens geschiedde dit met de wateren, tusschen den Uithoorn 
en Abcoude op den Amstel, enz. uitkomende. Daar men 
bevreesd was, dat door den groeten afstand van den Uit- 
hoorn en Abcoude, de Franschen wel eens tusschen deze 
punten over de inundatie zelve zouden kunnen doordringen, 
werden later nog tusschenposten gemaakt aan den BuUewyk 
by Ouderkerk en aan den Voetangel. De drie genoemde wer- 
ken waren elk met eenige honderde manschappen infanterie 
bezet. 



447 



Het bevel over het deel der linie van Abcoude tot Muiden 
was opgedragen aan den acht-en zestigjarigen veldmaarschalk 
Prins Johan Maurits van Nassau, die als krijgso verste zoovele 
gewichtige diensten aan het land heeft bewezen. Hy had 
zijn hoofdkwartier te Muiden en kwam aldaar in 't midden 
van Juni aan met eene kleine 2000 man, waarvan Vs cava» 
lerie. Van deze laatste wilden alleen de 2 Spaansche eska- 
drons te voet dienst doen , die hy post liet vatten bj) de sluizen 
te Hinderdam. 

5o. De Vecht by Hinderdam werd versperd om den vyand 
te beletten met vaartuigen naar Weesp te komen. Er werd 
hier een werk gelegd , dat later tot een fort werd omgewerkt. 

6o. De Broekdyk langs de *s Gravelandsche Vaart uitko- 
mende op de Vecht , werd alhier verdedigd door een post te 
Uitermeer. Ook werden werken gemaakt bjj de bruggen te 
Anke veen en 's Graveland tot steun van ondernemingen in 
het Gooi. 

7o. De Vechtdyk was in 1672 te Weesp niet verdedigd , 
daar dit toen een open plaats was ; alhier werden voorloopig 
een paar werken op de wegen naar Naarden en Abcoude 
gelegd ; eerst het volgend jaar werd Weesp zelf bevestigd. 

8o. Aan de Geinbrug, waar Gein, Gaasp en Smal Weesp 
samenkomen, werd een werk gelegd om den vyand te be- 
letten in den rug van Muiden te komen, als het slot by 
Abcoude gevallen was. 

9o. Muiden verdedigde het acces van den zeedijk langs de 
inundatie en was daarom voor Amsterdam van groot gewicht. 
Deze laatste stad was door de Staten gemachtigd alle maat- 
regelen te nemen, die zy noodig achtten tot de verdediging 
van Muiden, Weesp en Naarden, welke laatste stad evenwel 
spoedig was verloren gegaan. Amsterdam heeft dit dan ook 
gedaan behalve al het andere wat zy tot verdediging van de 
stad zelve en de zoogenaamde Hollandsche Waterlinie deed. 
Naast veel lafhartigheid en moedeloosheid in dat bange jaar, 
vinden wy in Amsterdam vertrouwen, vastberadenheid, op- 
offering, vaderlandsliefde, zooals wy die in vele andere 
plaatsen, die evenzeer belang hadden by het afweren des 
vyands, te vergeefs zoeken. 

De werken van Muiden waren in slechten staat en de sol- 
daten , die veel dienst hadden , kon Prins Maurits zelfs tegen 
hoog loon niet aan het werk krijgen. Eerst in 1673 begon 



448 

men aan afdoende verbetering. De bewapening met geschut 
enz. was in het begin zeer treurig. Prins Maurits schreef 
herhaalde malen naar Amsterdam om kanonnen, kriiit en 
loot; daar de affuiten der stukken onbruikbaar waren, vond 
hy het geschut „alleen bequaem om gesontheyt uit te drinken." 
Amsterdam voorzag echter weldra in alle behoeften, ook in 
die van geld, waardooi* het Holland groote sommen voorschoot. 

De getalsterkte der' troepen waarover Prins Maurits kon 
beschikken was aanvankelijk veel te gering ; hy schreef dat 
hy Muiden zonder versterking zeker niet zou kunnen houden- 
Zeesoldaten , enz. uit Amsterdam gezonden brachten evenwel 
de bezetting reeds in Juli op een 1000 man; later werd zij 
nog aanzienlyk versterkt, evenals de bezettingen der andere 
werken en de troepen bij 's Graveland en Ankeveen. Tot 
het doen' van ondernemingen , zond Amsterdam telkens als 
het noodig was nog versterkingen. Daar de troepen slecht 
betaald werden, vooral in het begin, liet de disciplinie zeer 
veel te wenschen over. Prins Maurits vroeg herhaaldelijk 
óm een scherprechter om orde te houden; de soldaten stalen 
vee, paarden, ja in Weesp zelfs het lood van de daken, zij 
braken huizen af en plunderden, zjj lieten zich door de 
boeren omkoopen om inundatién niet te stellen, enz.: slechte 
betaling en verpleging waren oorzaak van dien treurigen 
toestand. 

Van Nieuwerbrug tot Muiden werden een groot aantal uit- 
leggers geplaatst op de wateren en h\j de verschillende posten, 
die aanvankelyk zelf zoo weinig weerstandsvermogen bezaten. 
Zy waren alle met 4 & 10 stukken zwaar of licht geschut 
bewapend en met 15 è. 40 koppen bemand. Men gebruikte 
er allerlei vaartuigen voor, als tjalken, pontschepen, vracht- 
schuiten, enz. Er lagen er in de Wiericken, in den Rijn 
by Nieuwerbrug, in de Mye, de Kromme Mydrecht, aan den 
Uithoorn, by het Woerdensch Verlaat, in de Byieveld, in 
de Geuzensloot, by Ouderkerk, aan den Voetangel, enz. 
Bovendien bewaakten kleinere scheepjes en Groenlandsche 
sloepen , zonder geschut , de inundatie , terwyi eindelyk op 
de Zuiderzee en het IJ 12 grootere en kleinere oorlogsschepen 
geplaatst waren, om te beletten dat de vyand van uit het 
veroverd gebied zou trachten over de zee naar Amsterdam 
te komen. Aan de beschreven inundatie sloot van den Uit- 
hoorn tot Muideft die om Amsterdam aan, welke stad door 



449 



haar eigen werken en die op de accessen door de inundatiên 
in geduchten staat van tegenweer was gebracht. Wy zullen 
de positie om Amsterdam hier evenwel met stilzwygen 
Yoorbygaan. 

Thans nog een paar woorden omtrent de resultaten die men 
met de HoUandsche Waterlinie verkregen heoft. Zy heeft 
het vaderland behouden ; schooner uitkomst kan men zich 
niet voorstellen en — bedenken wy dat wy nog in onze 
dagen dezelfde kracht bezitten. 

Het Fransche legercommando beging de groote fout met 
de krachten van het leger te versnipperen. In weerwil van 
den raad van Turenne, werden in de veroverde plaatsen 
een 40,000 man aan bezettingen verdeeld. Den lOden Juli 
ging Lodewyk uit Zeist met een deel van het leger naar 
's Hertogenbosch , waar ook het leger van Turenne , dat Ny- 
megen en de Betuwe veroverd had , en het leger van Chamilly 
bijeen waren; vóór deze plaats zullen toen ook een 40,000 
man vereenigd zyn geweest. De troepen die in en om Utrecht 
gebleven waren ook tot bezetting van Woerden , Oude water, 
Montfoort en IJselstein stonden onder opperbevel van 
Luxembourg. 

De Koning, die stellige bevelen had gegeven niets tegen 
de sterke stelling der Hollanders te ondernemen, vóórdat de 
inundatiên bevroren zouden zyn , trok in het laatst van Juli 
met een deel dier troepen naar Frankryk terug, Chamilly 
trok met een ander deel naar het Luiksche en Limburgsche , 
terwyi Turenne eerst met 12000 man naar Bommel, Wamel 
en Leerdam vertrok, doch later een leger by Wesel samen- 
trok om het Brandenburgsche leger in bedwang te houden. 
Tegenover de HoUandsche Waterlinie bleven in de Betuwe 
een 6000 man onder de Lorges by Leerdam en in en by 
Utrecht een 10 b. 12000 man onder Luxembourg. 

Het leger der Republiek werd intusschen meer en meer 
versterkt, eerstens door de verspreide vluchtelingen uit de 
veroverde plaatsen en de garnizoenen die vryen aftocht hadden 
bedongen, ten andere door nieuwe wervingen. 

In het begin van 1673 was het leger sterk nominaal ruim 
90,000 man, waarvan echter wellicht veel moet afgetrokken 
worden daar er schandeiyk bedrog gepleegd werd by het wer- 
ven, verantwoorden van zieken, enz.; benevens uit een kleine 

89 



450 



8000 man Spaansche hulptroepen. Dat leger was het, waarin 
de jeugdige Willem III, in Juli tot Stadhouder benoemd, 
krijgstucht en zelfvertrouwen wist te brengen , dat al zeer 
spoedig by Woerden en Naarden schitterende bewyzen van 
zyne dapperheid gaf en waarmede hy reeds in het laatst van 
het jaar den vyand op vreemd grondgebied durfde gaan aan- 
tasten. Tot afwering van een vijand die soms op de kust 
zou mogen landen, waren voorname lyk gewapende burgers 
en huisluiden bestemd; gelukkig dat onze vloot de Fransche 
en Engelsche vloten steeds versloeg , want , was het tot een 
landing gekomen , dan zouden die troepen zeker wel in hun 
taak te kort zijn geschoten. 

Door het staken van hun zegevierenden tocht bij Naarden 
en Utrecht begingen de Franschen een groote fout : wij zagen 
hoe slecht bij ons alles in orde was, hoe onnoemelijk veel 
er ontbrak, wat ons leger in sterkte en gehalte beduidde, 
hoe lang het hier en daar duurde vóór de onderwaterzettin- 
gen gesteld waren, maar dat alles werd beter na verloop 
van tijd, zoo goed zelfs dat na eenige maanden er zeer weinig 
kans bestond voor den vijand om ooit binnen Holland te 
komen. Dat is echter volstrekt geen reden om nu in onze 
verdediging te wanhopen , nu wij zeker met een meer voort- 
varenden vijand te doen zullen hebben; de kracht des lands 
bleef onveranderd, laten wy ons slechts voorbereiden. „Ce 
qu*il nous faut c'est Ie travail" zeide Violet-le-Duc na den 
oorlog van 1870; laten wij arbeiden vooruit, dan behoeven 
wij geen 1870 te beleven. 

Hoewel de Franschen voorloopig geen emstigen aanval 
mochten wagen, zoo vielen wel kleinere gevechten voor. 
Zoo wilden zy aangezet door de boeren , den Graaf van Hoorn 
beletten den weg van Goejanverwelle naar Oudewater door 
te snyden, doch werden totaal geslagen. In Juli bezette 
Hoorn Oudewater nadat het door de Franschen verlaten was. 
Een aanslag op Gorinchem werd verijdeld door de troepen 
welke Wirtz tegen den vijand afzond; deze bevelhebber ver- 
meesterde kort daarop het Huis te Poederoyen. De Franschen 
deden van Utrecht uit vele strooptochten en veroverden op 
een daarvan de Sloten te Loenen en Loendersloot. Bij het 
Woerdensch Verlaat en in den Krimpenerwaard werden zy 
geslagen ; zy begingen steeds vele gruwelen en staken doi-pen 
in brand, enz., vooral moesten Loosdrecht, Hilversum en 



451 



Eemnes het ontgelden. Half September werd Woerden door 
de Franschen bezet, dat onbegrijpelijker wyze door de Hol- 
landers onbezet was gelaten. 

Luxembourg bevond zich met betr. weinig troepen te Utrecht, 
te midden van een v^andig gezinde bevolking en was niet 
in staat met hoop op goeden uitslag ergens een krachtigen 
aanval te doen , al ware dit door Lodewyk toegestaan. Zeer 
juist gezien was het dus van den Prins van Orai^je om thans 
omgekeerd tot den aanval op den vjjand over te gaan. Een 
aanvalsplan op Naarden in het laatst van September kwam 
niet geheel tot uitvoering , doordat troepen die over zee moes- 
ten komen storm hadden en niet aan land konden komen. 

Een aanval van de Fransche zijde daarna op den Post te 
Ankeveen gedaan werd afgeslagen. Den lOden Oktober had 
de gedenkwaardige aanslag op Woerden plaats, die wel mis- 
lukte maar het bewys leverde dat onze troepen reeds een 
groote kracht bezaten. Hoewel de onzen van 3 kanten de 
stad aanvielen, verydelde de voortvarendheid van Luxembourg 
hare verovering. Door een misslag van een onzer bevelheb- 
bers, den dapperen Zuijlenstein, die sneuvelde, kon Luxem- 
bourg, in den nacht door het water en door de boeren van 
Kamerik den weg gewezen, in diens rug komen ; na hevige ge- 
vechten werd Zuijlenstein's post vermeesterd; op de overige 
punten werd de vijand teruggejaagd en zelfs een vaandel op 
hem veroverd. Het beleg van Woerden werd daarna opgebro- 
ken ; aan onze z\jde waren 6 a 800 man, aan de Fransche 
waarschynlyk 2000 gesneuveld. 

Na dit eerste groote gevecht deden de Franschen vele 
kleine tochten ; by een van welke zy over de inundatie langs 
het slot Abcoude heen in dit dorp wisten to geraken en bg 
een anderen namen zy , na een hevigen weerstand eei^ uit 
legger in de Byleveld; die uitleggers maakten het den vijand 
soms zeer lastig o. a. by een aanval op Muiden. 

De Franschen trachten ook onze inundatièn af te tappen , 
of het water tegen ons zelven te keeren; maar zy bewezen* 
daarby al heel weinig begrip van de waterstaatkundige ge- 
steldheid des lands te hebben : zoo staken zy den Lekdyk 
by Vreeswyk en het Klaphek door , dus op een laag punt , 
maar begrepen niet dat het binnenstroomende water door 
Rynland en Amstelland weer afgetapt kon worden. Zoo 
staken zy in Mei 1673 een gat in den zeedyk tusschen Mui- 

a9 ♦ 



452 



den en Naarden , om de inundatie af te doen loopen ; wel 
liep er soms water uit , doch niet altijd : bovendien was de 
inundatie weer aan te vullen, hoewel de Franschen de Vaart 
b\i Vreeswijk en de Vecht by Utrecht hadden afgedamd. 

In het begin van November durfde de Prins van Oranje 
reeds op grootere schaal aanvallend te werk te gaan en ver- 
trok met een leger van 30,000 man naar Brabant, waarna hy 
het beleg voor Charleroi sloeg. Aan Wirtz werd gedurende 
de afwezigheid van den Prins het opperbevel van Gorinchem 
tot Goejanverwelle opgedragen en aan Prins Maurits van 
Nieuwerbrug tot Muiden, terwyl o. a. de Graaf vanKonings- 
marck belast was met het bevel van de werken en het leger 
te Bodegraven. Men had nl. besloten, vooral met het oog 
op een mogelijk ophanden zynden vorst , de vroeger genoemde 
B hoofdpunten der linie sterk te doen bezetten en voorts een 
reservekorps bij de hand te houden voor het geval dat de 
vijand wellicht ergens over de bevroren inundatién zou door- 
dringen. Daartoe werd Bodegraven met versterkingen om- 
ringd en daarbinnen en te Alphen een leger van ongeveer 
18,000 man bijeengehouden. Bovendien werd Gouda in staat 
van tegenweer gebracht en bezet en versterkten zich de daar- 
achtergelegen Hollandsche steden, zelfs open plaatsen als 
's Gravenhage. 

Ten einde de nadeelen door het bevriezen der inundatièn 
tegen te gaan , werden , zoodra de vorst in het begin van 
December inviel, de maatregelen uitgevoerd die geadviseerd 
waren door het Hoogheemraadschap Rijnland, bestaande in 
het maken en openhouden van 6 êi 10 M. breede sleuven in 
den Rijn, de Wiericken, Mijdrecht, Kromme Mijdrecht, de 
polders langs de MiJe en in den Amstel en in de Gouwe , de 
Aar en den Drecht; voorts in het levendig houden van het 
water door in- en uitlaten op de boezemwaterenen uitmalen 
en inlaten in de polders. Ook hebben troepen op schaatsen 
dienst gedaan ter bewaking en beveiliging en deed men den 
vijand afbreuk door licht geschut geplaatst op ijssleden. 

In het laatst van November werd de Post bij Ameide door 
de Franschen genomen , die door de bezetting niet behoorlijk 
verdedigd was , en het dorp geplunderd en verbrand ; zy ver- 
lieten dit werk evenwel weder, trouwens tusschen dit punt 
en Nieuwpoort werd de Lekdijk nog op 2 plaatsen verdedigd. 
Xegen den winter besloot Luxembourg eindelijk een be- 



453 

slissenden slag te slaan : langzamerhand waren te Utrecht een 
17000 man vereenigd en over de inundatiön hoopte hü daar- 
mede in Holland te dringen en 's Hage te verbranden. Den 
27en Dec. , nadat het reeds lang hard gevroren had , vertrok 
hfl daartoe van Woerden met een 10000 man over het vjs in 
N.W. richting over Zegveld naar de kade langs de Mijdrecht; 
teneinde over deze te Zwammerdam en alzoo in den rug 
van Bodegraven te komen. 

Het ys was hier en daar vol wakken en gaten, waar- 
schyniyk door de beweging welke men in het water hield; 
2 maal moest Luxembourg een brug laten slaan over een 
niet toegevrozen wetering; hij ging te veel noordwaarts aan 
en kwam daardoor onder het vuur van den uitlegger in de 
Mijdrecht. De Franschen bereikten echter eindelijk de kade 
langs de MJjdrecht en kwamen daardoor zonder slag of stoot 
binnen Zwammerdam. De bevelhebber te Bodegraven nl. , 
Koningsmarck , die 4000 man onder zyn bevelen had en uit- 
drukkelyk in last daar stand te houden , had zyn troepen 
doen teruggaan op de Gouwesluis en Alphen. Daar viel 
eensklaps de dooi in en Luxembourg moeat nu langs den 
Ryndijk, als den eenigen weg terug; hij ware ongetwijfeld 
verloren geweest, volgens zijn eigen schrijven, indien ook 
niet de kolonel Pain- et- Vin den Post te Nieuwerbrug had doen 
ontruimen welke den Franschen den terugtocht geheel afsloot; 
nu kwamen deze na het plegen van vele gruwelen te Zwam- 
merdam en Bodegraven, weer behouden te Woerden. Pain- 
et Vin werd spoedig opgehangen , Koningsmarck niet en 
toch was deze hooger geplaatste bevelhebber zeker niet minder 
schuldig — waarschijnlijk door onkunde; hij was zelfs tot 
Leiden teruggegaan , waar de regeering de poorten voor hem 
sloot, terwijl de gedeputeerden te velde hem gelastten naar 
Alphen weer te keeren. 

Een aanslag op Muiden was denzelfden dag beproefd, doch 
afgeslagen. 

In het volgend jaar werd op voorstel van den Prins van 
Oranje het noordelijk deel der linie meer vooruitgebracht , 
nl. over Nieuwersluis, dat daartoe bezet werd , Niewer ter Aa 
de Demmeriksche Zuwe en de Wilnissche Zuwe naar het 
Woerdensch Verlaat, waartoe werken werden gemaakt te 
Nieuwersluis, te Demmerik en te Wilnis. Voorts werden in 
dit jaar de versterkingen van de linie , als Muiden , Weesp , 



454 



Woerdensch Verlaat, Gouwesluis, Gouda, Schoonhoven, enz. 
aanzienhjk verbeterd en Nieuwpoort bevestigd. Hier willen 
wy nog slechts vermelden, dat de inundatién, die wegens 
het vooruitbrengen der linie overtollig waren geworden, wer- 
den afgetapt , als t. W. van de Heijnoomsvaart en van den 
Uithoorn , enz. , terwjjl ook de Krimpenerwaard werd droog- 
gemaakt en de gaten in de d\jken werden gedicht, waardoor 
deze waard en de Lopikker- en Alblasserwaarden diep zouden 
kunnen onderkomen. Voorts werden andere inundatién, die 
veel te hoog stonden, gedeeltelyk afgelaten en een vast peil 
voor elk deel aangenomen. Voor het droogleggen van som- 
mige landen en het onderwaterzetten van andere was het 
maken van nieuwe en opmaken van oude kaden noodig; ter- 
wijl ook sommige boezemkaden o.a. langs den Amstel wer. 
den verzwaard om den boezem hoog opgezet te kunnen hou- 
den , ten einde nu drooggemaakte landen weer dadelijk onder 
water te kunnen zetten. 

En hiermede zijn wü het verhaal van dat gedenkwaardige 
jaar 1672 ten einde. Toen resp. in Sept. en Nov. 1678 Naarden 
en Bonn veroverd werden, was de vtjand genoodzaakt op 
weinige plaatsen na het land te ruimen en in 1678 sloot de 
Republiek een vrede, waarby zy geen voet gronds verloor- 
Die jaren 1672— *73 met hun schande en hun roem zyn ons 
ten voorbeeld, zoolang wy prysstellen op onze onafhanke- 
lykheid, doch houden wy steeds een open blik voor de ver- 
anderde tydsomstandigheden. 



BIJLAGE IIL 

DE NIEUWE HOLLANDSCHE WATERLINIE. 
(Hierby Kaart V). 

Deze linie is de doorloopende verdedigingslijn van Muiden 
aan de Zuiderzee, gaande over Utrecht Gorinchem en het land 
van Altena en aansluitend aan den Biesbosch. Zy dient tot 
verdediging van het rijkste en gewichtigste deel des lands 
©n heet zoo in tegenstelling met de Oude HoUandsche Wa- 
terlinie , die na 1672 is gemaakt , gaande over Nieuv7ersluis , 
Woerden, Linschoten en Gorinchem. 

. De Nieuwe HoUandsche Waterlinie daarentegen is veel 
verder vooruitgebracht en loopt nl. langs de Vecht tot fort 
de Klop en dan in een boog om Utrecht heen tot Jutfaas 
aan de Vaart, snijdt de Lek by Honswyk en Everdingen en 
de Linge by A speren en sluit aan de Waal aan t. W. van Vuren; 
in het land van Altena loopt zij van Giessen aan de Maas 
over de inundatiesluis aan de Bakkerskil naar het Steurgat. 

Langs die Hjn wordt een strook gronds onder water gezet, 
waartoe het water geleverd wordt door de groote rivieren 
en zoo noodig door de Zuiderzee. 

De dyken langs de Lek en de Merwe verdeelen de inundatie 
in 3 elk op zich zelf staande deelen , terwijl de hoogtever- 
schillen van het terrein tusschen Gorinchem en Muiden een 
verdeeling in eenige kommen noodzakelyk maken. W\j hebben 
dus hier te doen met een kominundatie. (Zie Bylage I bl. 429) 

De voordeelen van deze nieuwe waterlinie boven de oude 
zyn eerstens dat zij een grooter deel des lands verdedigt, 
welk voordeel niet zoo groot zou zijn , indien ten minste 
t. N. van de Lek daardoor niet juist de hulpbronnen van de 
welvarende streek en de groote stad Utrecht en de goede 
kwartieren voor troepen tusschen de oude en nieuwe lyn 
aan den vyand werden onthouden ; deze moet zich thans ver- 
genoegen met kwartieren en hulpmiddelen van de onherberg- 
zame zandstreken en minder bevolkte en minder ryke ter- 
reinen vóór de linie gelegen. Ten andere biedt de Nieuwe 



45G 

Hollandsche Waterlinie het voordeel boven de Oude aan, dat 
men van daaruit tot den tegenaanval kan overgaan als men 
de gelegenheid daartoe gunstig acht; want aan de Lek voor 
Jutfaas en voor Utrecht zijn niet te inundeeren terreinstroo- 
ken, die het ontwikkelen van een troepenmacht tot den 
aanval mogelijk maken, terwijl vóór de Inundatie het terrein 
in alle richtingen begaanbaar is. Dit laatste was vóór de 
Oude linie niet het geval en de Prins van Oranje ondervond 
daarvan in 1673 alle nadeelen : men kan in polderterrein , 
zelfs al is het niet geïnundeerd, met een troep van eenige 
sterkte toch niet dan over de enkele wegen voortrukken. Al 
hebben de tegenaanvallen echter niet zulk een verstrekkend 
doel als men er in 1673 mede beoogde — geheele verdrijving 
des vyands — zoo zUn zU toch nuttig om de aanvalswerken 
des vijands, de opstellingen van ztJn geschut, enz. zooveel 
mogelijk en zoo dikw^ls mogeiyk te vernielen en hem daar- 
door een geregelden aanval zoo moeilijk mogelijk of onmoge- 
lyk te maken. 

De zoogenaamde passieve sterkte van de oude linie was 
echter grooter : de inundatiön nl. waren aldaar veel gemak- 
kelijker te stellen; immers het water in de groote rivieren 
en de zee staat zelfs b\] de laagste standen nog veel hooger 
dan de diepgelegen polders daar: het kan dus ten allen 
ttJde met weinig of geen buitengewonen arbeid daarin ge- 
bracht worden, ook uit de altijd hoog op te zeten boezems. 

Voor de Nieuwe Hollandsche Waterlinie is de quaestie van 
onderwaterzetting niet voor alle deelen zoo eenvoudig: bfl 
zeer lage waterstanden kan voor sommige deelen alleen wa- 
ter verkregen worden door de sluis te Wyk by Duurstede 
uit de Lek , deze zal betr. spoedig in 's vyands handen val- 
len en bovenhien hangt de aanvoer naar de linie af van het 
vermogen van den wel verbeterden, maar toch alttjd niet veel 
beteekenenden Krommen Ryn. 

Ten andere is het terrein vóór de Oude Hollandsche Water- 
linie van dien aard dat daarop nergens door den vtjand aan- 
valswerken, enz. tegen onze versterkingen konden worden ge- 
maakt, deze laatste konden daarom zeer eenvoudig z^n; vóór 
de Nieuwe is dit volstrekt niet overal het geval; som- 
mige werken zjjn zelfs in vrU ongunstige positie in dit opzicht 
en andere moesten daarom zeer sterk worden gemaakt. 

De eigenaardige sterkte van onzen eenigen HoUandschen 



457 



bodem , waardoor aldaar zelfs niet eenmaal rekening behoeft 
gehouden te worden met sommige beginselen die de jongste 
oorlogen elders als noodzakeiyk hebben doen kennen, be- 
staat in betr. groote doelen van de Nieuwe HoUandsche Wa- 
terlinie in minder mindere mate. 

T. N. van de Lek is de inundatie in 4 kommen verdeeld 
(Op de kaart te onderscheiden door de verschillende richting 
der roode arceeringen.) 

De 1ste kom van den Zuiderzeed^k tot aan de Klop- , Ga- 
gel-, Achttienhovensche- en Kuigenhoeksche dyken, waarop 
Ft. de Klop, Ft. de Gagel, enz. liggen. Wegens het groot 
verschil in hoogte der landen van deze kom, van -1 A.P. 
in het noorden tot + 0,1 è + 0,3 vóór Ruigenhoek , wil men 
haar nog door de Tienhovensche Kade in 2 deelen scheiden , 
en dan de inundatie t. N. daarvan stellen op — 0,3 A.P. en 
t. Z. daarvan op + 0,3 A.P. 

Daar die kade echter niet door werken beschermd wordt, 
zal het wellicht den vj[jand gelukken haar door te graven en 
dan zou de geheeie kom op -f 0,30 A.P. moeten gehouden worden. 

De 2de kom tusschen den Klopd^k en den Maartensd^k- 
schen kunstweg (weg van Utrecht over Blauwkapel naar 
Maartensdijk) met een peil van -|- 0,6 A.P. 

De 3e kom tusschen den Maartend^kschen kunstweg en 
den Centraalspoorweg, met een peil van + 1,30 A.P. 

De 4e kom bestaande uit de geheeie inundatie t. Z. van 
den Centraalspoorweg tot aan en bü den Noorder Lekdük , 
met een peil van + 1,65 A.P. 

De inundatie dezer 4 kommen wordt gesteld uit de Lek 
en zoo noodig uit de Zuiderzee. Het Lekwater wordt 
nl. aangevoerd door het openen der sluizen blj W U k b y 
Duurstede, Honswjjk en Vreeswyk. Byde eerste 
plaats kan de rivier tusschen + 8,25 en 2,25 + A.P. (by ysgang) 
staan , de M.R. is daar 4,48 + A.P. ; in elk geval wordt dus 
het hoogste inundatiepeil (+ 1,55), dat men echter voorloopig 
wel lager kan nemen, door den stand te Wyk by Duurstede 
heheerscht. Het ingelaten water stroomt dan langs den Krom- 
men Ryn naar Utrecht en wordt opgehouden door de dam- 
sluis by Lunet I ; dat water wordt dan eerst zeer hoog op- 
gezet en is dus een belangryke hindernis voor den vyand, 
daarna vloeit het over zyn kaden en wordt zooveel mogeiyk 
noordwaarts geleid. Hierby valt op te merken dat de sluis 



458 

te Wijk by Duurstede beter ingericht kon zyn om meer water 
te geven en dat niettegenstaande de Kromme Ryn in de 
laatste jaren daartoe verbeterd is , dit aanvoerkanaal een 
niet zeer groot vermogen bezit. Voorts moet men in het 
oog houden, dat de sluis \)\j Wyk by Duurstede niet lang 
zal kunnen werken , daar dit punt niet versterkt is en geheel 
buiten de linie ligt en daardoor vry spoedig in 'svijands 
handen zal vallen ; voor het onderhoxiden der inundatie kan 
deze prise d'eau dus zeker geen dienst doen. De inundatie- 
sluis bij Honswijk voert het Lekwater door middel van een 
expresselijk daartoe . gegraven inundatiekanaal noordwaarts 
naar de Waalsche en Schalkwijksche Weteringen, welke 
laatste in den Vaartschen Rijn uitkomt. Langs de oostzijde 
van dezen loopt eene inundatiekade om het afloopen der inun- 
datie daarop te beletten ; sluisjes in die kade geven gelegen- 
heid om uit den hoogopgezetteu Vaartschen Rijn het water 
over de oostwaarts gelegen landen te brengen of wel de sluis 
in de Schalkwyksche Wetering bij de inundatie kan worden 
gesloten en het water vloeit over de boorden dier wetering, 
De sluizen by Vreeswijk kunnen medewerken om Honswijk 
te helpen en dus den Vaartschen Rijn hoog op te zetten; 
voorloopig kan het water daartoe worden opgehouden door 
de damsluis in den Vaartschen Rijn t. Z. van Utrecht bij 
Rotsoord. Is dit niet meer noodig, dan wordt deze laatste 
evenals de Weerdsluis te Utrecht geopend om zooveel moge- 
lyk water op de Vecht te brengen , welk water dan door de 
sluis in de Vecht bij Nieuwersluis en ook te Muiden 
kan opgehouden worden : door sluizen in de oostelgke Vecht- 
kade kan dan het water op de landen gebracht worden na 
eerst gedeeltelijk oostwaarts geleid te zijn o.a. door de Kerk- 
eindsche Vaart en de Tienhovensche Vaart die bü Tienhoven 
en Ft. de Gagel door sluizen gesloten kunnen worden. 

Wordt by ongunstige rivierstanden op de Lek, meer ver- 
damping dan regen, enz. niet bij tijds genoeg water geleverd 
door deze drie bronnen, dan kan de Muider zeesluis helpen, 
alwaar de zee slechts zelden beneden —0,8 A.P. daalt en 
welk water dan bij Nieuwersluis kan opgehouden worden. 
Men doet dit echter niet dan in hooge noodzakelykheid, daar 
men veelal zouc water voor de landen verderfelijk acht. In- 
tusschen is ook zonder kunstmatige inundatie het terrein 
tusschen Uitermeer en den Gagel in gewone tyden ten halve 



459 



geïnundeerd , daar de meeste polders óf geheel verveend öf 
ia vervening zyn en dit gedeelte dus dan reeds niet te pas- 
seeren is dan over een paar wegen uitloopend op den Vechtdyk. 
T. Z. van de Lek tot aan de Waal zijn er 3 kommen : 
De Ie kom tusschen den Zuider Lekdjjk en den Noorder 
Lingedijk , t. O. van den Diefdijk heeft een peil van + 2,5 A.P. 
hoewel voorloopig + 1,5 A.P. voldoende is, en wordt gesteld 
door de inundatiesluizen aan het Spoel en te 
Everdingen, van welke laatste het door een kort inun- 
datiekanaal zuidwaarts komt. By zeer lagen waterstand 
(-f 1,50 A.P. aan het Spoel), waarby nog komt de daling der 
rivier tengevolge van het aftappen by Wyk by Duurstede, kan 
de inundatie niet voldoende uit deze bronnen worden gesteld. 
Dit kan dan echter geschieden door de noordeiyke inundatie- 
sluis by Asperen (sluis ter afleiding van water van over- 
stroomingen) uit de Linge. 

De 2e kom tusschen de Lingedyken, die hetzelfde peil heeft 
en gesteld kan worden door het sluiten der Lingesluizen te 
Asperen of te Gorinchem. Dit kan ten allen tyde geschieden 
door het inlaten van water uit de Waal op het nieuwe 
inundatiekanaal van Tiel naar de Linge; de 
laagste stand van de Waal is daar -f- 8,8 A.P. Tiel ligt 
echter geheel onbeschermd buiten de linie en zal dus zeker 
niet lang kunnen werken. 

De 3e kom eindelyk , tusschen de zuider Linge- en noor- 
der Waaldyken , heeft een peil van + 1,50 A.P. , dat voor- 
loopig wel -f 1 A.P. zyn kan. Ook het water daarvoor kan 
uit de opgezette Linge verkregen worden door de zuideiyke 
inundatiesluis te Asperen of, als de Linge zelve of Tiel niet 
meer leveren kunnen, door de inundatiesluis ter afleiding van 
overstroomingen te Dalem of door de Lingesluizen te Gorin- 
chem; ook zou de Herwynensche uitwateringssluia by Vuren 
dienst kunnen doen , terwyi het stoomgemaal aldaar by vorst 
de inundatie gedeelteiyk zou kunnen aftappen. 

Eindeiyk wordt de inundatie in het land van Altena ge- 
vormd door slechts ééne kom die gemakkeiyk te inundeeren 
is , zoowel door het doorsteken van de boezemkaden als door 
het openen van de inundatiesluis by Woudrichem 
met kort aanvoerkanaal. 

Omtrent de beschreven inundatiön zy nog opgemerkt dat 
tal van kleinere sluisjes, enz. om aanvoer van water te be- 



460 

vorderen of afvoer te beletten in de laatste jaren gemaakt zijn 
geworden. Alle gereedschappen noodig voor het stellen zijn 
in de onmiddel\jke nabijheid op de forten voorhanden. Men 
bedenke voorts , dat de nog te noemen verdedigingswerken 
van dien aard zyn , dat zelfs met weinig of geen inundatie 
gedurende de eerste dagen een v^and zeer goed met succes 
het hoofd kan geboden worden. 

Door de inundatie nu voeren eenige accessen, nl. wegen, 
dtjken, droogblyvende gedeelten en rivieren, die natuurlyk 
verdedigd moeten worden, opdat de vijand daarlangs niet 
nadere. 

In het noorden te beginnen hebben wij : 

Den ZuiderzeedUk over Naarden en Muiderberg naar Muiden. 
Deze wordt aan de Vecht afgesloten door de vesting 
Muiden met het Kasteel en de Westbattery, 
waarom de eerste tevens de Naarder Trekvaart den weg 
daarlangs bestrijkt. Aan het andere uiteinde van deze beide 
accessen ligt de vesting Naarden met het Ronduit, 
die van groot gewicht z^n, omdat zy den zeed\jk tegen door- 
graving beschermen, waardoor de inundatie zou kunnen 
afvloeien of te hoog worden, maar vooral omdat Muiden 
tevens tot de Amsterdamsche Linie, ons laatste reduit, be- 
hoort, en nu door het voorgelegen Naarden niet aan een 
eersten aanval blootstaat. Om het terrein t. Z. van Naarden 
zoolang mogeiyk te kunnen behouden, liggen er eeniRe bat- 
terijen : 2 ter weerszijden van de Karnemelksloot , één aan 
den Koedijk en één voorwaarts van Bussum. Een nadeel 
vóór Naarden is dat op eenigen afstand oostwaarts hoogten 
liggen , van waar het beschoten kan worden ; tot een goede 
verdediging behoorden wij forten op die hoogten te hebben. 

De Oosterspoorweg wordt bestreken uit de vesting 
Weesp en het fort Uitermeer, welk laatste tevens 
het acces van den Broekdijk langs de 's Gravelandsche Vaart 
afstuit. Het fort Hinderdam, gelegen in de Vecht 
verdedigt den toegang langs de Kees-Jan-Toonekade. Zoo- 
wel Weesp als Hinderdam zijn niet bepaald noodig (een on- 
beteekenende kade kan men wel afgraven of anders verdedigen), 
maar kunnen een uitbreiding van den vijand langs de Vecht- 
dijken beletten , wanneer deze er al in geslaagd mocht zijn 
die dijken met schuiten of op andere wijze te bereiken. 

Het gedeelte der linie van Hinderdam tot fort de Klop is 



461 



gewis het sterkste van de geheele Nieuwe HoUandache Wa- 
terlinie. De geheel of ten deele uitgeveende polders t. O. 
van de Vecht maken elke andere nadermg onmogeiyk, dan 
die langs de weinige wegen die er door voeren en die daarom 
door werken afgesloten z^n. Zelfs die werkjes zouden van 
nog minder beteekenis kunnen z\jn, ware het niet dat het 
denkbaar biyft , dat vooral 's nachts de vijand met vaartuigen 
over de Inundatie komt en dus in den rug dier fortjes. De 
groote zaak is hier dus waken en uitkeken; gebeurt dit 
behoorlyk door infanterie en cavalerie op de wegen voor- 
uit , en 's nachts door gewapende vaartuigen op de inundatie; 
dan is het zoo goed als onmogeiyk dat hier een v^and door- 
dringt. Mocht dit het geval z^jn, dan zullen hier en daar 
toch slechts enkele verspreide troepen, zonder verband en 
niet gel\jktydig, den Vechtdyk bereiken en dus gemakkelijk 
door eenige Nederlandsche troepen , met dat doel in een paar 
dorpen aan de Vecht gelegd, onschadelijk gemaakt kunnen 
worden. De bedoelde werkjes zjjn : Ft. K y k u i t op de Kor- 
tenhoefsche Zuwe, F^ Spion op de Bloklaan, F^ Tien- 
hoven of Kraaienest aan de Tienhovensche Vaart en 
Kade en het fort b^ Maarsseveen op den Maarsse- 
veenschen weg. Het fort Nieuwersluis dient evenals 
Ft. d e K 1 o p om een uitbreiding van den eventueel doorge- 
drongen v\jand langs de Vechtdyken te beletten; het eerste 
vormt bovendien het punt van aansluiting met de Amster- 
damsche Linie. 

Is alzoo dit deel der stelling zeer sterk van nature, minder 
is dit het geval met de positie om Utrecht. Zooals op de 
kaart te zien is , ligt t. O. van Utrecht een breede strook 
hoog terrein, die by de gewone inundatiepeilen niet onder 
water kan komen. De oude werken die dezen toegang ver- 
dedigden , nl. Ft. Vossegat en de 4 Lunetten op de Houtensche 
vlakte, waren daartoe in onzen tyd geheel onvoldoende ge- 
worden. Daarom heeft men sterke, groote forten moeten 
aanleggen meer voorwaarts nl. de forten by Vechten 
en R y n a u w e n , die een geregelde belegering zullen moeten 
doorstaan. Links en rechts van deze, aan den rand der 
inundatie liggen de battery op den Hoofddyk en het 
fort by het Hemeltje aan het Houtensche pad. 

Noordwaarts van Hoofddyk liggen de forten o. d. Bilt- 
straat en o. d. Voo rdorpschen dyk, het Ft. Blauw- 



462 



kapel, dat den Maartendykschen kunstweg en Oosterspoor- 
weg afsluit en de forten Ruigenhoek en de Gagel 
op de düken van dien naam ; de positie sluit in het zuiden 
aan den Vaartschen Ryn, bij het Pt. Jutfaas, dat met de 
battu aa.n den Overeindschen weg, het acces langs 
dezen weg en het ter weerszoden daarvan droogblflvend ter- 
rein bestrijkt. Achter de werken Blauwkapel , Blltstraat , 
Vossegat en de Lunetten loopt een gemeenschapsweg met 
doorloopende borstwering en batterijen. 

Een fout van de positie om Utrecht Is , dat ztj bestaat ten 
deele uit oude, later verbeterde werken en ten deele uit 
nieuwe; daardoor laat hun verband, hunne onderlinge onder- 
steuning en hunne werking op het voorterrein wel wat te 
wenschen over, dat hier en daar nog verergerd wordt door- 
dat het terrein om de werken o. a. om Rljnauwen zoo bedekt 
Is met bosch , enz. , dat er zeer veel arbeid noodig zal zyn 
In de eerste dagen des oorlogs, om hier het hoogst noodza- 
keltjke aan opruimingen, enz. te verrichten. Een ander ge- 
brek is , dat de werken niet ver genoeg oostwaarts liggen , 
waardoor Utrecht o. a. uit het noordoosten niet Is gevrijwaard 
tegen een bombardement met veldgeschut; dit zou minder 
zijn om Utrecht zelve, maar In de eerste dagen des oorlogs 
zal het vervoer aan materieel , geschut , troepen , enz. door 
die stad zeer groot z\jn , uit die stad zal men bovendien veel- 
hulp willen trekken en een en ander gaat onder 'sv^ands 
granaatvuur zeker niet zeer rustig In z\jn werk. 

Het volgende acces is dat van de belde Lekdyken, de Lek 
zelve en de droogbiyvende terreinstrook t. N. van den Noorder 
Lekdijk. 

T. N. van de rivier dienen ter verdediging het Ft. bjj 
Honswijk met de Lunet aan de Snel, tevens dienende 
tot bescherming van de Inundatlesluis , de gemeenschapslinie 
achter en langs het Inundatlekanaal van Ft. Honswljk naar 
den Korten Uitweg met eene Battery by de Lunet en de 
Battö aan den Korten Uitweg. Voorts ligt meer noord- 
westelijk de Battö aan de Waalsche Wetering ter be- 
strijklng van de Inundatie , terwyi eindelijk bij Vreeswyk een 
werk ligt ter bescherming der sluizen aldaar als de voorlig- 
gende positie mocht gevallen zijn. 

Op den Zulder Lekdijk liggen het werk aan het Spoel, 
tot bescherming der inundatlesluis en daarachter het fort 



463 



by Everdingen met een battery op den Dief dyk achter den 
Prüsschen Weg. De genoemde werken tot welker verbetering 
groote sommen besteed zyn, verliezen veel van hunne kracht 
door de ongelukkige ligging van den Staatsspoorweg. De spoor- 
wegdammen die toegang geven tot de Culemborgsche brug, 
liggen t. N. van de Lek op + 18 en t. Z. op + 17,60 A. P.! 
Van daarachter kan de vjjand het Spoel en Everdingen als 
in een diepte zien liggen en met vuur overstelpen; valt 
Everdingen, dan zal ook Honswyk niet lang meer kunnen 
volhouden. Zoo doet de Staat zelf door dien ongelukkigen 
spoorweg, die, achter de werken gelegd, ons van zoo groot 
nut had kunnen zyn , de kracht van eigen werken , uit de- 
zelfde schatkist aangelegd, voor een groot deel te niet. Daar 
men zich aan oude werken heeft gebonden, is ook de onder- 
linge ondersteuning niet zooals z^ wezen moet : dit alles is 
het gevolg van het niet werken naar een vooraf gemaakt 
algemeen plan van het geheel. 

Tusschen den Zuider Lek- en den Noorder Lingedyk vinden 
wij verder geen enkel acces dan den spoorweg Dordrecht-Elst; 
t. O. van het snypunt met den Diefdljk is hy afgesloten door 
de Battn a. d. Dief dyk. Tot verdediging van de beide 
Lingedijken en de daar aanwezige sluizen ligt op den rechter 
oever binnendijks het werk bU Asperen, ierwyi , om de 
sterk kronkelende Lingedijken , waarachter de vijand gedekt 
zou kunnen naderen , beter te kunnen bestrijken, op eenigen 
afstand t. Z. van den Zuider Lingedyk het Ft. aan de 
Nieuwe Steeg is aangelegd. 

De toegangen gevormd door de Waal en de Maas en de 
daarlangs gelegen dyken worden afgesloten door het Ft. by 
Vuren op den Noorder Waaldyk , dat tevens de achterge- 
legen sluizen beschermt, de battery onder Brakel 
op den Zuider Waaldyk en die onder P o e d e r o y e n op 
den Noorder Maasdyk, terwyl een gedeelte der omwalling van 
Loevestein ingericht is ter bestryking van het Munnikke- 
land na eventueelen val dier batteryen. Ter verdediging 
van het terrein voorwaarts van de inundatie in het Land van 
Altena ligt by de scheiding van de Giessensche Steeg en den 
Hoofdgraafweg het Ft. b y G i e s s e n , dat al zeer zonderling 
vooruitgeschoven ligt door geen enkel werk ondersteund; 
tot afsluiting van de accessen van den üppelschen Dyk en 
den straatweg van Breda, dient het Ft. a. d. üppelschen 



464 



Dyk (Al te na), van den d^'k langs de Bakkerskil, het 
Ft. aan de Bakkerskil en van dien langs den nieuwen 
bandtjk van de Nieuwe Merwede het Ft. aan h e t S t e u r- 
gat. Wy zien dus Gorinchem en Woudrichem door een 
boog van werken omgeven ; die oude vestingen zelve worden 
aan de aanvalszijde in hun verouderden staat onderhouden ; 
daar z\i niet aan eersten aanval blootstaan zUn , z^j tot nu 
niet volgens de eischen van dezen tyd ingericht. 

Ziedaar de Nieuwe Hollandsche Waterlinie zooals zfj feite- 
lijk is ingericht. Die lyn van verdediging, waarvan zooveel 
afhangt, heeft gebreken, waarvan wy de grootste opnoem- 
den , en die het gevolg zijn van gebrek aan een voorafberaafnd 
plan van het geheel , dat als basis by de uitvoering had moe- 
ten strekken; die gebreken zullen oorzaak zyn dat men op 
sommige punten , b. v. aan de Lek , aan den Krommen Ryn, 
meer levende strydkrachten van een zeer goed gehalte voor 
de verdediging zal behoeven dan anders het geval zou ge- 
weest zyn. Die lyn biyft evenwel sterk; haar passieve kracht 
is groot door de inundatiên en door de omstandigheid dat de 
aanval door de groote rivieren en door den hoog opgezetten 
Krommen Ryn in deelen wordt gescheiden. De technische 
inrichting der werken zelve is — behalve waar men te veel 
aan ouden vorm vasthield — zeer goed te noemen ; alle be- 
noodigdheden , aan meubels , enz. tot de doosjes pennen in 
de kamers der commandanten zyn aanwezig; de gereed- 
schappen tot het in staat van verdediging brengen , tot het 
onderwaterzetten , benevens het telegraafmaterieel om alle 
werken te verbinden is in deze aanwezig; de bewapening is 
op enkele uitzonderingen na zeer goed te noemen , het nieuw- 
ste geschut is voorradig, enz. enz. 

Nu nog maar de mennekes I zooals Daendels zeide. Een 
betere organisatie, enz. van het leger en meer, veel meer 
voorbereiding — zoodat in oorlogstyd alles gedaan zy wat 
binnen zekeren tyd gedaan moet wezen — als die beiden ver- 
kregen zyn , dan kan het vaderland gerust wezen. 

En mocht de Nieuwe Hollandsche Waterlinie vallen, daar- 
achter eerst komen wy in onze volle kracht. De Oude Hol- 
landsche en Amsterdamsche liniên of zooveel andere , die wy 
maar voor 't scheppen hebben in zeer korten tyd , kunnen 
niet b^zwyken ; zy zyn te verdedigen tegen de geheele wereld. 



Alphabetisch Register. 



A. 

bl. 
Aalst (molenpolder van) . 249 

aanmalen 115 

aanwassen 315 

Aardappeldijk 241 

Aardappelengaatje . . . 262 
Aardenburgsche Haven . 3()0 
Achterdevel (boezem) . . 270 
Aduarderdiep . . 374 en 378 

Aduarderzeil 379 

afwaaien . . . 58, 92, 161 
afwatering Ned. gebied 
op hoofdrivieren 24, 26, 

27, 39 en 40 
Alblasserwaard (bodem) . 94 
(afwatering) 143, (Hoog- 
heemraadschap V. d.) . 85 

Alluvium 71 

Alm (de) (boezem) . . . 245 
(Hoogwaardschap) . . 247 
Alphensche sluis . . . 238 
Altena (Land van) . . . 244 
ambacht , ambachtsbe- 
waarder, ambachtsheer 122, 125 
Ameide (sluis te) . . . 144 
Ameland (aansluiting a/d 

wal) 331 

Ameland (eiland) . . . 421 
Amelandergat .... 421 
Amstel en Nieuwer-Am- 
stel (Heemraadschap van 

den) 197 

Amstelland (Hoogheem- 
raadschap) 195 

Amstellandsboezem . . 155 

Amstelsluizen 156 

Amsterdam (Stadswater 
van) (boezem) .... 158 
Ai\jumer- en Lioessenser- 
polder (polder) .... 329 
(waterschap) .... 358 



bl. 
Anna-Paulo wnapolder (pol- 
der) 173 

(waterschap) .... 216 
Annerveensch Kanaal. . 373 
A. P. (Amst. peil) ... 3 
Apeldoornsch Kanaal . . 225 
ter Apeler Kanaal . . . 372 

Appeldijk 49 

Arembergergracht en sluis 396 
Arkelsche dam (stoomge- 
maal en sluis) .... 144 
Arkenheem (polder) . . 415 
Arnemuidensche Gat . 294 
Arnhemer- en Velperbroek 
(polderdistrict) .... 223 
Asperensche sluizen 48 en 233 
Assendelverveenpolder . 169 
Atmotferische neerslag 1 en 99 



Baaksche Overlaat . . . 222 
Baarbroeksche en Anger- 
gerlosche Zomerdyken 
(polderdistrict) . . . . 22i 
Baardwyksche Overlaat . 20 

Bakkersdam 300 

Bakkerskil 244 

Ballumermieden (pr. en 

watp 422 

baljuw 121 

Banckspolder 422 

bannen (in Noord-Holland) 209 
BarneveldscheofFlierbeek 413 

Bathpolders 297 

Bazeldyk 49 

bedijkingen 98 

Beekbergsche beek . . . 224 

beekbezinking 13 

Beemster . . . 94 en 173 
Beersche Maas (en Over- 



tl 



ALPHABETISCH REOISTER. 



bl. 
18 en 240 
. 385 



(aan 



55 

271 
885 
179 
111 

2 
45 



laat) • • • 
Beersterdiep . . . 
beheer der rivieren 
Beierland .... 
Bellingewolderzijldiep 
Belmermeer . . . 
bemalingswerktuigen 
beneden en boven 
een rivier .... 
Benedendams (a. de Lek) 
Beneden-Merwede . 14 en 25 
Bergen (Vereeniging van 
polders en oningepol derde 
landen onder) .... 216 
Bergsche Diep .... 263 
Bergsche veld (Biesbosch). 276 
Bergumermeer .... 342 

Berkmeer 176 

Berkumersluis .... 399 
Bernisse (boezem) 266 en 267 
(Hoogheemraadschap de) 268 
besturen (der waterschap- 
pen) 131 

Bierumerpomp .... 381 

Biesbosch 276 

B\jlandsch Kanaal ... 15 
Byieveld (waterschap). . 196 
Bijleveld en de Meerndyk 

(waterschap) 198 

Byimermeer 156 

Bildt (het) 321 

Bildtpollen (waterschap) . 329 
Biltsche of Zeistergrift . 140 
Binnenbedykte Maas . . 12 

(boezem) 273 

Binnen- of Nieuwe Vecht 

(boezem) 899 

binnenwater (bepaling) . 103 
Bisschopsgraaf (boezem) . 234 

Bleeke Kil 244 

Bleiswyksche droogma- 
kerij 147 

Bleiswyksche Meren . . 147 
Bodegraven (schutsluis) . 159 

Boerendiep 386 

Boerensluis 176 

boezem (hooge, lage, vrije , 



bl 
besloten, berg- voorboe- 
zem). . . . 108, 110, 112 

boezemland 107 

Bokhovensche Overlaat 19, 241 
Bommelerwaard .... 247 
ld. boven den Meidyk (pol- 
derdistrict) 249 

ld. beneden den Meidijk 

(polderdistrict) .... 249 
Bommelsche Wetering 

(boezem) 248 

Boorn (of Koningsdiep) . 340 
Boorndiep (Middelzee) . . 820 

Bossche Sloot 243 

Boterdiep 376 

Botlek 24 

Boutensteinsche sluis • . 235 
Bovendams (a. d Lek) . 45 

bovengemaal 108 

Boven-Merwede . . 14 en 25 

Braakman 299 

Brakelsche Dwarsdjjk . . 248 

Brandkreek 300 

Breede Watering bewes- 
ten IJerseke (pr.) 297 en 298 
breedte van rivieren . . 5 
Brielsche Nieuwe Maas . 25 

Broekermeer 179 

Broekersloot 414 

Brouwershavensche Gat . 263 
Brummensche Bandijk 
(polderdistrict) .... 223 
Buikslootermeer .... 179 
Buitendijks (in Groningen) 366 
Buitenreve (boezem) . . 409 
Buitenwater (bepaling) . 103 

Bullendijk 213 

Bultsterverlaat .... 872 

bundergeld 132 

Bunschoter- en Duister üit- 
watering in Zee (water- 
schap) 416 

Bunschoter-, Veen- en Vel- 
dedijk (Hoogheemraad- 
schap) 416 

Buren (polderdistrict) . . 236 
Burger-Nieuwland 418 en 420 



ALPUABETISCH BJDGISTER. 



III 



bl. 
Burghorn (bedyking) . . 177 

C. 

Cadzandi Watering van)pr. 393 
calamiteuse polders . . 257 
Calloo (boezem van) . . 307 
Candia .... 14 en 220 
capaciteit (eener rivier) . 5 
Gaspar-Robles- of Kolonels- 
diep 844 

centrif ugaalpomp . .116 
Compagnons-Dwarsvaart 

(boezem) 355 

contributiön (zeedijks-, in 
Friesland) . . 328 en 359 

Cothergrift 139 

Culemborg (polderdistrict) 236 

D. 

Dalemsche overlaten en 
inundatiesluis .... 49 

dalgronden 71 

Damsterdiep 374 

darg 312 

Dedemsvaart (kanaal en 

boezems) 398 

Delfland (Hoogheemraad- 
schap) 188 

Delflandsche Hoofden en 

SlaperdUk ... 64 en 141 
Delfshaven (uitwatering) . 145 
delta's (vorming) ... 67 
Denneburgerdyk .... 240 

Deurloo 265 

Deursensche Kade . . . 240 

Diefdük 48 

Diemerdammershiis . . 156 

Diemermeer 156 

Dieze (boezem) .... 242 
dyken langs de hoofdri- 
vieren 40 

dykgraven ...... 121 

deklasten 132 

(in Friesland) 325 
dijksbesturen , . , • , 130 



bl. 
dykscontributiön (Fries- 
land) 829 en 359 

dijksdistricten (in Over- 

Ösel 891 en 396 

dpsfloreenen . . 826 en 327 
dyksgeslaagden . 54 en 130 
dyksheemraden .... 123 
dijkshoofdlieden .... 213 
Dijkshoek ... 324 en 343 
Dijk van de Gooier Meent 184 
Dijkwater (open water en 
boezemt . . . 289 en 291 

diluvium 69 

Dirksland (boezem v. d. 

Haven v.) 279 

(Bestuur v. d. Gemeene 
Uitwatering v.) . . . 280 
Dokkumerdiep .... 331 

Dokkumer Ee 343 

Dokkumer Nieuwe Zy- 
len . . . . 346, 347, 352 

DoUard 366 

Dollardpolders 366 

Donge (rivier) 282 

doorbraken .... 43, enz. 
Doorslag (schutsluis a. d.) 151 
Dordrecht (Eiland van) . 275 
Binnenstad en Polder- 
stad (pra.) 275 

Stadswater v. (boezem) 275 

Waterschap Dordrecht 276 

Dordtsche Kil . . 25 en 261 

dorpen (in Noord-Holland) 209 

Dorpsterzöl 381 

Drachtster Compagnons- 
vaart (kan. en boezem) • 354 
Drechterland (afwatering) 177 
(ambacht) 213 
Drechterlandsche Zeedyk. 206 
Dreischor (polder) 289 en 290 
Drempterdyk . . 51 en 222 
Drentsche Diep .... 371 
Dreumelsche sluis . . . 288 
Drielsche Wetering (boe- 
zem) 208 

Drie Sluizen (waterschap) 416 
Drie Zielen en do Geereu 



IV 



ALPHABETISCU REGISTER. 



bl. 

(waterschap) 417 

Dromerdök 208 

Dronthen (Bestuur der be- 

düking langs) .... 406 
Dronther Overlaat . . . 405 

Dronthersluis 409 

Duinkavel ... 168 en 208 
Duur&wold (boezem en wa- 
terschap) 381 

Dwarsdiep 372 

E. 

ebbe en vloed 56 

Edam (sluis) 171 

Eelderdiep 370 

Eem (rivier) 413 

(Hoogh V. d. Eem beken 

en aankleve van dien) . 413 
Eemland (Waterschap) . 406 
Eemlandsche Dijk . . . 414 
Eemnes (Waterschap). . 417 
Eemnesser vaart (boezem) 417 
Eemskanaal (Gr. Scheepv. 

Kanaal) ... 375 en 382 

Eemspolder 365 

Eendracht 264 

Eendrachtspolder (Goeree 

en Overflakkee). . . . 148 
Eendrachtspolder (Texel) 418 
en 420 
Eethensche en Meeuwen- 

sche Zeedük (Waterschap 

v. d.) 231 

Eierlandspolder . 418 en 420 

El (riv.) 410 

Elburgsche Dijk .... 406 
Elizabethpoldèr .... 801 
St. Elizabeths vloed 11 en 250 
Elshout (den) (uitwate- 

ring aan) 143 

Emiliapolder 282 

(de Groote Emiliapolder) 

(waterschap) 288 

Emmikhovensche d^k. . 231 
Engwierumerpolder 329 en 358 
Erfdijk 240 



bl. 
Erlekom (Pr. van) . . . 219 

Erosie 66 

Evergunnewetering en E. 

sluis 225 

Everingen 265 

V. Ewycksluis . . . .173 
Exmorrasterdijk . . . .321 
Exonoreerende landen 

(Collegia v. d.) . . . . 414 
Ezumazijl (uitwateringsl.) 330 

P. 

Ferwerderadeel (Water- 
schap de Zeedyken v). . 329 
Fiemel (uitwateringssluis) 384 

Fijenoord 269 

Finsterwolde (bedijking) . 367 
en 384 
Fivel (of Damsterdiep) . 374 
Fivelingoo (boezem en 

waterschap.) 881 

Flauwers inlaag (voorboe- 
zem) 290 

Flauwewerk (op Goeree) . 259 

floreenen 825 

Fluessen (de) 339 

Friesland (in 't algemeen) 309 
Frieslands boezem 337, 338, enz. 

Friesche Gat 331 

Friesche Zyien . .341, 346 

G. 

Gaarkeuken (Verlaat) . 374 
Gaasterland . . 323 en 332 
Galathesche polder (boe- 
zem V. d.) 278 

gang (van molens) . . . 112 

Ganzediep 408 

Gratdam 48 

gecombineerd collegie . 236 

geërfden 236 

geérfdendag 236 

Geestmerambacht 211 en 214 
gehoefslaagden . 54 en 130 
Geldersche Dijk .... 404 
Geldersche Gracht (boez.) 411 



ALPHABETISCH REGISTER. 



bl. 
Geldersche Sluis . . . ,411 
Geldersche Vallei (b\j over- 
strooming) 44 

Gemeenschappelüke pol- 
ders (29, op Texel). . . 19 
Gerbenallesverlaat 344 en 853 

getyen 56 

Giessendam(waterinlaten) 143 
Goejanverwellesluis . . 151 
Goeree en Overflakkee . 278 
Goingarüpsterpoelen . 339 
Gooiland ( Vergadering van 

Stad en Lande van) . . 417 
Gooische Meent . . • .417 
Goot ........ 403 

Gouda (uit watering v. Rijn- 
land en schutsl.) 159 en 160 

Gouweboezem 161 

Graftmeer ... 169 en 174 
's Gravelandöche Trek- 
vaart (boezem v.) . . . 155 

Grebbedök 44 

Grevelingen 263 

Grift .224 

Groenedtik 241 

Groene Dyk 321 

groenelanden(in Friesland) 346 
groengronden ..... 70 

Groningen (in 't algemeen) 359 
Groot Arbitrament (in 
Friesland) ...... 325 

Groote Brekken .... 339 

Groote Haskeveenpolder . 335 
Groot Gemeeneland van 
Arkel (waterschap) . . 187 
Groot Mijdrecht (Water- 
schap) 157 

Groote Polder (boezem v. 

d., enz.) 281 

Groote St. Johannisgaster- 

veenpolder 335 

Groote Waard . 11, 12, 272 
Groote Wetering (Veluw^e) 225 
Groote Wetering (N.-Brab.) 

(boezem) 243 

Groote Scheepvaartkanaal 
(Eemskanaal). . 375 en 382 



bl. 
Gwti'nepomp (Zie centrifu- 
gaalpomp). 

H- 

Haanwykerschutsluis . . 157 
en 164 
Haarlemmermeer (droog- 
makerij; 162 

(polder en bestuur) 204 
Haarlemmersluis • . . 159 
Haarlemmertrekvaart . . 161 
Haarrün (boezem v. d.) . 154 
Haartelsche Gat .... 26 
Haastrecht (uitwater. te) 150 
(Waterschap v. d. hoogen 
boezem achter) .... 192 
haffen (vorming van) . . 66 
Halfweg (uitwatering v. 

Rijnland) 159 

Hals (de) 263 

Hammen (de) 264 

hand- en spandiensten . 326 
Hanepraaisluis (en stoom- 
gemaal) 159 

Haringvliet 262 

Harlingen (schut- en uit- 
wateringssluizen) . , , 364 
Hasselt en Zwartsluis (2e 
Dijksdistrict van Over- 

ijsel) 398 

(polder) 409 

Hattem (polderdistrict) . 410 
Hauler- en Wepervenen . 335 

Havelter Aa 379 

Havendijk (te Nieuwediep) 206 
Haven van Dirksland (boe- 
zem V. d.) 279 

Haven van Goeree (boezem 
V. d. Spuikom v. d.) . . 279 
Haven van Middelhamis 
(boezem v. d.) . . . 279 
Haven van Nijkerk (boe- 
zem V. d.) 415 

Haven van Zevenbergen 
(boezem v. d.) . . . . 284 
Haven van Zierikzee . . 289 
Hazendijk 212 



Vi 



ALPHABETISCH HEülSTEft. 



bl. 

Hazerswoudsche boezem. 161 

„ droogmakery 163 

Hedikhuizensche Maas 

(boezem v. d.) . . . . 243 

Heegermeer 339 

heemraden (hooge en ne- 
der-) 122, enz. 

heemraadschap . • . .122 

heemrecht 124 

Heerenhuissche Vlietje 
(boezem v. h.) . . . . 283 
Heeijansdam (uitwat. te) 270 
Heerenwaardensche Over- 
laten en kanaal: . 20 enz. 
Heer-Hugo waard . 94 en 176 
Heidenschapsterveenpolder335 
Heijcop (boezem v. d) of 
de Lange Vliet .... 154 
.Waterschap) 193 
Hetjsche Sluis. , ... 270 

heinslooten 96 

Heldam (schutsluis a. d) 155 
Heldersche Zeewering. . 206 
Hellegat ....... 802 

Heiomazül - 395 

Hemaal (Pr. van het Hoog 

en Laag) 242 

Hemdük 321 

Hemelumer-Oldephaert en 
Noordwolde (waterschap) 330 
Hempenzermeerpolder . 333 
Hendrik- Ido- Ambachts- 
polder 270 

Hertogswetering (boezem 
V. d.) ....... 242 

Herwen, Aerdt en Pan- 
nerden (polderdistrict) . 220 
Heusden (Land van) . . 244 
Hillegatsche siuis . . . 246 
Hilversumsche Meent. . 417 
Hindeloopen (schut- en 

uitw sluis) 346 

Hinkelenoord (slikken van) 287 
hoefslag .... 54 en 130 
Hoeksche Waard ... 272 
Hoendernesterdijk . . . 223 
Hoendiep 874 



bL 
Hof van Holland ... 124 
Hollandsch Diep .... 262 
Hollandsche IJsel (riv.) . 186 
(boezem v. d. gekanali- 

seerden) 150 

Hollumermieden (pr en 

waterschap) 421 

Holwerd (W^ester- en Oos- 
terpolder V.) 356 

(West- en Oostpolder-Zee- 

dyken onder )( waterschap) 329 

Hondsbossche Zeewering. 64 

en 170 

(Hoogheemraadsch v. d 

H en Duinen tot Petten) 207 

Hondsboschgeld .... 207 

Hoofddiep 379 

hoofdgeérfden 236 

hoofdingelanden .... 124 

Hoofdingelanden v West- 
friesland ...... 215 

Hoofdplaatpolder 301 en 304 
hoofdrivieren (beschrij- 
ving, enz) 7, enz. 
Hooge Maasdyk .... 241 

(Hoogheemraadschap v.d). 231 
Hooge of Wakkere Dyk . 415 
Hoogedyksheemraden en 
hoogeheemraden . . . 123 
Hooge Rijndijk (zuider) . 161 
Hoogeveensche vaart . 379 
Hooge Zeedyk(Schielands) 48 
Hooglurensche dyk. . . 222 
hoogveen . . . . 71, 311 

Hoornder-Nieuwland . . 420 
Hoomsche Diep . . . .371 

hornlegers 318 

Houten (Waterschap.). . 198 

Huigendyk 212 

Huisselingsche Kade . . 240 
hulpgaten (voorbereide) . 232 
Hulpgaten (in de Landen 
van Heusden en Altena, 
Waterschap de) ... 232 

Hunse (riv.) 371 

Hunsingoo (boezem) . . 379 
(waterschap) . 380 



AL^ttABETISCtt REGISTEU. 



Vil 



bl. 
ingelanden . . . . 24; 204 
inlaatduikers en inlaat- 

hevels ••.-... 117 
inlaten van water (bij wa- 
tergebrek) 116 

Inundatiesluizenin de Lin- 

gedüken 238 

by Dalem 48 
Ipenslootersluis .... 166 
Irnsuroerzijl . . 850 en 362 
Isabellawatering (boezem) 804 

J. 

Jaflfa (schutsluis) ... 153 

Jonkersvaart 879 

Joostendam 155 

Joostland (St.) .... 294 

K 

Kadoelen(uitwatering Wa- 
terland) 178 

Kampereiland 407 

Kamperveen (pr.) ... 404 
(9eD\jksdistrictvan Over- 

Üsel) 409 

Kanaal van Terneuzen . 805 

Kanonsdyk 228 

Kapitale Dam 801 

Kapitale of Middendijk 
langs het Wad .... 
Kapitale of Provinciale 
Zeedijk langs het Wad . 369 

Karne 234 

Kattenwaard .... 407 
Katwyk (uitwatering van 

Rünland) 159 

kavelslooten 96 

Keen (boezem v. d. . . 273 
keersluis (bepaling) . .110 
keerschutten (by Delft en 

Overschie) 147 

Keeten • 264 

Keizerinnesluis .... 148 
Kepkensdonksche Dyk . 241 



bL 

Ksrkdyk 406 

Keirkeindschd Vaart (boe- 
zem T. d.). ..... 154 

Kerkvaart 153 

Ketel (Keteldiep) ... 403 

keuren 121, 126 

Kielsterdiep 37S 

kienhout 75 

killen 12, 277 

kistingen 43 

Klaphek ('t) ... 45 , 150 

klokkenslag 48 

Kockengen (Waterschap). 196 

Koediep 884 

Koegras 172 

koepolders 184 

Koelhorst (waterschap) . 416 

Koevorde 339 

koggemeesteren . . . .213 
Kolhornerdiep (boez. v. h ) 177 
Kollumerland en Nieuw 
Kruisland (waterschap). 329 

Kommerzyi 879 

Kommerzyisterdiep . . . 878 
Koningsdiep (Friesland) . 340 
Koningsdiep (Groingen) . 370 
Kontermansverlaat . . . 394 

Koppeldyk 240 

Kornsche Dyk . . . .231 
Kortenoord(uitwat.a.d.)110,148 
Kortland en Kleinpolder. 148 

kosten 131 

Koudumer Slaperdyk . . 328 
Krabbe ....... 261 

Krabbekreek 292 

kraggen 392 

Krammer 268 

Krimpener waard. . . 94 
(Hoogheemraadschap v. d.) 192 
Kromme Ryn . . 189, 151 
Kromme Beek .... 225 

Kuilaart 839 

kwelders (of schorren) 73 , 98 
314, enz 

L- 

laagveen 74 



V!I1 



ALPHABETISCH REGISTEB. 



bl. 
Hollandsch laagveen 74, 184 
Friesch-Overüselsch laag- 
veen 8Ö9 

laagwater (L. W.) ... 57 
Laaksche Vaart .... 285 
Land d. Zes Molens (watp) 187 
landsfloreenen . . . 325 

Langbroeker Wetering . 139 
Langgatsche Veer (sin is) 284 
Langweerder Wielen . . 839 
Langereisdyk . . . 176, 214 
Lapschuursche Gat. . . 300 
Lathumsche sluis . . . 221 
Lauwers (rivier) . . .341 
(geul) .... 368 

Lauwerszee 331 

Leekstermeer 370 

Leeuwensche Wetering 

(en sluis) 238 

Legmeerpolders . . . .157 
Leidschendam (schutsluis) 147 
en 163 
LeUen (de) . . . . 342 , 352 
Leits (de) (boezem). . . 350 
Lekdyk v. d. Krimpener- 

waard 45 

Lek(ken)d\jk , Bovendams 
en Benedendams . 45, 141 
Lekdyk Bovendams (Hoog- 
heemraadschap V. d.) . 181 
Lekd\jk Benedendams en 
den IJseldam(Hoogh.v.d.) 181 
lekwater ...... 119 

Lemstersluis (waterschap) 330 

(sluis) . . 346 

lengteproflel (v. een rid) 2 

Lepparecht 349 

Leppedjyk .... 349, 352 

Leppeverbond 349 

Leussche Haven. . . . 285 
Lichtmiskanaal . .898, 399 
L\jmers(de)(polderdistrict) 2.1 
Lijmersche Band\jk. . . 221 
Ly merscheOverlaat(voorm.) 52 

Linde 853 

(3 panden als boezems) 394 
Lindesluis 395 



bl. 
Linge . : . . 37 , 145 , 283 
Lingedüken. ... 48, 233 

Lingesluizen 2üS 

Linge-uitwatering (Water- 
schap der). ... 188, 237 
Lopikkervaart .... 151 
Lopikkerwaard . • . . 136 
Loss (in Limburg) ... 69 
Luntersche Beek(Heiligen- 
berger beek) . . . .413 
Lutjeschardam (sluis; . 171 



maalpeil (bepaling) . . .109 
Maas (de, rivier) . 17, 26 
Maas en Waal (polderd.) 238 
Maassluis (uitwatering te 145 

Maiendyige 87 

Malewetering(Waterschap 416 

Mallegat 361 

Makkum (sluis) . . . • 346 
Makkumermeer (droogma- 
kerij) 333 

Mandjeswaard 407 

Mark (boezem v. d) (Tie- 

lerwaard) 23i 

Mark en Dintel (rivier) . «85 
(Heemraadschap v. d.) 288 

Marken 424 

MarndUk 321 

Marsch, Lede en Oude- 
waard (polderdistrict) . 237 
Marswetering (boez. v. d ) 401 
Mastenbroek (polder) 402, 406 
Mastenbroek (4e Dyksdis- 
trict V. Overüsel) ... 404 
Maurikerwetering . . . 234 

Meedemerdiep 372 

Meedhuizermeer .... 363 

Meerdük 48, 233 

Meerland (droogm. in Gro- 
ningen) 363 

' Meidük 30, 247 

Melopolder 307 

Meppelerdiep(boezemv.h.) 397 
Middelzee (of Boorndiep) . 320 



ALPHABETISCH BEGISTER. 



IX 



bl. 
Mient- of Niedorperkogge- 

boezem 176 

Mijdrechtsche droogmake- 

ryen 157 

Mirdumerklif 823 

Mimerklif ...... 823 

moerasveen 74 

molenkolk 112 

molenkoloniên (of molen- 
polders in Groningen) . 368 
molenmeesteren .... 213 

molentocht 96 

Molkwerumerzijl . . . 846 

Monnickemeer 178 

Monnickendam (uitwater.) 1 79 

Morra 339 

Mosselkreek 292 

M. R. (middelbare rivier) . 4 
Muiden (uitwatering te) . 155 
Muider Zeesluis . 159, 184 

Munnekezijl 845 

Munnikkeland . . . 265 
Muntendammer diep . . 372 
Mussel Aa 371 

Naardermeer 417 

Naardertrekvaart (boezem 
V. d. , enz.) • . . . . 155 

nat proflei 5 

natte omtrek . ... 5 
Nauerna (sluizen) . . .171 
Nauw van Bath .... 264 
Neder-Betuwe (polderdis- 
trict • . 236 

Nederwaard (boezem v. d.) 143 
(Waterschap v. d.) . 185 
Negenboerenpolder . . . 387 
Nesserzyi .... 350, 852 
Niedorperkoggeboezem of 

Mient 176 

Niedorperkoggestrijkmo- 
lens (waterschap) . . . 215 
Niedorperkogge (Ambacht 
der Schager- en Niedor- 
perkoggen) 214 



bl. 
Niedorperverlaat . . . . 176 
Nieuw Afwateringskanaal 
(in Groningen) . 377, 381 
Nieuw Bonaventura (Be- 
stuur der Gemeene Uit- 
watering der P«.,) enz. . 274 
Nieuwe Bak (boezem v. d) 243 

Nieuwe Bildt 322 

(waterschap) . 329 
Nieuwe Bildtpollen . . 322 
Nieuwe Kanaal (langs War- 
mond) 162 

Nieuwe Leppedijk . . . 350 
Nieuwe Merwede ... 13 
Nieuwersluis (schutsl.) . 157 
Nieuwe Statenzyi . . . 155 
Nieuwe Waterweg (Hoek 

V. Holland) 24 

Nieuwe Wetering (Veluwe) 225 
Nieuwe Wetering (Rykv. 

Nijmegen) 238 

Nieuwe Wetering(Salland) 389 
Nieuw Hellevoet (boezem 
V. d. Pre, enz.) .... 267 
Nieuwkoop (Pr. van) (droog- 
makerij 163 

Nieuw- Vosmeer (Watp de 

Pr. van) 289 

Nieuw-Kruisland . . . . 822 
Nieuwland ofZuryperpolder 42 1 
Nieuw Uit wateringskanaal 
in Zeeuwsch Vlaanderen 

(boezem) 303 

Nijkerkerpolder . . . .415 

Nittershoek 327 

Noord (rivier) . . . 25 , 261 
Noord- Beveland .... 295 
Noordbroekstervaart en 

verlaat 384 

Noorderleeg (bedijking) . 322 
(waterschap) . 329 
Noorder IJ- en Zeedijk -. 205 
Noord-Holland (wat vroe- 
ger zoo heette) .... 180 

Noordkade 241 

Noorlandsche Dyk . . . 141 
Noordwoldervaart . . . 395 



ALPHABETISCH REGISTER. 



bl. 
Noordwolderveenpolder . 345 
Noordzeekanaal (kanaal en 

boezem) 166 

Nust (sluis a. d.) ... 237 



Oyenscbe zeedijk ... 240 
Olbürgsche D^k .... 222 
Oldambt (boezem en watP) 388 
Oldbroek (Pr en watp) .411 
Oldenhaafsche Dyk ... 222 

Omloopdljk 211 

omslagen 209 

onderhoud dyken in ('tal- 
gemeen 54 

opwaaien 58, 92, 110, 147, 161 
Oo\j (Circul van de) (Polder- 
district) 219 

Ooysche Dyk 219 

Oorden (de) 339 

Oost-Dongeradeel (zeedyks- 
contributie . . . . 329 
Oost- en West-Dongera- 

deel (watp) 357 

Oost-Dongeradeel (polder) 357 
Oost-Duivelandsche of 
Bruiniösepolder .... 291 
Oostelyke Rykswaterlei- 
ding (boezem) .... 301 

Oosterdiep 372 

Oosterdijk .... 176, 214 
Oostergoo . . . .319, 323 
Oosterwolde ipr en watp) 410 

Oostpolder 387 

Oost-Voorn 252 

Oostwolderpolder . 367, 384 

Oostzaan (pr) 216 

Opsterlandsche Compag- 
nonsvaart 855 

Oranjepolder 165 

Oranjesluizen (Schieboe- 

zem) 145 

Oranjesluizen (Noordzee- 
kanaal) 166 

Ossche Meerkade ... 241 
Ossenwaardsche Dam . . 220 



bl. 

Ossenzyi 395 

Oterdum (waterschap) . 383 
Oud-Bildt (waterschap) . 329 
Oud-Bildt (bedyking) . . 321 
Oud-Bonaventura (bedy- 
king) 272 

Oud-Dussensche Zeedyk 
(DykscoUegie) .... 231 
Oud-Bildtpolder (bedyking) 322 
Oudeland van Strjyen (be- 
dijking) 272 

Oude Lindedyk en West- 
Stellingwerf (WatP V. d.) 395 
Oude Maas . . . 25, 261 
Oude Maasje (rivier) 245, 282 
Oude Maasje (boezem) . 245 

Oudendijk 211 

Ouden Koedood (boezem 

V. d ) 270 

Oude Schoorlsche Zeedijk 170 
Oude Schoterzijl ... 346 
Oude Statenzijl . . . .371 
Oude Westfriesche Zee- 
dijk 170 

Oude Wetering (Maas en 

Waal) 238 

Oude Wetering (Salland) 389 
Oudland van Altena(watp) 247 
Oudorp (uitwatering , 

strijkmolens) 175 

oudwaarsmannen . . . 218 
Over-Betuwe (polderdis- 
trict) 236 

Overflakkee (en Goeree) . 278 
Overtoom (schutsluis a. d ) 157 
overstroomingen (algem.) 42 
Overwaard (boezem v d.) 148 
(Waterschap v. d.) 186 

P. 

Pannerdensch Kanaal 14, 15, 24 
Papendrecht (Pr. van) . . 165 
Parregastermeer .... 833 
Passageule (water en be- 
dyking) 800 

Pas van Neuzen . . . 265 



ALPHABETISCH REGISTER. 



XI 



bl. 

Peizerdiep 370 

Pekel Aa 373 

Pettemer Zeewering64, 170, 207 
St Philipsland .... 292 
Pijphorne (kanaal) . . . 343 

plasberm 97 

plas verveningen .... 91 
Pley (doorgraving v. d.) 15 en 16 
Pluimpotpolder .... 292 
Poelkolk(stoomgemaal a/d) 178 
polder (bepaling). . 89, 127 
polderbemaling . . . .111 
polderdistricten .... 235 
poldermeesters .... 236 
polderstoomgemalen . .115 
Poldervlietje (boezem v. h.) 283 
Politiereglement v. d. pre 

in Zeeland 308 

Politie (Regl. v. , o. d. zee- 

waterkeerende dijken, enz. 

in de Prov. N -Brabant . 244 

pompmolens 114 

Poortugaal (Gemeeneland 

V.) (watp.) 271 

Praamgracht of Pijnenbur- 

grift 416 

Prins-Alexanderpolder 93, 165 
Prinsendijk (of Wiericke- 

dük) 46, 161 

Prins-Hendrikpolder 

(Texel) .... 419, 420 
Prins- Willempolder . 300, 304 
Proost wetering . . . .153 
Provinciale Zeedijk tus- 

schen Muiden en Naarden 184 

Purmer 94, 174 

Puttemerbeek 410 

Putten (Hoogheemraad- 
schap) 268 

Putterpolder 415 



Q. 



Querdamm 



219 



B. 



Raaksmaatsboezem 175, 212 



bl. 
Baaksmaatslasten . . . 217 

Raam (riv.) 242 

Rapijnen en IJselveld , 
Cattenbroek en Haanw^k 
(Watp V. d.gem.boezem v.) 205 

Rechtediep 403 

rechtsmacht (der hoogere 
waterschappen 124, 125, 203 

Reest (riv.) 397 

Reglement o. h. beheerd. 
Rivierpolders in de Prov. 
Gelderland . . .230, 235 
Reglement o. h beheer der 
bedgking langs Dronthen 409 
Reglement voor de admini- 
stratie V. d polders in 

Zeeland 308 

Reiderland (boezem en 

waterschap) 384 

Reiderlandersluis . . . 385 
Reiderwaard (bedijking) . 269 
(Hoogheemraadschap Oud 

en Nieuw) 271 

Reiderwolderpolder Ie en 

2e Ged 367 , 384 

Reygersbergsche polder . 297 

Reitdiep 374 

(boezem v. tf.) . 377 
(polders langs het) . . . 364 
Rekere . ... . . 179, 319 

Rekerdijk 211 

Rekerlanden . . .175, 214 

Renselverlaat 373 

Rijk van Nymegen (pol- 
derdistrict) 239 

Rljksche Wetering t en sluis) 238 
Ryn (riv.) ..... 7, 24 
Rijn en Dyk (watersch.) . 193 
Rijnland (Hoogheemraad- 
schap) 198 

Rynlandsboezem . . . 158 
Rykswatermolen . . . 385 
Ry perkolk (stoomgemaal 
V. Waterland) .... 178 

Rimmertspijp 346 

ringdijk 95 

ringvaart 95 



XII 



ALPILVBETIÖGH REGISTER. 



Zuidpi 



bL 



las 



Ringvaart v. d 

(boezem v. d.) . . . . 148 
rivier (bepaling) .... 2 
rivierbezinkingen • . . 70 

rivierklei 75 

rivierstand (bepaling') . . 3 

(Tabel van rivierstanden) 28 
Royale Polder (waterschap) 288 
Ronde Venen (Grootwater- 
schap der) 196 

Roode Klif 828 

Roode Haan (waterloozing 

ad) ....... 414 

Roode Vaart of Haven van 

Zevenbergen (boezem) . 284 
roodolmgronden .... 867 
roodoorngronden . . . 367 

Roptazijl 346 

Rotteboezem 147 

Rottepeil 147 

Rotterdam (uitwatering , 

enz. te) . ^ . 145 tot 148 
Rozendaalschc en Steen- 

bergscheVliet (boezems v. 

h. Ie en 2e pand v d.) 286 
(Heemraadschap v d.) . 288 
Ruiten Aa (riv.) . • . 371 
Rustenburg (sluis en strijk- 
molens te) 176 



8. 



Saeftingen (verdr. land en 

bedijkingen 301 

Salland (7e Dijkdistrict v. 
Overijsel) ....;. 401 
Sallandsche Weteringen 

389, 400 

Sassche Gat 302 

schaardyken 42 

Schaar van Waarde . . 265 
Schager- en Niedorperkog- 
gen (Ambacht v West- 
friesland) 213 

Schagerkog^eboezem . . 177 
Schagerkoggestrijkmolens 
(waterschap) .... 215 



bl. 

Schagersluis 177 

Schansegat of Buiten Aa . 368 
Schaphalster- en Winsu- 

merzyien 380 

Schardam (uitwatering te) 171 

Scharmerzyl 381 

Scheemderverlaat . . . 884 

scheislooten 96 

Schellingwoude (afsluit- 

dam te 166 

Schengen 298 

SchenkeldUk 142 

Schenkenschans .... 11 

schepenen 122 

schepraden (staande) . . 113 
schepraden (hellende). . 114 
schepradmolens . . .113 
Schermer(droogmakerij)94,174 
Schermerboezem . . .117 

Scheur 24 

Schie , (Rotterdamsche , 
Schiedamsche en Delfs- 

havensche) 145 

Schieboezem .... 145 
Schiedam (uitwater. te) 145,146 
(deel van Schieland) 190 
Schieland(Hoogheemraad- 

schap) 190 

Schielands Hooge Zeedijk 

141, 182 
Schiermonnikoog • . . 422 

Schinkeldyk 213 

Schoorl (Vereeniging van 
polders en oningepolderde 
landen onder) .... 216 
schorren (of kwelders) 73, 98 
Schoterlandsche Compag- 
nonsvaart 356 

schouten .*..... 122 
Schouwen en Duiveland . 289 
(polder Schouwen) 290 
(Waterschap) 291 
(Oosteren en Westeren- 
ban V.) 292 
Schouwensterzyl . . . 380 
schutkamer of schutkolk 118 
Schutlakensche Dam . . 241 



ALPHABETISCH REGISTER. 



XIII 



bl. 

schutpeil 119 

schutsluis 118 

schutwater 119 

sedemendatie .... 66 
Separatiedam, de Bleeke 
en Oostkil (waterschap) 247 
Sir Jansland en Oostland 

(pr.) 289, 291 

SlaagscheDijk(of Overlaat) 414 

Slaak (geul) 293 

Slachtedijk 821 

(gebied v. d.) 326, 328 

slaperdyken 42 

^Slaperdtjk van Delfland . 142 
Slaperdyk van Rijnland 142, 188 
Slaperdijk (in de Geld 

Vallei) 44 

Hlenk (geul) 381 

ölykenburg (afsluitdam) . 394 

slikfonds 91 

si ik vangers 97 

Slimdijk 212 

Öloe 294- 

Sloten (Alg. Bestuur der 
vereenigde polders onder) 204 

Slotermeer 339 

sluisgang 108 

öluissche Gat .... 300 

Sneekermeer 339 

Snippelings Overlaat. 51, 222 
Soestwetering . . . 389 
Spaarndam(uitwateringte) 159 
Spaarndamsche Dyk . 142 
span- (en hand) diensten 54,326 
Spongen (Waterschap) . 196 

Spijkerboor 277 

Springersdiep 264 

Spui (riv.) 261 

Spuiboezem v. d. Haven 

V. Brielle 267 

Stad en Lande van Gooi- 
land (Vergadering van) 194 
Stadsdam (schutsluis a. d. 152 
Stadskanaal . . . 371, 372 
Stads-Musselkanaal . . 372 

Stadspolder 385 

Stadswetering .... 154 



bl. 
Staphorst (Polder van) . 897 

Starnraeer 174 

Statenbrug 139 

Statendük . . . . 324, 829 
Statenzijl(Oude enNieu we) 

871, 886 
Stavoren (sluis) .... 846 
Stavoren N. en Z. meer- 
polders (droogmakerUen) 333 
Steenbergsche Sas (uit- 

watering) 286 

Steenenhoeksch Kanaal 

88 , 233 , 237 
Steenwetering(boezem v.d.)399 
Steenwyker Aa ... . 395 

Steurgat 277 

stoomgemalen (boezem-)» Hl 
(polder-) . 115 
Stoomgemaal vanKampen 
(boezem v h.) • . . . 408 
stootkracht (van rivieren) 66 
Stoppeldijk (boezem v. d. 

pre. V. enz.) 306 

(Regl V. h. uitwaterings- 

kanaal d. pra., enz.^. . 307 
Strijensche Haven (boe- 
zem V. d 278 

strijkmolens • . . . . 109 

stroomdraad 2 

stroomgebied 2 

stroomsnelheid .... 2 

T. 

Tacozijl (uit watering) . 346 
Tacozijler Uitheying (pol- 
der) 322 

Terhornster- en Terka- 
plesterpoelen .... 339 

Termunterzljl (Oude en 
Nieuwe) ...... 884 

Termunterzijldiep . 876, 883 
Temaarderpolder . . . 356 
Ternaarderpolder Zeedy- 
ken (watp ) . ... 329 

terpen (of wierden) 87, 318 
Terschelling .... 421 



XIV 



ALPHABBTI8CH REGISTER. 



bl. 
Terschellingerpolder • .421 
Terwoldache Wetering . 224 

Texel 418 

Tholen 293 

(de Vrye polders onder) 

(WatP.) 294 

Tien Gemeten . , . . 274 
Tienhovensche Droogma- 
kerij 93 

Tienhovensche Vaart (bo- 
venpand, boezem) . . 154 
Tjeukemeer . ... 339 
Tjonger of Kuinder 339, 353 



Uiterdyken (in Groningen) 366 
uiterwaarden . . • . . 41 
Uithuizerpolder .... 387 
Uitwaterende Sluizen van 
Kennemerland en West- 
friesland(Hoogheemraad- 

schap V. d.) 210 

Uitwaterende-Sluizengeld. 210 
uitwatering v. rivieren in 

zee 65 

uitwateringssluizen . . 107 
Uit wateringskanaalHe\jst- 
Selzaete (boezem) . . . 304 
Uitwatering van Haatland 

(boezem) 408 

Urk 424 

Utrecht (Stadswater van) 152 



Vaart door den Hauler- en 
Weperveenpolder (boe- 
zem) 855 

Vaartsche Rijn . . 140, 151 
Vaart van Kuijkhorne . 

(en Nieuwe Vaart) 342, 352 
Vaarwater van Sas van 

Gent 265 

Vecht (Utrecht) .... 188 
Vecht (Overijselsche) . . 389 
Vechtboezem 152 



bl. 

Vechtdijken 391 

(Zuider-, 6e Dyksdistrict 

v. Overijsel) 401 

(Noorder-, 3e Dyksdistrict 

V. Overijsel) 

veen (vorming) ^ ... 74 

Veendijk 404 

Veenendijk, . . . 404 , 409 
veenmakerijen .... 93 
Veenpolder v. Opsterland 
en Aengwirden. . . . 334 
Veenpolder v. Aengwirden 334 
Veenpolder v. Echten . . 335 
Veenpolder v. West-Stel- 
lingwerf 835 

Veluwe (polderdistrict) 224, 216 
Veluwsche Bandijk . . 224 
verdamping . . . . 2, 99 
Vereeniging (Watersch.de) 384 

2 

21 

96 

22 

5 

132 

91 

92 

2 

246 

267 

165 



verhang (van rivieren) 

verhoefslagen 

verkavelen . 

verleggen Maasmond(plan) 

vermogen (rivieren) . 

verpondinggeerzen . . 

vervenen 

(in het droge) . . 

verval (v. rivieren) . . 

Vervoornepolder . . . 

Vierambachtenboezem 

V ierambachtspolder . 

Vierbannen (Water- 
schap de) 

Vierbannenpolder . 289 

Vierbansche boezem . 

Vierburen (Watersch. de) 

Vier Noorder Koggen (af- 
watering) .... 177, 212 
(Ambacht der) 213 
(Zeedijk der) ... 

Vierpolders (Waterschap 
der) 

Vijfdeelen Binnen- en Bui- 
tendijks (Waterschap 
de) 328, 829 

Vijfheerenlanden . . . 
(Hoogheemraadschap de) 



247 
291 
246 
881 



206 
256 



49 
187 



ALPHABETISCH REGISTER. 



XV 



bl. 
Vyf Polders onder IJsel- 
stein (Bestuur der) . . 193 

Vjjfsluizen 145 

Vpzelmolens 113 

Visvliet en Gerkeskloos- 
ter (waterschap) . . • 329 
Vlaardingen (uitwate- 

ring te) 145 

Vledderdiep 395 

Vledder-Wapse (water- 
schap) 396 

Vleutensche Weteringen 
(boezem v. d.) . . . . 154 

Vlieger (de) 161 

Vlieland 420 

Vlietboezem 161 

vlietlanden 107 

Vlist (boezem) .... 149 
volgers (ten platte lande) 214 
Volharding (bedyking) 418, 420 

Volkerak 269 

Vollenhove (ie Dijksdistrict 

van Overysel) .... 396 
Volzee (V.Z)( verklaring) 59, 369 
Voorne en Putten . . . 266 
(Hoogheemraadschap van) 268 
(Kanaal door» boezem). 267 
Voornsche Kanaal (by Hee- 
renwaarden) 20 

vronen (of vrije landen) 121 

W. 

Waal (de, riv.) . . . 12, 25 
Waal (de , boezem) ... 270 
Waalenburg (bed\jking)418,420 
waarborgfonds .... 91 
Waard- en Groetpolder 177, 216 
Waard-Nieuwland . . . 423 
waarschappen. . .121, 213 

waarschappij 213 

Wadden 330 

Wadpolders . . . 365, 386 
Wakkere (of Hooge) 

Dijk 415, 417 

Walcheren 294 

(polders A, B en C en 



bl. 

waterschap) 295 

Waligsdyk 212 

Wambergsche Beek (boe- 
zem V. d.) . . • . . 243 
Wapserveensche Aa . . 395 
Warregastermeerpolder . 333 
Wassenaarsche boezem . 171 

waterbezwaar 101 

watergebrek .... 102 
Watergraafsmeer . . . 156 
Waterland (Kavel) 169, 208 

(polder) 178 

(Hoogheemraadschap) . 216 
Waterlandsche meren 178, 216 

waterloozing 102 

water] ossing (Reglement 
o. d., in Noordbrabant) . 244 
waterschappen . . 88, 127 
Water van Rotte valle 

(boezem) 354 

Water van Surhuisterveen 

(boezem) 354 

waterstanden (tabellen) 28,60 

Weerdsluis 152 

Weezensluis 400 

Weiplaat 268 

Wende lige Weiden (pf en 
boezem v. d.) .... 397 
Werkensche boezem . . 246 
Werkensche Dyk . . . 259 
Westelyke Rykswaterlei- 
ding (boezem) . . . . 3()5 

Westergoo 819 

Westerkwartier (boezem 
en waterschap) . - . 378 , 379 
Westerschelde . . . 264 
Westerwolde (afw. en 

waterschap) 385 

Westerwoldsche Aa 

371 , 385 , 386 
West-Dongeradeel(zeedijks- 

contributie) 329 

(polder) 357 

Westfriesche omringdijk 211 
W^estfriesland 168, 211 enz. 
Westkappelsche Zeedyk 

64, 259 



XVI 



ALPHABETISCH REGISTER. 



bl. 

West-Voorn 252 

Weteringen in het Walp. 
Maartensdyk (boezem) . 140 
Weteringen t. N. v. h. Kan. 
Zwolle— Almelo (boezem) 400 

Weteringwal 240 

Wetsinghe (afsluiting te) 377 
Wetsingherzyl .... 380 
Wieldrechtsche Zeedyk . 275 

Wielingen 365 

wierden 87, 218 

Wiericke (Enkele en Dub- 
bele) 164 

Wiericken (Boezem van de 
beide, of Woerdens boe- 
zem) ' 164 

Wierickedyk (of Prinsen- 
dijk) 40 , 61 

Wierickedykslastenl89,191,199 
Wieringen (eiland) . . . 423 
(Dykbestuur van) 423 
(Polderbestuur van)(watp.) 424 
Wieringerwaard(bedyking) 179 
(waterschap) 216 
Wyiermeer (boezem v.h.) 219 
Wymbritseradeel en aan- 
hoorige Zeedyken (wa- 
terschap) 330 

Wijmerts 347 

Wildt (de) (riv.) . .220, 222 
Wllhelminapolder . . . 298 
Willem-Hendrikpoldor. . 309 
Willemsvaart (kan. en 

boezem) 400 

Wilpstervaart .... 379 
windwatermolens . . .111 
Winschoterdiep .... 375 
Winschoterpeü (W. P ) . 369 

Winsumerzijl 380 

Winsumerzyidiep . . . 869 
winterbed (van rivieren). 5 

winterpeil 104 

winterpolders (in Frie3land)337 

wipmolens 115 

Woerden (boezem van) . 164 

(Grootwaterschap) 204 

Woerdens Verlaat . . . 164 



bl. 

Wogmeer 176 

Wolphaartsdijk . . 297, 298 
Wonseradeels Zuiderzee- 

dyken (waterschap) . . 329 
Workuin (sluis te) . . .346 
Workumermeer(droogma- 

kerij) 322, 823 

Workumer-Nieuwland 

(waterschap) . . 322, 329 
Wormer, Wijde (droog- 

makerU) 94 , 174 

Enge, (droogmakerij) 174 
Wormer, Jisp en Nek 

(Heemraadschap) . . .217 



U. 



16 



IJsel CGeldersche) . . 
IJsel (zie Holl. IJsel). 
IJselmonde (eiland) . . 269 
IJseloevers . . . 221, enz. 
IJselstein (Bestuur der Vijf 
Polders onder) . . . 193 
IJmuiden (sluizen) . . .167 
yzeroer 70 



Zaandam (sluizen) ... 171 
Zalk (8e Dyksdistrict v. 

Overijsel) ... 404, 409 
Zalkerbroek en Holland- 

sche Akkers (pr.) ... 409 

Zandkreek 295 

Zandwetering .... 389 

zavelgronden 315 

Zederik (boezem van den) 144 
zee (de, in 't algemeen). 55 

Zeeburg 158 

Zeeburg en Diemerdyk 
(Hoogheemraadschap) 

(Dyksbestuur) .... 183 
Zeedijk beoosten Muiden 

(Hoogheemraadschap) 

(Dijksbestuur) .... 184 
Zeedyk t. O. van Naarden 

(Oostdijk) 184 



ALPHABETISCH REGISTER. 



XVII 



bl. 
zeeklei . . . . 73, 97, 309 
zeepolders . . . • 73, 328 
zeostanden (Tabel) . . 60 
Zeeuwsch Vlaanderen . 299 
Zeilvaart (de) ... 343 

Zeister- of Blltsche Grift. 140 
Zes Wielen (sluis en stryk- 
molens a. d.) . . . . 175 
Zevenbansche boezem . 246 
Zevenbannen (Watp. de). 247 
Zevenbergen (Bestuur V d 
Haven en Sassen v.) . 288 
Zeven Grietenyen en de 

Stad Sloten (watP.) . . 330 
Zevenwolden . . . 328 
zijlvestentjen (zylvesten). 376 
Zijpe (bedyking) ... 172 
Zijpe en Hazepolder (wa- 
terschap) 215 

Zyperschutsluis . . . .171 
Zoetermeersche-Meerpolder 94 
zomerbed (van rivieren) . 5 
zomerbemaling (in Fries- 
land) 337 

Zomerdyk 406 

zoinerpeil 104 

zomerpolders (in Friesland) 337 
Zouwedtjk .... 49, 185 



bl. 
Zuid-Beveland .... 296 

Zuiderdiep 262 

Zuiderdykagie TTerschel- 

ling) 421 

Zuid-Holland (wat tToe- 

ger zoo heette) . • . 180 
Zuid-Hollandsche(ofNieuw- 
Dussensche) polder . . 246 
Zuid-Hollandsche (of Groote) 

Waard . 11, 12, 180, 260, 272 
Zuidpias (droogniakery. . 

(boezem v. de Ringvaart 

V. d.) ... 94, 148, 149 

Zuidvliet 296 

Zuryperpolder .... 421 

Zwaagdijk 213 

Zwanenburg 100 

Zwartewater 389 

Zwartewaters- en Vecht- 

dyken (5e Dyksdistrict 

van Overijsel) .... 400 
Zwarte Wouden 
zwartmaken . 
Zwemmer (de) 
Z wette (de) . 
Zwyndrechtsche Waard . 269 
(Hoogheemraadschap v. d.) 270 
Zwin (het) 300 



. . 339 

. . 97 

342, 852 

. . 343 



, Kaarl 



[30Er 




a 

Cl 

Cl 
Cl 

a 




il 



i^ 



jl 



ir 



CM 



Th 16 book shou 



mm 



*^*-ary on or 



THE aORROWER WILL BE CHARGED 
AN OVEROUE FEE iF THIS BOOK tS 
NOT RETURNED TO THE LIBRARY ON 
OR BEFORE THE LAST DATE STAMLED 
BELOW, NON-RECEIRT OF OVERDUE 
NOTICES DOES NOT EXEMPT THE 
BORROWER FROM OVERDUE FEËS,